11 Afd. Korps Rijdende Artillerie "Gele Rijders"                                                 

 

1793 Oprichting Korps Rijdende Artillerie

21 februari 1793.

Op 21 februari 1793 heeft Prins Willem V twee brigades Rijdende Artillerie opgericht. Elk van deze brigades bestond uit twee compagnieën met in totaal 32 vuurmonden. Het Korps Rijdende Artillerie (KRA) diende als ondersteuning voor de cavalerie met als voorwaarde dat deze artillerie brigade snel verplaatsbaar was.

April 1793.

Het Korps Rijdende Artillerie is sinds april 1793 volledig operationeel en was de opleiding volledig afgerond.

1795 – 1940

Na een oorlog met de fransen waarin de artillerie gelijk ten strijde kon trekken werd Nederland in 1795 veroverd door de fransen. Het artilleriekorps kwam ter beschikking te staan van het franse leger en kreeg te maken met diverse grote veldslagen. Waaronder tegen de Engelsen en russen in 1799, in 1800 in een veldslag tegen het Oostenrijkse leger. Verder in 1805 in de strijd om Ulm, in 1806 na de stichting van koninkrijk Holland tegen het Zweedse Pommeren en van 1808 tot 1810 nam een deel van het korps deel aan de veldtochten in Spanje en een deel van het korps ging mee in de veldtocht van Napoleon tegen de russen. Deze Russische veldtocht kende slechts 3 overlevenden. In 1813 nam het korps dat in Spanje zat voor het laats deel aan een veldtocht onder leiding van de fransen tegen het Oostenrijkse leger.

Koninkrijk der Nederlanden.

In 1813 werd Nederland weer onafhankelijk en sloot deze zich aan bij de Engelsen in de strijd tegen Napoleon. Koning Willem II had de leiding over deze troepen. Doormiddel van kartetsvuur en doortastend optreden werd Napoleon uiteindelijk verslagen.

In 1830 en 1831 nam de KRA deel aan de gevechten tegen de opstandige zuiderlingen van Nederland ook wel bekend als het tegenwoordige België. Uiteindelijk scheidde deze zuiderlingen zich af en ontstaat België.

Op 8 april 1842 toont Koning Willem II zijn erkentelijkheid voor alle veldtochten door de invoering van een nieuw uniform. Tot op heden wordt dit uniform nog gedragen bij ceremoniële gelegenheden.

Het korps heeft in vele delen van Nederland gelegerd gezeten waaronder Haarlem, Leiden, 's-Gravenhage, Amersfoort, Arnhem en Schaarsbergen. Tijdens de legering in Arnhem werd in 1937 ZKH Prins Bernhard benoemd tot kapitein der rijdende artillerie.

In de maanden voor de 2e wereldoorlog werd er door het korps afscheid genomen van de paarden die altijd voor vervoer zorgde en werd het korps gemotoriseerd. In de meidagen van de 2e wereldoorlog vocht het korps bij Dordrecht tijdens deze gevechten werden er zware verliezen geleden bij manschappen en materieel.

1945 tot op heden

Na de 2e wereldoorlog bleek er geen plaats meer te zijn voor het korps bij het leger echter waren er veel oud artilleristen tegen de opheffing. Uiteindelijk werd in 1963 bepaald dat de veldartillerie de traditie zou voortzetten van de KRA onder de naam Afdeling Rijdende Artillerie. In 1973 besloot koningin Juliana tot ieders tevredenheid dat de eenheid zichzelf weer Korps Rijdende Artillerie mocht noemen. Sindsdien werd de 1e, 2e en 3e batterij weer ingevoerd naast de stafbatterij.

In 1989 werden als gevolg van reorganisatie de batterijen weer terug gebracht naar twee met elk vijf vuurmonden per peloton (per batterij zijn er twee pelotons) waar in 1990 bij elk een vuurmond werd toegevoegd.

Vanaf 1997 deelt het korps actief mee in de uitzendingen van diverse vredesmissies. (zie hiervoor uitzendingen)

In 1999 werd vanwege een reorganisatie het aantal vuurmonden teruggebracht van 24 naar 12. Het korps is tevens sinds 1999 gelegerd in ‘t Harde op de Tonnetkazerne. De Saksen Weimar Kazerne welke jarenlang als verblijfplaats van het korps heeft gediend is na het vertrek gebruikt als vluchtelingenkamp voor Kosovaarse vluchtelingen. Sinds het vertrek van deze vluchtelingen dient de kazerne als woonruimte en atelier voor diverse kunstenaars.

