Goedhart Gelderland Database

Notes


Cornelis Mattijsz Weijns (Van Duijvenbode)

Cornelis Thijs Weijns (‘Spulman’) alias van Duijvenbode was ‘Spulman’ en ‘piekenier der weerbare mannen’ van Katwijk in 1653.

Willem Corneliszn Speelman was "Luitspeler" en organist van de Pieterskerk in Leiden en de oudoom van Cornelis Mattijszn Weijns van Casselberg. Tijdens het beleg van Leiden in 1574 heeft hij ondanks de grote hongersnood die de stad teisterde een aantal postduiven in leven gehouden. In september 1574 heeft hij deze duiven aangeboden aan het stadsbestuur om ze buiten de muren te smokkelen. Via deze dieren hebben enkele brieven van de geuzenleider Louis de Boisot het stadsbestuur bereikt, warin werd aangekondigd dat de dijken rond de stad doorgestoken zouden worden en zodoende de Spanjaarden zouden worden verjaagd. Dankzij deze berichten heeft de stad het beleg nog een paar dagen volgehouden. Het beleg werd op 3 oktober 1574 opgeheven. Het stadsbestuur van Leiden heeft in 1578 aan Willem Corneliszn en zijn beide broers het recht toegekend de naam "van Duijvenbode" te gebruiken en een wapenschild te voeren, met daarop 2 rode kruislings liggende Leidse sleutels met in elk kwadrant een blauw duifje. Willem Corneliszn is in 1616 kinderloos overleden, blijkens een akte van 24 augustus 1607 was hij voogd over een kleinzoon van zijn zuster Claartje, Cornelis Matthijszn Weijns. Deze Cornelis Mattijszn heeft de naam "van Duijvenbode" van zijn beroemde oudoom overgenomen.


Matthijs Pieters Weijns van Casselberg

Poorter van Leiden (1586) en Chirurchijn in 's-Gravenzande.


Pieter Gabrielszoon Franchoys

Schoolmeester (Frans) te Leiden.


Claartje Cornelisdr Van Duyvenbode

De erenaam van Duijvenbode, verkregen door Willem Cornelisz (speelman) van Duyvenbode, haar broer, voor zijn aandeel in het ontzet van Leiden, werd na zijn kinderloos overlijden doorgegeven via Claartje. Haar kinderen droegen haar naam in plaats die van haar echtgenoot. Zo ontstond de stam "van Duyvenbode".


Willem Cornelisz (Speulman) Van Duyvenbode

Willem Cornelisz, speelman (Luitspeler en organist in de Pieterskerk). Ten tijde van het beleg van Leiden vaandrig bij de schutterij. Speelde met zijn broers Jan en Ulrich met behulp van hun postduiven een rol bij het ontzet van Leiden Tijdens het beleg van Leiden in 1574 heeft hij ondanks de grote hongersnood die de stad teisterde een aantal postduiven in leven gehouden. In september 1574 heeft hij deze duiven aangeboden aan het stadsbestuur om ze buiten de muren te smokkelen. Via deze dieren hebben enkele brieven van de geuzenleider Louis de Boisot het stadsbestuur bereikt, waarin werd aangekondigd dat de dijken rond de stad doorgestoken zouden worden en zodoende de Spanjaarden zouden worden verjaagd. Dankzij deze berichten heeft de stad het beleg nog een paar dagen volgehouden. Het beleg werd op 3 oktober 1574 opgeheven.
Hij, en zijn familie, kregen in 1578 het recht de erenaam "van Duyvenbode" te voeren. Hij werd bovendien als eerste burger in de Nederlanden het recht toegekend om een familiewapen te voeren. Dit wapen bestaat uit de twee rode (kruislings liggende) Leidse sleutels met in elk van de vier kwadranten een blauw duifje. In de wapenbrief staat dit wapen (getekend door de tekenaar Hans Liefrine) afgebeeld. Omdat hij kinderloos stierf werd de erenaam ‘van Duijvenbode’ overgenomen door zijn zuster Claartje en haar nakomelingen. Sinds juli 1998 hangt een replica van dit schild op zijn oorspronkelijke plaats in de Leidse Pieterskerk waar Willem is begraven. Het origineel van het wapen en een portret van Willem hangen in de Lakenhal te Leiden.
Willem Corneliszn is in 1616 kinderloos overleden, blijkens een akte van 24 augustus 1607 was hij voogd over een kleinzoon van zijn zuster Claartje, Cornelis Matthijszn Weijns. Deze Cornelis Mattijszn heeft de naam "van Duijvenbode" van zijn beroemde oudoom overgenomen.

