Vakantiereisverslag 2001

Alle begin is moeilijk, ook het schrijven van een goed reisverslag. Onderstaande vormde voor mij een begin, en nu ik het jaren later opnieuw doorlees besef ik maar al te goed dat dit een voorbeeld is van hoe het niet moet. Maar juist daardoor toch eigenlijk wel leuk. Oordeel zelf.

Deel 1: Van Zaandam naar Hanstholm, Denemarken.

Op 5 juli 2001 vertrok ik op m'n in februari aangeschafte 'Snel Safari' randoneur. Ik had tien dagen de tijd om in Hanstholm aan te komen, waar vandaan de ferry vertrok naar de Faroereilanden. Het kwam neer op ongeveer 100km per dag. De Route voerde in Nederland door de Flevopolder naar Elburg, over de Drentse hei en door Groningen. Dit deel van Nederland had ik nog niet eerder op de fiets doorkruist en het verbaasde mij niet dat Drenthe fietsprovincie nr. 1 wordt genoemd. Een uitgebreid net van (vrij) liggende fietspaden, rust en ruimte die in de Randstad nergens meer voorkomt. Voor overnachten gebruikte ik de kampeerterreintjes uit het "groene boekje". Eigenlijk altijd perfect.

Noord Duitsland zou een saai stuk zijn waar je nou eenmaal doorheen moet om in Denemarken te komen als je er voor kiest het hele stuk per fiets af te leggen, werd mij vooraf verteld. Over dit gebied is binnen fietserkringen niet zo heel erg veel bekend. Het tegendeel bleek waar. Het was prachtig fietsen in een open landschap langs, een kust met dijken en door plaatsen met leuke vissershaventjes. 'Ost Friesland' heet in het Duits en het heeft zo nu en dan veel weg van het Nederlandse Friesland. Verder kenmerkt het landschap zich door de kanalen met vele bruggetjes en sluizen Veerponten en pontjes brengen je over de grotere wateroppervlakten naar de andere kant. Bovendien is er een uitgebreid netwerk van bewegwijzerde fietsroutes en fiets wegwijzers die je over mooie rustige weggetjes voeren van het uitgebreide wegennet. Dichter bij de Deense grens werd dit minder. Het enige wat tegen viel waren de campings. Veel keus op mijn route had ik niet en helaas trof ik in het plaatsje Timmel weer eens een camping compleet met kermis, een vals spelende band, krijsende kindjes die op hun fietsjes langs de dicht opeen gepakte caravans rondjes reden, terwijl pa en ma zich tegoed deden aan bratwurst en liters bier. Het was aan hun corpulente postuur te zien dat ze hier al een tijdje aanwezig waren. En als klap op de vuurpijl 's avonds vuurwerk. Dit was weer zo'n moment om eigenlijk niet van kamperen te houden.

Bij de grens aangekomen wilde ik nog "even" mijn laatste Duitse marken uitgeven. Dat was moeilijker dan verwacht. Het enige wat de vele winkels hier verkopen is drank, drank en nog eens drank, alcoholisch wel te verstaan. De Denen komen hier massaal hun inkopen doen om de in Denemarken hoge accijns te ontlopen. En dan maar hopen dat die vele flessen Chateau Neuf du Pape geen "smerig bocht" blijken te zijn. Toch zonde als je er een hele aanhangwagen vol van hebt meegenomen.