 

Uitzendingen

Vanaf de jaren tachtig tot op heden worden de rijders van het korps op individuele basis naar diverse landen uitgezonden op vredesmissie.

In 1997 wordt de 2e batterij ingedeeld bij SFOR 3 om deel te nemen aan de vredesmissie in het voormalig Joegoslavië. Hiervoor werden de rijders opgeleid tot een mortierpeleton daar ze deel zouden uitmaken van de mortieropsporingsrader-batterij. De ze uitzending werd in 1998 beëindigd.

In 1999 werd het gehele korps uitgezonden als eenheid naar Kosovo. Allereerst werd een voordetachement voor 2 maanden geplaatst op een Duitse legeringplaats in Macedonië. Dit ter beveiliging van de Macedonische grens en de Duitse collega’s. Nadat de oorlog in Kosovo ten einde was gebracht door de NAVO trok dit detachement Kosovo in waar het overige gedeelte van het korps zich erbij voegde. Deze uitzending duurde in totaal van april t/m december 1999.

Een aantal rijders werden in 2002 toegevoegd als wachtpeleton aan SFOR 13.

Voor de 2e maal mag de 2e batterij zich als mortierpeleton toevoegen bij dit maal SFOR 14. Zij zullen van mei t/m november 2003 verblijven in Bosnië. Zij zullen zich voornamelijk tijdens deze maanden bezig houden met patrouilles lopen.

 

Tijdens de begrafenis van Prins Bernard was 11AfdRA duidelijk aanwezig naast de vele andere militairen.

Het afuit waar de prins op werd vervoerd naar Delft is in de mei dagen van 1940 gebruikt door de Rijdende Artillerie. Tijdens het vervoer liepen aan beide zijden Gele Rijders in tenue mee naar Delft.

In Den Haag werden er kanonschoten afgevuurd in nagedachtenis van de rouwstoet.

De Gele Rijders kregen een zeer prominente plaats in de rouwstoet. Het in ’t Harde (Gelderland) gevestigde legeronderdeel heeft een bijzondere band met Bernhard. De prins werd in 1937 geïnstalleerd als kapitein der rijdende artillerie en bleef de afgelopen decennia nauw betrokken bij dat onderdeel. De Gele Rijders zien Bernhard dan ook als een collega-rijder.

De saluutbatterijen stonden op volgende plekken. 1 saluutbatterij stond in Rijswijk en 1 in delft. Tevens was er ook nog een ere escorte te paard, bestaande uit 9 paarden en ruiters van de afdeling vlak achter het afuit.

                                                                     Prins Bernhard  Gala Uniform Gele Rijders -Kapitein-

 

 

 

Tenuen van het Korps Rijdende Artillerie

Gevechtstenue cq dagelijks tenue.

Hoofddeksel                                                      


Het Korps Rijdende Artillerie heeft als hoofddeksel geen baret zoals alle ander wapen – en dienstvakken. Als hoofddeksel heeft men naar traditie de kwartiersmuts ook wel rijdersmuts genoemd. Deze kwartiersmuts is uitgevoerd in de korpskleuren donkerblauw en geel. De kwartiersmuts heeft als basiskleur donkerblauw en de biezen zijn geel aan de voorkant bevind zich het welbekende artillerie embleem bestaande uit de kruiskanonnen met kroon in geel uitgevoerd. Aan de voorzijde van de kwartiersmuts is een kwast bevestigt in de kleur geel voor de rijders/ soldaten en onderofficieren en goudkleurig voor de officieren;de rang van luitenant heeft hierbij een dunne kwast: genaamd torsades en bij de rang van kapitein en hoger heeft met een gekrulde, dikke kwast genaamd bouillons De kwast is afgeleid van het ceremoniële tenue waarbij hij bevestigt is aan de kolbakzak. In de tijd dat er nog geen strepen en sterren bestonden als rang bepaalde de kwast met zij vorm en kleur de rang.

