De geschiedenis van zeepziederij
“De Adelaar”
De firma Jan Dekker in de 18e en 19e eeuw
In 1772 richtte Jan Dekker, gehuwd met Guurtje Schenk, samen met zijn zwager Lammert Trip, gehuwd met Claartje Schenk, de firma Trip & Dekker op. In 1778 besloot hij echter onder eigen naam verder te gaan met de handel in potas en weedas, met daarnaast de fabricage van tras, die vermalen werd in de molen “De Rietvink” bij de Bartelsluis. De potas en de weedas werden ingevoerd vanuit de Oostzeelanden. Vandaar dat de pakhuizen ‘Dantzig’ en ‘St. Petersburg’ heetten. Weedas werd ook zelf gefabriceerd uit potas met afgewerkte kalk van de zeepziederijen. De tufsteen, dat tot tras werd vermalen, werd uit Andernach aangevoerd. Daarnaast had Jan Dekker ook belangen in de olieslagerij van Schenk, Vas en Co.

Jan Dekker is vermoedelijk in 1795 overleden, waarna zijn zoon Gerbrand Jansz Dekker, gehuwd met Aafje Boon, de leiding van het bedrijf overnam. Deze was een zeer ondernemend man. Zo kocht hij samen met ene Gerrit van der Aa uit Haarlem van het Rijk de geheel uit tufsteen opgetrokken Middeleeuwse burcht ‘Het Valkhof’ te Nijmegen voor een bedrag van ƒ 90.400. Na hevige protesten van het stadsbestuur van Nijmegen konden deze voor een bedrag van ƒ 7.000 de Karolingische Kapel terugkopen. Binnen de overeengekomen termijn van twee jaar werd het complex gesloopt en de afbraak naar Wormerveer verscheept, waar het in ‘De Rietvink’ tot tras werd vermalen. De geschatte hoge winst bleef door onvoorziene hoge kosten echter uit. De hele affaire bracht hen een verlies van ƒ 6.000. 

Na zijn dood in 1813 werd zijn broer Cornelis Dekker Jansz (1790-1863) eigenaar, door de zaken van zijn schoonzuster Aafje Boon over te nemen. Hij ging, in het door de Napoleontische oorlogen verarmde Nederland, een moeilijke tijd tegemoet. Toen hij veertig jaar was besloot hij al te gaan rentenieren en liet de zaken over aan zijn zoon Jan Dekker Cornelisz. (1805-1891), gehuwd met Wilhelmina van Ree. Deze moest hem dus vanaf 1830 onderhouden.

Jan Dekker Cornelisz was gelukkig bijzonder energiek en wist de firma te laten profiteren van de aantrekkende conjunctuur. Aan zeepziederijen en blekerijen leverde hij potas, weedas, stijfsel, soda en blauwsel, alsmede tras aan de bouwnijverheid. Daarnaast was hij jarenlang burgemeester van Wormerveer. In zijn vrije tijd deed hij aan literatuur en schreef toneelstukken, die in Amsterdam bij het gezelschap Judels werden opgevoerd.

In 1867 deed hij de zaken weer over aan zijn zoon Jan Alexander Dekker (1842-1901), gehuwd met Maria Cornelia Kaars Sijpesteijn, die toen reeds een tiental jaren in de zaak werkzaam was. Door de opkomende vraag naar chemicaliën kon hij een belangrijke uitbreiding  aan de handelszaken geven. Zo werden alkali, chloor, hars, soda en china-clay aan het assortiment toegevoegd, naast het Amerikaanse stijfsel. De opleving in de bouwerij deed hem besluiten om in 1878 een stoommachine in de molen ‘De Rietvink’ te plaatsen. De productie ging hierdoor veel sneller, maar door de invoer van Portland cement uit Engeland steeg de vraag naar tras niet evenredig, zodat de molen vaak stilstond.
Daarom besloot hij een nieuwe tak van industrie, de zeepfabricage, aan zijn handel toe te voegen. In 1885 begon hij een eenvoudige zeepziederij in een houten pakhuis, waaruit later de zeepfabriek ‘De Adelaar’ zou groeien. Eerst maakte men met kaliloog zachte zeep, in 1891 volgde de harde zeep door middel van natronloog. In 1896 werden daaraan twee nieuwe fabrikaten toegevoegd, namelijk cristalline (soda) en zeeppoeder. Met ‘Dekker’s zeep’ en ‘Delta zeep’, een duurdere kwaliteit, werd tevens een export van zachte — en later ook van harde zeep opgebouwd. In 1895 werd tevens met de levering van, bij de zeepfabricage vrijkomende, glycerine begonnen. In 1908 werd dit geperfectioneerd tot de levering van chemisch zuivere glycerine. Rond het artikel zeep groepeerden zich allengs de handel en de aanmaak van chemicaliën en van de voor zeep benodigde grondstoffen, zoals loog en harde vetten. Hiertoe behoorde onder andere de bouw van een chloorfabriek. Als Jan Alexander Dekker in 1901 overlijdt laat hij een bloeiend chemisch bedrijf achter.

