F I E T S E N A A R

De fietsreizen van Harry Wagenaar

 
Naar huis


Leuk schrijven, hoe doe je dat?

 

Hoe komt een boek tot stand als je nooit veel verder bent gekomen dan het schrijven van een paar sollicitatiebrieven pak weg tien jaar geleden?

Geen haar op mijn hoofd had er ooit aan gedacht om überhaupt te gaan schrijven. Geen zin in, geen behoefte aan, dat soort reacties gaf ik op het moment dat het ter sprake kwam. En dat terwijl mijn moeder thuis wel het goede voorbeeld gaf. Vroeger, hele lange brieven gingen er naar haar zussen. Mijn opa vond het ook belangrijk; onbegrijpelijke epistels met een hoge dosis zelfvoldoening, ouderwets taalgebruik en een onleesbaar handschrift kreeg ik van hem. En later Wanda, mijn vriendin, ook hele grote brieven gingen er naar haar vriendinnen. Gevolg: schrijven is voor vrouwen, voor oude opa’s of verstrooide intellectuele types als Harry Mülisch of Jan Wolkers.  Niet voor Harry Wagenaar. Maar op het moment dat ik het idee kreeg om voor meerdere maanden op reis te gaan begon toch wel door te dringen dat ik tenminste iets moest doen om het thuisfront op de hoogte te houden of eigenlijk iets terug te geven voor het feit dat ik ze in de steek liet.

 

Wat is er erger dan brieven schrijven? Ansichtkaarten sturen is mijn antwoord. Ik heb er altijd een hekel aan gehad en zal dat altijd blijven houden. Gekriebel met een pen in een veel te kleine ruimte waar veel te weinig informatie in past en dus als overbodig aangemerkt kan worden. Al zou je het vol schrijven, dan nog is het voor de ontvanger niet veel meer dan de groeten ontvangen. Groeten H, zou ik er het liefst opschrijven. Mijn naam kennen ze immers al dus H is echt genoeg. Of beter nog: niets, aan het handschrift herkennen ze me ook wel, dus zolang de geadresseerde er goed opstaat is zelfs dat overbodig. Het plaatje aan de andere kant laat zien waarvandaan de kaart is gestuurd, alle informatie compleet zolang er geen ellende te vertellen valt. Geen bericht is goed bericht. Helaas werd dat door mijn familie niet geaccepteerd, kaartjes moesten gewoon vol geschreven worden. En ik weigerde halsstarrig.

 

E-mail opende perspectieven. Zo mocht ik zelf gedurende een half jaar lang de belevenissen ontvangen van een vriendin die door Chili trok. Maar lieve help, wat was dat saai om te lezen. Dat moet ik zelf dan maar beter gaan proberen. Eerst knutselde ik een website in elkaar, schreef de belevenissen van de vakantie van het afgelopen jaar en plaatste die erop. (je moet er toch wat op hebben staan). Het resultaat was niet echt geweldig. Het staat er nu nog steeds op, in iets aangepaste vorm weliswaar, maar toch. Oordeel zelf. Langzamerhand begonnen zich in mijn achterhoofd toch ideetjes te vormden. Verhalen van anderen gevonden op het internet en in de Wereldfietser waren heel soms erg leuk en die waren lang niet allemaal geschreven door vrouwen, opa's of verstrooide types.

 

Toen ik vertrok ging ik na een paar dagen fietsen in Duitsland op zoek naar een e-mailcafé en poste mijn eerste berichtje wat ik gekriebeld had op een papieren zak. Meerdere berichten volgden, ik kreeg er zelfs lol in. Tijdens het fietsen spookten er diverse zinnen door mijn hoofd. Leuke zinnen vond ik zelf. Soms krabbelde ik ze direct in mijn dagboekje en soms weer op een oud stuk papier (een kladblok meezeulen was me te zwaar en oud papier is gratis). E-mailcafe’s vinden was soms een probleem maar ook in het zoeken ernaar kreeg ik ervaring. Bewust was ik heel selectief en hield de verhalen kort en bondig. Ik had geen zin om lange tijd achter de computer te zitten, ik was immers op reis, en bovendien loop je met lange verhalen al snel het risico dat het opsommingen van gebeurtenissen gaan worden. Een ontvanger is veel meer gebaat bij het lezen van een kort en leuk verhaal. De verhalen van mijn vriendin in Chili bijvoorbeeld waren nogal lang en ik als ontvanger had geen zin om dat tussen de bedrijven door even te lezen.