Tekst (vertaling in het Nederlands van rond 1900) van de Oorkonde van 3 oktober 1578.
Wij, schout, burgemeesters, en gerecht van de stad Leiden, van het graafschap van Holland, wensen een iegelijk, die de onderhavige brief zal zien, veel heil en geluk;
Doen weten, dat, nu de redelijkheid en billijkheid vereist dat alle vrome betoonde diensten, in het bijzonder die aan een stad of gemeenschap gedaan zijn, eerlijk en heerlijk worden beloond, ten eindedat zodanige beloning de andere mensen een aansporing en prikkel is, om hen in tijden van nood tot dergelijke diensten, op hoop van beloning, mede gewillig en kloekmoedig te doen zijn en laten gebruiken; en dat het zo is dat Willem Corneliszoon Speelman, geboren burger van deze stad Leiden, in het afgelopen jaar 1574, ten tijde van de tweede belegering en uiterste hongersnood, liever gehad heeft deze zijn geboortestad alle mogelijke dienst en hulpbetoon te doen, en de spijze, die tot verzadiging van de honger van hem, zijn hoogbejaarde moeder en broeders enigszins had mogen dienen, hun hongerige buiken te onthouden, en daardoor mede gebrek te lijden, dan dezelve tot zijn leeftocht en onderhoud te verstrekken, daar hij op ons verzoek zijn duiven door enige waaghalzen heimelijk uit deze stad heeft laten vervoeren, om naar buiten (aangezien deze stad zo hevig rondom omringd en belegerd was, dat er geen mens, noch te land, noch te water, meer in kon geraken, en wij daardoor geen tijding van onze doorluchtige en hooggeboren Vorst en gen. H. de Prins van Oranje, noch van de H.H. Staten, onze goede vrienden en medebondgenoten, konden krijgen) met brieven en tijdingen, zo grotelijks tot onze vertroosting dienende, te worden afgevaardigd, en als vliegende boden door de lucht, het enige element ons open gelaten, gebruikt en gebezigd te worden, gelijkerwijs drie van deze duiven verscheidene malen met brieven en tijdingen binnen deze stad zijn wedergekeerd; en dat wij daarom begeren en voorhebben om zulke getrouwe diensten, ons en onze gezamenlijke burgers en inwoners en dientengevolge ‘t gehele vaderland gedaan, met een gedurige verering te belonen;
Zo is het, dat wij de voornoemde Willem Corneliszoon vergund, geoorloofd en toegelaten hebben, zoals wij vergunnen, veroorl. en toelaten bij dezen, om vanaf nu voortaan door hem en zijn nakomelingen te mogen gebruiken en hemzelf te zullen mogen noemen en schrijven, doen noemen en schrijven met de toenaam van Duyvenbode, gebruikende tot zijn en hun blazoen, teken, en wapen, een zilveren schild, hangende in een krans van eiken bladeren, waarin komen twee rode sleutels kruisgewijze over elkander gesteld, en tussen elk kwartier een blauwe duif, alles op de wijze zoals alhier vertoond en zichtbaarafgebeeld; en omdat wij voornoemde Willem van Duyvenbode voor zulks in ‘t voormelde gebruik van naam en wapen ten eeuwigen dage begeren te handhaven, en zulks door een iegelijk te worden erkend en gehouden, hebben wij tot een volkomen en ongetwijfeld geloof ’t zegel terzake deze brief doen aanhangen en deze door onze secretaris doen tekenen, op de derde oktober vijftienhonderd achtenzeventig.
J. van Hout