Maar zouden de Denen zo kritisch zijn? Het land staat niet bekend om zijn culinaire hoogstand. En ook het Landschap van Jutland viel mij, zowel wat betreft natuur als cultuur, nogal tegen. Nou moet ik wel toegeven dat het weer hier zeker ook debet aan was. Regen. In de boeken staat dat de oostkust van Jutland mooier zou zijn dan de west kust. Ik vermoed dat hiermee het meer noordelijke deel bedoeld wordt. In het zuiden liggen namelijk een aantal vervelende steden waar je je door het drukke verkeer met stoplichten moet worstelen. En ook van de fjorden was niet veel te zien. Dan maar dwars door het midden, had ik na de eerste stad overleefd te hebben, besloten. Veel beter bleek dit niet te zijn. Kaarsrechte kilometers lange asfaltwegen door een voornamelijk agrarisch landschap waar de hard rijdende vrachtwagens je de berm in doen vluchten. De dorpen zijn buitengewoon saai en doods. De meeste huizen zijn vrijstaand, omgeven door tuintjes met gazon en wat beplanting, zodanig neergezet dat de straten lang en kaarsrecht zijn. Bovendien van een architectuur waar ze zich in Purmerend voor zouden schamen. Zou het er mee te maken kunnen hebben dat het Museumplein in Amsterdam zo lelijk is geworden doordat het door een Deense architect is ontworpen? Nou vooruit, het is mijn subjectieve mening.

Gelukkig zijn er ook positieve zaken over Denemarken te vermelden. In ieder zichzelf respecterend dorp is wel een camping te vinden. Mede door deze hoeveelheid zijn deze over het algemeen niet groot. Geen toestanden  zoals eerder in Duitsland. Bovendien zijn de voorzieningen uitstekend te noemen. Iedere camping is voorzien van een keuken uitgerust met elektrische- of gasfornuizen waar onbeperkt gebruik van kan worden gemaakt. Wel is het zo dat voor iedere camping in Denemarken een geldige camping kaart nodig is.  Ik kon deze ter plekke op de eerste camping in Vejen, aanschaffen, een voorlopige kaart, de definitieve werd naar mijn huisadres gestuurd.  De eigenaar was niet om te praten toen ik uitlegde dat ik maar vier nachten in Denemarken zou zijn en daar toch geen bureaucratische toestand voor nodig hoefde te zijn. 'Denen zijn gezagsgetrouwe mensen, we zijn het niet altijd met alles eens, de maar als zaken zo besloten zijn, dan leggen we er ons bij neer', zei hij. In dit zelfde dorpje kwam ik spontaan een beeldentuin tegen met fraaie bronzen beelden. Enkele foto's staan op de pagina "Duitsland, Denemarken." 

In het noorden had ik op de een na laatste dag voordat ik in Hanstholm moest zijn nog de tijd om naar het eilandje Fur te gaan. De kust bestaat hier uit een combinatie van rotsen, zand en grind. De moeite waard zo bleek. Als je er de tijd voor neemt kan je op de stranden fossielen vinden. 

De laatste dag naar Hanstholm was een prachtige zonnige dag en een mooie route voerde langs onder andere de Limfjorden en bovenlangs Feggesund. In Hanstholm fietste ik de heuvel op en had vandaar een prachtig uitzicht over de haven waar  de "Norröna" van de "Smirilline" al  klaar lag die mij  voor drie dagen  naar de Faeroereilanden en naar IJsland brengen zou.
 

Deel 2: Fearoereilanden

De overtocht van Hanstholm naar Torshavn verliep zeer rustig met een kalme zee en 's avonds de mooiste zonsondergang die ik ooit heb gezien. In het hoge noorden gaat de zon 's zomers namelijk niet onder in het westen, maar scheert laaghangend over de horizon om in het noordwesten er net onder te verdwijnen. 's Morgens vroeg komt hij een klein eindje verderop in het noordoosten weer boven de horizon. Zodoende wordt het 's nachts dan ook niet donker. 
De boot waarop ik mij bevond, de Norröna van de Faeroerse maatschappij Smirilline, dateert uit 1973 en dat is aan het uiterlijk en aan de voorzieningen wel te zien. Lekkende douches, toiletten waarvan sommige niet doorspoelen en defecte bagagekluizen om maar een paar voorbeelden te geven. Een medepassagier wist te vertellen dat er over een paar jaar een nieuwe boot in gebruik zal worden genomen. 

