|
Nieuw Guinea
De Kerstdagen 2002 brachten wij door bij de familie Lenior in Den Helder. Tijdens dit bezoek zag ik een
grote stapel,door de vader van Peter, keurig ingebonden Katholieke Illustraties.
In de bundel 1949, ontdekte ik een mooi reisverslag van een Nederlandse missionaris, pater C. Meeuwese,
geillustreerd met prachtige foto's. Onderstaand vindt U dit verhaal, welke ik precies zo wil overnemen.
Pionierswerk
Een Nederlandse missionaris ontdekt in Zuid-Nieuw Guinea een nieuwe rivier en enige nog volkomen onbekende volksstammen. (1948)
Het was koud en winderig, toen de Oranje Zondag 20 Februari
met een dag vertraging eindelijk aan de Javakade te Amsterdam meerde. Er ging een zucht van verlichting door de rijen van wachtenden in de aankomstloods, toen de eerste passagiers aan wal stapten.
Temidden van die rij sjouwende mensen verscheen in de lichte
deuropening van de loods de donkere figuur van een missionaris, die een stel enorme koffers torste, pater C. Meeuwese M.S.C., de man die 15 jaar op Zuid-Nieuw Guinea
leefde onder koppensnellers en menseneters en daar in December j.l., op plaatsen waar een blanke nimmer de voet gezet had, nieuwe volksstammen van een dertien a veertienduizend man ontdekte, waarvan
men het bestaan niet eens vermoedde. Enige maanden daarvoor, op de dag van de inhuldiging van koningin Juliana, vond hij een nog niet in kaart gebrachte rivier, welke hij de Koningin Juliana rivier doopte.
Het jarenlange verblijf in de rimboe heeft zijn sporen gedrukt op heel het wezen van deze missionaris.
Hij is robuust van gestalte, met grote handen, die gewend zijn aan te pakken. Er lopen grijze
draden door zijn zwarte baard, die hier en daar door de zon bruin gebleekt is. Achter de ijzeren bril kijken een paar heldere, donkere ogen u aan.
Een week later troffen wij pater Meeuwese in het missiehuis aan de Bredase weg te Tilburg.
In korte trekken--- hij hoopt een uitgebreid verslag van zijn tochten te publiceren in het Mei-nummer van de "Annalen van O.L.Vrouw van het H.Hart" te Tilburg---- vertelde hij ons het
relaas van zijn ervaringen, een verhaal even spannend als macaber, dat een indruk geeft van het pionierswerk, hetwelk een missionaris moet verrichten, om het geloof bekend te maken
aan de minst ontwikkelde volkeren der aarde.
In een dode hoek van het wereldverkeer, achter het bruine modderwater van de Alfoerenzee,
ligt Zuid-Nieuw Guinea, een onbekend deel van het enorme eiland, waarvan men de geheimen nog niet heeft kunnen doorvorsen. De Mangrovenbossen aan de kust geven het geen aantrekkelijk voorkomen.
Daarachter beginnen de eindeloze moerassen, die aan ondergelopen weilanden doen denken.
Geen blanke zal het wagen deze velden te betreden; de verraderlijke grond zou hem doen
verdwijnen, het vochtige klimaat zou zijn gezondheid aantasten, milliarden insecten zouden het leven onmogelijk maken. In de bossen en moerassen, die achter de horizont schuilgaan,
wonen de Papoeastammen, in Zuid-Nieuw-Guinea Kajakaja's genoemd. Slechts over de rivieren en de ontelbare kreken kan men hun kampongs benaderen. Daar was het
werkterrein van pater Meeuwese. De tochten der koppensnellers op Brits-Nieuw-Guinea waren in het begin van de twintigste eeuw aanleiding voor het Nederlands-Indisch
gouvernement om uit Merauke exploratie-tochten naar het binnenland te organiseren.
Hiermede gingen uiteraard vele jaren heen, doch hoewel deze tochten zeker tastbare
resultaten opleverden, is men er n ooit in geslaagd het gebied geheel te ontsluiten. Vijftien jaar geleden trok pater Meeuwese alleen deze rimboe in. Een half jaar te voren hadden twee
paters de streek bezocht, om te zien of het mogelijk was hier een missiepost te openen. Toen de mogelijkheid aanwezig bleek, vestigde pater Meeuwese zich te Kepi, een
Papoeadorp nabij de Mappi-rivier, waar een driehonderdtal Papoea's op een met palmen bedekte heuvel, omgeven door moerassen, woonden.
Het was niet bepaald een veilig oord, dat hij zich als verblijfplaats gekozen had. In 1936 nog
vestigde een militair detachement zich in deze streek om de sneltochten van de Papoea's te verhinderen.
De eerste vijf jaren verliepen zonder veel resultaat. Pater Meeuwese kon practisch weinig
anders uitrichten dan de gewoonten en zeden van deze mensen te onderzoeken en hun talen bestuderen om zo heel langzaam vertrouwen te winnen en enige contacten te leggen. Hier
maakte hij reeds kennis met het koppensnellen. Het gebeurde nog al eens dat rondzwervende benden eenzame Papoea's overvielen en hun hoofd als tropee met zich
voerden. Als de droge tijd begon(van Juli tot December), in welke maanden deze rimboe nog enigszins begaanbaar is en de sneltochten een aanvang namen, maakte een ware
angstpsychose zich van het dorp meester. Dan deden de wildste geruchten de ronde en meermalen kwam men ook pater Meeuwese waarschuwen, dat hij de volgende nacht
gesneld zou worden. Het snellen is een afschuwelijke gewoonte van de Papoea's, die diep in het godsdienstige en sociale leven van deze wilde stammen is ingevreten. Als een jongeling
wil trouwen moet hij zijn meisje minstens twee gesnelde koppen kunnen aanbieden, welke zij bij de huwelijksplechtigheid aan de armen heeft hangen, opdat zij vruchtbaar moge worden.
Ook worden er koppen gesneld bij de geboorte van een kind om het een naam te kunnen geven, voorts als er iemand begraven wordt of als de vrouw de rouw om haar man aflegt. Zo
worden er voor iedere man tijdens zijn leven minstens vijf koppen gesneld.
Van Kepi uit ondernam pater Meeuwese zijn tochten langs kreken en rivieren in een
uitgeholde boomstam. Zo trok hij door vele streken, waar nog nooit een blanke geweest was.
Op een van deze tochten voer hij op een kleine rivier (nabij de Wildeman rivier), die aan
beide kanten met dicht geboomte begroeid was, zodat het groen als het ware een tunnel vormde boven het water.
Het was er stil. Slechts de geluiden van het oerwoud weerklonken , met nu en dan de
schreeuw van een loerie en het ritselen van een wegvliegende paradijsvogel. Het regelmatig plonzen van de pagaaien in het snelstromende water leek de stilte intenser te maken.
Toen hij de lovertunnel meer van nabij kon beschouwen, maakte zijn aanvankelijke, vredige
bewondering plaats voor verbazing, waarna hij zich plotseling met schrik realiseerde, dat de bomen vol hingen met duizenden mensenbeenderen en varkenskoppen, die langzaam, als in
een spookverhaal, op de wind een "danse macabre" heen en weer wiegden. Pater Meeuwese was in het land van de menseneters terechtgekomen. Op een open plek zag hij
nu een zestigtal mannen, die hem schreeuwend en stampend poogden te weerhouden verder te gaan. Zij richtten hun pijlen op hem en wierpen met veel misbaar hun speren in de grond.
Het was een netelige positie, waarin de priester zich bevond.
Wel had hij een twintigtal dragers bij zich, maar deze mensen waren weinig krijgshaftig. Hij
bezat wel een jachtgeweer om wild te schieten, maar dat wilde hij niet gebruiken. Hij zou liever zonder wapen van huis zijn gegaan, maar dan zou hij voor deze tocht geen dragers hebben gevonden.
Terugkeren zou nu onvermijdelijk zijn ondergang betekenen, de wildemannen zouden hem
van achteren aanvallen en er zou niets van hun groepje overblijven. Hij stuurde dus naar de kant en ging met opgeheven handen, zonder wapens, naar de mannen toe. Toen hij enige
schreden naar voren gekomen was, namen allen overhaast de vlucht, om even later behoedzaam en voorzichtig terug te keren. Nu probeerde pater Meeuwese hen te lokken met
kralen en spiegeltjes. Het werd een spel van komen en gaan, dat anderhalve dag duurde. Daarna hing hij de kralen aan een boomtak en trok zich terug. De wilden stormden er op af
en gingen er met de kralen vandoor. Tenslotte kwam het toch zover, dat hij tot de begroeting kon overgaan. Deze begroeting bestond uit het hard tegen elkaar wrijven van de kinnen, een
zeer onaangename bezigheid, daar de wilden niet bepaald proper waren.
Toen werd hem van alle kanten vriendschap aangeboden, geheel volgens een oude ceremonie.
Men offreerde hem een staaf halfgebakken sago, waarin de wormen zomaar meegebakken waren.
Eerst beet de wildeman er een stuk af; daarna moest pater Meeuwese zonder de staaf met
de handen aan te raken op zijn beurt een hap nemen. Toen hij dit zestigmaal gedaan had, kon hij letterlijk niet meer!. Het dorp van deze Papoea's bleek te bestaan uit een paar
mannenhuizen, gebouwd op honderden dunne paaltjes. Deze huizen zijn vaak wel een honderd meter lang, bij een breedte van ongeveer vijf meter. Deze stam leeft nog in het
stenen tijdperk, kent geen messen of bijlen en kan daarom zijn huizen alleen maar op dunne paaltjes bouwen. Het gevolg was, dat toen pater Meeuwese er met zijn dragers inging, het
huis in het midden gewoon een eind in de moerassige bodem wegzakte, doch dit was blijkbaar een gewoon verschijnsel. Op de grond langs de wand waren klei-platen neergelegd,
waarop vuren brandden. Iedere twee mannen hadden hun eigen vuur. Men moest enige tijd wennen aan de atmosfeer in dit wankele gebouw, waar de rook slechts door de deuropening
verdwijnen kon. Er hing een ondraaglijke lucht. De wanden waren behangen met afgekloven mensenbeenderen, waar de spieren soms nog aan zaten. Het was er om te stikken.
Later bleek dat de pater te doen had met een van de nog totaal onbekende stammen, te
zamen bestaande uit dertien a veertienduizend mensen, die zich diep in het binnenland hadden teruggetrokken. En dorp bestaat uit vijf tot tien huizen. De mannen verblijven in
speciale mannenhuizen, terwijl de vrouwen met het oog op het gevaar van koppensnellen, hun woning hebben hoog in de bomen, tot zelfs vijfentwintig meter boven de begane grond;
langs lianen klimmen zij er naar toe. Nooit mag een man een vrouwenverblijf betreden; alleen in het bos kan hij zijn vrouw ontmoeten. Wel koken de vrouwen, maar het eten wordt dan
onder aan de boom gezet, zodat de mannen het daar op bepaalde tijden kunnen weghalen.
Pater Meeuwese heeft ook nog vreedzamer ontdekkingen gedaan. Met pater J.Verschueren,
die hem is komen aflossen, wilde hij een tocht ondernemen van het binnenland uit naar de zee.
Hij ging daarom met zijn prauw een rivier op, die hij aanvankelijk voor de Cook-rivier hield,
omdat er op zijn kaart niets anders stond aangegeven. Spoedig echter bleek, dat de rivier niet naar het westen, doch naar het zuiden afboog. Met kompas en horloge namen zij de
richting en de tijd op. De volgende morgen, 6 September 1948, bleek overduidelijk, dat dit niet de Cook rivier was, doch een stroom die nog op geen enkele kaart te vinden was. Hun
tocht ging door dichte bossen, waar de lianen bloeiden tussen het donkere groen. De kleinere rivieren op Zuid-Nieuw-Guinea zijn dikwijls moeilijk te bevaren; onder het water zijn
vaak versperringen gevormd door oude woudreuzen die in de rivier gevallen zijn. Alleen in de droge tijd zijn deze bomen zichtbaar. Loopt een prauw op een stam, dan kan het gemakkelijk
gebeuren, dat ze stuk slaat. Het kostte de beide missionarissen dan ook heel wat moeite om hun tocht ongedeerd te volbrengen. De volgende dag kwamen zij een zeshonderd man
tegen, die juist van een sneltocht terugkeerden. Het enige wat hun te doen stond was er recht op af varen. Gelukkig schenen deze wilden hun bloeddorst gestild te hebben; zij bleken nogal
spoedig tot vriendschapsbetuigingen over te halen. In de prauwen begon reeds het kinnenwrijven en het ging zo krachtig, dat velen in de rivier rolden! Gezamenlijk werd aan de oever een bivak opgeslagen.
Bij het kampvuur haalde pater Verschueren zijn harmonica te voorschijn en poogde enige
lieflijke melodieen aan zijn instrument te ontlokken. Bij de eerste tonen waren de wilden van schrik verdwenen, doch toen zij beseften, dat het geen moordtuig was, kwamen zij al gauw terug.
Pater Meeuwese danste de hele avond voor de mannen en te oordelen naar de bijval, die hij
kreeg, werden zij door de sprongen van de missionaris sterk geboeid. De grootste belangstelling van deze mensen, die nog nooit een blanke gezien hadden, ging echter uit
naar de schoenen van pater Meeuwese. Een der dragers, die hun taal ongeveer verstond, vertelde aan de missionaris, dat zij er verbaasd over waren, dat er mensen bestonden met
zulke rare voeten! Om het ontstaan van een eventuele mythe te voorkomen, maakte pater Meeuwese daarop zijn schoenen los en overtuigde de wilden, dat hij hele normale voeten
had. Het berouwde hem haast, dat hij aan deze vertoning begonnen was, want de Papoea's , die over het algemeen een zeer dikke eeltlaag onder hun voeten hebben, kwamen hem ieder
om de beurt onder de voeten kietelen, om te voelen hoe zacht deze waren.
Het was bijna niet uit te houden en onderwijl speelde pater Verschueren lachend op zijn harmonica!

Thuis gekomen bracht men de assistent-resident van Merauke op de hoogte van de
ontdekking van de nieuwe rivier, welke pater Verschueren nauwkeurig in kaart gebracht had. Het was echter moeilijk te geloven, dat twee eenvoudige paters zulk een ontdekking gedaan
hadden; daarom verzocht hij de Amerikanen, die bezig zijn met de kartering van heel Nieuw-Guinea, om deze zaak eens nader te onderzoeken. Zij maakten toen een tocht met
een vliegtuig boven de rivier, bevestigden de juistheid van de ontdekking en kwamen tot de conclusie, dat de ligging van de rivier zeer nauwkeurig was opgegeven. Zij bleek een
honderd kilometer lang en bij de monding tweeenhalve kilometer breed te zijn. Pater Verschueren stelde voor de nieuwe rivier de Meeuwese rivier te noemen, mar daar de
ontdekking samenviel met de inhuldiging van de Koningin, werd ten laatste besloten, aan de assisten-resident voor te stellen de stroom de naam van Koningin Juliana-rivier te geven.