De zeepziederij in 1893
Hoewel reeds in 1765 het zeepzieden uitvoerig door Diderot et d’Alembert in hun Encyclopedie, deel III en deel IV, was besproken, compleet met afbeeldingen van de benodigde gebouwen en gereedschappen, bleef het zeepzieden tot het einde van de 19e eeuw een op empirische en op traditie berustende, met een waas van geheimzinnigheid omgeven, nijverheid. Afhankelijk van de beschikbare grondstoffen verschilde het productieproces van land tot land. In Frankrijk ging men uit van olijfolie. In de Zaanstreek was daarvoor de in de oliemolens geslagen lijn- en raapolie en wellicht walvistraan beschikbaar.

Toen in 1885 Jan Alexander met de zeepfabricage begon, hadden scheikundigen uit die tijd het fabricageproces al zeer verbeterd. Echter, het juiste inzicht in de ingewikkelde chemische processen tijdens het zeepzieden ontbrak nog. Al improviserend moest hij zich de techniek eigen maken. Aanvankelijk mislukte het proces vaak en dan stond er tienduizend kilo bedorven groene zeep in het pakhuis. Maar al spoedig werd zeep van prima kwaliteit gemaakt, die een goed afzetgebied vond. Na enige jaren werd langs de Zaandijkerweg (datering onbekend) de eerste zeepfabriek gebouwd, die later nog driemaal vergroot of vernieuwd zou worden. 
Het was een klein stenen pand van ca. 6x13 meter, bestaande uit twee bouwlagen en een kap waarin twee zeepketels met een diameter van 2,70 meter stonden opgesteld. Het beschikbaar vloeroppervlak was ca. 150 m2.

De fabriek was al spoedig te klein, zodat in september 1893 J. A. Dekker vergunning vroeg om de zeepziederij te mogen uitbreiden, overeenkomstig een plan van de Amsterdamse architecten Van Rossem en Vuyk. Deze tweede fabriek, die evenals zijn voorganger ‘De Adelaar’ heette, verkreeg nu een vloeroppervlak van ca. 660 m2.
Waarschijnlijk werd toen een deel van de houten schuur afgebroken en vervangen door een stenen fabrieksgebouw, groot 13x17 meter, aansluitende aan het aanwezige stenen pand. De nieuwe fabriek werd uitgevoerd in drie bouwlagen en afgedekt met een plat dak. Hierin werd een derde ketel opgesteld, alsmede een gasmotor van 7,5 PK, bestemd voor het aandrijven van een pomp voor de loog en voor een roergestel op de loog- en zeepketels. De draagconstructie van de fabriek bestond uit gegoten ijzeren kolommen en gewalst stalen liggers, waarover houten balklagen en dito vloeren waren aangebracht. Enkele delen van de begane grond waren uitgevoerd met stenen vloeren. De gebruikelijke ondersteuningsconstructie hiervoor bestond toen nog uit tongewelven met een overspanning van ongeveer 1 meter, die aangevuld werden met stampbeton.

