Kritische beschouwing van het
"Eerste deelrapport van het MOVB-E"

 
   

Vooringenomenheid auteurs

Het "Eerste deelrapport van het MOVB-E" van het EMGO instituut van de VU (februari 2003) heeft de bedoeling een wetenschappelijk verantwoord rapport te zijn, zo blijkt uit de woorden van de auteurs. Zo wordt in het voorwoord, op blz. 7 bijvoorbeeld geschreven: "Ook werd langzamerhand geaccepteerd dat een betrouwbaar epidemiologisch onderzoek van belang was, voor de wetenschap, maar ook voor de door veel betrokkenen zo gewenste duidelijkheid."

Bij lezing van het rapport krijg je echter het gevoel dat de uitslag van het onderzoek voor de auteurs al bij voorbaat vaststond. Op blz. 171 wordt bijvoorbeeld gezegd: "De Vliegramp Bijlmermeer is uniek en daardoor moeilijk met andere rampen te vergelijken vanwege het feit dat er sprake was van zowel een directe inwerking van geweld, waarbij doden en gewonden zijn gevallen en woningen werden verwoest, alsook vanwege het feit dat er sprake was van een vermeende blootstelling aan schadelijke stoffen."

Niet alleen spreekt hieruit een vooringenomenheid, het is ook feitelijk onjuist. Bij een brand komen altijd schadelijke stoffen vrij (minimaal: koolmonoxide, PAK's, zwaveloxides, stikstofoxides, rookdeeltjes). Iemand die in de rook staat wordt daar dus per definitie aan blootgesteld. De vraagstelling kan dus alleen zijn in hoeverre de blootstelling schadelijk was voor de gezondheid.

Het is slechts één van de vele zinsneden waaruit blijkt dat het epidemiologisch onderzoek slechts diende te bevestigen wat vele geleerden en mindergeleerden inmiddels al luid en duidelijk verkondigd hadden: hier is niets aan de hand.

De conclusie van de auteurs (blz. 7, Voorwoord) is dan ook duidelijk: "Gebleken is dat onder betrokkenen vaker lichamelijke en psychische gezondheidsklachten vóórkomen dan bij een vergelijkbare groep niet betrokkenen, zonder dat er een directe relatie met laboratoriumonderzoeken lijkt te bestaan. Het onderzoek heeft daarmee bevestigd wat velen inmiddels vermoedden: samengevat zijn de resultaten te beschouwen als een normale reactie op een abnormale gebeurtenis."

De onderzoekers wekken hiermee de suggestie dat uit hun beperkte arsenaal laboratoriumonderzoeken een oorzakelijk verband met de klachten had moeten blijken als die er was. Daar was het epidemiologisch onderzoek echter niet voor ingesteld, omdat juist het tegendeel moest blijken.

Het onderzoek was zo diepgaand dat iemand die een vergevorderde longkanker had door het MOVB gezond werd verklaard; met de aantekening dat in de longfunctietest het uitblazen wat achterliep (mevr. Anne Wessels, januari 2001). Mevrouw Wessels overleed vervolgens in november 2001. Enige bescheidenheid over de diepgang van het onderzoek was hier dus zeer wel op zijn plaats geweest.

Kort samengevat is de conclusie van de auteurs: wij kunnen niets vinden, dus dan is het bij u psychisch. Zo'n houding verwacht men van een arts met ouderwetse ideeën, met objectief wetenschappelijk onderzoek heeft het echter niets te maken. Vooral niet omdat het rapport geen enkel bewijs geeft voor het feit dat de gezondheidsklachten van de Bijlmerhulpverleners en hangarmedewerkers te maken hebben met een psychologische reactie op de ramp. Sterker nog, uit het onderzoek blijkt het tegenovergestelde.

Gezondheidsklachten psychisch verklaard

In hoofdstuk 2 van het rapport wordt ons voorgehouden waarom we moeten aannemen dat alle gezondheidsklachten een psychische grond hebben.

Als we de aanzienlijke lijst referenties [4-40] die de auteurs als bewijs aanhalen doornemen dan lijken ze grofweg in drie groepen verdeelt te kunnen worden. De grootste groep betreft artikelen die post-traumatische stress (PTSS) associëren met een aantal van de klachten die ook in het kader van de Bijlmerramp worden genoemd. Voor de Bijlmerramp zijn deze artikelen volstrekt irrelevant, want uit het nu gerapporteerde epidemiologisch onderzoek is gebleken (hoofdstuk 7.2, blz. 115-119) dat onder de hulpverleners en hangarmedewerkers slechts een gering percentage (minder dan 2%) een score op bepaalde testen had, die zou kunnen duiden op PTSS.