Enige tijd later kreeg Pater Meeuwese een felicitatie-telegram van de resident uit Hollandia met de belofte, dat van de ontdekking officieel proces-verbaal zou worden opgemaakt.
Op de Oranje vernam hij eerst uit de scheepskrant, dat het verzoek inzake de benaming van
de rivier was ingewilligd.
Thans is pater Meeuwese in Nederland om na vijftien jaren arbeid enige tijd van
welverdiende rust in het vaderland door te brengen. Zijn arbeid is opnieuw een bewijs, dat er onder de Nederlanders nog steeds pioniers zijn, die naast een krachtig geloof voldoende
zwerversbloed in zich hebben om het leven in de rimboe aan te durven. In de toekomst zal Nieuw-Guinea ongetwijfeld een grotere betekenis voor Nederland en Indonesie verwerven, dan het tot nu toe gehad heeft.
Het is aan mannen als pater Meeuwese te danken, dat dit uitgestrekte, donkere eiland zich te
zijner tijd langzaam meer zal openen voor de christelijke beschaving.
Naschrift: De kop Pioniers geeft precies weer, hoe men dit belangrijke en niet ongevaarlijke
werk van missie en zending in de toenmalige tijd moet zien. Het is dan ook eigenlijk een hommage aan deze mensen, die vaak in barre omstandigheden hun idealistisch werk
verrichtten en zeker in voormalig Nieuw Guinea de spits afbeten voor wat betreft de aanvang van enige ontwikkeling. Het is daarom, dat ik dit verhaal graag gebruik als onderdeel van een
stuk geschieds-schrijving en de inleiding vormt van mijn verhaal over Papua.
Geissler
Pioniers 2
Via Renata Ouwersloot, zuster de Reus, die zelf jarenlang in voormalig Nederlands Nieuw
Guinea heeft gewerkt, kwam ik in het bezit van het boek “Dit wonderlijke werk” van dr. F.C. Kamma. In 1963 werd aan dr. F.C. Kamma, oud zendingspredikant en socioloog, de opdracht
gegeven om vanuit beschikbare bronnen en zijn eigen grote kennis en ervaring over land en volk, zending en kerk op West Papua, een uitvoerige studie te schrijven over de ontmoeting
van het Evangelie en de Papoea samenleving. Met uitzondering van een periode van ziekte en studieverlof werkte hij daar van 1931 tot 1962.
Het boek verhaalt over de immense problemen, waarmee de eerste zendelingen, die werden uitgezonden naar Nieuw Guinea, zoal te maken kregen.
Men krijgt inzage in brieven en rapporten, persoonlijke meningen en beetje bij beetje krijgt men ook een indruk aan welke grote gevaren en ziekten men heeft blootgestaan.
De bedoeling van het werkstuk was om de waarheid en de realiteit zo dicht mogelijk te benaderen.
Sinds lange tijd lag daar het grote eiland Nieuw-Guinea, als een intrigerend, uitdagend
probleem, totaal geïsoleerd. De bevolking, Papoea’s, stond bekend als een woest,heidens volk met een eigen cultuur en rituelen, die men maar beter met rust moest laten.
De zending en missie zagen hier echter een taak om die heidenen deel te laten nemen aan de historische ontwikkeling van de mensheid en dat kon het beste via het Christendom.
In het jaar 1850 maakte het schip Circe een reis naar Nieuw Guinea, waarbij G.F. de Bruin Kops uitvoerige aantekeningen maakte over land en volk. De Nederlandse dominee Heldring
en de Duitse ds. Gossner werkten uit deze gegevens hun plannen uit voor de zending naar Nieuw Guinea. Men werd dusdanig beïnvloed, dat men Doreh als standplaats voor de pioniers Ottow en
Geissler uitkoos. De plaats leek bijzonder geschikt voor een vestiging wegens de voordelige ligging aan een veilige baai, de aanwezigheid van goed drinkwater en de nabijheid van veel eilanden.
Ottow en Geissler waren Duitsers en kregen onderricht van Gossner en via Holland, ds. Heldring werd men uitgezonden naar Batavia voor eindbestemming Nieuw Guinea.
Een vrouwenorganisatie in Amsterdam zorgde voor hun uitrusting en kleding etc. Voor men hun eindbestemming bereikte, begon Geissler school te houden in Batavia en
Ottow ging naar kampong Makassar, waar hij een school opende voor Chinese en Soendanese kinderen. Ottow en Geissler bleven 18 maanden op hun eerste standplaats en bekwaamden zich ook
in de Nederlandse en Maleise taal. Binnen korte tijd kon Geissler in het Nederlands bijbellezingen houden. Eigenlijk waren Ottow en Geissler zendeling werklieden. Men had een geringe opleiding;
Ottow was zeilmaker en Geissler had geleerd voor meubelmaker. In Makassar was Michaelis, de theologisch kandidaat, die zich voor Nieuw Guinea had aangemeld.
Hij ging echter niet mee en achteraf werd dat betreurd, want hierdoor strandde het idee van Heldring en Gossner “dat zendelingen werklieden toegevoegd zouden worden aan de zendelingen of predikanten”.
Graf van Geissler en Ottow op eiland Mansinam.
Op de morgen van 5 Februari 1855 liet de schoener de Ternate het anker vallen op de rede
van Mansinam en worden de twee Duitse zendelingen werklieden per sloep aan land gebracht. Vreemd genoeg kwamen er geen Papoea’s tevoorschijn. De stuurman was nu ook aan wal
en wees de beide mannen de bouwvallige loods en waarmee onmiddellijk werd begonnen deze bewoonbaar te maken. Men deed geen pogingen met de bevolking in contact te komen, hoewel dit namelijk wel
voorschrift is van de “adat” van de zogenaamde primitieve volken. Ottow en Geissler wisten dit ook niet. Pas bij het uitladen van de goederen kwamen er Papoea’s opdagen en zij moeten toch wel
onder indruk zijn geweest van al dat vee en al die kisten met goederen, die aan land werden gebracht. In de ogen van de Papoea’s waren dit de rijkste mensen, die ooit voet aan wal in Mansinam hadden gezet.
Er werd wel een brief van de Sultan van Tidore voorgelezen, waarin de bevolking werd medegedeeld, dat hij nu deze twee mannen “Wohltäter”zond, maar dit kon men moeilijk
geloven , daar de Sultan nog nooit iets voor de bevolking had gedaan. Men was gewend, dat dorpen werden geplunderd en mensen in slavernij werden weggesleept.
De Papoea’s beschouwden de twee mannen als opgestane doden en waren heel achterdochtig, wantrouwend en heel nieuwsgierig. Zij zaten daar maar te wachten en te kijken
en waren erg gefixeerd op hun materiële goederen. Van werkelijk contact, zelfs op het normale menselijke vlak was nog geen sprake en de eerste communicatie verliep op een aarzelende, wantrouwige benadering.
Ruim 80 jaar na deze eerste ontmoeting wisten de nakomelingen van de toekijkende Papoea’s nog aan dr. F.C. Kamma te vertellen, welke indruk de beide mannen op hun voorouders hadden gemaakt.
De Papoea’s hadden geen andere verklaring voor de huidskleur en het gedrag van de beide mannen, dan dat het opgestane doden waren.
Men vond het een groot risico met hen in contact te komen of iets aan te nemen om te eten. Zij zouden dan kunnen worden besmet, vandaar dan ook die achterdocht.
Men zag ook allerlei vreemde voorwerpen die de blanken meebrachten, terwijl men zelf alleen maar messen en bijlen kenden. De aanvangsfase was dus zeer gecompliceerd.
Ottow en Geissler kenden ook de taal nog niet en stortten zich meteen volop in hun werk, een onderkomen creëren en waren bezig met de nodige voorbereidingen om in hun onderhoud te
voorzien. In een vroeg stadium begon men al wel met ruilhandel. Men werkte hard en om beurten kreeg men te maken met ziekten. In 1856 kreeg men 5 timmerlieden om hun loods op te knappen, maar een week na
aankomst waren er al 3 ziek. Toch wist men de bouwvallige en tochtige loods bewoonbaar te maken, nadat men daar al 1 ½ jaar had gewoond. Men kon nu in een der kamers kerk en school houden.
Voor wat overheidssteun betreft ontvingen Ottow en Geissler een maandelijkse toelage van f. 50,- per maand.
 Na 2 jaar hadden Ottow en Geissler een woordenlijst van honderden woorden samengesteld. De eerste godsdienst oefeningen waren in het Maleis, want alleen in die taal konden de
zendelingen op dat moment hun boodschap overbrengen, maar slechts enkele Papoea’s konden dat verstaan. Erg hoopvol zag het er dus niet uit, de mensen kwamen eigenlijk meer uit nieuwsgierigheid
en omdat men was uitgenodigd. De Papoea’s leefden toen der tijd onder veel spanningen en de boodschap van de zendelingen veroorzaakte eerder een flinke pas terug op de weg naar elkaar.
De prediking van het eeuwig wel of eeuwig wee, veroorzaakte een kloof, men zag dat als een bedreiging voor hun eigen adat.
Geissler ondernam vele tochten, het ontbrak hem niet aan moed en verschillende keren was hij in groot levensgevaar. Op een van die tochten redde hij het leven van schipbreukelingen en voorkwam hij dat deze
werden gedood en opgepeuzeld. De zendelingen raakten bekend bij de kustbevolking en werden om de een of andere reden,(motieven) ontzien.
Door het optreden van Geissler wist men dat het niet doden van schipbreukelingen werd beloond, men ontving dan een beloning.
Begin Januari 1858 trouwde Ottow met Auguste Letz. Dit speelde zich af in Ternate en men vestigde zich op het eiland Mansinam. Zodra zij wat Maleis kon spreken, begon zij school te houden voor meisjes.
Ottow zelf begon met kerkdiensten in de Noemfoorse taal en er komen zelfs meer bezoekers. Beide zendelingen hebben veel aan taalstudie gedaan, maar hun verwachtingen bleken erg overtrokken.
Men was ook niet goed voorbereid om de communicatie door de ogen van de Papoea’s te leren zien. De nadruk lag teveel op morele problemen: alles wat zij vreemd vonden bij de
bevolking werd al snel als zondig bestempeld en wat de bevolking aan vreemds bij de zendelingen zag, was goed. Men kan stellen dat men zwakke pogingen ondernam om goede menselijke contacten op te
bouwen, anders had men er geen 3 jaar over gedaan om de taal onder de knie te krijgen. Uit de rapporten naar de UZV (Utrechtse Zendings Vereniging) opgezet door een particuliere
actie in de stad Utrecht, bleek dat men goed kon observeren en ook hard werkte en presteerde. Ottow ontdekte b.v. dat de levenden samen met de doden een gemeenschap vormden en zo
schreef hij ook over de levenscyclus en de voorouderverering en deed hij mededelingen waarover hij predikte. Met het doel kinderen op te leiden kocht men slavenkinderen vrij. Volwassenen kocht men
niet vrij, omdat zij moeilijk waren te beïnvloeden en zij al waren gevormd en het was ook een voordeel, dat Arfakkers , die geen slaven maakten, de levens van kleine kinderen zouden sparen omwille van het losgeld.
In 1857 had men al 13 kinderen op school, waarvan er later 5 wegbleven. Uit rapporten over en weer bleek ook hoe lang het duurde voor betreffende berichten aankwamen.
In 1861 vestigde de familie Ottow zich op Doreh, het vaste land; men wilde toch een meer uitgebreid arbeidsveld. Op Mansinam waren destijds een 14-tal huizen, elk met een groot aantal gezinnen.
Op Doreh woonde men in een gevaarlijke zone, die werd bedreigd door Arfakkers. Op zich is het een wonder, dat men niet is vermoord.
De zendelingen grepen wel degelijk in de dagelijkse gang van zaken bij vete’s en strijd tussen Papoea’s, wat volgens hun adatrecht moest gebeuren. Grootste ergernis van de
zendelingen was de indirecte wraakmethode en de collectieve straf. Geen enkele rooftocht kon zonder bloedvergieten huiswaarts keren, daar dit tot prestigeverlies aanleiding zou geven.
Men stelde zich principieel op tegenover de “heidense” gebruiken van de bevolking en soms moest men zich met het geweer in de hand verdedigen. Bij voedselgebrek deelde men alles wat men had.
Dit was dan ook de reden dat andere kampongs later ook om zendelingen, goeroe’s vroegen. Men voelde zich dan beter beschermd. In de periode van Ottow en Geissler waren er ook nog geen vestigingen van het
Gouvernement en kon men geen einde maken aan de roversvloten, die langs de kusten trokken.
Op 9 November 1862 stierf Ottow; hij was pas 35 jaar oud en 7 ½ jaar in Nieuw Guinea. Dit
was een ontzettende slag, niet alleen voor zijn vrouw, maar ook voor Geissler. Geissler timmerde zelf de kist en bracht die naar Doreh, waar Ottow op 10 November werd
begraven. Geissler was te ontroerd om ook maar een woord te kunnen spreken. Broeder Jaesrich leidde de dienst en hield een preek in het Nederlands.
De eerste 3 echte zendelingen van de UZV, waaronder J.L. van Hasselt, kwamen in 1863 op Nieuw Guinea aan. Vanaf het begin werkten zij samen met Geissler en Jaesrich, mannen van
Gossner. Geissler bleef de echter onbetwistbaar de leider tot aan zijn dood in 1870, al waren ze het niet altijd eens met de methoden van Geissler.
De moed zonk hun wel eens in de schoenen: men kan opmerkingen lezen, zoals:”Het is de verwilderdste, ondankbaarste, schijnbaar meest hopeloze bodem van de ganse aarde, die
onze Vereniging heeft uitgekozen. “De Papoea staat op de laagste trap van de ladder der mensheid, dit ras is al te verdierlijkt, zodat er niets is te planten”
De UZV was het hiermee natuurlijk niet eens. Men nam selectief waar en negatief en schreef ook veel over ergernissen. Het duurde ook heel lang voor er vorderingen werden gemaakt.
Op Mansinam woonden 300 mensen en 30-35 mensen bezochten de Zondagse kerkdienst. Zij kregen een handvol tabak, anders kwam er helemaal niemand.
De zendelingen hadden veel aandacht van de door Ottow en Geissler geleide scholen en men wist ook het gouvernement hiervoor te interesseren.
In de nacht van 22 op 23 Mei 1864 kwam er een heftige aardbeving, die naar schatting van Geissler 3 à 4 minuten aanhield. Het zendingshuis stortte in en de hoogzwangere mevr.
