De geschiedenis van het Begijnhof.

Hieronder en op de volgende bladzijden treft u een korte samenvatting aan, van een in 2004 uit te geven boek over de geschiedenis van het Begijnhof te Amsterdam, e.e.a. ter gelegenheid van het 333 jaar bestaan van de Begijnhof-Mirakelkapel.

Ook is het dan 350 jaar geleden dat Cornelia Arens overleed. Zij was het beroemde Begijntje dat er de voorkeur aan gaf in de goot begraven te worden.


Het prille begin van het Begijnhof te Amsterdam.

De exacte stichtingsdatum van het Begijnhof te Amsterdam staat ook in 2004 nog steeds niet vast.
De oudste vermelding die we kunnen vinden in de archieven is in de Baljuw-rekeningen van Amstelland in het jaar 1307 waarin melding gemaakt wordt van begijntjes, ("der Beghinen lande").
Er was dus ergens binnen Amstelland een stuk grond in eigendom van Begijnen, maar waar zij wonen daar wordt niet over geschreven.
In 1346 (1 jaar na "Het Wonder ofwel het Grote Mirakel van Amsterdam) wordt in een charter gesproken van een Begijnhuis, (beghynhuys) dat 31 Juli op Sinte Petrusavond door Coppe van der Lane, die hoogstwaarschijnlijk zelf aan "de Lane" woonde (de oude naam voor het deel Kalverstraat van Heilige Stede tot de Heilige Weg) in volle eigendom aan de Begijntjes werd afgestaan, ("aan den joncfrouwen den Beghinen die daer nu in syn jof hyr namaels in comen zellen Goede in te dienen") maar waar dit stond is niet definitief vast te stellen.
Er zijn historici die menen dat het een stuk van zijn achtertuin kan zijn geweest.
Als dat zo zou zijn, dan zou zijn huis gestaan hebben ergens tussen de huidige Begijnensteeg en het verlengde van de tegenwoordige Enge Kapelsteeg.
Ook zijn er historici die menen, dat de afwijkende gevelstand van de huizen op huidige nummers 14 t/m 18 verband houdt met de plaats van het eerste "beghynhuys", maar men vergeet dan dat deze gevels uit de late 18e eeuw dateren.
Onze grote stadsgeschiedschrijver Jan Wagenaar(1709-1773) die in 1758 van de Burgemeester en regeerders van Amsterdam toestemming kreeg onderzoek te doen naar de oudheden, staat en historie van onze stad, schreef hierover;
't Gestigt lag in dien tijd aan de Stads oudste graft (N.Z.Voorburgwal) ten westen en was oostwaarts door eene andere graft die met de Stadsgraft verbinding had en sedert de Begijnengraft genaamd is, gescheiden van de Kalverstraat
en wie zou hem tegen durven spreken.
Niets is uit te sluiten zolang er geen harde bewijzen voor het een of het ander aan te dragen zijn, maar voorlopig wil ik het er op houden dat we het niet weten.
Het ontstaan van een Begijnhuis met grond en het latere "Ronde Begijnhof" zou in rechtstreeks verband kunnen staan met "Het Mirakel" want de gulle gever Coppe van der Lane zou volgens een nog nader te onderzoeken niet zo betrouwbare bron de schoonzoon of in ieder geval familie zijn geweest van de zieke man, die in 1345 op de Dinsdag voor Palmzondag in zijn woning in de Kalverstraat tijdens een ernstige ziekte de Hostie uitbraakte.
Er zijn bronnen waaronder de folder van het kerkelijk centrum 'De Open Deur' op het Begijnhof zelf, die de zieke man de naam Ysbrant Dommer geven, maar de naam Ysbrand Jansz. Dommer komt in de geschiedenis bij mijn weten alleen voor als gecommiteerde in 1578 tijdens de Alteratie en als weesmeester in 1579.
De naamgeving aan de zieke man is volgens mij ontstaan in de laat 19e eeuw toen er van katholieke zijde veel over het "Mirakel", de Alteratie en de daarmee vermeende achterstelling van het katholieke Amsterdamse volksdeel geschreven werd.
Het Begijnhof in Amsterdam zoals het er in +/-1544 uitgezien moet hebben.

Overigens schreef J.A. Alberdingk Thijm op 15 Juni 1876 in aflevering 26 van het weekblad "Eigen Haard" in een artikel ter gelegenheid van de toen te houden "Historische Tentoonstelling" dat hij in het reeds eerder verschenen 8e deel van het onder zijn redakteurschap staande Dietsche Warande de mogelijkheid heeft aangetoond, dat het huis waar het "Mirakel" plaatsvond, het huis was waar een der voorvaderen van zijn vriend Jhr. Gijsbert Dommer (op dat moment burgemeester van Groesbeek) heeft gewoond.
Verder schrijft hij, dat Ysbrant Dommer in 1579 de "Mirakelkist" naar het weeshuis zou hebben gebracht.
Op 24 April 1389 werd door de Schout, Schepenen en Raden van Amsterdam een Privilegebrief gegeven aan het Begijnhof, waaruit op te maken valt, dat het kort voor die tijd was opgericht.
Ook in 1389, op de feestdag van Sint Marcus (25 April), werd bepaald dat de Begijntjes een huis op het erf konden kopen of timmeren, maar dat zij voor verkoop voor of na hun dood, ten alle tijde de toestemming van de gemeenschap der Begijnen nodig hadden.
Op 7 Augustus 1393 bekrachtigd de Palts-graaf van Beieren, graaf van Henegouwen en Zeeland en Heer van Friesland, ofwel Albrecht van Beyeren, de grote beschermer van vrome Amsterdamse instellingen, de statuten van het Hof bij een brief, die nu nog in het archief van het Hof een ereplaats heeft.
In deze brief neemt hij de Begijnen in bescherming en beveelt een aantal regels waar zij, die op het hof wonen, zich aan dienen te houden.
Ook bepaalt Albrecht dat men pas als Begijn kan worden ontvangen als men minstens 18 maanden (een jaar of anderhalf) op het hof verbleef.

Terug naar Home
Blad terug
Volgende blad