Een van de leuke dingen tijdens deze tocht was dat ik de tijd had om de plannen en verhalen van medepassagiers te horen. Het was een zeer gemêleerd gezelschap aan boord. Uiteraard veel Nederlanders, allen met het einddoel IJsland. Hiervan reisde een aantal per fourweeldrives in georganiseerd groepsverband, een aantal met zware terreinmotoren en ook een stuk of vier per fiets. Verder uiteraard eilandbewoners op weg naar huis, een aantal bussen met Tsjechen, een flinke hoeveelheid campers en nog gewoon per auto reizende vakantiegangers. Het meest  opvallend van deze waren de campers. Dit kwam voornamelijk doordat er zich een Italiaanse club, bestaande uit 17 witte woonmobielen, aan boord bevond. Tijdens de reis waren ze al overduidelijk herkenbaar aan de petten met logo op hun hoofd en een luidruchtig Italiaans gekakel. Eenmaal in Torshavn aangekomen stroomde het schip bijna compleet leeg om direct hierna koers te zetten naar Bergen in Noorwegen. Ongelofelijk wat er allemaal op die schuit kon. De Italiaanse camperclub reed in colonne de boot af, ze leken daarna door onzichtbare sleepkabels met elkaar verbonden, kennelijk doodsbenauwd elkaar kwijt te raken. Echt groot zijn de eilanden niet en het wegennet is dat al evenmin. Gedurende de drie dagen kwam ik de stoet regelmatig tegen. Af en toe stapten ze even uit op de veel te kleine parkeerplaatsen van sommige dorpjes. De videocamera's zwaaiden in het rond terwijl uit de geopende autoportieren een temperamentvolle Italiaanse herrie uit de luidsprekers tevoorschijn kwam. Erg lang duurden hun stops gelukkig niet. Na een paar minuten hield men het meestal voor gezien en ging men weer in een lang wit lint verder. Veel hebben ze volgens mij niet gezien. Jammer voor ze, een paar honderd meter het land in lopen zou ze zoveel moois meer hebben laten zien.

Het weer was schitterend, zeker als je bedenkt dat het hier meer dan tweehonderd dagen per jaar regent. De temperatuur was weliswaar een stuk koeler dan in Nederland maar over het algemeen aangenaam, 's middags  ongeveer een graad of 15 tot 20 en volop zon, vooral de eerste dag. Vanuit Torshavn, wat op het eiland Streymoy ligt, fietste ik langs de fjorden en via een brugverbinding naar het oostelijker gelegen eiland Eysturoy naar het plaatsje Eidi. Hier had ik na een korte wandeling uitzicht op prachtige steile rotskusten en een schitterende blauwe oceaan. In de fjorden dreven kooien waarin zalm wordt geweekt welke als een van de voornaamste inkomensbronnen dienen. Overnachten deed ik 15 km oostelijker in het dorpje Gjógv. Hier was een prima camping annex jeugdherberg te vinden, met alle moderne voorzieningen inclusief internet. Het kleine kampeerveldje was alleen geschikt voor tenten en was kort nadat ik die van mij had opgezet helemaal vol. Hoewel, vol? Om tien uur 's avonds kwam de groep Tsjechen uit hun bus stappen, allemaal met tent. Hoe het mogelijk was weet ik niet maar op een gegeven moment stonden ze allemaal! Ik vreesde alweer voor een onrustige nacht maar wonder boven wonder werd het stil! Zo bleek toch dat iedereen met een zelfde intentie richting IJsland gaat: het ervaren van het landschap en de natuur. Alvorens de nacht in te gaan ondernam ik nog een wandeling de naastgelegen berg op. Langs de rand van de loodrechte klif keek ik enkele honderden meters naar beneden. Op de vele richeltjes zaten honderden vogels, waaronder de opvallende papegaaiduikers en allerlei soorten meeuwen. Af en aan vlogen zij om vanuit een duik in het water met voedsel voor hun jongen weer tevoorschijn te komen.