Geissler werd getroffen door 2 planken, maar allen wisten het huis te verlaten. Buiten hoorde men een hevig geruis van de bomen en het gebulder van de zee, die een vloedgolf het strand
opjoeg, die alle huizen van de bevolking op Mansinam en Doreh meetrok. Uit de richting van het Arfak gebergte was er een heftig gerommel en er braken branden uit. Geweldige
aardbevingen hadden daar plaats, waarvan men nu nog de sporen kan zien. Dezelfde dag bracht mevr. Geissler een kind ter wereld, Johan Gotlob Ernst.( Ernst i.v.m.
ernstige omstandigheden),(Gotlob, als dank voor de overleving). Helaas stierf dit kind binnen een week. Het eerste wat de Papoea’s deden, was informeren hoe het de zendeling families was
afgelopen en men hielp met het opzetten van een voorlopig onderdak. Nu brak een periode aan van optredende koortsen en Jaesrich was zo ziek dat hij naar
Ternate werd vervoerd en hij besloot niet meer terug te keren. Hij schreef een zeer negatief rapport aan het hoofdbestuur van de UZV met als voorstel het zendingswerk onder de Papoea’s maar op te heffen.
Deze grote aardbeving was voor de bevolking een aansporing om zich te bezinnen en men probeerde hun afgodsbeelden te redden uit deze verwoesting. In eerste instantie gaf men de
zendelingen de schuld en men trok zelfs weg. In de loop van 1864 kwam er echter een opmerkelijke toenadering en keerde men weer terug en konden Geissler en Van Hasselt hun werk hervatten.
Op 1 Januari 1865 vond de eerste doopplechtigheid plaats. Geissler doopte 2 van zijn bedienden en noemde deze dag de gelukkigste dag van zijn verblijf daar. Hij was toen ca. 10 jaar in Nieuw Guinea.
10 Maanden na de aardbeving kwam er een verlate reactie in Nederland en Duitsland op gang. Men tendeerde naar opheffing. Mevr. Ottow reageerde echter scherp en zij verhaalt
over de vele belemmeringen, die de eerste 2 zendelingen moesten overwinnen: 1)de taal moest worden geleerd en het vertrouwen gewonnen 2)men moest zich vestigen, het bos vellen, zware arbeid verrichten
3)vele malen moest de arbeid wegens ziekte worden onderbroken Zij haalt de stelling van haar overleden man aan, dat eerst na 25 jaar werken resultaat is te verwachten.
Ook Geissler laat zich niet onbetuigd en hij somt wat positieve ervaringen van de laatste tijd op. Hij schrijft ook naar Duitsland en vraagt om meer zendingsarbeiders.
Op een gegeven ogenblik was hij alleen en volkomen geïsoleerd, want Van Hasselt was om gezondheidsredenen naar Ternate. Geissler was een echte volhouder en stelt: ik neem aan dat de Heer ons geduld wil beproeven.
Heeft men bezwaar tegen de slechte gezondheidstoestand? Ik ben nu hier 10 jaar en ik leef nog! Geissler werkt door en heeft zelfs 40 schoolkinderen in zijn klas.
Op 1 Februari 1866 kwam er een melding dat er een schoener in zicht was, die opkruiste naar Mansinam en Geissler roeide met een prauw het schip tegemoet. Hij zag aan dek geen
enkele blanke en hij dacht dat dit niets anders kon betekenen dan het einde van het zendingswerk. Het tegendeel bleek echter, Geissler’s smekende brieven werden positief beantwoord.
De gebroeders R. en C. Beyer, J.D. Kamps en een onderwijzer Cornelis Wijzer waren aan boord. C. Beyer en Kamps waren getrouwd, zodat er een versterking was van 6 personen.
Geissler was met stomheid geslagen en hoorde ook dat van Ternate, F. Mosche met zijn vrouw en de Van Hasselts klaarstonden om te komen.
Men kon nu het werk uitbreiden. Men organiseerde kennismakingstochten om nieuwe contacten te leggen en van verschillende kanten kwamen verzoeken om een zendeling.
In December 1866 vestigde Mosche zich op Meoswar en R. Beyer zou zich op Jaur vestigen. Door lessen van Van Hasselt was Mosche in staat in 6 maanden de taal te leren gebruiken.
In September hield hij al een kerkdienst in de landstaal, een record. Mosche was een man met initiatief en was met hart en ziel bezig. Hij had direct al een schooltje en het aantal kerkgangers nam toe, 40-70.
Hij was zeer geliefd en toen hij na een ziektebed op 21 April 1868 stierf, stonden vele Papoea’s huilend aan zijn bed. Tot het laatst toe was hij bij bewustzijn en hij nam rustig afscheid.
Mevr. Mosche vertrok naar Mansinam. In korte tijd was er een innige band ontstaan en meermalen zochten Meoswaarders hun vroegere zendelingsvrouw op.
Er kwamen via het UZV 2 nieuwe zendelingen, Woelders en Rinnooy. Woelders ging naar Andai en Rinnooy werd te werk gesteld in Meoswar en werkte er tot 1874.
4 Jaar waren er verstreken voor de eerste dopelingen, 2 vrouwen waren gedoopt en nu in 1869 was de kerk afgeladen vol, die getuige wilden zijn van de tweede doopdienst. Er waren
4 kandidaten, 3 uit Mansinam en de oude Soeroehan Rumfábe uit Doreh, die ca 70 jaar moet zijn geweest. Woelders was overgekomen van Anday en bespeelde het harmonium..
In 1870 gaat Geissler terug en verblijft enige dagen in Utrecht, alvorens hij doorreist naar Siegen in Westfalen. Hij was toen al ziek en overleed op 11 Juni 1870, 40 jaar oud en op één
dagreis van zijn geboortedorp. Zijn contact met de bevolking was vriendelijk, maar met toch beperkte grenzen om het prestige niet te verliezen. Toch was hij buitengewoon op land en volk gesteld en hij was
onuitgesproken de grote leider. Hij had problemen met een nauw contact met de bevolking en de UZV zendelingen wilden eigenlijk de toegepaste methode van communicatie toch wel herzien, ook Papoea’s vonden
hem autoritair. Het is dan ook niet voor niets dat Mosche in zijn korte periode zo geliefd was. Als zendeling heeft Geissler veel gepresteerd: elke morgen van 8-11 hield hij school, ’s
avonds leerde hij de kinderen de Maleise taal. Elke Zondag hield hij 2 godsdienstoefeningen en na Mosches initiatief bovendien elke morgen en avond een korte wijdingsdienst, hij gaf
catechisaties, was consulent bij afwezigheid van een collega op Doreh, hetgeen vaak gebeurde en vaak was hij bezig met vertaalwerk, een grote catechismus, een liederenbundel
en een woordenboek. Bovendien was hij vaak ziek, kortom hij was een man, bij wie de titel “pionier” niet misstaat.
Na een afwezigheid van ruim 2 jaar, arriveerde de familie Van Hasselt op 4 Maart 1871 op
Mansinam. Aanvankelijk verliep alles wat moeizaam, hij was niet ingewerkt door Geissler en de post was zo lang vacant geweest. Hij werd echter de opvolger van Geissler.
Voor de zending kwam er een nieuw tijdperk, een andere benadering. De Evangelisatie reizen waren niet erg succesvol geweest en men zag nu meer heil in het gestadig uitbreiden van de eigen post.
Werken op de eigen post betekende nu de volle nadruk op de vrijkoop van slaven, vooral kinderen en jongeren, het houden van een school en dit laatste betekende een sterke binding met de eigen post.
In die tijd was er een levendige slavenhandel, men dacht in termen van eigendom. Het was een ruilobject. De bruidsprijs van een vrouw was b.v. 8-10 slaven.
De zendelingen kochten kinderen vrij om ze van een zekere dood te redden, met de bedoeling ze op te voeden en te scholen, zodat ze tevens de kern van een kleine huisgemeente gingen vormen.
Als vast regel gold, dat men de vrijgekochten niet mocht doorverkopen. Dat de school de opvoeding, de sociale controle ondermijnde, hebben de Papoea’s pas veel
later ontdekt. Nog veel later, toen men oog kreeg voor de waarde van ontwikkeling en kennis, bepleitte men de leerplicht (1961).
Aanvankelijk moesten alle UZV zendelingen de acte voor onderwijzer halen en het was dus zeker de bedoeling, dat men voor de klas ging staan. Men zag de school nu als een hulpmiddel voor de zendingsarbeid.
Adaptatie, geen imitatie: Rinnooy breekt een lans voor het Papoea –eigene en ziet een groot gevaar in het vormen van Papoea’s naar Europese maatstaven, omdat de Papoea zijn identiteit dan verliest.
Hij wil de mensen zichzelf laten blijven, hij heeft diep respect voor hun identiteit en men moet slechts dat wegnemen, hetgeen strijdig is met het Christendom.
Helaas werd hij medisch afgekeurd en zijn zienswijze vond geen navolging. Hij keerde niet meer terug naar Nieuw Guinea.
De naam van Woelders is sterk verbonden met zijn werkwijze, zeer emotioneel, maar soms
ook koelbloedig wist hij de lezers in Nederland mee te slepen. Soms waren zijn overwegingen bijzonder nuchter en dat gaf aan zijn zienswijze een geloofwaardige basis.
Hij en zijn vrouw kwamen van Harlingen in Friesland. Zijn vrouw droeg af en toe de Friese kap en naar buiten hield Woelders een zekere waardigheid op, zodat hij later ook in toga werd begraven.
Van de superioriteit van de Europese cultuur waren de meeste zendelingen en zeer zeker Woelders, overtuigd. Overal en altijd kwam hij voor zijn mening uit en was hij consequent in zijn opdracht.
Hij werkte op Anday, aan de voet van het Arfak gebergte. Hoewel de contacten van Woelders met de bevolking meestal volledig werden gedomineerd
door de Papoea’s, vond er toch een geleidelijke integratie plaats van “hun mijnheer” en kreeg Woelders telkens de gelegenheid zijn boodschap aan de man te brengen.
De barriëres waren zeer gecompliceerd, maar Woelders was vrijer in zijn bewegingen en dit beïnvloedde toch het leven van de bevolking.
Hij raakte geïntegreerd in het levenspatroon van de Andayers en door zijn spontaniteit raakte hij in menig dilemma verzeild.
Hij nam economisch en sociaal een belangrijke functie in: Hij gaf de aanzet voor de aanleg van rijstverbouw en om Woelders gunstig te stemmen en zijn welwillendheid en vrijgevigheid
aan te moedigen, spoorde men zelfs aan tot kerkbezoek. Bloedvergieten en wraaktochten waren echter aan de orde van de dag en zendelingen
konden wel medische hulp verschaffen, maar de doden niet keren. Men had hierin maar een matige invloed. Men keurde hun handelswijze wel af, omdat hier onschuldigen in plaats van schuldigen werden gedood.
Bij onderlinge strijd kwam Woelders moedig tussenbeide en pakte pijlen en speren af om de zaak via de hoofden in der minne te schikken.
Bink op Manokwari:
De zendeling-werkman G.L.Bink, toegevoegd aan de zendelingen en die nu al een paar jaar daar werkte, hoorde veel meer commentaar dan de zendelingen op de oudere posten. Het
was alsof men veel meer geduld had met de jonge zendingsarbeider. Bink toonde veel belangstelling en aan hem kon men meer kwijt. Hij vernam, dat Hollanders de schuld kregen
bij het uitbreken van ziekten, epidemieën, want voordat zij er waren, kende men dat niet. Bij die rampen greep men terug naar de eigen gebruiken, het maken van korwars (beeldjes),
voorbereiding voor het herbouwen van de Roemsram(afgodenhuis) en het verzamelen van voedsel. Bink ging net als Van Hasselt tegen deze plannen in.
Bink stelde, dat hij niet kon begrijpen, dat men in nood een stuk hout ging aanbidden. Hij kreeg toen de volgende reactie: “Maar, mijnheer, dat doen wij niet. Deze korwars zijn slechts
afbeeldingen van onze voorouders of dapperen en als wij die afbeeldingen zien, denken wij aan hen”. Bink had toch zelf ook korwars in zijn huis?: de portretten van familie en vrienden en bijbelse platen?
“Ik had korwars van papier, zoiets konden zij niet maken, daarom deden zij het van hout”. Nu, een jaar later, kreeg Bink een uitvoeriger antwoord.”Wij volgen onze gewoonten. De Heer
heeft de Hollanders gegeven: mooie huizen, kleren, boeken en alle mooie dingen en gij dient den Manseren Nanggi ( de Heer) op uw wijze, maar aan de Papoea’s heeft Manseren
Nanggi geen mooie huizen gegeven, geen kleren, een stukje boombast slechts en verder niets, en wij dienen den Manseren Nanggi op onze wijze, en dat doen wij door een Roemsram te maken en er afgoden in te zetten”.
Toen Bink daarna de opmerking maakte, dat wanneer zij toch niet wilden veranderen, hij net zo goed weg kon gaan en niet alleen hij, maar ook de andere zendelingen, was het antwoord:
“Dat moet gij zelf weten. Het schip, dat handel drijft, komt toch”, met andere woorden, men kon zich redden ook zonder zendelingen. Er trad echter geen verkoeling op, men bleef de kerkdiensten bezoeken.
Bink van zijn kant bleef de mensen opzoeken. Na 10 jaar werken bepaalde de UZV, dat hij zendeling zou worden, maar pas op 20 December 1881 werd hij ingezegend.
Sinds 5 April 1878 woonde de familie Jens bij Woelders in en op 13 en 14 April hield Woelders zijn tweede doopdienst, waarbij 4 Papoea’s werden gedoopt. Op 12 Juli was zijn
eerste doopdienst en doopte hij 2 Papoea’s. Jens zou Woelders waarnemen, die met verlof naar Nederland ging. In 1879 vestigde Jens zich op Doreh.
Volgens Jens waren het uitsluitend economische motieven, die het contact met de bevolking bepaalden, want op het persoonlijke vlak liet men zich nauwelijks beïnvloeden.
De bevolking hechtte zich wel aan Jens, want de opkomst in kerk en school was goed en werd zelfs steeds beter. Het leek wel alsof Jens was ingeschakeld voor de verdediging van Doreh. Zo af en toe loste
hij ’s avonds een schot om te laten weten dat er werd gewaakt.
Bij de herdenking van het 25 jaar bestaan van de zending op Nieuw Guinea in het voorjaar van 1880 was de situatie als volgt:
Van Hasselt werkte op het eiland Mansinam, Jens op Doreh(Kwawi), Bink op Manokwari, terwijl Woelders met verlof in Nederland was.
Gedurende deze 25 jaar waren er 20 personen gedoopt, waarvan er nog 14 in leven waren. 16 zendelingen en 14 zendelingsvrouwen waren sinds 1855 werkzaam geweest op de verschillende posten.