En het leuke is, ik kreeg reacties terug. En dat bleken heel vaak ook nog eens positieve reacties te zijn, en dat nodigde dan weer uit om nog meer mijn best te gaan doen. Men wilde meer, een boek zelfs.

 

 Maar een boek schrijven is totaal heel wat anders dan een kort leuk verhaal en mensen roepen al heel gauw dat je je een boek moet gaan schrijven als je op reis bent geweest. Heel veel mensen geven er ook gehoor aan en helaas er zijn er een heleboel die mislukken. Vooraf wordt er te lichtvaardig over gedacht of men lijdt aan zelfoverschatting. Ook voor een boek geldt: het moet interessant zijn voor de lezer, ofwel het verhaal is belangrijker dan de gebeurtenissen en dat is heel moeilijk als je een reis hebt beleeft die voor jezelf heel geweldig is geweest.

 

Hoe ging ik te werk? 

Ik ben het gaan proberen met het idee: wordt het niets dan stop ik er subiet mee.

Ik plakte (lang leve de computer) al mijn e-mails in chronologische volgorde achterelkaar en begon de stukjes tekst uit te breiden en aan te vullen. Puur intuïtief pakte ik dat deel van de reis waar me op dat moment iets te binnen van schoot. Zo zat ik de ene dag in Duitsland en de volgende dag in Turkije en later opeens weer in Italië. Ik ben een tamelijke chaoot en het gevaar dat je dan loopt is dat je op een gegeven moment zaken dubbel gaat vermelden of in herhaling gaat vallen. Ik probeerde dat natuurlijk te vermeiden, maar het gebeurde wel. Het belangrijkste is altijd het gevoel, met daarbij telkens de vraag: Is dit voor een ander leuk om te lezen? De hoeveelheid om een boek te vullen komt vanzelf na verloop van tijd. Wanneer je genoeg tekst verzameld hebt begint het eigenlijke werk pas echt. Het meeste plezier is dan voorbij en de tijd is aangebroken voor kritiek. Zelfkritiek vooral. Schrappen, herschrijven, schuiven met woorden en zinnen, (de uitvinder van de computer verdiend wat mij betreft een monument). Op nieuw doorlezen, weer schrappen herschrijven, schuiven, knippen en plakken en soms ook noodzakelijke nieuwe stukjes toevoegen.

In het allerlaatste stadium is het gevoel bij de tekst al lang verdwenen. Klopt het taalkundig is dan de grote vraag. En ik kan je verzekeren, als je zoals ik geen ervaring hebt in het dagelijks met taal bezig zijn, vergeet het dan maar. Er zitten fouten in zinnen die jezelf helemaal nooit voor mogelijk had gehouden. Een ander laten lezen is een absolute noodzaak als je je tekst wil laten uitgeven! Zelf zie je fouten op een gegeven moment niet meer. Een foutieve zin raakt dusdanig vertrouwd dat deze voor jezelf gewoon niet fout is!

 

Maar wil zeggen dat iedereen die zich aan adviezen houdt, op een fiets stapt en zijn verhalen rondt stuurt, leuk zou kunnen schrijven? Vast niet. Ik heb ooit geprobeerd muziek te maken maar talent daarvoor ontbrak in het geheel. Tekenen? Nooit echt geprobeerd, moet ik misschien maar eens gaan doen, abstract of zo, dat kan nooit fout. En zo is het ook met schrijven van verhalen. Sommigen leren het nooit. Erg is dat natuurlijk niet, als je er lol in hebt is het prima. En ook ik zal nooit een Cees Noteboom worden (en niet alleen omdat hij niet fietst). Ik heb er wel plezier in gehad en dat is echt het allerbelangrijkste. Toch is er ook voor diegene die gezegend is met weinig talent wel kans op verbetering.