Zo worden referenties 22 t/m 25 aangehaald op bladzijde 25: "Naast deze effecten kunnen er ook lichamelijke effecten optreden door de stressgevoelens die de ramp en de voortdurende aandacht voor en onzekerheden over de mogelijke blootstelling aan schadelijke stoffen bij de betrokkenen oproepen. Dergelijke stressgevoelens kunnen gepaard gaan met lichamelijke reacties, zoals een verhoogde bloeddruk en immunologische veranderingen [22-25].

Resultaten van bloeddrukmeting zijn in het EMGO-rapport niet opgenomen; evenmin lijkt sprake te zijn van onderzoek naar immunologische veranderingen.

Even verderop wordt op blz. 25 over de vermeende blootstelling aan radioactiviteit bij het ongeluk van de Three Mile Island kernreactor gezegd dat "er jaren later nog sprake van fysiologische en biochemische ontregeling bij de omwonenden zoals een hogere bloeddruk, hogere waarden van de stresshormonen (nor)adrenaline en immunologische veranderingen [23;26]".

Dit zijn niet de symptomen die de Bijlmerslachtoffers noemen. Dat zijn namelijk "huid-, luchtweg- , spier- of gewrichtsklachten, depressieve of angstklachten, alsmede slaap-, concentratie- of geheugenproblemen." (blz. 24).

Andere artikelen lijken zelfs het tegendeel van wat de auteurs beweren te bewijzen, bijvoorbeeld referentie 16: "Long-term psychological distress among chemically exposed firefighters" (we hadden toch te maken met een vermeende blootstelling?).

Een tweede groep artikelen is ook al niet relevant: dat zijn artikelen die geen bewijs leveren zoals het inventariserende onderzoek in het kader van de Bijlmerramp van IJzermans et al. (ref. 14) en het opiniërende artikel van A.M. van Hemert, R.R.R. Huijsman-Rubingh en E.C. Smeets (ref. 15, http://medischcontact.artsennet.nl/ezine.asp?a=10729&s=987&i=115&p=1).

Een derde groep artikelen heeft betrekking op de Golfoorlog en wel het Golfoorlogsyndroom. Inderdaad hebben de klachten die daar gerapporteerd worden en die welke door de Bijlmerslachtoffers een opmerkelijke overeenkomst.

De genoemde klachten van de Bijlmerrampslachtoffers toeschrijven aan PTSS en daarbij verwijzen naar de Golfoorlog is echter volstrekt onterecht. In een recent rapport van het (Amerikaanse) Institute of Medicine, "Gulf War and Health, Volume 2. Insecticides and solvents (2003)" te vinden via de website van de National Academy of Sciences (http://www.nap.edu/) en te lezen via http://books.nap.edu/books/030908458X/html/index.html wordt o.a. in de conclusie van bijlage A (overview of illnesses in gulf war veterans), op blz. 598 gesteld: "Deployment to the Gulf War is associated with stress-related disorders, such as PTSD and depression, but a sizable number of veterans with unexplained symptoms do not have any psychiatric diagnoses."

Waar de Amerikanen er dus voor uitkomen dat ze niet weten waar het Golfoorlogsyndroom door wordt veroorzaakt, nemen de auteurs van het EMGO-rapport genoegen met het selectief citeren van de onderzoeken om hun eigen "gelijk" te bewijzen. In de beginjaren van het onderzoek naar het Golfoorlogsyndroom was de insteek van de Amerikaanse overheid inderdaad dat het allemaal tussen de oren zat. Dat standpunt is echter allang verlaten. De Nederlandse overheid, met in het bijzonder het Ministerie van VWS, houdt echter nog steeds krampachtig vast aan dit standpunt. Zoals echter zonneklaar blijkt uit de resultaten van het epidemiologisch onderzoek is dit onhoudbaar.

Uit hoofdstuk 7.2 "Is er een verschil in het vóórkomen van symptomen van posttraumatische stress stoornis (PTSS) tussen betrokken en niet-betrokken hulpverleners en hangarmedewerkers?" blijkt duidelijk dat er geen sprake is van PTSS bij de onderzochte hulpverleners en hangarmedewerkers.