Tien volwassenen, zendelingen en hun vrouwen waren overleden op Nieuw Guinea of elders en 7 kinderen vonden er hun graf. Vier zendelingen en 7 zendelingsvrouwen hadden Nieuw Guinea wegens ziekte of om
andere oorzaken verlaten. ( F.J.F. Van Hasselt, 1930,15) Het aantal graven overtrof dus het aantal gedoopte. Bejaarde Papoea’s konden zich die dag van voor 25 jaar nog goed herinneren. Zij
waardeerden de komst van de zendelingen om het stoffelijke voordeel, maar men wenste de zendelingen voor de komende 25 jaar veel succes.
Na zijn terugkeer uit Nederland in 1881 ging Woelders een zekere hardheid vertonen. Hij was 23 maanden weggeweest. Er was van alles gebeurd, sneltochten, moordpartijen, oproer.
Van 1884-1892 is er in de rapporten van Woelders 11x sprake van een sneltocht en 4x waren de Andayers daarbij betrokken. Toen eens het hele dorp Anday met uitroeiing werd bedreigd, trad Woelders uiterst
koelbloedig op en wist de vijand te keren en het leek alsof de Andayers toonden, dat ze de zin van het evangelie begonnen in te zien en samen met Woelders deed men pogingen om rooftochten tegen te houden.
Op 24 Januari 1892 hield Woelders zijn laatste doopdienst, 4 bejaarden en 5 kinderen werden gedoopt. Op 30 April was hij 25 jaar zendeling en dit werd groots gevierd. Hij was toen 56 jaar.
Zelfs uit Holland kreeg hij geschenken. Hij stelde zelf: hoe was het mogelijk om dit 25 jaar vol te houden met zo weinig uitzicht op resultaat.
Woelders stond dicht bij zijn volk en hij voelde zich thuis op Anday. Op 30 Juni stierf hij echter aan influenza en de bevolking reageerde zeer emotioneel.
Zelfs zijn grootste vijanden hebben de eerste dagen na zijn begrafenis geheel uit eigen beweging bij zijn graf geslapen. Een zo belangrijke dode mocht men niet onbegeleid naar het zielenland laten gaan.
Men zag Woelders als een wonderdoende held, want hij was heel goedgeefs. Als opvolger van Woelders kwam zendeling Metz, hij was niet ingewerkt en moest zich opnieuw een plaats zien te veroveren.
Het levenseinde van Woelders benadrukte nogmaals hoe zwaar de jaren waren van menselijk leed , van kruis en korwar. Het was een zware en moeilijke periode, men
vermoordde zelfs een Hollandse kapitein, waartegen niets werd ondernomen. Er waren allerlei schermutselingen, botsingen en Van Hasselt kreeg zelfs een pijlschot in zijn
knie en door hun felle kritiek op de Koreri- verwachting (Papoea Messias beweging) raakten de zendelingen het contact met de bevolking even grotendeels kwijt en mag het een wonder
heten, dat men het er levend vanaf bracht.
In 1883 arriveerde J.A. van Balen, de nieuwe zendeling en nu werden de plannen voor
nieuwe uitbreiding weer aan de orde gesteld. Hij werkte op Roon, maar toen hij even weg was, waren de Rooners 4x op sneltocht geweest. Na zijn terugkomst liet hij de mensen
beloven geen rooftochten meer te houden. Op Roon werkte hij lang samen met Bink. Op 11 Augustus 1889 doopte Bink de eerste Rooner. Het hutje, als kerk in gebruik, was afgeladen vol.
Door de Koreri- beweging waren het roerige tijden en in 1890 was er zelfs een strafexpeditie en werd er weer vrede gesloten en was de rust voorlopig teruggekeerd.
Bij dreigende gevechten was het de zendelingen toegestaan de vlag te hijsen om daarmee de bevolking te herinneren aan hun belofte geen oorlog meer te voeren en hun onderlinge strijd te staken.
Meerdere malen had dit ook succes. Bij onlusten drongen de zendelingen voortduren aan op ingrijpen van de overheid, niet om in te gaan tegen de cultuur van de gemeenschappen, maar om op te treden tegen de
misdaden. Er waren strafdelicten, maar er was geen rechter. Vanaf 1893 was Bink weer alleen, omdat van Balen naar Mansinam vertrok.
Bink deed zijn uiterste best de Papoea’s te begrijpen, maar na 8 jaar werken, schrijft hij: “Als buurman, die hun koperdraad, tabak en kleding geeft, ben ik wel goed, maar als prediker van
Wet en Evangelie vang ik bot. Land en goed heb ik als zendeling verlaten om jullie een beeld te tonen van de liefde des Heiland’s. De mensen vinden dit dan wel goed, maar zo vragen zij, wat kopen wij hiervoor?”
Men voelt de collectieve weerstand, die zich verzet tegen aantasting van hun structuren, die de samenleving naar men meent, in stand houden.
Bink heeft echter veel geduld, hij constateert, maar klaagt niet. Hij verloor 4 kinderen en zijn vrouw werd geestesziek en vertrok uiteindelijk terug naar Nederland.
Op 13 Augustus 1893 kwamen J.Metz en J.L.D. van der Roest op Mansinam aan. Zij waren de eerste zendelingen, die per stoomboot aankwamen en hiermee was het tijdperk
van het zwerven met op ongeregelde tijden komende schoeners afgelopen. Een KPM boot kwam nu eenmaal per 3 maanden en de opmars van de westerse wereld,
Indonesië, West Europa, zou haar invloed steeds meer doen gelden. De Papoea’s gingen gewoon door en het was alsof zij zich voor de naderende kentering nog meer inspanden voor wat betreft roof- en wraaktochten.
In korte tijd schrijft Metz 37x over roof- en wraaktochten, slavenjachten etc.. Men probeerde zelfs ook de zendelingen hierbij te betrekken. Metz werd ook meermalen bedreigd.
In zijn dagboek schrijft hij: “Wij hebben gedood, wij dooden en zullen gaan dooden”. Dit schreef hij omdat Wandammers bijna alle inlanders hadden gedood, zij gaan maar steeds door.
Sneltochten maken of afwachten is de hoofdgedachte, waarom het volk zich beweegt.. Hun remmingen worden overwonnen door collectieve rituelen, die kunnen aansporen naar
allerlei motieven. Dat kan zijn weerwraak, sterfgeval, compensatie motief, uit droefheid over dood nabestaande, zelfs een baby, het recht om een weduwe te huwen, belediging, prestige
motief, realisering van een bedreiging. Economische noch territoriale voordelen waren vaak niet de inzet. Al deze motieven waren rationalisaties, die in legitieme “motieven”werden omgezet.
Controversen en discriminaties werden kunstmatig in leven gehouden. Het gebod: “Gij zult niet doden” treffen wij bij bijna elk volk aan, maar bij de Papoea’s was dit
heel sterk gecamoufleerd en het was voor de zendeling heel schokkend te ervaren, hoe de resident hierover dacht. Hij kwam namelijk om de moorden te onderzoeken, maar besteedde
er weinig aandacht aan en concludeerde: “Deze dingen behoren bij de sport van de Papoea’s. U moet er voortaan geen bericht meer over zenden”.
De bevolking had deze houding snel door en de gruwelen gingen onverminderd voort. Het koppensnellen volgt steeds na een vast ritueel. Via wichelen wordt de gewenste stam
aangewezen en worden de hakmessen geslepen en alles in orde gemaakt. Dan wordt de juiste dag bepaald. Men brengt zich in extase en men bereidt zich collectief voor. De tocht naar de stam is 2,4 of
meer dagen lang. Wanneer men het huis heeft bereikt, wordt het bij het aanbreken van de dag omsingeld. De bewoners slapen dan nog. Het huis wordt in brand geschoten en de bewoners proberen
te ontvluchten. In de chaos die ontstaat, worden vaak ook aanvallers geveld. Vrouwen en kinderen worden vaak het slachtoffer en hoewel er aan het snellen van een kop van een man,
meer prestige is verbonden, vindt men het geen schande met de kop van een vrouw of kind thuis te komen. “Dit is de sport van dit volk” was heel naïef opgemerkt en voor de betrokken zendelingen kon
er geen sprake zijn van enig begrip hiervoor. Aanpassing heeft haar grenzen. Een sneltocht was werkelijk geen onschuldige, sportieve handeling, naïef in opzet en uitvoering.
De zending en missie deden er alles aan om tenminste kinderen nog vrij te kopen.
Belangrijk was echter, dat een van de beste leerlingen, Jonathan Ariks, vertrouweling van
Van Hasselt, naar Java ging en op het seminarie aldaar de opleiding voor onderwijzer en voorganger volgde. Het resultaat was zo gunstig, dat op grond van zijn rapport werd besloten, het volgende jaar
weer 2 leerlingen naar dat seminarie te sturen. Hiermee begon de systematische opleiding van Papoese jongeren. Jonathan Ariks werd de schoonvader van de later zo bekende goeroe Willem Roemainoem,
wiens zoon in 1956 de eerste voorzitter werd van de zelfstandige Evangelisch Christelijke Kerk, die tot in Europa bekendheid genoot.
Na 5 jaar te zijn opgeleid als onderwijzer en zendeling werd op 23 April 1894 F.J.F. Van Hasselt jr. ingezegend om uitgezonden te worden naar Nieuw-Guinea om zijn vader daar bij te staan.
Na 16 jaar zag hij zijn ouders terug. Hoe was de maatschappelijke situatie? Het zal duidelijk zijn dat het kolonialisme voor de zendelingen op Nieuw-Guinea geen probleem was.
Men heeft het eiland nooit als een “wingewest”gezien. 40 Jaar lang had de Zending nu gewerkt in dit ongepacificeerde gebied, waarbij het Gouvernement alleen nominaal toezicht had.
Bink, zendeling-timmerman, was de eerste, die “temidden van zijn rovers en moordenaars” aan de bel trok. Bijna alle zendelingen hebben over dit probleem geschreven en de teneur van deze
rapportage was: het Gouvernement draagt de verantwoording voor de pacificatie, we hebben wel een wetgevende, maar geen uitvoerende macht, dit kan en mag zo niet blijven.
Jens schreef hier ook over, hij pleitte voor rechtstreeks bestuur, want zolang hier geen orde voor wanorde, recht voor willekeur in de plaats treedt, zal de toestand zo blijven als ze is en
dat betekent achteruitgang. In Nederland was er een voorstel in de pers, om zendelingen met het bestuur te belasten en dat wijst Jens ook van de hand. “De zendeling kan geen rechtstreeks gezag uitoefenen, dan
alleen als prediker” In het verleden hebben zendelingen vaak op vestiging van het gouvernement aangedrongen. Zendelingen vonden hun arbeidsveld ontzettend zwaar, niet in de eerste plaats door de
geïsoleerde ligging, klimaat, Papoese koortsen, maar door totale regeerloosheid. Metz constateert, dat er niet alleen tussen de verschillende volksstammen een sterke rivaliteit
bestaat, maar dat er ook binnen de eigen gemeenschappen grote spanningen voorkomen, veroorzaakt door klasse justitie. Blijft men in gebreke, dat moet bij voldoening van schulden de familie b.v. bijpassen of
anders moet zijn heil ergens anders zoeken. Verdwijnt de schuldenaar, dan nog gaat de schuld over op kinderen of kleinkinderen.
Mensenlevens kwamen dikwijls in gevaar en de stem van de minderheid werd niet gehoord. Metz toont aan , dat het land economisch vooruit gebracht kan worden. In 1893 werd er voor
Fl. 800.000,- aan handelsgoederen uitgevoerd. Wanneer er een eind wordt gemaakt aan de slavernij, zal het volk zelf leren zijn handen te gebruiken. Zendelingen willen zich eigenlijk niet met politiek bemoeien.
Van de Roest pleitte ook voor rechtstreeks bestuur, om het volk te leiden naar een menswaardig bestaan en waardoor aan willekeur paal en perk wordt gesteld.
Voor van de Roest was het ook geen academische kwestie hoe het komt, dat er een bevolkingsafname wordt geconstateerd. Men moordt elkaar uit.
Alles wat zij doen is in naam van hun adat en is eigenlijk niets anders dan het uitvoeren van een plan, uitgedacht door de grootste boosdoeners. Het wordt duidelijk, dat het initiatief van enkelen kan uitgaan.
Indertijd was er tussen bestuur en zending dikwijls een chronische communicatiestoornis. De houding van veel gouvernementsambtenaren was nu niet bepaald welwillend tegenover de zending en missie.
De missionerende instanties hadden veel meer kennis in huis en veel meer invloed op de bevolking dan de bestuursambtenaren. De bestuursambtenaren hadden beroepsmatig veel meer belangstelling kunnen tonen voor
de scholen als “beschavingsfactor”. De zending had graag gezien, dat de laagste hartstochten aan banden zouden worden gelegd.
Het gouvernement werkte meer met vakambtenaren(posthouders), terwijl zendelingen academisch gevormd waren. In 1896 zijn er de eerste debatten over rechtstreeks bestuur in Nieuw-Guinea.
In de verhandelingen sprak Dr. Abraham Kuyper wel zijn waardering uit over het werk van Ottow, Geissler, Van Hasselt , Woelders en anderen.
In 1898 wordt het besluit genomen direct bestuur op Nieuw-Guinea te vestigen. Met de pacificatie wordt een begin gemaakt en de eerste controleur in Manokwari wordt plechtig geïnstalleerd.
Zeer veel Papoea’s waren hiervan getuige en ook de prinsen van Ternate en Tidore waren aanwezig. Nieuw Guinea werd zelfbesturend gebied en met de macht van Tidore was het gedaan.
In 1899 verliet Metz Anday en werd overgeplaatst naar Roon. Van Hasselt jr. nam nu in Anday waar.
Op 29 April 1902 vierde van Hasselt Sr. zijn 40 jarig ambtsjubileum. Toen hij zijn werk in
Nieuw-Guinea begon, waren er 21 zendingsarbeiders werkzaam geweest. “Er valt veel droefheid te melden, maar toch ook blijdschap”, stelt hij, al is het resultaat bedroevend klein.
Enkele Papoea jongeren kregen echter oog voor het werk van UZV en schreven een brief naar het hoofdbestuur. Men had ook geld, fl 11,- ingezameld met het verzoek toch
zendelingen te blijven uitzenden en dat Nederland de Papoea’s toch vooral niet zou vergeten. Onder de ondertekenaars waren Jonathan Ariks, Petrus Kafiar en Evangelist Philippus. De
organisatie noemt zich “Johannes van Hasselt”.
Van Hasselt jr. deed heel veel moeite kennis van het volk op te doen en verdedigde de Papoea’s ook vaak. Zijn beschouwingen zorgden voor een nieuw geluid.
Meoswar kwam na 35 jaar in beweging en ook Doreh roerde zich. Het bestuur van de UZV kwam voor de eerste keer op bezoek in Nieuw –Guinea en de
leiding wist sindsdien waarover men sprak. Dit werd echter pas merkbaar, toen van Hasselt jr. vanuit Nederland van verlof terugkeerde naar Mansinam.