 

Aan de hand van een aantal tips wil ik laten zien waaraan is gedacht:

 

 

 Inspiratie

 

  • Denk na waarover je gaat schrijven, als je alleen op de fiets zit en de omgeving is op dat moment niet helemaal je van het, denk dan eens terug aan de dag ervoor. Je hebt er alle tijd voor.
  • Eenmaal weer thuis zul je opnieuw in gedachten weer met je reis bezig moeten zijn. De beelden die je hierbij voor ogen hebt zijn van wezenlijk belang. Ze zorgen er voor dat je details kunt beschrijven, noodzakelijk om kleur aan je verhaal geven.
  • Ligt er een onderwerpen uit wat je heeft geraakt: Een grappige, trieste of indrukwekkende situatie bijvoorbeeld.
  • Wees niet bang om gebeurtenissen weg te laten, iets wat jezelf interessant gevonden hebt, hoeft dat voor een ander nog niet te zijn.

 

 Vorm

 

·         Schrijven in de tegenwoordige tijd laat de lezer het verhaal meebeleven.

·         Maak gebruik van dialogen, ze verlevendigen een verhaal. Maar pas op, ze moeten wel iets aan het verhaal toevoegen.

·         Ook in een boek is het niet verstandig om alles op te schrijven. Het vermelden van elke banaan die je eet is nogal saai.

·         Breng rustpunten aan. Voor een boek is dit absoluut noodzakelijk. Wat ik hiermee bedoel is dat het alleen beschrijven van gebeurtenissen je verhaal langdradig kan maken. Af en toe een zijweg inslaan door bijvoorbeeld  wetenswaardigheden of een gebeurtenis uit het verleden aan te halen, breekt het verhaal. Dit is het grote verschil tussen het schrijven van een artikel en een boek.

·         Een inleiding en een slot maken een varhaal tot een geheel. Plotseling een verhaal binnenstappen kan weliswaar heel verassend zijn. Voorwaarde is wel dat er dan ergens naartoe geschreven wordt, naar een hoofdonderwerp bijvoorbeeld. Het zelfde geldt voor een openeinde, de lezer kan hierbij zelf verder fantaseren.
Een andere opbouw is eindigen van verhaal of betoog met de woorden waarmee je begonnen bent, de cirkel is dan rond. Het is vooral een methode die veel columnisten en schrijvers van korte stukken gebruiken.

 

 Omvang

 

  • Een boek mag zo lang duren als je zelf wilt maar en dikke pil wordt duur en weinig bladzijden leveren ook niet echt waar voor het geld van de koper.
  • Vooraf was ik benauwd dat ik nooit de gewenste hoeveelheid vol zou krijgen. De tijd nemen is het devies, het kwam gewoon vanzelf vol, niet haasten dus.

 

    Kwaliteit

  • Kritisch blijven op jezelf is een allereerste vereiste!
  • Accepteer ook kritiek van anderen. Je schrijft per slot van rekening voor iemand anders en laat dus een ander het vooraf lezen en van commentaar voorzien.
  • Wat schrijf je op en wat laat je weg is en blijft het grote dilemma. Voor je er erg in hebt val je in herhaling of vermeld je zelfs dingen dubbel.

·      Iedereen heeft de neiging om bepaalde woorden heel veel te gebruiken, die woorden moet je er proberen uit te vissen en bijvoorbeeld af te wisselen door synoniemen te gebruiken.

·      Het veelvuldig gebruik van ’ik’ vestigt constant de aandacht op jezelf en kan je verhaal nogal egocentrisch maken.