De tweede nacht bracht ik door nabij het westelijker gelegen plaatsje Hellur. Ook hier zou volgens mijn kaart een camping moeten zijn. Hellur was echter ontzettend klein, slechts enkele huizen en verder helemaal niets. Ook geen camping. Tegenover dit plaatsje, aan de andere kant van de fjord lag een ander dorpje: Oyndarfjordur. Aangezien het 'tentje' wat op de kaart de camping aangaf, midden in de fjord getekend was zou het kunnen dat hier dan de camping zou moeten zijn. Dit plaatsje was iets groter, maar een camping, vergeet het maar. Wel een winkel, wat goed uit kwam omdat mijn brood bijna op was. Hier kwam ik een van de Nederlandse motorrijdsters tegen die mij herkende van de boot. Zij wist te vertellen dat de camping vorig jaar was opgeheven. Zij hadden hem ook gezocht en het advies gekregen om ondanks dat het officieel niet mag een plekje in het wild te zoeken. Die nacht stond mijn tentje op de berghelling een meter of twintig vanuit een haarspeldbocht van de weg af, vrijwel geheel onzichtbaar, met een prachtig uitzicht over de fjord. Een groepje van drie schapen vond het wel interessant en staarden mij vanaf een veilige afstand schaapachtig aan. De volgende dag ging het via een prachtige route, met o.a. een heuse en zeer fraaie bergpas erin, terug naar Torshavn, terug naar de Norröna voor het laatste deel van de bootreis.

 

Deel 3: IJsland

Het laatste deel van de bootreis Denemarken IJsland, van Torshavn naar Seydisfjördur, is ongeveer een derde van het totaal. Deze tocht was opnieuw zeer rustig met wederom een kalme zee. Op een gegeven moment werd er door de kapitein omgeroepen dat er enkele walvissen waren gesignaleerd. Tegen de tijd dat ik aan dek was waren ze al vrijwel uit het zicht verdwenen. Het enige dat nog te zien was, was een zwarte bobbel in het water en heel in de verte de 'fontein' ofwel de uitgeblazen adem. In Seydisfjördur, wat in het oosten van IJsland ligt, had ik met Wanda afgesproken. Die was in de tijd dat ik op de fiets en boot onderweg was, in twee weken van Kevlavik, de luchthaven in het westen, hier heen gekomen per bus en wandelend met de rugzak. Normaal gesproken ben ik niet van m'n fiets te slaan maar omdat Wanda graag eens wilde lopen, moesten we enige compromissen sluiten. Als eerste spraken we af over twee dagen in Reykjahlíd bij Mývatn, 200 kilometer verder zodat ik in ieder geval het eerste deel kon fietsen.

 