Eindelijk was de communicatie tussen zendelingen en de thuisbasis een punt van bespreking geworden.
Bij de UZV zag men in Van Hasselt jr. de ideale opvolger voor Van Hasselt sr. en men
probeerde nu ook een nieuwe koers uit te zetten. Van Hasselt sr. en van Balen achtte men te oud en bij Van Hasselt jr wordt nu dan D.B. Starrenburg toegevoegd.
Er kwam een andere aanpak, men reisde veel en startte met nieuwe projecten. Zo leidde men ook jonge Ambonezen op, zij fungeerden later als goeroe, onderwijzer in de dorpen en oefenden ook tucht uit.
In het jaar 1907 stierf Mevr. Van Hasselt. Het jaar staat bekend als het jaar van de ommekeer. Door haar spontaniteit, meeleven met de bevolking, had zij een unieke plaats veroverd in de
harten van de bevolking. Zij leidde een enorm gezin van vrijgekochten. Zij wordt de “moeder van Papoea”genoemd. Toen Van Hasselt jr. tientallen jaren later het graf van zijn moeder bezocht, bleek dat keurig
onderhouden te zijn. Bij het gedenkteken, waar de eerste pioniers, Geissler en Ottow zijn geland op Mansinam, kan men nog lezen Snari-,- Papoea, moeder der Papoea’s.
Zij was ook een geweldige organisator en Van Hasselt sr maakte sindsdien een verslagen indruk. Eind 1907 bracht hij met zijn dochter enige weken door bij zijn zoon op Sumatra, alvorens hij
naar Nederland terugkeerde. Vanaf 1863 was hij in Nieuw Guinea. Tijdens dit bezoek bereikte hem nog het bericht over de grote ommekeer op Roon. Ook de zendelingen begonnen toen te geloven in de Papoea’s.
Het was een “bekering”die niemand nog had verwacht. De Papoea’s schonken nu hun vertrouwen, dat men eerder maar niet kon winnen. Een moeizaam proces was hier echter aan voorafgegaan.
In 1908 werden er op Mansinam, de oudste post, 69 mensen gedoopt, waaronder 13 kinderen. In 1909 werd de eerste massale bijeenkomst gehouden, de later bekend geworden zendingsfeesten.
Er waren 1000 aanwezigen, men kwam zelfs van Biak en Noemfoor. Dit werkte heel positief, het was niet alleen informatief, maar het bracht ook een emotionele binding.
De Papoea’s ervoeren het als een wonder, dat men nu broederlijk naast elkaar zat, dezelfde liederen zong, samen at en men elkaar niet naar het leven stond. De hoop van de zending
begon realiteit te worden, ook al bleef de verhouding tussen kust en binnenland bevolking nog lang gespannen. De invloed van de door de zendelingen gepredikte Evangelie bleek toch groter dan iemand
maar durfde te vermoeden. Het werken met goeroe’s(onderwijzers) was toen (in de pionierstijd) onmogelijk. Alles lag nog onder de ban van de adat(habit, custom culture) en die ban werd pas verbroken na de
invoer van het bestuur. In het begin probeerde men de adat nog te eerbiedigen, doch dit kon men niet handhaven, omdat men de moordtochten niet kon tolereren. Het optreden hiertegen verbrak de slagader van de adat.
Het Papoese animisme werd toen ervaren als minderwaardig en men kwam voor de vraag, wat nu? Hieruit volgde de grote ommekeer en deuren gingen open.
Toen de familie Van Balen in 1912 voorgoed repatrieerden lag de herinnering aan een gruwelijk verleden nog vers in het geheugen.
In 1918 schreef hij;”Toen kwam ik tot de overtuiging, dat dit het werk was van de Heilige Geest”.
Net na de ommekeer zegt Starrenburg: “We zijn er nog niet, we beginnen nu feitelijk pas”.
Deze uitspraak zou van een jonge Papoea Christen kunnen zijn, want ook zij beseften, dat de eerste stappen in de nieuwe richting pas waren gezet.
Voor de zendelingen was het een wonderlijke overgang, dat de bevolking nu in groepen overging, dat zij het Evangelie als een bevrijding ervoer tegenover hun sacrale natuur,
medemensen, tegenover machten en krachten, die men tot nu toe gevreesd had. Men kende een stelsel van boetebetaling, niet van boetedoening. Zij wisten niet wat zonde
was, maar men kende wel degelijk zijn tekortkoming. Dat het Evangelie op Nieuw Guinea door blanken werd gebracht, was al vanaf het begin een schaduwzijde.
Na tientallen jaren waren het bepaalde gebeurtenissen, die de bevolking de ogen openden. Vooral toen volksgenoten als kwartiermakers optraden voordat de gevraagde goeroe’s verschenen.
Onder de Papoea’s was er een wijdvertakt netwerk van onderlinge relaties, soms over de grenzen van drie verschillende volkjes heen en dat maakte ook de communicatie van het Evangelie mogelijk.
Toen Starrenburg 2 ½ jaar op Roon had gewerkt, waren er reeds 20 goeroe’s tewerk gesteld in verschillende dorpen en werden de scholen door 586 leerlingen bezocht.
Opeens was er belangstelling van de bevolking en zendingswerk breidde zich uit. Budgettaire obstakels en gebrek aan opgeleid personeel belemmerde toen de vooruitgang.
Voor veel Papoea’s werden het moeilijke overwegingen. Sociaal economische factoren, prestige overwegingen, vernieuwing van cultuur speelden hierbij een rol en hoe stond het met
de sancties, die men altijd had gevreesd van de kant van de voorouders, demonen en machten. Hiermee moest men in het reine komen en men nam die stap. Men werd gesterkt
door gebeurtenissen en eigen controles of iets werkelijk waar is en hieruit stamt het Papoea gezegde: wat onze oren horen, kan gelogen zijn, maar wat onze ogen hebben gezien, moet wel juist zijn.
De vrees voor de geesten en geestenhuizen zat er vooral bij de vrouwen diep in. Dit was ook geen wonder omdat bepaalde geheime rituelen aan geesten werden toegeschreven.
Verraad van deze geheimen werd met de dood bestraft. Dit moet het maatschappelijk leven ook hebben ontwricht en de begonnen afbraak van geesten tempels zal het leven van vrouwen aanmerkelijk hebben veraangenaamd.
Met name van Hasselt jr. heeft veel anekdotes opgeschreven en veel gepubliceerd over rituelen en gebruiken. Men stelt vast hoe de cultuur overdracht plaatsvindt en hoe men 80 jaar na radicale ingrepen
nog precies weet te vertellen hoe een en ander functioneerde. Het zendingswerk breidde zich nu steeds verder uit: naar het westen tot aan de Radja
Empat(Sorong) eilanden en de binnenlanden van de Vogelkop; Fak fak en Biak kregen eigen zendelingen. In het jaar 1915 werd er in het Wakdé gebied, tegenwoordig Sarmi, de laatste tempel afgebroken.
In Juni 1916 vestigde zendeling J. Bijkerk zich aan de Humboldtbaai en toen waren er al 22 dorpen van een schoolkerk voorzien en werkten er 24 goeroe’s.
Het gouvernement, gezaghebber N.Halie, stond hier positief tegenover, alhoewel hij geen voorstander van de zending was, evenmin als velen na hem.
Hij stond wel op de bres voor de ontwikkeling van de bevolking en de emancipatie van de vrouwen zonder zich te verdiepen in de culturele achtergronden.
Van Hasselt jr. werd voorzitter van de conferentie van zendelingen en was de leider. Sinds 1930 kwam de invloed naar voren, die de door hem opgeleide landszonen zouden gaan uitoefenen, ook die van I.S. Kijne.
In de periode na 1927 werden de eerstelingen van de opleidingsschool voor onderwijzers afgeleverd en ds. Kijne heeft zijn stempel hierop gedrukt.
Van Hasselt was al in 1917/18 op Mansinam een opleiding voor inheemse krachten begonnen. Er werden echter Ambonese en Sangirese en slechts enkele Papoea leerlingen opgeleid.
Kijne slaagde erin deze opleiding om te vormen tot een normaalschool voor alleen inheemse leerlingen. In 1925 verhuisde de school naar Miei(Wardammenbaai), waar de grond
vruchtbaarder was en de leerlingen tuintjes konden houden, hetgeen nog wat opbracht. Bovendien werd er in de naaste omgeving een groot aantal dorpsscholen geopend, die van
belang waren als oefenscholen voor de aanstaande onderwijzers. Dit alles vond plaats onder Kijne, hij werd directeur van de opleidingsschool. Hij was een
begaafd man en verdiepte zich ook in de problemen. “De zendingsmethode van de zendelingen was die der goeroes”(Kijne). Bedoeld werden hier de Indonesische goeroes
van Ambon en Sangir, zonder hen had de zending zich niet zo kunnen uitbreiden. Hun theologische opleiding was echter summier en ze stonden nogal agressief tegenover de
cultuur van de Papoea’s, waarvan ze alles kwalificeerden als “heidendom”, dat zij moesten uitroeien. Het was moeilijk om van deze heterogene groep een homogene te maken, die samen met
de zendelingen en de bevolking het acculturatieprobleem op een verantwoorde wijze moest zien op te lossen. De leerlingen kregen b.v. het probleem te verwerken van de toenemende kloof tussen de
oudere en jongere generatie. Kijne brengt hun echter het nodige zelfbewustzijn bij, ook als volk. Hij heeft ze leren denken, werken en zingen.
Hij leerde hen hoe hun voorouders een gesloten, zelfgenoegzame wereld poogden op te bouwen, Het “heil”vast te houden en te binden in hun sacrale centra, zoals dat is verwoord in
de mythen. Over de mythen wordt in de boeken uitvoerig over geschreven. Er ontstonden democratische explosies, jongeren zoals Laurens Mano deden van zich spreken.
Hij verzocht de aanwezigen op een grote bijeenkomst hun ijver besteed aan afgoden nu eens te besteden aan God en hij vertelde het scheppingsverhaal nu in de landstaal. De discussie
kwam goed op gang en vooral jongeren werden de oude adat met al zijn eindeloze rituelen beu en de jongere generatie voelde zich ook gemanipuleerd. Bovendien vond men dat de
doden blijkbaar meer invloed en macht hadden dan de levenden. De interne strubbelingen duurden ca. 2 jaar en in 1932 verdwenen de geheime
mannenbonden, het tempelwezen en de zonneverering en boden zich alternatieven aan. Het gezag van de ceremoniële hoofden werd steeds meer ondermijnd.
De 2e wereldoorlog, waarbij de geallieerden de Humboldtbaai in April 1944 als invalsbasis kozen, bracht een totale verandering teweeg.
De Japanners hadden daar hun hoofdkwartier, vliegveld en voorraden en met de bevolking was geen rekening gehouden. Na de geallieerde aanval lag de baai vol met schepen en honderden quonsethutten werden
opgezet en Generaal Mac Arthur koos Ifar Gunung aan de noordkust van het Sentani meer als zijn hoofdkwartier. Bij de komst van de Amerikanen werd Hollandia(Jayapura) een stad en werden vele
kilometers wegen aangelegd en verschenen er ook ca 100 openlucht bioscopen. Door deze grote drukte beleefde de bevolking de oorlog als een uitbarstende vulkaan en niemand kon
bevatten wat er allemaal gebeurde en er was zelf geen mythische verklaring voor te vinden. Toen de strijd voorbij was, bleken er enorme complexen grond van de bewoners bebouwd
met huizen, wegen, werven, dokken etc. Toen het Nederlands Gouvernement in 1946 terugkwam, waren er enorme dumps op te ruimen.
Het aantal huizen en gebouwen was zo groot dat men besloot Hollandia in plaats van Manokwari als hoofdplaats van Nieuw Guinea te maken.
Dit impliceerde een vloedgolf van mogelijkheden, welke echter grotendeels voor de jongeren toekomstbepalend zou zijn. Het gouvernement met zijn diensten en centra, scholen, vestigde zich in Hollandia. Er
kwamen allerlei voorzieningen en ook de theologische school van de E.C.K. verhuisde van Seroei naar Hollandia.
De wederopbouw van het zendingswerk kwam na de oorlog maar moeizaam weer op gang.
Biakkers b.v. wilden de Amberi goeroe’s vanwege hun gedrag tijdens de Japanse bezetting niet meer terug als hoofd van hun gemeenten en scholen.
Op Biak is er hevig gevochten om de Jappen aldaar te verdrijven en heden te dagen zijn er nog sporen van dit geweld te vinden. In 1945 kwamen de zendelingen Grondel en Ten Haaft terug na 3,5 jaar gevangenschap en
vestigden zich op Biak. De ouderlingen hadden heel wat te verduren gehad, maar de meerderheid was de gemeente trouw gebleven. Er werden tientallen jongeren opgeleid en trokken overal heen.
In 1946 kwam Mr. Ds. R.G. ten Kate, ds. Ten Haaft vervangen, die een conferentie in Batavia bezocht, vanwaar hij met nieuwe plannen terugkeerde. Deze plannen werden goed
ontvangen en er werd een afgevaardigde benoemd voor de conferentie van Kerken en Zending te Makassar, die in Maart 1947 zou worden gehouden. Het werd F.J.S. Rumainum.
Na het vertrek van Ten Haaft werd Rumainum waarnemend predikant en hij volgde een vierjarige opleiding op de Theologische School in Makassar. In 1951 kwam hij terug en hij
werd aangesteld als ressortsleider voor geheel Biak. Hij was de eerste Papoese predikant die met de leiding werd belast.
Door luchtverkenning in de dertiger jaren en exploitatie na 1946 ontwikkelde Sorong zich als centrum van de Nederlansche Nieuw Guinea Petroleummaatschappij(NNGPM).
Honderden arbeiders kwamen hierop af, maar het bleek dat de oliebronnen een te geringe capaciteit hadden om exploitatie rendabel te maken.
Toen kwam ook de R.K. missie, die via een subsidie van de NNGPM in staat werd gesteld een jongensschool op te zetten. In Sorong was er toen de missie en de zending.
Na de oorlog waren resp. Ds. A.M.Middag, T. Houtsma, L. Beck, G. Clay en H. Woldendorp ressortleider, terwijl bij de verzelfstandiging van de E.C.K. Pendeta E. Osok voorzitter werd.
Dat de traditionele cultuur en ritueel toch nog werden doorgegeven van generatie op generatie bleek telkens bij opleving van wat men reeds als overwonnen had beschouwd. Dit
geldt voor de Koreri bewegingen en ook voor de geheime mannenbonden. Naarmate echter de economische alternatieven toenemen, neemt de traditionele communicatie af.