Ook de laboratoriumresultaten naar de gehalten cortisol (blz. 152) wijzen uit dat: "Na toetsing waarbij gecorrigeerd werd voor het tijdstip van afname (Methode cortisol paragraaf 4.5.3) en andere standaard confounders, is er bij zowel de brandweer, de politie, als de hangarmedewerkers geen enkel verschil aangetoond ten aanzien van de "gemiddelde" concentratie cortisol, tussen enerzijds de betrokken groepen en de tussengroep en anderzijds de corresponderende niet-betrokken groepen (Tabel 8.3a-c)."

Op bladzijde 39 van het rapport werd onderzoek naar de gehalten gerechtvaardigd met: "Uit onderzoek blijkt dat bepaalde psychische klachten samenhangen met fysiologische veranderingen in het lichaam. Normaal gesproken vindt er een toename van de concentratie cortisol plaatst als reactie op stressoren [89]. Indien er echter sprake is van PTSS wordt vaak een lagere concentratie van cortisol in bloed, speeksel en urine gevonden in vergelijking tot gezonde controles of depressieve patiënten, zowel op korte als op langere termijn [90-94]."

Kortom, het epidemiologisch onderzoek heeft zelf aangetoond dat psychische factoren geen rol spelen bij de gezondheidsklachten.

Toch wordt ons voorgehouden (voorwoord, blz. 7) dat "de resultaten te beschouwen [zijn] als een normale reactie op een abnormale gebeurtenis."

Hangarmedewerkers en PTSS?

Het feit dat er grote overeenkomst is tussen de gezondheidsklachten van de hangarmedewerkers en de hulpverleners die op de rampplek waren is op zichzelf al een aanwijzing dat de klachten niets met traumatische gebeurtenissen te maken hebben. De hangarmedewerkers zouden dan dezelfde klachten gekregen hebben omdat ze zich zorgen maakten dat ze aan schadelijke stoffen zouden kunnen zijn blootgesteld? Waarom zouden ze dat denken als de hulpverleners in de rook hadden gestaan en daarom zeker aan giftige stoffen zijn blootgesteld (de vraag was altijd welke stoffen en kunnen ze de klachten veroorzaken) en de hangarmedewerkers alleen in een loods gewerkt hebben waar de resten van het vliegtuig lagen?

Huidklachten

Er zijn verschillende voorbeelden van stoffen die na, al dan niet langdurige, blootstelling een effect op de huid hebben. Een bekend voorbeeld van anorganische stoffen is arsenicum dat bij langdurige blootstelling (bijvoorbeeld via drinkwater; Bangladesh) chronisch eczeem en bijvoorbeeld donkere plekken op de huid kan veroorzaken. Een beruchte organische stof is 2,3,7,8-tetrachloordioxine, meestal kortweg als dioxine aangeduid, die een huidaandoening die bekent staat als "chlooracne" kan veroorzaken.

Het is dus goed te begrijpen waarom in het epidemiologisch onderzoek huidklachten werden geïnventariseerd en gezien het voorgaande er expliciet werd gevraagd of er andere huidklachten waren dan de "standaard" huidklachten in de vragenlijst.

Bij deze open vraag naar "bijzondere" huidklachten werd gevonden dat opvallend hogere percentages betrokkenen dan niet-betrokkenen aangaven dat ze sinds 1992 problemen hadden. Niet-betrokkenen bij resp. brandweer-, politie- en hangarmedewerkers noemen dit in 1,6%, 1,6% en 1,9% van de gevallen. Betrokkenen echter in (resp. brandweer-, politie- en hangarmedewerkers) 7,3%, 9% en 6,3%.

Wat wordt hierover echter in het rapport gezegd voor de brandweermedewerkers (p. 85): "Alle andere huidklachten, inclusief de open vraag "een andere huidklacht, dan de in de vragenlijst genoemde klachten", zijn niet getoetst vanwege het kleine aantal brandweermedewerkers dat deze klachten rapporteerde." Echter, alleen bij de niet-betrokkenen was dit een klein aantal: de 1,6% is minder dan 5 personen. Dit geldt echter niet voor de groep betrokkenen.

Bij de hangarmedewerkers wordt eveneens slechts gezegd (p. 86) dat "Vanwege het kleine aantal deelnemers dat alle andere huidklachten, inclusief de open vraag "een andere huidklacht, dan de in de vragenlijst genoemde klachten" rapporteerde, zijn deze uitkomsten niet getoetst." Ook hier geldt weer dat alleen bij de groep niet-betrokkenen de 1,9% die aangaf problemen te hebben uit minder dan 5 personen bestond.