  • Het is heel makkelijk om op te schrijven dat je aan het genieten bent: “Het was vandaag weer flink genieten…” Beter is het een situatie zodanig op te omschrijven dat de lezer denkt dat jij aan het genieten bent. En hetzelfde geldt natuurlijk ook voor omschrijvingen van andere superlatieven als: geweldig; mooi;  prachtig; afschuwelijk; misselijk makend en ga zo maar door.
  • Maar al te vaak wordt geprobeerd leuk te schrijven door spreektaal te gebruiken: knettergek, wonder boven wonder,  stukkie, huppeldepup, het stikt hier van de …, op mijn dooie akkertje, enzovoorts. Dat is doorgaans heel vervelend om te lezen.
  • Goed Nederlands schrijven blijkt veel moeilijker dan verwacht, een getrainde professional weet fouten in zinnen op te sporen die ik na het raadplegen van diverse taaladviesboeken en websites toch niet heb weten te vinden. Redigeren is duur als je zelf voor de kosten moet op draaien maar wel aan te raden als je 'een echt boek' wilt schrijven.

 

Op zoek naar een uitgever

 

Als laatste, als alles gereed lijkt te zijn, ga je op zoek naar een uitgever. Ik heb een aantal grotere uitgeverijen mijn manuscript opgestuurd.  Maar er blijken veel meer schrijvers in Nederland rond te lopen dan ik ooit had gedacht.  De tijd die je moet wachten is enorm, een half jaar is heel normaal. Er wordt gezegd dat ze alles doorlezen wat ze krijgen toegestuurd om het nieuwe kassucces niet te missen, bang als ze zijn voor de concurrent. De kans om afgewezen te worden is heel erg groot. Men wil graag nieuw talent ontdekken maar die moet hoe dan ook scoren. 4000 exemplaren noemde er een is het minimum wat men wil verkopen. Dat kan je als onbekende schrijver wel schudden. Een kleine uitgeverij is daarom de beste opstap als debutant. Op internet zijn er diverse te vinden. 'De Keukenla', bijvoorbeeld is er een en drukt alles wat ze aangeleverd krijgen. Daarnaast zijn er nog diverse anderen. Redigeren kan vaak wel maar kost meestal geld, ongeveer zo rond de 20 euro per uur. Als vuistregel geldt: twee keer de leestijd. Er zijn ook kleine uitgevers die de kosten voor het redigeren op zich nemen, maar ze moeten wel geloven in je werk en er brood in zien. Om deze te vinden is een flinke klus en vergt veel geduld.

En dan is er nog de distributie, ofwel hoe komt een boek in de winkel te liggen. Dat krijgen lang niet alle uitgeverijen voor elkaar. Distributie verloopt het best via de groothandel. Een boekwinkel kan daar eenvoudig zonder al te veel kosten en rompslomp alles in een keer bestellen wat hij nodig heeft. Een uitgeverij moet hoge kosten betalen om voor distributie via de groothandel in aanmerking te komen. Veel kunnen dit niet opbrengen en verhandelen daarom voornamelijk via internet. Boekhandelaren moeten de verzendkosten daargelaten, extra administratieve handelingen uitvoeren als ze iets rechtstreeks bij een uitgeverij bestellen, dat is niet iets wat ze graag doen.

 

 

Leuk schrijven, een voorbeeld.

 

Aan de hand van onderstaande stukje tekst wordt hopelijk een en ander duidelijk. De fragmenten beschrijven een belevenis op twee verschillende manieren.

 

Mali (1)

 

Ik rijd over een stoffige weg maar ondanks dat geniet ik nog steeds. Het is een weg waar zo’n beetje 90 procent van de toeristen zich over verplaatst, alle bekende bezienswaardigheden liggen niet zover van elkaar. Ik ga op zoek naar een overnachtingsadres in een dorp waar wel wat te verwachten zal zijn. Ik moet goed zoeken maar na lange tijd vindt ik eindelijk een klein bordje wat laat zien dat mijn verwachtingen toch juist zijn. Mohammed heet mij welkom. Hij is erg vriendelijk en wijst mij de plek waar ik mijn tentje mag opzetten. Het is er nogal rommelig, overal liggen cementzakken, puin en een kuil vol met bladeren. Ik drink een flesje cola.