Manokwari lag tijdens de oorlog in de frontlinie en kreeg bombardementen te verduren zowel van de Japanners als later van de Amerikanen.
Door de R.K. Missie vestiging in de kolonistentijd en na de oorlog door de The Evangelical Alliance Mission ontstond hier ook dubbele zending. Toen 2 van hun eerste zendelingen de
Vogelkop introkken(1952) werden zij vermoord tussen Ajamaru en de Kebar vlakte. Dit waren de eerste zendelingen, die op deze manier om het leven kwamen.
E. Ewoldt opende ca 1951 het Kebar gebied, dun bevolkt, maar toch bezet, later ook door de R.K. Missie. Het ressort Manokwari kende toen slechts weinig bewoners. In 1956 bedroeg het aantal
Christenen slechts 5436 in 56 gemeenten en er waren nog 29 gemeenten in wording. Op Ransiki werd in 1957 een evangelistenschool gebouwd, waar de leerlingen uit het hele
gebied van de E.C.K. hun opleiding, ook in de landbouw ontvingen. Veel bewoners waren weggetrokken en Anday is wel een van de meest mistroostige
plaatsen uit die tijd. Waar Woelders en Jens eens werkten, vindt men met moeite nog enige restanten terug, van de graven niets.
Gouvernement en zending:
Deze instanties, hiërarchisch opgebouwd, voerden een georganiseerde acculturatie uit, dat wil zeggen, dat beide meenden te weten, wat de objectieve behoeften van de Papoea
bevolking waren. Men noemde dit later ook wel politiek en geestelijk imperialisme. Beide instanties uitten verwijten naar elkaar en communicatie stoornissen kwamen vaak voor.
De zending was door de langdurige werkzaamheid op een bepaalde plaats vaak veel beter op de hoogte van de lokale cultuur. De zending had evenwel niet de middelen om de bevolking in welke richting dan ook te
sturen en te dwingen, maar na een lange reeks van jaren(1855-1908) nam de bevolking zelf de stap naar het Evangelie in gemeenschappelijk overleg met de meerderheid en trokken zij vrijwillig de consequenties hieruit.
Zij zelf bepaalden wat wel en niet in strijd was met het Evangelie. Zij vernietigden zelfs sacrale voorwerpen, die de zendelingen soms graag zouden willen behouden en voortzetten.
Sommige zendelingen waren wel heel rechtlijnig en het omgekeerde kwam dan ook voor. Wel bleef de sociale structuur, huwelijksvorm en relaties, bruidsprijs, grondrechten, strafrecht
etc. bestaan, wanneer de bevolking deze niet in strijd vond met het Evangelie. De jongere generatie bleek later veel radicaler, men accepteerde de door ouderen
geregelde huwelijken en de hoge bruidsprijs niet meer. Was men eenmaal gedoopt, dan trad automatisch de sociale controle via de kerkenraadsleden in werking en viel men onder de kerkelijke tucht.
Sommige zaken, strafdelicten kwamen op het terrein van de overheid. Het gouvernement had gewapende politie achter de hand en kon dus wel dwingend optreden.
De overheid en enkele honderden kolonisten en kleine landbouwers kon men buiten beschouwing laten, omdat men nooit economisch is geslaagd. Nieuw Guinea was geen
wingewest en de term koloniale overheersing, door Indonesië vaak gebruikt, is hier niet van toepassing. Het heeft een bijklank van onderdrukking, maar hiervan was in de Nederlandse tijd geen sprake.
Wel werden er excessen zoals koppensnellen, slavenjachten bestraft en in het kader van handhaving van rust en orde werd de Koreri beweging en andere heilstaat bewegingen onderdrukt.
Het verwijt van “verwaarlozing”met betrekking tot de ontwikkeling van Nieuw Guinea is wel terecht gemaakt, behalve dan de medische sector. Voor 1898 was het gouvernement niet eens vertegenwoordigd!
Na vestiging kwam men met de impopulaire maatregel om belasting te heffen. Het begon met f. 1,- per man, per jaar. Dit werd geleidelijk verhoogd naar f. 4,-.
Ter vergelijking: het dagloon van een ongeschoolde arbeider bedroeg toen f. 0,25. Geld was schaars en de bevolking voerde onderling een goederenhuishouding.
Ook niet populair waren de “heerendiensten”. Maximaal 30 dagen per man per jaar kon er worden gevorderd. De afkoopsom bedroeg f. 6,- per jaar.
In 1936 kwam er een besluit dat herendienstplichtigen niet te ver van hun woonplaats te werk gesteld mochten worden. Men probeerde de bevolking aan regelmatige arbeid te laten gewennen.
De algemene indruk is echter, dat het gouvernement te laat actief is geworden en aan de ontwikkeling weinig heeft bijgedragen. Men heeft Nieuw-Guinea te lang links laten liggen.
Dit in tegenstelling met missie en zending, wiens werk een enorme impact op de bevolking heeft gehad. Over de politieke controverses wordt in het boek heel voorzichtig over geschreven, omdat de
schrijver Dr. F.C. Kamma, niet over alle feiten beschikte, die overigens ook nog niet waren vrijgegeven. Hij schrijft hierover: De eens gediscrimineerde, daarna verwaarloosde bevolking was ten
hoogste verbaasd over de belangstelling, waardoor de naam van haar omstreden gebied voorpagina-nieuws werd, waarbij de uitslag van de strijd tenslotte in de Verenigde Naties zou vallen.
17.8.1945: De proclamatie van de Indonesische zelfstandigheid. Rondom deze dagen werd het hele gebied van het voormalig Nederlandsch Oost-Indië, dat
wil zeggen van Sabang tot Merauke, genoemd, als doel van de vrijheidsstrijd.
1949: Op 27 December werd Indonesië onafhankelijk. Nieuw-Guinea werd hier voorlopig
buitengesloten op voorwaarde dat binnen een jaar dit gebiedsdeel alsnog aan de orde zou komen. De onderhandelingen in 1950 leverden echter geen resultaat op en Nederland ging door met
verdere en versnelde ontwikkeling. Wel moest men jaarlijks verslag uitbrengen aan de V.N. In 1956 kwam er een Oproep van de Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk tot
bezinning op de verantwoordelijkheid van het Nederlandse volk inzake de vraagstukken rondom Nieuw-Guinea. Deze Oproep bestaat uit 4 paragrafen en men wil aansturen op hervatting van de
onderhandelingen en men stelt, dat Nederland bereid zou moeten zijn, zijn aanspraken om alleen op eigen gezag Nieuw-Guinea te besturen, te laten vallen en toe te stemmen in een
regeling van dit bestuur in een zodanige overeenstemming met de volkerengemeenschap, dat zowel de beste volksbelangen als de grootst mogelijke staatkundige stabiliteit redelijkerwijs gewaarborgd is.
Na de eerste berichten in een perscommuniqué, dat verminkt overkwam en waarin de cursieve woorden waren weggevallen, brak er een protest uit van bijna alle instanties op het eiland.
Men meende, dat de Hervormde Kerk, cq de zending ter wille van haar betrekkingen met de Indonesische kerken, Nieuw-Guinea, wilde “uitleveren”, zo was de visie.
Toen men later de hele tekst van de Oproep in handen kreeg, bleef het misverstand echter toch bestaan, ondanks het feit dat het gouvernement en zending een uitvoerige radio-uitzending aan de Oproep wijdde.
Er waren zelfs groeperingen uit de bevolking, die eisten, dat het beheer van de scholen aan de zending ontnomen moest worden. De Oproep werd beschouwd als een door kerk en zending gepleegd verraad.
In 1961 werd als vertegenwoordigend lichaam van de bevolking de Nieuw-Guinea-Raad opgericht. Van de 28 leden waren er 5 Nederlanders, van wie 3 gekozen en 2 benoemd voor het
Oostelijk en Westelijk Centrale Bergland. Het belang van deze raad was, dat hij van de Nederlandse Regering de verzekering kreeg, dat op een tijdstip door hemzelf te bepalen over zijn toekomst te mogen beslissen.
Op 1 December 1961 werd de Papoese vlag en volkslied officieel ingevoerd. Intussen waren er verschillende militaire conflicten en tenslotte werd de zaak aan de Verenigde Naties voorgelegd.
In 1962 lanceerde de diplomaat E.Bunker een compromis, dat op 15 Augustus door de beide partners, Nederland en Indonesië werd aanvaard.
Dit hield in, dat de V.N. tijdelijk(minstens een, hoogstens 2 jaar) het bestuur over West Nieuw-Guinea zou uitoefenen. Daarna zou deze instantie, de zogenaamde UNTEA(United
Nations Temporary Executive Administration) het gebied in beheer overdragen aan Indonesië, evenwel met de clausule, dat voor het eind van 1969 “the act of free choice” door
alle volwassenen moest worden geëffectueerd. De keuze werd dus zo aan de Papoea’s overgelaten. Nu ging alles overhaast in zijn werk, want al op 1 Oktober 1962 zou de UNTEA het bestuur
overnemen en zij op haar beurt zou op 1 Mei 1963 het bestuur aan Indonesië overdragen. En zo geschiedde het, eerder dan was afgesproken.
Tal van directe veranderingen vonden plaats: Hollandia werd Soekarnapura, later Jayapura. De Nieuw Guinea raad werd vervangen door een Provinciale raad en er werd een universiteit gesticht.
In 1969 gebruikte Indonesië voor de “free choice” getrapte verkiezingen en de kiesmannen kozen allen voor instandhouding van de band met Indonesië.
Het boek rept dus niet over de toedracht van de ware gebeurtenissen van het gewraakte referendum, want in feite was het “the act of no choice”.
Personen, die over deze affaire hebben geschreven, zijn met de vingers aan een hand te tellen. Een van die mensen was Dr. John Saltford en over hem is op de website een artikel gewijd.
Er loopt ook een historisch onderzoek onder leiding van Prof. Drooglever en wanneer dit rapport naar buiten treedt zal ook de “buitenwacht”vernemen hoe een en ander door Indonesië is afgehandeld.
Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig , wanneer ik nu kan vermelden , dat Henry Kissinger een grote naam is bij de directie van de Freeport goud- en kopermijn in West Papua.
West Papua fungeert nu als een echte kolonie en Freeport is de grootste belastingbetaler. De Oproep in 1956 van de Ned. Hervormde Kerk, dat de beste bevolkingsbelangen als de
grootst mogelijke staatkundige stabiliteit gewaarborgd moet zijn, strookt niet met het gegeven wat er de afgelopen jaar in West Papua is gebeurd en nog gebeurt.
Onder Nederlands bestuur werd de bevolking niets in de weg gelegd. Hoe het nu gaat, kunt U lezen op de website!
Op 5 Februari 1955 werd over het hele eiland op enthousiaste wijze het honderdjarig
bestaan van de zending herdacht en had tevens de laatste conferentie van zendelingen op Kwawi(Manokwari) plaats, waar ook de schrijver van het boek “Dit wonderlijke werk”, Dr. F.C. Kamma, als praeses optrad.
Hiermee werd een bewogen stuk geschiedenis afgesloten.
Op 18 Oktober 1956 kwamen de gekozen leden, die de 1e synode van de ECK zouden vormen in Hollandia bijeen.
De eerste dagen werden besteed aan bespreking van de resultaten van de discussies over het ontwerp-kerkorde en vervolgens werd de kerkorde vastgesteld. Toen volgde de
verkiezing van de voorzitter van de synode. Dit werd Ds. F.J.S. Rumainum, vice-voorzitter werd Ds. H. Mori-Muzendi en als secretaris voor de duur van deze eerste synode Ds. A.M. Middag.
Verschillende brieven en telegrammen werden voorgelezen, waarbij de Gouverneur van Nieuw-Guinea, Dr. J.Van Baal vaststelde, dat de zending de eerste instantie was geweest,
die zich intensief met Nieuw-Guinea had bemoeid en nu ook als eerste haar eigen organisatie opgebouwd had onder inheemse leiding.
Ook het breed Moderamen had slechts een blanke als lid. De namen van de leden van het Breed Moderamen waren: Ds. F.J.S. Rumainum, H.Mori-Muzendi, F.C. Kamma(secretaris),
S.Loborang, E. Osok en de ouderling A.Krey van Biak. Als voorzitter van de ressortssynoden was er hier en daar een blanke, maar de meeste waren Papoea’s.
Besloten werd dat, dat de algemene Synode eens in de drie jaar, de ressortsynode en het Breed-Moderamen elk jaar, terwijl het Moderamen(dagelijks bestuur) eens per week bijeen zouden komen.
Volgens een opgave van Ds. Rumainum waren er in 1956 ruim 130000 christenen, 580 gemeenten en 186 gemeenten in wording. Van de 10 Nederlandse zendingspredikanten waren er 3 bij de opleiding(2 bij Theologische
School, 1 bij Evangelistenschool) betrokken. Er waren 9 ressorten: Hollandia-Nimboran, Sarmi, Biak-Numfoor, Jappen-Waropen, Manokwari, Miei, Sorong, Teminabuan, Inanwatan.
Uit gegevens 5 jaar later blijkt, dat er van de 720 onderwijzer-voorgangers 600 landszonen waren. Het aantal inheemse predikanten werd in de jaren 1958(18) en 1959(10) verdubbeld, zodat
ook deze categorie volledig bevoegden in alle ressorten de leiding hadden van de 48 classes. Het aantal christenen nam daarna in 5 jaar toe tot 172000 en de jongste gegevens noemen al een getal van 275000.
Horizon verruimend was de aansluiting van de E.C.K. bij de DGI(Raad van Kerken in Indonesië), de EACC(East Asia Christian Conference) en de W.C.C. (World Council of
Churches. Men nam ook contacten op met de ELCONG(Evangelican Lthern Church on New Guinea) en was deelnemer aan een conferentie in Samoa, wat contact met christenen uit Melanesië en de Pacific impliceerde.
Op 2 April 1962 werd het opleidingscentrum,P3S(centrum voor opleiding tot sociale werksters) voor de arbeid onder vrouwen en meisjes, geopend. ( Mej. L.Swaan, J. van der Lecq)
Ook nam de ECK het initiatief om voor moeder en kindzorg een centrum te openen in 1971 op Joka voor Oost-Sentani.(Brechtje Folkerts)
In 1957 opende het Gouvernement Wamena in de Baliemvallei en het personeel bestond grotendeels uit leden van de E.C.K. Van hieruit werd het binnenland bewerkt.
In 1961 arriveerden hiervoor de zendelingen P.G. Aring en S. Zöllner. Men legde contacten met de Mukwi bevolking, die regelmatig in aanraking kwamen met de Jali’s. Bij Angguruk
bleek dat dit geschikt was voor een landingsstrip en begon men met de aanleg. Het team werd van voedsel voorzien door de MAF(Missionary Aviation Fellowship) aanvankelijk de organisatie va ex oorlogspiloten.