De in 1896 gebouwde zeepziederij
De zaken floreerden zodanig, dat reeds drie jaar later J. A. Dekker het gemeentebestuur vergunning vroeg voor de sloop van enkele bestaande gebouwen en voor de bouw van een geheel nieuwe stenen fabriek. Dit nieuwe pand had een diepte van 37 meter, verdeeld in elf traveeën en een breedte van 17 meter, verdeeld in drie traveeën. De scheve erfscheidingen langs de noord- en oostzijde van het erf, maakte het enerzijds mogelijk om aan de noordzijde het pand over een diepte van 17 meter met een travee te verbreden, anderzijds moest aan de Zaanzijde de gevel over de halve breedte een travee terugspringen. Om het verkeer op de loswal mogelijk te maken, was het tevens noodzakelijk om op de begane grond de gevel nog een travee af te schuinen. De overbouwing, die hierdoor ontstond, werd opgevangen door een zware ijzeren kolom. Helaas ontbreken de ontwerptekeningen van deze fabriek. De afmetingen van het gebouw, de constructie en de architectuur kunnen daarom slechts globaal afgeleid worden uit de funderingstekeningen van de later in 1906 gebouwde fabriek en uit de vele foto’s, die destijds voor en na de brand van dit pand zijn gemaakt.
De firma rond de eeuwwisseling
In 1901 vormden de zonen Johan Willem Dekker, gehuwd met Anne Honig, Willem Alexander Dekker (geb. 1870) gehuwd met Lauretine Laan (geb. 1874) en Hendrik Pieter Dekker, gehuwd met Anne Hildens, de handelsvennootschap onder firma Jan Dekker. Zij namen in 1903 de firma Storm van Bentem & Kluyver over. Een dochter van Jan Dekker Cz. en Wilhelmina van Ree, Neeltje Dekker (1831-1909), was getrouwd met Albert Kluyver Albertsz Jr., koopman en verffabrikant, die deelgenoot was in Storm van Bentem en Kluyver samen met zijn neef Pieter Kluyver Pietersz (overl. 1879) en diens zoon Huibert (overl. 1879). Deze firma werkte met de molens ‘Het Gekroonde Zeepaard’, ‘De Boot’, ‘De Storm’, ‘De Sluiswachter’ en ‘De Grauwe Hengst’.
De brand van 1906
Op zondag 5 augustus 1906 ging de pas 10 jaar eerder gebouwde fabriek in vlammen op. Kort daarvoor, op 24 juli 1906, hadden B & W nog vergunning verleend voor de uitbreiding van het ketelhuis en voor de bouw van een pakhuis van twee verdiepingen, met welke werkzaamheden men de volgende dag, maandag 6 augustus, had willen beginnen. In beide streekbladen ‘De Zaanlandsche Courant’ en de ‘De Zaanstreek’ werd uitvoerig verslag gedaan van deze uitzonderlijk zware brand, evenals in het Algemeen Handelsblad. De brand, die al enige tijd binnenshuis moet hebben gewoed, brak omstreeks 5 uur op deze zonnige nazomermiddag aan alle kanten uit het gebouw; gepaard gaande met een enorme rookontwikkeling en explosies van de in het pand opgeslagen voorraden olie, hars en traan. Eén van de toegesnelde werklieden had de tegenwoordigheid van geest om de stoomketel ‘af te blazen’, zodat deze niet kon ontploffen. De brandspuiten van Wormerveer met inbegrip van de stoomspuit en de te hulp geroepen brandspuiten van Wormer, Zaandijk, Koog aan de Zaan en Knollendam konden niet verhinderen dat het gebouw met zijn machinerieën en voorraden geheel verloren ging. Na een uur stortten de muren aan de Zaanzijde met donderend geraas neer, tezamen met het beeld van de adelaar. Om 11 uur was men de brand meester. Door het snelle optreden van de brandweer kregen de belendingen, zoals de houtberging van de firma Gebr. Gorter, de stoomolieslagerij ‘De Toekomst’ van de firma Bloemendaal en Laan en het pakhuis ‘De Zwaluw’ van de firma H. P. Pieper, waarin naast andere chemicaliën 1500 vaten lijnolie lagen opgeslagen, slechts waterschade. Van alle kanten stroomden de kijkers toe. Vanuit talrijke roeibootjes en vanaf de tegenoverliggende oever sloeg men de spectaculaire brand gade. Velen maakten van de gelegenheid gebruik om foto’s van de brand te maken.
De herbouw van de zeepziederij in 1906
Geen van de drie firmanten was bij de catastrofale brand aanwezig geweest. Hetgeen hen niet belette om op zeer korte termijn plannen te maken voor de herbouw van de fabriek in samenwerking met hun vaste architecten, de heren Van Rossum en Vuijk. Vertrouwen in de toekomst van het bedrijf leidde er toe dat het belendende erf ten zuiden van de verbrande fabriek werd aangekocht, waardoor het vloeroppervlak van de fabriek met ongeveer 40% kon worden vergroot. Ten tweede koos men bij de herbouw voor een draagconstructie van een meer brandveilig materiaal, namelijk gewapend beton. Ten derde werd besloten het ketelhuis en de machinekamer los van de fabriek op een terrein ten westen van de wegsloot te herbouwen.
Op 15 oktober 1906 werd aan B & W vergunning gevraagd voor de herbouw en de uitbreiding van de zeepziederij, op 22 november gevolgd door een bouwaanvrage voor de bouw van een ketelhuis met machinekamer, een deglycerinelokaal, alsmede voor een kuiperij annex raffineerinrichting, alles te bouwen op het eerder genoemde binnendijkse terrein.
Op 15 oktober 1906 werd voor de nieuwe fabriek een contract van aanneming gesloten met de Wormerveerse aannemers M. Stam en Zoon. Jan dekker en D. Stam bekrachtigden dit contract met hun handtekening op de tekening.
De constructie van het gebouw 
De omtrekmuren van de fabriek bestonden uit baksteen, terwijl voor de inwendige draagconstructie gekozen werd voor het toen nieuwe bouwmateriaal: gewapend beton. De constructie bestond uit, zich per verdieping verjongende, betonkolommen en betonbalken, evenwijdig aan de Zaan. Alleen tussen de vloerbalken van de eerste verdieping bevonden zich dwarsbalken, die de constructie de nodige stijfheid verleenden.
Over de vloerbalken waren gewapend betonvloeren aangebracht, waarvan de onderzijde met een kwartcirkel overging in het zijvlak van de balken. Hiermee werd beoogd de optredende dwarskrachten nabij de oplegging van de vloeren beter te kunnen opnemen.
Achter de westgevel bevond zich vroeger op de eerste verdieping, over de breedte van twee traveeën, de zeepziederij. Hier werd in grote kuipen uit lijnolie, kali- of natronloog de producten harde en zachte zeep gefabriceerd. In verband met de afmetingen van de machines, maar ook om de vrijkomende warmte en dampen te kunnen afvoeren, werden de bovengelegen vloerdelen later verwijderd.
Dit heeft tot gevolg gehad dat de opstijgende agressieve dampen de betonconstructie, maar vooral de onderzijde van de dakvloer sterk hebben aangetast.
Watertoren en adelaar
Op de zuidelijke hoek van de Zaangevel is een ruim zeven meter hoge bakstenen opbouw aangebracht. In het uitkragende bovenste deel bevond zich vroeger een stalen watertank.
Nu de watertank is verwijderd is de stalen kapconstructie zichtbaar, waarop de vier betonnen dakvlakken rusten. De staalconstructie draagt tevens een korte betonnen kolom, die waarschijnlijk doorloopt in de romp van de op de top van het dak aangebrachte adelaar.
De architectuur
Het voor zijn tijd geavanceerde betonskelet is omgeven door bakstenen buitenwanden in een sobere strakke architectuur. Ondanks de rationele vormgeving van ramen, deuren, pilasters en waterlijsten, zijn de verhoudingen in de gevels weloverwogen en berusten op de verhoudingen 3:4, 3:5 en 2½:5.
De gevels zijn verticaal geleed door pilasters en horizontaal door waterlijsten ter hoogte van de vloeren, en worden aan de bovenzijde afgesloten door gemetselde ezelsruggen.
Een esthetische meerwaarde moet worden toegekend aan het in hoogte verspringen van de waterlijsten en in relatie hiermee het verhogen van de borstweringen boven het platte dak. Er is spaarzaam gebruik gemaakt van gele verblendsteen aan banden in de gevelpilasters. Zoals reeds op de ontwerptekening was aangegeven, is op de westgevel en op de watertoren in witverglaasde baksteen de naam ‘Zeepziederij de Adelaar’ aangebracht.
De muurverzwaringen onder de waterlijsten zijn per geveltravee voorzien van consoleachtige uitmetselingen. Een detail dat veel gevonden wordt aan de Amsterdamse gebouwen uit die tijd. De Zaangevel is fraai gecomponeerd met de watertoren op de westhoek van de gevel en de uit het midden geplaatste travee met hijsdeuren, welke travee door een verhoging van de borstwering is geaccentueerd. De rechter penant van deze travee wordt op de begane grond opgevangen door de eerdergenoemde zware gegoten ijzeren kolom.
Het beeld van de adelaar 
De stenen zeepziederij, die Jan Dekker tussen1885 en 1893 aan de Zaandijkerweg liet bouwen kreeg toen al de naam ‘de Adelaar’, evenals de uitbreiding, die in 1893 ten oosten daarvan werd gebouwd. Zeker was dit het geval met de nog weer grotere uitbreiding, die in 1896 verrees. Op de Zaangevel van deze fabriek, die nu het gehele erf tussen weg en Zaan besloeg, was een zeer groot beeld van een adelaar geplaatst. Deze adelaar was niet alleen het beeldmerk van de firma, maar fungeerde voor de honderden beurtschippers, in een tijdperk dat alle aan- en afvoer  van goederen nog per schip geschiedde, als een baken voor de vaart langs de Zaan. Naar schatting had deze eerste adelaar een vleugelwijdte van vier meter. Volgens de overlevering was het beeld van brons. Echter in het verslag van de brand van 6 augustus 1906, in het blad ‘De Zaanstreek’, staat vermeld, dat het beeld van zandsteen was en door één der firmanten was vervaardigd.

