Vorige    Historie   Volgende

1940 - 1945

Een donkere tijd was aangebroken. Het centrum van Rotterdam is door het bombardement in mei 1940 grotendeels verwoest. De Duitsers hebben Nederland bezet. Weldra gaat de bevolking gebukt onder het Nazi-juk. In hoeverre vindt dit alles z'n weerslag in het verenigingsleven? Bepalen wij ons tot Ćoline, dan zien we, dat alles, althans voor zover de omstandigheden het toelieten, op de gewone voet doorging. Men zat niet bij de pakken neer. Sterker nog, de saamhorigheid in de vereniging werd door de aanwezigheid van de bezetter, steeds groter. Letterlijk weergegeven luidt een gedeelte uit het jaarverslag van 1940 als volgt: Het stemt ons dankbaar, dat, na al hetgeen ons het afgelopen jaar is overkomen, de meeste leden Ćoline trouw zijn gebleven. Indien wij al de gebeurtenissen, die dit jaar passeerden, overzien, dan zag het er aanvankelijk somber uit. De dirigent, zomede alle mannelijke leden boven de twintig moesten onder de wapenen. Ook in materiële zin bleef Ćoline niet door het oorlogsgeweld gespaard. Ons repetitielokaal is in vlammen opgegaan. Al onze bezittingen zijn verloren gegaan. We zijn echter niet verslagen. Dankzij de krachtige hulp der verenigingen, Wieringerwerf, Ars en Labor Hilversum en Ons genoegen Arnhem, hadden wij spoedig de beschikking over de nodige materialen. Ondanks de grote vraag, was een repetitielokaal gelukkig weer spoedig gevonden. Rest mij nog een woord van warme dank te richten aan de dirigent, die nadat hij heelhuids in ons midden terugkeerde, de vereniging wederom krachtig heeft geleid. Moge Ćoline groeien en bloeien en haar steentje bijdragen tot de verbreiding van het prachtige mandolinespel. De daarop volgende jaren kenmerken zich door de beperkingen, die door de bezetter werden opgelegd en het ongerief dat de oorlogsomstandigheden met zich mee brachten.In 1941 heeft Ćoline 19 leden. Er werd een concours in Hilversum bezocht, waar een Ie prijs in de Ie afdeling werd behaald. Verder waren er in dat jaar in verband met de oorlogstoestand weinig activiteiten.In 1942 werd deelgenomen aan het 18e nationale concours, met als resultaat een Ie prijs in de afdeling uitmuntendheid. Er kwamen dat jaar 6 spelende leden bij. Dan kregen door het nazi-regime muziekverenigingen de verplichting opgelegd zich aan te sluiten bij de Bond van Dilettanten Muziekverenigingen, onderdeel van de veel besproken Kultuurkamer. Uitzondering hierop vormden amateur-orkesten, die reeds bij een landelijke Bond waren aangesloten. Teneinde te voorkomen dat mandolineorkesten ‘gelijkgeschakeld’ zouden worden, wordt door de heren Lispel, Leegstra en Maissan het Nederlands Verbond van Mandoline-orkesten opgericht. De heer Maissan nam als penningmeester zitting in het bestuur. Dit is nog steeds het officieuze oprichtingsjaar van het N.V.v.M.O.In 1943 werd het secretariaat overgenomen door de heer Snoeij. Verscheidene leden, waaronder de heer G.J. Maissan, werden in Duitsland te werk gesteld. Ondanks de steeds slechter wordende omstandigheden (slecht verwarmde repetitieruimte, verduistering, instelling van een avondklok), werd er toch nog intensief gerepeteerd. Ook werd er nog deelgenomen aan het eerste concours van het N.V.v.M.O., dat te Utrecht werd gehouden. Het behaalde resultaat aldaar was een Ie prijs in de Ereafdeling. Het aantal leden stijgt dat jaar tot 37. Op een besloten avond gehouden op 14 november 1943, verrast Erelid de heer Zeeger, de leden met een replica van de in 1940 verbrande banier. De secretaris schreef hierover: Dat was een bewogen moment. De voorzitter sprak de wens uit, dat de banier nog lang voor Ćoline behouden zou blijven. Deze wens ging in vervulling, want thans is de banier nog intact. Het jaarverslag van 1944 begint met het droeve bericht, dat het orkestlid Jan van Eek in Duitsland om het leven is gekomen. In verband met drukke werkzaamheden van de dirigent ging men in plaats van maandagop zaterdagavond repeteren. De heer De Jong stond 10 jaar voor het orkest. Ter gelegenheid hiervan droeg hij zijn compositie De kleine suite, op aan Ćoline. Kennelijk een zeer goed stuk, want in 1953 werd dit nummer als verplicht nummer voor de Ie afdeling aangewezen. In de loop van het jaar werd een uitvoering gegeven in het Bergwegziekenhuis. Daarna valt voorlopig het doek. Door de ontberingen in de hongerwinter, het gebrek aan brandstof, het niet kunnen beschikken over elektriciteit en ga zo maar door, is het openbare leven totaal ontwricht. Bovendien zijn veel mannelijke leden, waaronder de heer Maissan en de heer Snoeij elders tewerkgesteld. Zeven lange, donkere maanden volgen, waarin gevochten moet worden voor levensbehoud. In het repetitielokaal aan de Zaagmolenstraat worden voorlopig geen instrumenten tot klinken gebracht.

Vorige    Historie   Volgende