Toen de baan op 23 september 1961 gereedkwam en de gezinnen werden ingevlogen, kam aan het tent- en hutleven een eind.Huizen werden gebouwd en er verscheen een
“prefab”ziekenhuis, “Effatha”genaamd. Mevr. Vriend werkte hierin en pas in 1969 kwam zr. Trijntje Huistra. Zeer populair was ook Betty Hokujoku van Sentani, die het huishoudelijk werk van het
hospitaal voor haar rekening nam. In 1963 kwam Ir. K.D. Peters, landbouwkundige. Hij liet visvijvers graven, voerde schapen in en hield een proeftuin. Dit deed men voor preventieve zorg, omdat Mevr. Vriend was
gebleken, dat er veel ziektes voorkwamen als gevolg van eenzijdige voeding. Ook was er een project voor de verbetering van de huisvesting, want in het hoge bergland
leefde de bevolking in ronde, tochtige hutten en dat veroorzaakte verkoudheid, pneumonie etc. In dezelfde tijd kwamen nog 2 verpleegsters, Martha Diehl en Anna Kessler naar Wamena
voor medisch werk en arbeid voor vrouwen en meisjes. Nog 2 RMG zendelingen, H Benz en A. Roth werden in 1965 ingezet voor het oostelijker Apahapsili.
Op Wamena breidde het werk zich uit naar het oosten onder leiding van evangelist M.Fossba, die zich in Kurima vestigde. De Jali mensen bleken echter uiterst agressief en bij geruchten had men al wel iets
vernomen over kannibalisme. In Juli 1963 werden elf mensen van de centrale zendingspost en omgeving door de Prongkoli-bevolking gedood en geconsumeerd.
Ze waren bezig onder leiding van een evangelist een airstrip aan te leggen. In 1968 werden nog 2 zendelingen, Stan Dale en Phil Masters, in de Sengi vallei gedood.
Dit bleef nog enkele jaren een constante dreiging. Na 10 jaar arbeid werden ook hier de eerste christenen gedoopt en bij een conferentie in
Angguruk bleek dat er vrede heerste en dat men wilde samenwerken voor een betere toekomst.
Tot 1905 was alleen de UZV van de Hervormde Kerk op Nieuw Guinea werkzaam. Vanaf dat
jaar begon ook de R.K. Missie aan de zuidkust haar arbeid en na 1928 in de richting van de noordkust, toen de scheiding van Missie en Zendingsterrein werd opgeheven.
Er zijn nu drie diocesen, met een bisschop te Merauke, waar de paters van het Heilig Hart altijd gewerkt hebben, nu bijgestaan door de F.C.K.(Amerikaanse Congregatie), een
bisschop te Sukarnapura(Jayapura) en een bisschop in Manokwari, waar de Augustijnen werken. In het Zuid-Westen is sinds 1930 ook nog steeds de Molukse Protestantse Kerk (Fakfak, Merauke en omgeving) werkzaam.
Dan zijn er verschillende kerken groeiende door de arbeid van Amerikaanse en Australische zendingsverenigingen. 1)The Christian and Missionary Alliance(CAMA) 1938: Enarotali(Wisselmeren en Baliemvallei
2)Unevangelized Fields Mission (UFM) 1950: Sengge;1956: Bokondini; 1958: Mulia. 3)Regions Beyond Missionary Union(RBMU) 1954: Karubaga(Swartvallei). 4)The Australian Baptist Missionary Society(ABMS) 1956: Tiom.
5)The Evangelical Alliance Mission(TEAM) 1951: Manokwari(Anggimeren, Agats a.d. Zuidkust, Merauke, Fakfak en Kepidistricten) 6)The Missionary Aviation Fellowship(MAF) 1955: Sentani.
De MAF is een zendings luchtvaartvereniging en vormt met de 5 bovengenoemde een organisatie, The Missions Fellowship(TMF).
Eind 1975 heeft het 12 Cessna’s en een helikopter tot haar beschikking, terwijl er ca. 120 vliegveldjes zijn aangelegd en een 200-tal zendelingsarbeiders van haar diensten kunnen profiteren.
Als geassocieerde leden sloten ook de volgende demonaties zich aan: Zending Gereformeerde Kerken Tanah Merah(ZGK) Dit zijn vrijgemaakte kerken , die vanuit Nederland opereren.
Zending van de Gereformeerde Gemeenten(ZGG). De Kemah Injil Gereja Masehi Indonesia(KINGMI) De meeste van genoemde demonaties negeren de E.C.K.. Naast de MPK was het alleen
de R.K. Missie die de E.C. K. in een later stadium erkende, terwijl alle Reformatorische kerken verstek lieten gaan. De R.K. Missie en de E.C.K. hebben samen een Middelbare school in de hoofdstad
opgericht onder gemeenschappelijk beheer. De explosie van honderden kerken zoals in Afrika is tot nu toe in Indonesië uitgebleven.
Men kan concluderen, dat de missionerende kerken zeer veel hebben bijgedragen tot de openlegging van het binnenland en dat hierbij de MAF ( The Missionary Fellowship) een wel hele grote rol heeft gespeeld .
In de laatste 30 jaar is er veel meer gebeurd dan in de 300 jaar daarvoor.
De periode na 1956 is eigenlijk de periode van F.J.S. Rumainum, hij moest nu optreden als
voorzitter van de Algemene Synode en samen met F.C. Kamma moest hij een nieuwe weg inslaan. Zijn ouders hebben de oude zendingstijd nog gekend en kregen hun opvoeding op het
oudste zendingserf van Nieuw- Guinea, Mansinam. Hij zelf werd geboren in de tijd van de grote overgangen, in 1914. Enkele dagen voor zijn plotseling overlijden(27 Januari 1968) heeft Ds. Rumainum nog het
boekje in handen gehad, wat hij zelf had geschreven, toen de EC kerk 10 jaar bestond. Hij geeft een overzicht van 1855 tot het jaar 1966 met tal van feiten en namen en hij beschrijft
de grote wisselingen, veranderingen en de schokkende gebeurtenissen, hoe er gepredikt, gebouwd en gewerkt, de opofferingen. De kerk stelt hij echter heel centraal en hij voelde
zichzelf als een schakel tussen de oude zendingstijd en de kerk van nu. Hij heeft het over die ene vast lijn, die loopt door de geschiedenis van de kerk. Die is in stand gebleven.
Maar alles draait om lijfsbehoud en levensonderhoud kan er moeilijk sprake zijn van levensverwerkelijking en opbouw. Hier ligt een geweldige opgave voor de kerk.
Het volk zegt: nu zijn we christen geworden, wat nu? Daarbij komt de politieke instabiliteit, voorgangers kunnen zich niet ontplooien, want vele dorpjes zijn geïsoleerd en er is nu een
drie eenheid van bestuur, leger en kerk. De opvolger van Ds. Rumainum namelijk Ds. J. Mamoribo begon eveneens te schrijven en publiceerde reeds verschillende brochures.
Na Mamoribo (1971) kwam Ds. W.Malowali en I.K. Saujay.
Bij de overdracht in 1962 en de politieke omwenteling in 1963 kwam er een echte exodus op gang door het vertrek van de Nederlanders.
Dat de onderwijzers, die Hollandse lessen gaven, de doktoren en verpleegsters werden vervangen door Indonesiërs is begrijpelijk, maar minder duidelijk was het vertrek van de
zendingspredikanten, die in geen enkel opzicht aan het gouvernement waren verbonden. Dit is voor velen een raadsel geweest, daar R.K. missionarissen wel op hun post bleven, al hadden er wel verschuivingen plaats.
De ECK stelt dat de ECK een zelfstandige kerk was geworden, die werd geleid door inheemse krachten. De schrijver, F.C. Kamma fungeerde als secretaris.
Het was een zaak , die de Synode van de ECK regelde. Men stond niet in voor de persoonlijke veiligheid van de zendelingen, verder waren er afspraken gemaakt met de Raad
van Kerken in Indonesië(DGI), die de vacatures die zouden ontstaan zou opvullen. In 1962 was het zo, dat slechts 3 van hen in de ressorten werkten(Sarmi,Sorong,
Teminabuan) terwijl de anderen een taak hadden als docent(Theol.School,Opleidingsschool voor Evangelisten) en andere speciale opdrachten. De docenten werden verzocht te blijven
evenals de zendelingen in het Jali gebied. De anderen werd verzocht te repatriëren.
Het boek, “Dit wonderlijke werk”, geschreven door Dr. F.C. Kamma bestaat uit 2 delen en is
een uitgave van de Raad voor de Zending der Nederlandse Hervormde Kerk. Het boek geeft goed de geschiedenis weer en ook de schrijver zelf heeft jarenlang in Nieuw
Guinea gewerkt. Het is een wetenschappelijk boek met tal van anekdotes en verschillende thema’s worden kritisch onder de loep genomen.
Zoals U op de website hebt kunnen lezen was ik zelf in 1962 in Nieuw- Guinea en indertijd verbaasde ik mij over het aantal kerkjes in de verschillende kampongs.
Eind 2003 was ik voor de eerste keer weer terug en bezocht ik bij toeval ook het eiland Mansinam, waar de zending dus begon in 1855.
Vlak bij het strand, dichtbij de aanlegsteiger stond een groot wit gedenkteken van Ottow en Geissler en U begrijpt natuurlijk al, dat het boek van F.C. Kamma mij uitermate boeide.
Om een zo breed mogelijk spectrum over West Papua te verkrijgen, heb ik daarom veel aandacht aan dit boek besteed en natuurlijk was het al zo dat ik enorm veel waardering had voor het werk van zending en missie.
Gerard Thijssen
Pioniers 3)
“Wings over Shangri La”
Het boek in het Engels met boven vermelde titel is geschreven door E. Janet Steiger en
vertelt over de grote droom van de geestelijke Robert Jaffray van The Christian and Missionary Alliance, die in 1931 in een rapport aan de leiding zijn wens uitte om Nieuw Guinea binnen te gaan en te bewerken.
In die tijd waren er geen goede mogelijkheden, verbindingen, om het binnengebied te
bereiken en hij ontwikkelde zijn visie om dat via kleine vliegtuigen via missie en zending te bewerkstelligen.
Er volgenden enige jaren van voorbereiding en in 1938 maakte hij een reis naar Nederlands Nieuw Guinea.
Hij belandde in een gebied bij Lake Paniai aan de Zuid kust en tot zijn verrassing was dit nog niet in kaart gebracht.
De tweede wereldoorlog en een Japans interneringskamp verstoorde zijn droom en 2 weken voor het einde van de oorlog in 1945 stierf hij.
Voor zijn dood deelde hij zijn droom met Walter Post, Darlene Deibler en Einar Mickelson en
dit waren enige van de eersten, die deze droom alsnog waarmaakten.
In 1938 sponsorde het Amerikaanse Museum of Natural History, New York een expeditie onder leiding van Richard Archbold.
Dit was een grote expeditie met U.S.A. wetenschappers en in Hollandia voegden zich
Hollandse wetenschappers, legerofficieren en soldaten bij hen. Veroordeelden en Dyaks uit Borneo fungeerden als dragers.
De groep was goed toegerust en telde 195 mensen. Een grote vliegboot werd gebruikt voor transport.
Deze groep ontdekte de Baliem vallei, later ook wel Shangri La, genoemd
Rapporten over deze tocht spraken veel mensen sterk aan tot de verbeelding.
Paul Gesswein, een marineman, was gedurende de 2e wereldoorlog in de Zuid Pacific en
gestationeerd op Nieuw Guinea. Vanwege een zoektocht naar een vermist militair vliegtuig, vloog hij veel boven geïsoleerde gebieden en kon bewijs zien van een grote bevolking, dorpen en tuinen waren talrijk.
Het terrein, gebied, gaf de totale isolement aan van dit volk en hij maakte zich zorgen over dat onbereikbare volk.
Na de oorlog maakte hij Mr. Vine van de RBMU( Regions Beyond Missionary Union) hierop
attent en vroeg of de RBMU die uitdaging niet wilde aannemen.
Vine reisde 3x naar Nederland om toestemming voor het missiewerk te verkrijgen.
4 Jaren gingen voorbij(1949-1953) voor het verzoek werd ingewilligd. 4 mensen van RBMU
gingen direct naar Nederland voor een talenstudie en Gesswein vloog naar Nieuw Guinea om huisvesting en een basis voor RBMU te vinden.
De C&MA en UFM(zending en missie organisaties) gebruikten locaties, achtergelaten door
de troepen van Generaal MacArthur vlak bij het Cycloop gebergte en ook de RBMU vond hier onderdak.
Het waren kleine organisaties en heel internationaal bemand met veel Amerikanen. In de
beginperiode maakten men gebruik van piloten uit de tweede wereldoorlog, die vaak het gebied ook al kenden en veel ervaring hadden.
Mellis, ook een oorlogsvlieger, was een van de oprichters van Mission Aviation Fellowship (MAF) en opereerde vanuit Australië.
Richard Archbold activeerde de Christelijke kerk om in hun grote behoefte en uitdaging de onbereikbare te bereiken alsnog te voorzien.
Amerikanen raakten geïnteresseerd en boden hulp aan, mits Australiërs de eerste stappen zouden zetten
Afgezet tegen het feit dat Nederland pas in 1829 de Westkant van het gebied claimde, het
Oosten was nog verdeeld tussen een Duits en een Australisch deel, is er sindsdien heel weinig gebeurd.
Hollanders ontdekten Australië in de vroege jaren van 1600, maar vonden dat land
teleurstellend: geen specerijen, geen goud en men liet het aan de inboorlingen.
Zo verging het ook met Nieuw Guinea.
In 1895 kwam er een verdrag waarbij Nieuw Guinea werd verdeeld, een lijn van noord naar zuid , de 141e Parallel. Het westelijke deel werd Nederlands Nieuw Guinea. Het Oostelijke
deel werd verdeeld in een Noordelijk deel van Duitsland en het Zuidelijke deel kwam onder Australië.
Na de 2e wereldoorlog verloor Duitsland het bezit en het werd toegevoegd aan Australië.
In 1975 werd het Oostelijke deel onafhankelijk en wordt nu genoemd Papua New Guinea.
Het Nederlandse gezag werd pas heel laat gevestigd, ca 1898 en de eerste controleur vestigde zich in Manokwari.
De eerste 2 zendelingen, Ottow en Geissler, begonnen in 1855 op het eiland Mansinam en
van daaruit vestigden zich zendelingen in andere kuststreken.
Het binnenland bleef dus lang onberoerd en was ook moeilijk bereikbaar.
Ook de C&MA verrichte baanbrekend werk. In December 1938 voer Russell Deibler met 10
dragers in een regeringsboot de Oeta rivier aan de Zuid kust op. Walter Post zou ook mee gaan, maar vond niet voldoende dragers en keerde terug naar Ambon. Deibler ging verder met als doel de Wisselmeren.