Nu kwam het plaatsten van beelden op gebouwen in het verleden veelvuldig voor. In de 17e eeuw werden veel trapgevels door een zandstenen leeuw bekroond. In de 18e eeuw sierden vaak mythologische beelden de dakrand van Amsterdamse grachtenpanden, zoals de beelden van Ceres en Vulcanus op het huis van Loon, Keizersgracht 672. Zelfs een zandstenen adelaar is te vinden op de gevel van Reguliersgracht 34, gebouwd in het jaar 1734.
Zandsteen is echter een betrekkelijk zachte steensoort. Grote afmetingen zijn niet mogelijk, zodat de korte vleugeltjes van de Amsterdamse adelaar slechts een gezamelijke vlucht hadden van hoogstens 80 cm. Om deze reden kan de Wormerveerse adelaar nooit van zandsteen zijn vervaardigd. In het laatst van de vorige eeuw werd in de architectuur veel natuursteen aan bouwonderdelen en beeldhouwwerk toegepast. Al spoedig trachtte men de hoge arbeidskosten ervan te verlagen door dergelijke onderdelen en beelden te gieten van massieve kunststeen, bestaande uit een mengsel van gemalen zandsteen en cement. In het buitenland, maar ook in Nederland bestonden firma’s die zich toelegden op het vervaardigen van dergelijke beelden. Nog zeer onlangs is een kunststenen beeld, een engel voorstellend, hoog twee meter en staande op het pand Haarlemmerstraat 2 te Amsterdam, weer geheel gerestaureerd en gepolychromeerd.