 

Kraagpatten

Op de revers van het tenue draagt men het wapenembleem van de rijdende artillerie.

Op het donkerblauwekraagpat zijn de kruiskanonnen aangebracht met een geborduurd geel Rijderslis.

Ook het Rijderslis is afgeleid van het ceremoniële tenue.

Halsdoek

De halsdoek in de korpskleuren wordt alleen gedragen in opdracht van de korpscommandant.

Ceremonieel tenue (CT)

Algemeen.

Het CT bestaat uit de volgende onderdelen:

Dolman: Korte, donkerblauwe jas met opstaande kraag. De dolman is aan de voorkant borduurt met dubbele lissen van geel katoen voor de officieren geldt dat ze geborduurd worden met gouddraad. Verder wordt de dolman gesloten met koperen knopen en lussen. De broek bestaat uit een donkerblauwe pantalon met gele biezen aan de zijnaad. De dolman is van een oorsprong een cavalerie uniform. Om het dolman worden diverse fourages gedragen waaronder om het middel een sjerp welke word bevestigd, net als bij de kwasten zit hierin een rangorde (oranje voor officieren, rood en geel voor de overige rangen) en de bandelier of giberne.

Kolbak: Als hoofddeksel wordt de kolbak gedragen. Vervaardigt van berenvacht was deze kolbak bedoeld om sabelhouwen tijdens gevechten op te vangen. Aan de bovenzijde van de kolbak is de kolbakzak bevestigt die naar rechts afhangt aan het eind hiervan hangt weer een kwast afhankelijk van de rang. Aan de rechterbovenzijde bevindt zich een haak om hieraan de kolbaksnoeren vast te maken deze gaan van voor naar achteren om de kolbak. Tevens wordt het pijnappelsnoer bevestigt aan deze haak. Dit snoer wordt gestoken door een lus aan de onderzijde van de kolbakzak en daarna bevestigd aan de rechter bovenste knoop van de dolman. Het pijnappelsnoer dient om het verliezen van de kolbak tijdens het rijden of vechten te paard te voorkomen. Onderaan de kolbak bevinden zich twee haken met leeuwenkoppen hieraan wordt de kinketting bevestigt. Aan de voorzijde van de kolbak is een pompon aangebracht in de kleur oranje, symboliserend de band van het Korps met het huis van Oranje.

Schoeisel: Bij het CT worden enkelhoge laarzen gedragen zonder veters, bottines en voorzien van balsporen.

Fourages: het aantal kwasten, vorm en kleur geven de rang van de persoon aan. Men kan hierin het volgende onderscheiden:

Adjudant/ kornet: twee kwasten van zeer dunne gouden franje.

Tweede luitenant: twee kwasten van dunne gouden franje (torsades).

Eerste luitenant: drie kwasten van torsades (een boven, twee onder).

Kapitein: twee kwasten van dikke gouden franje (bouillons).

Majoor: drie kwasten van bouillons (een boven, twee onder).

Luitenant-kolonel: vier kwasten van bouillons ( twee zilveren boven en twee gouden onder).

De bandelier (giberne) is vervaardigd van zwart leder en bestaat uit een riem met gesp waaraan de patroontas is bevestigd. Op de voorzijde van de riem bevindt zich een hartvormig koperen schild, waarin de ruimnaalden of zundgatprikkers zijn gestoken. Deze zijn met koperen kettinkjes vastgemaakt aan een boven het schild aangebrachte leeuwenkop (De ruimnaalden of zundgatprikkers waren vroeger nodig om bij kanonnen van het type voorlader het gat, waar doorheen het kruit van de voortdrijvende lading met een lont werd aangestoken (het zundgat) te reinigen van kruitslijm). De patroontas is voorzien van het artillerie-embleem.

De bottines zijn gemaakt van zwart chroomleer en voorzien van tussenzetsels van elastiek om aan - en uittrekken mogelijk te maken. Aan de hak van de bottines worden met spijkers of schroeven de balsporen bevestigd. De sporen worden zo hoog mogelijk aan de hak vastgemaakt met de bal om hoog gericht.

Extra: Bij dit uniform worden witte handschoenen gedragen.

Vervoer: Het vervoer tijdens de ceremonies gaat per paard.

 



 

Start