Men bereikte Lake Paniai en na een verschrikkelijke tocht van 19 dagen bereikte hij de regeringspost Enarotali.
Na zijn ontdekkingstocht keerde hij terug na Makassar om zijn rapport te schrijven.
Na 3 maanden keerde hij met Post terug met dragers en voorraden om de eerste missiepost op te zetten.
Nadat huisvesting was geregeld kwamen hun vrouwen, Viola Post en Darlene Deibler als eerste witte vrouwen in Februari 1940 naar Enarotali.
De Papoea’s, Kapaukus jodelden en gilden!
Toen de oorlog uitbrak en Japanners het gebied infiltreerden werd Enarotali gesloten en
verdwenen de boten die de verbindingen onderhielden.
In September 1940 keerden de Deiblers terug naar Makassar. Viola Post ging naar Australië. Walter Post bleef.
2 dagen voor de Japanse bezetting werden Post en Mickelson vanuit Enarotali
geëvacueerd. In een Catalina verliet men samen met 22 andere met veel moeite de Wisselmeren.
Een man, een Nederlander, bleef en wilde niet evacueren. Dat was Dr. Victor de Bruin, een
jongeman van 25 jaar die in 1939 naar Nieuw Guinea kwam, na in 1937 in Leiden te zijn afgestudeerd en 2 dokter titels behaalde, een in filosofie.
Bij aankomst in Nieuw Guinea wist de Bruin dat het Wisselmeren gebied onlangs was
ontdekt en dat het hem was toegewezen. Hij verbleef er gedurende de hele oorlogsperiode.
Hij verschool zich in de bergen en begon een tegenstand programma tegen de Japanners.
Hij informeerde de geallieerde strijdkrachten over vijandelijke activiteiten en slaagde erin buiten Japanse handen te blijven.
Hij heeft de Papoea’s nooit verraden en hijzelf werd ook nooit aan de Japanners verraden.
“Ik heb 50000 vrienden….” en hiermee bedoelde hij de Kapaukus Papoea’s, die zeer loyaal voor hem waren.
Voor zijn moed en verdiensten vanuit het Wisselmeren gebied kreeg hij verschillende
onderscheidingen van Nederlandse zijde , maar ook van de Amerikanen.
Door de jaren heen had de Bruin ook grote verdiensten voor de missie en zending.
Na de komst van de Japanners stopte ook het missie werk.
De C&MA piloot, Jackson, was de eerste, die werd gedood, omdat hij hulp verleende aan
Nederlandse strijdkrachten in Borneo. 6 Andere missionarissen stierven korte tijd later.
Andere werden naar concentratie kampen gezonden met alle noodlottige gevolgen van dien.
Vele stierven aan malaria, dysenterie e.c.t. , Russel Deibler werd slachtoffer en ook Dr. Jaffray.
Na de oorlog pakte men de draad weer op en in 1945 maakte het C&MA hoofdkwartier in
New York al weer bekend, graag weer deel te nemen aan het voor de oorlog begonnen project.
Voor Mickelson werd goedkeuring gevraagd terug te keren naar de binnenlanden van Nieuw Guinea.
Gedurende de oorlog had hij goede contacten opgebouwd met de Nederlandse regering en militairen en dit werkte in zijn voordeel.
Eind Oktober 1946 landde Mickelson, vergezeld door 4 jonge mannen van de Makassar bijbel school weer in Enarotali.
Men werd echter niet vriendelijk ontvangen omdat de Papoea’s een relatie legden met de
komst van witte mannen, gevolgd door de Japanse invasie. Men verwachtte nu weer zoiets.
Met moeite wist de groep te overleven en in Mei 1948 kwam er ook weer een regeringspost in Enarotali.
In de daar op volgende jaren kwam nieuwe mensen de verschillende organisaties versterken
en werden andere locaties opgezet, o.a. in de Baliem vallei.
De Nederlandse regering verleende aanvankelijk niet veel medewerking omdat men niet de
verantwoording durfde te nemen voor eventuele problemen, zoals crashes.
Bepaalde gebieden waren ook verboden gebied, zoals Grand Valley, er was ook geen
uitweg. De eventuele ontsnappingsroute nam 67 dagen in beslag.
Er was ook een zekere competitie tussen de verschillende missie en zending organisaties
als het ging om het claimen van bepaalde werkgebieden.
Begin 1950 kwamen er verschillende trektochten, expedities en in 1952 maakte dat 2 slachtoffers.
Bij de Ainim rivier in de Vogelkop werden Erikson en Tritt door dragers overvallen en vermoord.
Beide waren student geweest op het Columbia Bible College in South Carolina en de
studenten organisatie daar reageerden met een enorm geschenk.
Zij schonken de MAF een vliegtuig “Pathfinder” voor gebruik in Nederlands Nieuw Guinea.
Verschillende crashes volgden, in 1951 verongelukte Hartwig en zowel de Australische en
V.S. MAF organisatie reageerden geschokt. De piloot kwam om en kon niet direct worden vervangen.
Deze voorvallen zorgden voor meer samenwerking en geregelde vluchten tussen de
verschillende verbindingen en het aanleggen van mogelijke nieuwe air strips.
Een grote rol was hier weggelegd voor Grady Parrot, hij deed veel onderzoek naar uitbreiding.
In 1952 werd besloten een air strip in Sentani bij Hollandia aan te leggen en Mickelson werd met deze taak belast.
Op 31 Mei 1953 kreeg de C&MA toestemming van de Ned. Regering om in Lake Habbema te landen, toegang tot de Baliem vallei.
Wegens ziekte van deelnemers werd de expeditie uitgesteld naar 20 April 1954.
Mickelson werd leider van deze expeditie groep.
In 1954 begon het geheel zich beter te ontwikkelen en konden ook vliegtuigen worden geregistreerd voor de vereiste vergunningen.
De Zendings Luchtvaart Vereniging (Mission Aviation Society) was opgericht.
Er waren drijvers voor vliegtuigen voor landingen op het water. Die werden vanaf Hollandia
naar Sentani getrucked, een afstand van ca. 40 km.
Toen ook de familie Steiger eind 1954 In Nieuw Guinea arriveerde was dit een welkome
versterking om het Nieuw Guinea programma verder te ontwikkelen.
Het hele project ging met vallen en opstaan, maar dank zij deze moedige pioniers heeft het
project een zeer belangrijke bijdrage geleverd aan verdere ontsluiting van voormalig Nederlands Nieuw Guinea.
Ook hun vrouwen lieten zich niet onbetuigd en ook zij hebben hun steentje bijgedragen.
Het boek is geschreven door E. Janet Steiger en is verkrijgbaar onder ISBN 0-9648127-0-3 en is geschreven in het Engels.
Het boek verhaalt over verschillende gebeurtenissen en geeft een indruk onder welke
moeilijke omstandigheden deze mannen en vrouwen de droom van Robert Jaffray hebben waargemaakt..
Het boek gaat over de tijdsperiode van 1962 heen en ook nu nog vervult de organisatie, nu
TMF, The Missions Fellowship, een indrukwekkende rol.
De familie Steiger heeft een grote en langdurige bijdrage geleverd aan dit project.
Op 22 Juni 1962 kreeg men een geweldig afscheidsfeest aangeboden, waarbij alle
vertegenwoordigers van de verschillende organisaties bij aanwezig waren.
Da familie Steiger had zich 25 jaar voor de MAF ingezet.
Gerard Thijssen

Van Doetinchem naar Almelo: Viering 150 jaar zending – 1855-2005.
In de Grote Kerk, Almelo, werd Zaterdag 5.2.2005, het feit herdacht, dat de eerste 2 zendelingen
Ottow en Geisler, 150 jaar geleden voet aan wal zetten op het eiland Mansinam in voormalig Nederlands Nieuw Guinea.
De Protestantse Kerk Nederland, koepel van de meeste hervormde en gereformeerde
gemeenten, maakt zich nog steeds sterk voor de positie van Papoea’s.
De herdenking werd goed bezocht en voor veel aanwezigen was dit een unieke gelegenheid
vele oud collega’s en bekenden uit hun werkzame periode in Nieuw Guinea weer terug te zien.
Het toegestroomde publiek werd verwelkomt met een welkoms dans door dansgroep
Mambesak, waarna de opening werd ingeleid door Jac. Hogeweg, voorzitter van het comité 150 jaar zending.
B. Ottow jr. hield een boekpresentatie en hij wist op een geestige manier zijn publiek te
boeien door te vertellen over zijn Duitse voorouders.
Het geheel werd afgewisseld met gezang en optredens van dansgroep Mambesak.
Tegelijkertijd was er ook een viering in Manokwari, waarvan ook beelden werden vertoond en waarbij ds. H. Saud(GKI) zijn gehoor toesprak.
Op deze herdenking waren duizenden Papoea’s aanwezig, waaruit blijkt hoezeer de Kerk nog leeft!
Het is ook een succes van de eerste orde dat deze Kerk in Papoea nu op eigen benen kan staan.

Na de pauze waren er verschillende workshops en moest men een keuze maken welke men zou bezoeken.
Zelf koos ik de workshop over mensenrechten, waarbij S. Zöllner van Papua Netzwerk op
duidelijke wijze de mensenrechten situatie in West Papua weergaf.
Hij ging in op de verschillende aspecten en liet blijken goed op de hoogte te zijn van het gehele gebeuren.
Hij is een deskundige en deinsde er niet voor terug ook de genocide nog aan te roeren.
Wat mij intrigeerde was zijn melding, dat de Papoea’s in het binnenland een specifiek
doelwit van het Indonesisch leger zijn (discriminatie, krulhaar) en dat Indonesië allergisch reageert op brieven(aanvallen).
Ook had hij het over de cirkel van “impunity” en daarin heeft hij helemaal gelijk.
Het zal duidelijk zijn, dat de uitgenodigde Indonesische ambassadeur K.Yusuf al weer was vertrokken.
Al met al was het een geslaagde bijeenkomst en ontmoette ik bij toeval Chris Padwa, die ik bij mijn bezoek in 2003, in Biak leerde kennen.
Hij zong met zijn zus Lea in het Papoea koor.
Gerard Thijssen
Pioniers 4)
“ZAAIEN IN ZOO BARREN GROND”
De titel van het boek geeft al aan hoe zwaar de werkomstandigheden voor Willem Leendert Jens
in Nieuw Guinea moeten zijn geweest, zeer zeker in Doreh in de periode van 1877-1899.
Daarbij komt dat zendelingen zich dienden te houden aan de autoritaire richtlijnen van de U.Z.V.
Deze “Utrechtsche Zendings Vereniging” kwam voort uit particulier initiatief en het bestuur
hield er zeer uitgesproken meningen op na, onder meer over de verhouding tussen Nederland en haar kolonien in de Oost.
Enige uitspraken: “Terwijl zij ons geven hunne geurige handelsproducten, hunnen arbeid, hun
zweet, zijn wij geroepen aan hen en hun in de eerste plaats, den parel des Hemelschen Koninkrijk te brengen, in ruil” ( BUZV)
“ Staan zij in schoonheid en lichaamskracht bij den Europeaan ten achteren, nog meer
openbaart zich het verschil ten aanzien van de hoogere vermogens des geestes, denk- en oordeelskracht”.
De superioriteit werd niet alleen uitgedragen door de U.Z.V. , maar werd algemeen aangehangen en verkondigd.
Op zendingsdagen voerden voornamelijk bekende sprekers het woord, getuigenis
afleggend van hun eigen onkunde. Er was geen ruimte voor zendelingen uit dat gebied die met verlof waren en die dus veel beter ingevoerd waren met de zendelingen problematiek ter plekke.
Gerekend naar onze huidige normen kent de geschiedenis zeer veel huiveringwekkends.
Het boek getuigt er van, dat de zendelingen de gegeven voorlichting niet als leidraad hebben
aanvaard en het Papoesche volk hebben gediend en er van zijn gaan houden.
De Nederlandse predikant Heldring(1804-1876) kwam als eerste met de formulering van alle
ontwikkelingswerk en was daarmee zijn tijd vooruit. Zijn visie was:
“ Hen te leren zichzelf te helpen. Dat het bewustzijn bij de heidenen kan worden opgewekt
als door het Christenvolk orde en wet wordt ingevoerd, armen en ongelukkigen verzorgd, belangen van wezen en weduwen behartigd, onderwijs en opvoeding wordt bevorderd.
Betreffende zienswijze vond helaas indertijd geen goede ontvangst en het tekent de
tijdsperiode dat Heldring in zijn visie alleen bleef staan.
Door de geringe sporadische communicatie en de opstelling van de UVZ heeft het ook nog
lang geduurd voordat bepaalde inzichten ingang vonden.
In 1870 begon W.L. Jens aan zijn opleiding bij de U.Z.V, welke werd afgerond in 1876. Hij
was nu zendeling-leraar. Gedurende zijn opleiding had hij als een van de weinige ook geneeskundige lessen gevolgd. In 1876 trouwde hij Mej. L.F. Knolle en in datzelfde jaar vertrok hij naar Nieuw Guinea.
Zijn eerste huisvesting is op het eiland Mansinam en hij komt in contact met brs. Woelders,
Bink en Meeuwig. De familie van Hasselt was op dat moment met verlof en met hen onderhield hij een zeer goede relatie.
Willem Leendert Jens deed wat hij kon: hij hield kerkdiensten, hield school en een belangrijke
dienstverlening was het aanbod van medische hulp en Papoea’s deden dan ook vaak een beroep op hem.
Bij bijzondere gelegenheden vertoonde hij met de “ toverlantaarn” illustraties bij de verhalen
die hij vertelde en dit werd door de Papoea’s zeer gewaardeerd.
Het is bewonderenswaardig dat Jens ondanks zijn slechte lichamelijke conditie omvangrijke bouwplannen tot een goed einde wist te brengen.
Samen met van Hasselt vertaalde hij de vier Evangelien en de Handelingen der Apostelen in
het Noefoors en hij ontwierp zelf een paar schoolboekjes.
Doordat zendelingen langdurig in Papoea gemeenschappen woonden, kreeg hun
aanwezigheid een zekere vanzelfsprekendheid en de zendeling verschafte hun een zekere bescherming tegen overvallen.
Jens wist verschillende keren kordaat op te treden en wist zich geleidelijk een erkend gezag te verwerven.
Hij trad ook op als bemiddelaar en vredestichter bij onderlinge ruzies en vetes.
De verschillende gebeurtenissen werden door Jens in zijn dagboek opgetekend en over het
ontstaan van dit boek: ZAAIEN IN ZOO BARREN GROND, wordt melding gemaakt op deze website onder de rubriek: boeken.
Hier staan ook verdere gegevens van dit boek gemeld.
Het boek is bijzonder omdat het door zijn nazaten is geschreven en inzicht verschaft over
werkelijke gebeurtenissen in het leven van een zendeling.
|