Vanaf zeeniveau wachtte mij een aardige klim naar een hoogte van ongeveer 600 meter. Deze klim was werkelijk prachtig, ik moest er niet aan denken om dit met de bus gedaan te hebben. Langs de rivier, met hierin vele watervallen welke prachtig schitterden in het zonlicht, klom ik omhoog. Boven gekomen wachtte nog meer moois, de rivier bleek uit een ijsmeer vandaan te komen. Zoiets had ik al eens in Noorwegen gezien maar deze was misschien nog wel mooier. Ondanks dat ik vrij laat vertrokken was die dag, we hadden elkaar immers twee weken niet gezien, legde ik toch nog 75 kilometer af. Ik kampeerde een eind van de weg af op een door schapen begraasde helling, langs een beekje waar het water van te drinken was. In Nederland ondenkbaar, hier geen enkel probleem. De volgende dag restte nog ongeveer 125 kilometer, of ik dit zou redden viel nog maar te bezien, IJsland staat  bekend als een moeilijk te befietsen land waar de kilometers dubbel kunnen tellen. Dat bleek vlak na mijn vertrek ook zo te zijn, twaalf kilometer bergopwaarts over een onverharde weg, waar men net bezig was deze van een verse laag gruis te voorzien. Zo vers dat deze nog niet door autowielen aangedrukt was. Dit was dus wegnummer 1, de hoofdweg van IJsland die 1400-1500 kilometer het hele eiland rond gaat en voor ongeveer tachtig procent  geasfalteerd is. Ik was dus net op een deel van de resterende twintig procent beland en nog wel in dat deel wat zich in de meest beroerde staat bevond, zeer lastig voor een fiets zoals de mijne. Maar zoals aan alles een eind komt, zo ook aan mijn geploeter om vooruit te komen. De weg ging over in asfalt, bergaf en bovendien had ik wind mee! Het landschap werd  mooier. In eerste instantie bestond dit nog uit agrarisch grasland met om de paar kilometer een boerderij maar later werd het ruig en ongecultiveerd. Ik passeerde een rivier waarvan de oevers bestonden uit zwart lavazand. Dit zand zag er uit alsof het hier net 'gestort' was, een grote berg met aan de onderkant vers afgekalfde stukken. Het snel stromende water helemaal grijs van de tonnen meergevoerde sediment. Het toppunt van erosie, dit zie je niet zo gauw ergens anders. Even later werd de weg weer onverhard maar was dit keer zeer goed befietsbaar. Het voerde door een vallei van vulkaanas, wat ik in eerste instantie niet als zodanig herkende. De zon scheen volop en bracht een prachtige groene gloed over het land. Geen kleine groene plantjes die dit veroorzaakten zoals ik eerder op diverse kale vlaktes had gezien maar geheel veroorzaakt door de lichtval op het poedervormige vulkaanas. Groeien deed hier helemaal niets. Schitterend en wat fantastisch eigelijk dat hier geen asfaltweg ligt! Deze  worden hier, was mij al eerder opgevallen, op een verhoogd taluud aangelegd en snijden dan als een zwarte streep het landschap in tweeën. Niet in dit geval dus, alles bleef  een geheel dat maakte het extra bijzonder. De rest van de route ging ik als een speer vooruit, volop proviterend van de rugwind, over een vlakke asfaltweg. Tot het moment, niet ver meer van Mývatn, dat ik opeens 'rook' uit het landschap zag opstijgen. Een kleine plek in het landschap met als achtergrond een kale geel gekleurde berg waar de weg overheen omhoog ging. Eenmaal aangekomen op de plek zag ik waar de 'rook' vandaan kwam, gewoon uit de grond. Dit was dus zo'n plek waar IJsland beroemd om is. De rook bleek stoom te zijn en stonk vreselijk naar rotte eieren. Zwavel! Een vreemde gewaarwording, de hele dag had ik gefietst zonder ook maar een huis tegen te komen, behalve dan de eerste paar kilometers een enkele boerderij, en dan sta je opeens voor een van de toeristische attracties van IJsland waar groepen mensen even uit hun touringcar worden losgelaten. Het solfatarenveld Hverarönd aan de voet van Námafjall die in de volksmond meestal Námaskard wordt genoemd. Iedereen fotograferen, ik natuurlijk ook maar het bevreemde mij toch, dat in de prachtige asvelden bijvoorbeeld, waar ik eerder doorheen reed en waar geen bordjes en hekjes waren neergezet, bijna niemand stopte om op z'n minst even rond te kijken. Wederom een bevestiging dat fietsen fantastisch is. Bekende toeristische plekken zijn vaak mooi, onverwachte plekken soms nog mooier.

In Reykjahlíd ontmoette ik Wanda weer, op de camping waar we hadden afgesproken, die zeer verbaast was mij te zien. Ze had mij niet uit de bus zien stappen en mij daarom een dag later verwacht. Toch viel het mee 200 kilometer in minder dan anderhalve dag, dankzij de wind in de rug. 

Rond het meer Mývatten (muggenmeer) is een gebied waar veel te zien is. Onder andere het natuurpark Dimmuborgir. Dit is een gebied met grillig gevormde lavasteen formaties. Hier kwam ik een stel Nederlanders tegen waar ik naast had gestaan op de camping op de Faroereilanden. Zij noemde het een 'Trollenbos'. En inderdaad met enige fantasie kon je er de af en toe wel een vreemd wezen in herkennen. Overigens schijnt het zo te zijn dat er nog steeds IJslanders zijn die geloven dat er elfjes leven tussen de spleten van de stenen. Opvallend en zeer mooi waren de vele soorten plantjes en mossen die hier groeien. Maar waar mensen komen worden deze vertrapt en wil men dat voorkomen dan worden er hekjes omheen gezet. Zo ook hier. Zeer zeker terecht dat dit moet en op de paden langs gemarkeerde routes wandelend was het hier schitterend maar het deed naar mijn mening wel enig afbreuk aan de overweldigende natuur die dit gebied toch zeer zeker wel te bieden heeft.