Mohammed vertelt dat er Belgen in de buurt hebben gewoond en het er heel erg naar hun zin hadden. Ze maakten muziek en dansten net zo goed als zij.  Mali vindt hij een geweldig land, hij houdt ervan ondanks dat het in Europa vast veel rijker zal zijn.

 

De volgende dag pak ik mijn tent in en ga weer op weg. Het is al heel snel weer heet en stoffig. Na uren fietsen vind ik wat eetbaars. Ik passeer een dorpje waar vrouwen met kindjes op hun rug langs de kant bananen verkopen. Ik eet ze allemaal op want fietsen maakt zoals altijd erg hongerig. Even later haal ik water uit de pomp. Er komen heel veel joelende kinderen om me heen staan. De mensen worden hier niet oud, oude omaatjes zie je hier maar heel zelden.

’s Avonds na 75 kilometer te hebben gefietst kom ik aan in een klein stadje, maar het is er een stuk groter dan gisteren zodat ik kan kiezen uit een aantal hotels. Ik kies het kleinste hotelletje uit, dat bovendien niet zo duur is. Aan de eigenaar vraag ik waar ik een restaurantje kan vinden. Hij zegt dat er een bij het busstation is, dus stap ik op mijn fiets en rijd er heen. Er zijn weinig bezoekers, wel enkele kinderen die aan hun gescheurde kleren te zien erg arm zijn. Even later komt er een chauffeur binnen die in recordtempo zijn bord leegeet. Twee Fransen koekeloeren om de hoek en zijn snel weer weg, het lijkt ze niet te bevallen.

Een van de kinderen vraagt me of ik hem mee naar Frankrijk wil nemen. Ik begin me er ongemakkelijk bij te voelen. Het eten smaak niet en halverwege schuif ik het bord van me af. Direct veren de kinderen overeind en graaien de resten van het bord af. Twee hebben een stuk kip te pakken en de derde heeft enkel wat rijst en begint te huilen. Ik vind dat toch wel zielig en herinner me dat er nog een mango in mijn tas zit, dus die geef ik maar aan hem.

 

 

 © Harry Wagenaar 2006


 

 

 

Mali (2)

 

 ‘Afrika, ja ik houd van Afrika! De muziek, de dans, je moet het meemaken! Wat vind jij van Afrika?’

 ‘Nou ja, ehh, de mensen zijn enorm vriendelijk, altijd lachen hè en een goede percussieband hoop ik nog te kunnen zien optreden,’ antwoord ik.

 ‘Ah ja, Heel wat anders dan Europa hè? Deze tafel bijvoorbeeld had bij jullie al lang bij de vuilnis gelegen, maar hier doet hij het goed hoor, de cola blijft er nog prima op staan! En het huis, da’s niet goed gebouwd. We hebben geen geld voor verbeteringen, dus we doen het er maar mee. Het zijn de mensen, de muziek en de dans, ja dat is echt belangrijk. En weet je, er hebben hier in het dorp vijf maanden lang twee Belgen gewoond! Ze vonden het geweldig en dansten in het weekeind altijd mee! Afrika, ja het is super, ik houd van m’n land!’

Ik heb een overnachtingadres gevonden bij een campement, Boubacar is er de eigenaar. Een schuur is half afgebouwd, lege cementzakken, kruiwagens en puin liggen rondom, vuil in de vorm van plastic, karton blik en dorre bladeren in een kuil. De bar, waar men zowaar bier verkoopt, is niet meer dan een tafel en een houten bankje. Ik kan het nog niet helemaal begrijpen, in Afrika gaat het om mensen, maar deze overnachtingsplek ligt langs een route waar ca 90 procent van alle toeristen in Mali zich over verplaatst. Een beetje opruimen kost toch geen geld? Een bordje ‘camping’ langs de weg doet bovendien vast wonderen.