Gezien de vlucht van vier meter van de eerste Wormerveerse adelaar, moet deze niet van natuursteen, maar van metaal, zoals brons, ijzer of zink, danwel van gewapend kunststeen zijn vervaardigd. Bij de fabricage van dergelijke beelden moet echter eerst een model van klei worden gevormd, waarvan een contramal wordt gemaakt, waarin een beeld kan worden afgegoten.

Volgens mededelingen van zijn dochter, mevrouw F. Elhorst-Dekker, bezat Willem Alexander Dekker, één der firmanten, artistieke gaven. Zijn ouders lieten hem in zijn jeugd lesnemen in tekenen en boetseren bij de Amsterdamse beeldhouwer Pierre Elysée van den Bossche. In Hamburg, waar hij studeerde, had hij veel contact met beeldende kunstenaars. Later toen hij aan de Wandelweg zijn woonhuis, Vesta genaamd, liet bouwen, vervaardigde hij eigenhandig de gebeeldhouwde houten versieringen van de betegelde schouw in de hal. Wanneer het bericht in het weekblad ‘De Zaanstreek’ destijds op waarheid berustte, zou hij, 26 jaar oud zijnde, de ontwerper dan wel de maker van de eerste adelaar zijn geweest. Zijn dochter weet zich te herinneren, dat hij na de brand in 1906, in elk geval de tweede adelaar heeft vervaardigd.
In Wormerveer doet echter het verhaal de ronde, dat de eerste adelaar van brons was en tijdens de brand naar beneden is gestort, maar nooit terug werd gevonden. Nu is de wanddikte van een metalen beeld slechts 4 mm. Als een dergelijk fragiel beeld, samen met de gevel voorover naar beneden was gevallen, zou het zeker een val van 13 meter niet ongeschonden hebben overleefd. Voor de nodige stabiliteit was het beeld, zoals op de foto’s te zien is, met stangen afgeschoord naar het achterliggende dak. Wanneer het beeld echter, achterover getrokken door de instortende week geworden staalconstructie, in de vuurzee was gestort, zou het daar geheel of gedeeltelijk zijn gesmolten. Brons smelt namelijk bij 900°C, maar zink reeds bij 420°C. Ook wanneer het beeld van kunstzandsteen was vervaardigd, zou het een dergelijke val of de hoge temperatuur van brandende olie en vet niet hebben overleefd. Dat het beeld nooit terug is gevonden, is daarom wel verklaarbaar.