 

Mývatten had zoveel te bieden dat mijn fiets nog maar even naast de tent op slot bleef staan. Wanda, vorig jaar nog samen met mij op de fiets, heeft het lopen helemaal ontdekt, dus moest ik ook nog maar een dag m'n best doen en eerlijk is eerlijk je ziet veel en komt op plaatsen waar je met de fiets niet kan komen. Telkens als ik boven staande foto weer zie denk ik: 'goh wat was het mooi hier!' Krafla! Een gebied waar sinds 1975 ruim twintig vulkaanuitbarstingen hebben plaats gevonden. Daar waar de lava op andere plaatsen, vanwege ouderdom, bruin gekleurd is, was het hier git zwart. Je krijgt soms als geürbaniseerde Hollandse polderbewoner het idee dat ze hier een hoop asfalt van een opgebroken weg op een hoop hebben gestort. Dit is natuurlijk een hele foute gedachte. Op een lang gerekte strook kwam de rook uit de grond zetten en voelde het warm aan, toch vulkanisme. Dacht ik vroeger altijd aan de klassieke kegel met een gat bovenin waar de lava uit spuwt, zo bleek het ook anders te kunnen, hier is de grond eenvoudigweg open gescheurd en kwam de lava gewoon uit de vlakte omhoog, men spreekt van een spleeteruptie, welke typisch IJslands zijn.