 ‘Monsieur, mijn vader en moeder zijn dood, zou u mij mee naar Frankrijk willen nemen?’
Verstoord kijk ik op, de rijst die ik eet is koud, de kip taai en de saus te vet. Het is verdorie al de zoveelste dag op rij dat ik geen verse groenten eet.

 ‘Monsieur, zou u mij alstublieft mee naar Frankrijk willen nemen?’ klinkt het naast me opnieuw heel zacht. Het is een jochie met om zijn nek een emmertje aan een touw.
 ‘Het kan niet,’ verzucht ik, ‘ik woon niet in Frankrijk,’ en lepel in gedachten verzonken de rijst naar binnen. Morgen weer een flinke hoeveelheid fruit eten en nu oppassen voor de muggen. Twee Fransen speuren onderzoekend rond en zijn binnen korte tijd weer verdwenen, de locatie bevalt ze mogelijk niet zo. Naast me komt een man zitten. In recordtempo lepelt hij zijn bord leeg.

 ‘U bent chauffeur,’ vraag ik?

De man knikt,‘ zo meteen weer verder naar Bamako.’

Halverwege vind ik het genoeg en schuif de borden van me af, het smaakt me niet. Direct veren drie jongens overeind en eigenen zich de kippenbotten, de restant saus en het stokbrood toe. De kleinste van allen wil ook maar krijgt een stevige duw en blijft snikkend achter. Helaas je kunt niet mee naar Frankrijk, mompel ik nogmaals en diep een mango uit mijn tas voor hem op.

Onvoldaan loop ik terug naar m’n tent.


 ‘ Ha, monsieur, goed gegeten?’ vraagt Boubacar met een grote glimlach.

 ‘Ja hoor,’ lieg ik, ‘in het restaurant bij het busstation.’

 ‘ O, daar, da’s een goed restaurant ja…’

  

 

 © Harry Wagenaar 2006

 

 

 

Toelichting:

 

Zelf vind ik het eerste stuk minder goed dan het tweede, maar waarom?

 

 

  • In het eerste worden tijdsaanduidingen gebruikt als: Na lange tijd, het is al snel weer heet, na uren, even later, na 75 kilometer, etc. Het vermelden hiervan is meestal niet nodig, een verhaal kan zichzelf in de tijd verplaatsen.
  • Vermeldingen als: ondanks dat geniet ik nog steeds’ en ‘hij is erg vriendelijk’ zijn kwalificaties die weinig zeggen. Een goed geschreven verhaal laat de lezer denken: Goh, die geniet van zijn tocht! En: die Boubacar was vast een aardig persoon!
  • Een vermelding van: ‘Ik drink een flesje cola’ maakt deel uit van een saaie opsomming. In het tweede stuk wordt een dialoog gebruikt: “Deze tafel bijvoorbeeld had bij jullie al lang bij de vuilnis gelegen, maar hier doet hij het goed hoor, de cola blijft er nog prima op staan!’ En pasant wordt hierin de cola ten tonele gebracht.
  • Het veelvuldig gebruik van verkleinwoorden zoals: bordje, tentje, restaurantje, omaatje maken je verhaal niet erg serieus. Omaatje klinkt zelfs denigrerend.
  • In het tweede stuk bevindt zich een gedachtegang: je laat de lezer hierdoor de situatie meebeleven en dit zorgt voor afwisseling.
  • Door te vermelden dat twee Fransen weglopen wordt zonder het te zeggen wel duidelijk dat de kwaliteit niet al te hoog moet worden ingeschat en het is een uitbreiding van de situatiebeschrijving, net als de chauffeur die snel lepelt.

 

 

In het 2e stukje zitten doelbewust onjuistheden. Ik heb hier twee gebeurtenissen beschreven die op een en dezelfde dag plaatsvinden. In werkelijkheid zijn het twee gebeurtenissen die op verschillende dagen hebben plaatsgevonden. Een klein leugentje is gebruikt om in dit geval een contrast duidelijk weer te geven. En de man heette in werkelijkheid Mohammed maar de naam Boubacar komt in Mali veel meer voor, Mohammed is een Arabische naam.