Nu het tweede beeld van de adelaar. Daar zijn meer gegevens van bekend. Mevrouw Elhorst-Dekker kan zich herinneren dat haar vader het beeld in een loods, die inverdan naast het ouderlijk huis Zaanweg 120 stond, heeft vervaardigd. Op de afgebeelde foto is het enorme beeld in de loods te zien. Helaas is het niet duidelijk of dit het in klei gemodelleerde beeld is of de reeds in gewapend beton afgegoten adelaar, die nu op de watertoren staat. Later zouden familieleden Willem Alexander verwijten dat zijn maagklachten veroorzaakt waren door zijn vele werk aan het beeld. Niettemin blijven veel vragen omtrent de vervaardiging van het beeld onbeantwoord. Vele handen moeten toch aan de totstandkoming van de adelaar te pas zijn gekomen. Het vergroten van een klein schetsontwerp tot het kleimodel van de adelaar, het vervaardigen van een ingewikkelde steunconstructie voor dit kleimodel en het maken van een uit vele delen bestaande contramal van gips, zou ook nu nog een aantal op dit speciale terrein deskundige vaklieden langdurig werk verschaffen.
Maar wellicht kan het volgende een tipje van de sluier oplichten. In het ‘Vakblad van de bouwambachten’ jaargang 1907, was in de vragenrubriek onder No. 1243 het volgende opgenomen.
“Wordt gevraagd een adelaar van cementijzer, om op het dak van een fabriek te plaatsen. De vlucht moet zijn zes meter. Hoe groot is de kop, de poten, het lichaam en de snavel, in evenredigheid? Wordt verder verlangd een uitslag of een paar doorsneden, benevens een opgave uit hoeveel stukken het model moet bestaan”.
In de volgende bladzijden wordt het antwoord als volgt gegeven.
“Vraag 1243. Op de hierbij gaande tekening is een adelaar van de verlangde afmetingen aangegeven, ter verduidelijking nog met een zijaanzicht. Ik geloof dat de ingeschreven maten wel voldoende zullen zijn. Het is evenwel moeilijk van het model uitslagen of doorsneden te geven, om reden dat het mij zeer bezwaarlijk toeschijnt een dergelijke opgave in cementijzer uit te voeren. Het aangewezen materiaal is zink. De Firma T.W. Braat, Koninklijke Fabriek van Zinkwerken te Delft, levert adelaars in iedere verlangde afmeting; mocht U er evenwel toch toe overgaan de adelaar in cementijzer te maken, dan lijkt het mij het beste toe, de vleugels en poten massief te nemen, dan romp en de kop evenwel hol.

Na lezing van de advertentie en het antwoord erop, kan men bezwaarlijk nog aannemen dat Willem Alexander ook de eerste adelaar zou hebben gemaakt, aannemende dat hij de vraagsteller was. Als hij de eerste adelaar had ontworpen of gemaakt, dan had hij de vragen niet hoeven stellen. Overigens kan de tekening in het Vakblad slechts in algemene zin tot voorbeeld voor de tweede adelaar hebben gediend. Deze heft de vleugels veel verder op, alsof hij op het punt staat weg te vliegen. Deze beweging wordt ondersteund door de lange krachtige poten, die samengevoegd met de brede staart, de vogel verbinden met de halve bol, die door de klauwen van het rechter poot worden omklemd. Alleen in de karakteristieke kop van de adelaar met de zware snavel kan men het voorbeeld enigszins ontdekken.

De tweede adelaar staat niet zoals de eerste op een wereldbol, zoals de mythologie wil. Wellicht in verband met de sterkte staat de tweede adelaar op een halve bol. De voorstelling van een vogel op een wereldbol gaat terug op het bijbels symbool van de arend die naar de zon vliegt, waar zijn vleugels verzengen, waarna hij in zee stort, maar nieuwe kracht en vleugels krijgt om weer op te vliegen.

Op 20 april 1989 heeft een topkraan van de Bouwcombinatie Van Braam en Minnesma een cabine met drie man tot op de hoogte van de adelaar gebracht, van waaruit de heer G. Tentij het beeld technisch heeft geïnspecteerd en op verschillende foto’s heeft vastgelegd.

De brand van 1906

Vijf voor twaalf voor de Adelaar

De Adelaar rijksmonument?

De Adelaar kan er straks weer jaren tegen