Het binnenland in is met mijn fiets enigszins moeilijk maar was hooguit mogelijk geweest als ik meer tijd had gehad. Nog minder dan twee weken lagen in het verschiet. Volgens Wanda, die voor de vakantie al meer van IJsland af wist dan menig IJslander zelf, moesten in het binnenland toch wel heel interessante dingen te bewonderen zijn. Tja,en wat doe je dan, nog maar eens vier dagen zonder fiets, een pijnlijke beslissing dat wel maar achteraf gelukkig geen verkeerde. Een vierdaagse busreis naar Kverkfjöll en Askja, welke vertrok vanuit een hotel in de buurt van de camping. Een echte busreis bleek het gelukkig niet te zijn maar waar, zoals later bleek, zonder dat we het vooraf wisten, een toch wel flinke wandelconditie voor nodig was. De bus was 'slechts' een Amerikaanse vierwiel aangedreven tien persoonsterreinwagen. Onze mede passagiers waren twee Engelse vrouwen, een Duits echtpaar en een pas getrouwd Nederlands stel waarschijnlijk op huwelijksreis. De leiding was in handen van Thor, een autochtone sportleraar uit Seydisfjördur en Henrik zijn Deense collega/ vriend die hij tijdens zijn opleiding, op de sportacademie in Noorwegen, had leren kennen. De twee Nederlanders waren met de auto naar IJsland gekomen en bleken op dezelfde boot gereisd te hebben als ik. Ik kon ze echter niet herinneren, wat natuurlijk mogelijk was, temidden van de grote hoeveelheid mensen aan boord. Maar op mijn vraag waar ze op de Faroereilanden waren geweest en of ze het daar ook zo mooi hadden gevonden, antwoorden zij dat ze speciaal voor IJsland waren gekomen en gedurende de tussenstop in Thorshavn (de hoofdstad en tevens aankomst van de veerboot) waren gebleven. Hoe zoiets mogelijk was vraag ik me nu nog steeds af. Je op een van de mooiste eilanden van Europa bevinden en dan drie dagen in een stad gaan hangen die nou net niet tot het mooiste van de eilanden behoort. Maar ja, de camping waar ik toen stond was toch al bomvol, dus misschien maar goed zo. De rit ging als eerste naar Kverkfjöll, naar een hut in the middle of nowhere van waar we een wandeling zouden gaan maken naar de heetwaterbronnen in de gletsjer Vatnajökull. Een wandeling, heen en terug die de hele dag zou duren! De hut was een soort jeugdherberg, je kon overal je gang gaan, als je je schoenen maar bij de deur uittrok. Er brandde een houtkachel in de keuken waar ook de centrale verwarming aan gekoppeld was. Bij binnenkomst liep je tegen een muur van warmte aan, een graad of 30 schatte ik. Boven was een slaapzaal met stapelbedden, buiten een aantal piepkleine, van speciaal hooglandgras aangelegde, kampeerweidjes. Wij kozen er als kampeerliefhebbers natuurlijk voor om te gaan kamperen. Volgens Thor verklaren de IJslanders je voor gek als je zoiets doet, hij dus ook. De temperatuur buiten was inderdaad tegen het vriespunt maar wij hadden dankzij onze goede slaapzakken een prima nachtrust zonder snurkende slaapzaalgenoten. De volgende dag werd het helaas slecht weer, het regende en de bergentoppen zaten verstopt in de mist. Voor een wandeling naar de heetwaterbronnen moest een flink stuk over de gletsjer gelopen worden. Veel te gevaarlijk met dit weer, in de regen wordt het gletsjerijs spekglad en hogerop sneeuwen de spleten dicht, mist eromheen en je kan wel inpakken. Afgeblazen dus. Dan maar wandelen naar de Bisschopsberg. Een grote lavazuil waar met enige fantasie sinterklaas wel in te herkennen was. Het werd evengoed een pittige wandeling over gruishellingen, eerst in de regen, later overgaand in sneeuw in combinatie met een dikke mist. Iedereen liep op bergschoenen, behalve ik. Ik ben als fietser een 'grammenjager' en een paar extra schoenen zijn dan uit den boze. Daarom had ik voor vertrek een paar nieuwe stevige Cannondale fiets-loopschoenen aangeschaft met spd plaatjes in de zolen, al met het idee dat in het ruige IJslandse terrein goed schoeisel belangrijk is. Gelukkig maar, ik heb het er goed op kunnen redden al waren echte bergstappers natuurlijk beter geweest. Een rare gewaarwording overigens, drie weken eerder vertrok ik vanuit Nederland in een temperatuur boven de dertig graden, hier stond ik in de sneeuw bij enkele graden onder nul! 

De heetwaterbronnen waren dus van het programma geschrapt, de plek waar ze onder de gletsjer vandaan kwamen behoorde wel tot de mogelijkheden. Het warme water heeft daar een ijsgrot gecreëerd, te gevaarlijk om binnen te gaan maar een warm water rivier die onder een gletsjer vandaan komt was al spectaculair genoeg.

 

Terug gekomen bij Mývattn zag ik eindelijk mijn fiets weer terug en fietste ik richting Akureyri, de tweede stad van IJsland in het noorden gelegen. Hier is de temperatuur gemiddeld iets minder dan een graad hoger dan in Reykjavik, wat in het zuidwesten ligt, dit zal wel alles te maken hebben met de warme golfstroom, waardoor het ook in IJsland als geheel, in de winter, niet kouder wordt dan gemiddeld een graad of drie onder nul. Het was weer heerlijk om weer op de fiets te zitten en vooral het laatste stuk voor Akureyri was schitterend. Langs de prachtige Eyjafjord fietsend had ik uitzicht op bergtoppen bedekt met sneeuw. Heel anders weer dan voorgaande dagen. Akureyri zelf is een aardig dorp. Niet echt spectaculair maar wel leuk. Zo was er zelfs een botanische tuin, waar van heel veel groeit wat bij ons ook in de tuinen staat. Het werd wederom weer eens duidelijk dat de naam IJsland dus niet klopt. De camping was een drama, midden in de 'stad' gelegen. Weg was het idee van een typisch IJslandse camping, dit had net zo goed Frankrijk kunnen zijn. Veel mensen met (jankende) kinderen die kennelijk het comfort nodig hebben van de vele winkels en andere voorzieningen. Kortom ander publiek dan we de laatste tijd gewend waren.

