| Een hydrometeoor is een meteoor
bestaande uit een verzameling van vloeibare of vaste waterdeeltjes die
in de atmosfeer zweven of er door vallen, die door de wind worden opgewaaid
van het aardoppervlak of die op voorwerpen aan de grond of in de vrije
atmosfeer worden afgezet.
|
||
|
||
| Wolken
Zie de beschrijvingen van de diverse wolkengeslachten. |
||
| Mist (mist en nevel)
Uiterst fijne, meestal microscopisch kleine waterdruppeltjes die in de lucht zweven en het zicht aan het aardoppervlak beperken. In de praktijk spreekt men over mist als het zicht minder dan 1000 meter is. Is het zicht méér dan 1000 meter, dan spreekt men over nevel. |
||
| IJsmist
Talrijke zeer kleine ijskristalletjes die in de lucht zweven en het zicht aan het aardoppervlak beperken. |
||
|
||
| Regen
Neerslag van waterdruppels die uit een wolk vallen. Regendruppels zijn gewoonlijk groter dan motregendruppels. Aan de rand van een regengebied kunnen de druppels echter even klein zijn dan motregendruppels; in dat geval onderscheidt regen zich van motregen door het feit dat de druppels zeer verspreid vallen. |
||
| Onderkoelde regen
Regen waarvan de druppels een temperatuur beneden 0°C bezitten. Zodra zij in aanraking komen met de grond, met voorwerpen op de grond of met vliegtuigen tijdens de vlucht, vormen de druppels van onderkoelde regen een mengsel van water en ijs met een temperatuur van 0°C. |
||
| Motregen
Tamelijk gelijkmatige neerslag van zeer fijne waterdruppels die zeer dicht opeen uit een wolk vallen. De diameter van de druppels is gewoonlijk kleiner dan 0,5 mm. Motregen valt uit een geheel of vrijwel geheel gesloten, dichte en gewoonlijk laaghangende Stratusbewolking, die soms zelfs de grond raakt (mist). |
||
| Onderkoelde motregen
Motregen waarvan de druppels een temperatuur beneden 0°C bezitten. Zodra zij in aanraking komen met de grond, met voorwerpen op de grond of met vliegtuigen tijdens de vlucht, vormen de druppels van onderkoelde motregen een mengsel van water en ijs met een temperatuur van 0°C. |
||
| Sneeuw
Neerslag van ijskristallen die, afzonderlijk of samengevoegd tot vlokken, uit een wolk vallen. |
||
| Natte sneeuw
Neerslag van smeltende sneeuw, soms tezamen met waterdruppeltjes, voorkomend als de temperatuur een paar graden boven 0°C is. |
||
| Motsneeuw
Neerslag van zeer kleine ondoorzichtige witte ijsdeeltjes die uit een wolk vallen. Deze deeltjes zijn tamelijk afgeplat of langwerpig: hun diameter is in het algemeen kleiner dan 1 mm. |
||
| Korrelsneeuw
Neerslag van witte ondoorzichtige ijsdeeltjes die uit een wolk vallen. Deze deeltjes zijn in het algemeen kegelvormig of afgerond: hun diameter kan een waarde van 5 mm bereiken, De korrels zijn broos en gemakkelijk samendrukbaar. Wanneer zij op harde grond vallen springen zij op en breken dikwijls. Korrelsneeuw valt gewoonlijk in buien tezamen met sneeuw of regen, wanneer de temperatuur ongeveer 0°C is. |
||
| IJsnaalden en ijsplaatjes
Neerslag die uit een wolkenloze hemel valt in de vorm van zeer kleine ijskristallen, dikwijls zo klein dat zij in de lucht schijnen te zweven. De kristallen zijn vooral zichtbaar wanneer zij in het zonlicht schitteren. Deze hydrometeoor, die dikwijls in de poolstreken wordt waargenomen, komt in een stabiele atmosfeer bij zeer lage temperaturen voor. |
||
| Hagel
Neerslag van, hetzij doorzichtige- hetzij geheel of gedeeltelijk ondoorzichtige, ijsdeeltjes (hagelstenen), gewoonlijk bolvormig of onregelmatig van vorm, waarvan de diameter bijna altijd 5 tot 50 mm bedraagt en die afzonderlijk of samengeklonterd tot onregelmatige brokken uit een wolk vallen. Hagelstenen bestaan vaak uit ijslaagjes die afwisselend wit en doorzichtig zijn. Hagel valt gewoonlijk gedurende zware onweersbuien.
|
||
| Korrelhagel
Neerslag van doorschijnende ijsdeeltjes die uit een wolk vallen. Deze deeltjes zijn vrijwel altijd bolvormig en hebben soms kegelvormige uitsteeksels; hun diameter kan 5 mm bedragen of zelfs overtreffen. |
||
| IJsregen
Neerslag van doorzichtige ijsdeeltjes, die uit een wolk vallen. Deze deeltjes zijn gewoonlijk bolvormig of onregelmatig van vorm, maar zelden kegelvormig; hun diameter bedraagt minder dan 5 mm. |
||
|
||
| Lage driftsneeuw
Sneeuw die door de wind tot geringe hoogte boven de grond wordt opgewerveld. Het horizontale zicht op 1.80 m boven de grond wordt niet merkbaar verminderd. |
||
| Hoge driftsneeuw
Sneeuw die door de wind zo hoog boven de grond wordt opgewerveld, dat het horizontale zicht op 1.80 m boven de grond aanmerkelijk verminderd is. |
||
| Stuifwater
Waterdruppeltjes die door sterke wind van een groot wateroppervlak, in het algemeen van de golfkammen, zijn afgeblazen, en over een korte afstand in de lucht worden meegevoerd. |
||
|
||
| Mistaanslag
Afzetsel van niet-onderkoelde mistdruppels (of wolkendruppels) op voorwerpen waarvan de oppervlakte-temperatuur hoger is dan 0°C. |
||
| Dauw
Afzetsel op voorwerpen van waterdruppels, ontstaan door rechtstreekse condensatie van waterdamp uit de omringende lucht. Er bestaan twee soorten dauw: |
||
Stralingsdauw |
||
Advectieve dauw |
||
| Witte dauw
Een wit afzetsel bestaande uit bevroren dauw. |
||
| Rijp
Een ijsafzetsel op voorwerpen, in het algemeen met een kristallijne structuur en ontstaan door rechtstreekse sublimatie van waterdamp uit de omringende lucht. Er bestaan twee soorten rijp: |
||
Stralingsrijp |
||
Advectieve rijp |
||
| Ruige rijp
Een ijsafzetsel, in het algemeen gevormd door het bevriezen van onderkoelde mist of wolkendruppels op voorwerpen waarvan de oppervlaktetemperatuur lager of hoogstens iets hoger dan 0°C is. Er bestaan drie soorten ruige rijp: |
||
Zachte ruige rijp |
||
Harde ruige rijp (ruige vorst) |
||
Heldere ruige rijp |
||
| IJzel
Een glad, homogeen en in het algemeen doorzichtig ijsafzetsel dat gevormd wordt door het bevriezen van onderkoelde regendruppels of motregendruppeltjes op voorwerpen of de ondergrond waarvan de oppervlaktetemperatuur lager of hoogstens iets hoger dan 0°C is. N.B. IJzel op de grond moet niet worden verward met het ijs op de grond, dat ontstaat als: a) Water, afkomstig van niet onderkoelde motregen of regen, later op de grond bevriest. b) Sneeuw bevriest na geheel of gedeeltelijk te zijn gesmolten. c) Sneeuw op de grond door het verkeer wordt vastgereden. |
||
|
|