De laatste dagen van de vakantie waren niet echt geweldig. Een verkoudheid gooide roet in het eten. Achteraf denk ik dat hier het gebrek aan vitamines van verse groenten en fruit hier zeker een oorzaak van waren. Ik had van huis een aardige hoeveelheid gedroogd voedsel meegenomen. Veel voedingswaarde zal dit spul niet hebben gehad. Fietsend met keelpijn ging redelijk. Rustig aan en niet te grote afstanden per dag. Zo probeerde ik voor Reykjavik nog een paar mooie routes te fietsen. Aan de zuidkust ligt het plaatsje Eyrarbakki, hier zouden oude unieke huizen te zien zijn. Hier wilde ik heen maar de keelpijn werd, moest ik toch toegeven, steeds erger. Zin om echt ziek te worden had ik absoluut niet. Om mijzelf te sparen en omdat er geen camping was stopte ik na nog geen 50 kilometer gereden te hebben in Selfoss. Ik voelde mij vies, ik had al enige dagen geen douche kunnen nemen. Ik zette mijn tent op naast een gepensioneerde Duitser die hier ook op de fietst was. Wanneer moet u weer naar huis vroeg ik hem? 'Wanneer ik geen zin meer heb' antwoordde hij, 'ik heb alle tijd van de wereld en doe alles heel rustig aan, vier dagen fietsen en dan een dag rust. Vandaag was ik mijn kleren, die mogelijkheid heb ik hier op deze camping, dus is het rustdag. Eerder ben ik al de Sprengisandur doorgekomen en dat was nogal vermoeiend voor iemand van mijn leeftijd.' 'De Sprengisandur?' vroeg ik ongelovig. 'Dat is een binnenlandroute waar je dagen lang door de stenenwoestijn over de keien moet hobbelen zonder ook maar iets geciviliseerd tegen te komen. Petje af hoor', zei ik. 'Ik doe het ook nooit, nooit meer' zei hij!

Om mijn verkoudheid goed te lijf te gaan kocht ik sinaasappels en ander fruit, verse groenten voor het avondeten, ik zou die verkoudheid wel even onder de knie krijgen. In plaats van te douchen op de camping deed ik dit in het zwembad (sowieso verplicht voordat je hier naar binnen mag). In IJsland is dit denk ik het enige wat echt goedkoop is. Het stoombad leek mij een goed medicijn om de virussen in mijn luchtwegen een flinke dreun te geven. Helaas na de koude plons in het zwembad zullen ze wel weer goed bij zinnen zijn gekomen. De volgende ochtend voelde ik mij spuugberoerd. Alles tolde om mij heen bij de minste beweging die ik maakte in mijn slaapzak. Met een paracetamol dwong ik mij de tent uit. Liggen blijven was erger. Heel langzaam pakte ik mijn spullen in, wist zelfs nog wat te eten en vertrok. In een heel langzaam tempo, zonder ook maar iets te forceren reed ik de kortste route naar Reykjavik, Eyrarbakki moest ik, hevig vloekend op mijzelf, links laten liggen. Volgende keer beter op jezelf passen, beloofde ik mij. Naarmate de rit vorderde ging het fietsen gelukkig steeds beter. Zag ik in het begin niets en niemand om me heen, later ging het beter en begon ik zelfs te genieten van de toch weer mooie omgeving, de lavavelden en bergen van Helliseidi.

De laatste dagen brachten we met z'n tweeën in Reykjavik door. Niet echt geweldig na al het moois wat we de afgelopen tijd gezien hadden. Je moet er natuurlijk geweest zijn maar twee dagen vond ik teveel. In ieder geval een afsluiting van de vakantie die me weer met beide benen op de grond zette. Figuurlijk gesproken dan wel, in IJsland voelde ik me op de grond meer in de wolken dan hoog in het vliegtuig welke ons in een paar uurtjes weer thuis bracht.

 

 

 

Top