Bij de politiemedewerkers is de 1,6% bij de niet-betrokkenen meer dan 5 personen. Vervolgens wordt opgemerkt (p. 86): "Bij bestudering van deze laatste "andere huidklachten", bleek het om een breed scala van verschillende klachten te gaan." Nadere informatie wordt verder niet gegeven.

Gezien het feit dat de huidklachten een aanwijzing zouden kunnen zijn voor een chemische blootstelling van de betrokkenen bij de Bijlmerramp, is het op zijn zachtst gezegd merkwaardig dat zo weinig aandacht wordt besteed aan de gerapporteerde bijzondere huidklachten. De auteurs laden hiermee de verdenking op zich dat zij geen aandacht wensen te besteden aan informatie die strijdig is met hun conclusies.

Persoonlijk ken ik een betrokkene (een politiemedewerker) die regelmatig terugkerende huidklachten heeft, die vallen in de categorie "andere huidklachten". Deze huidklachten kenmerken zich door een bruine verkleuring van de huid. Van verschillende dermatologen heeft hij inmiddels te horen gekregen dat zij deze verschijnselen niet kunnen diagnosticeren en er ook geen remedie voor hebben. Ook bij het MOVB heeft hij deze klachten onder de aandacht gebracht.

Zulke bijzondere klachten, tezamen met de behoorlijke percentages betrokkenen die opgepigmenteerde vlekken op de huid melden (3,4-3,6% van de betrokkenen versus 0-1,7% voor niet-betrokkenen) en tezamen met de behoorlijk hogere percentages mensen die overgevoeligheid voor zonlicht melden sinds 1992 (ca. 4% van de betrokkenen versus ca. 2% van de niet-betrokkenen) zijn een duidelijke indicatie voor het feit dat hier sprake is van een significant verschijnsel.

Hemoglobinegehalten

Wat betreft de uitslagen van het bloedonderzoek is het merkwaardig dat wel gezegd wordt dat het bloedgehalte van hemoglobine bij betrokken politiemedewerkers een hoger gemiddelde had dan bij de niet-betrokken politiemedewerkers (blz. 135 en 164) maar dat er geen verschillen waren in de hemoglobinegehalten bij het brandweerpersoneel (blz. 135) en de hangarmedewerkers (blz. 136 "geen enkel verschil").

Wanneer we echter de bijbehorende tabellen bekijken dan komen deze beweringen niet overeen met de gepresenteerde cijfers. Voor het brandweerpersoneel is het hemoglobinegehalte van betrokkenen versus niet-betrokkenen 9,28 versus 9,12 (gemiddeld verschil 0,17; blz. 137), voor politie- 9,16 versus 9,05 (gemiddeld verschil 0,12; blz. 139) en hangarmedewerkers 9,37 versus 9,23 (gemiddeld verschil 0,14; blz. 141). De hemoglobinegehalten bij de politiemedewerkers verschillen zelfs het minste van elkaar en zijn het laagste binnen de drie groepen.

Uitsluiting niet meer in dienst zijnde politiemedewerkers

Politiemedewerkers die niet meer in dienst waren op 1 januari 2000 zijn niet in het onderzoek betrokken "omdat verwacht werd dat het traceren van ex-politiemedewerkers buitengewoon moeilijk zou zijn" (blz. 45). Dit is merkwaardig om twee redenen. Allereerst omdat voor de referentiegroep van de bewoners buitengewone nadruk werd gelegd op het feit dat minstens 70% van de oorspronkelijke bewoners van een aantal naburige niet-getroffen flats in de Bijlmer moesten meedoen aan het onderzoek, omdat anders de resultaten niet betrouwbaar zouden zijn. Omdat "slechts" 50% van die bewoners meededen werden de resultaten van het onderzoek onder de bewoners niet verwerkt.

Anderzijds is het buitengewoon ongeloofwaardig dat juist de Amsterdamse politie (o.a. belast met het opsporen van criminelen) de adressen van haar oud-werknemers niet zou kunnen achterhalen. Krijgen deze mensen geen pensioen of uitkering om waar wat te noemen?

Mycoplasma

In het MOVB-E onderzoek is van de 4000 onderzochte bloedmonsters er niet één positief op Mycoplasma fermentans bevonden (zie o.a. blz. 176 voor een uitvoerige bespreking). Twijfel of dit aan de gevolgde procedure is, is er niet bij de auteurs: "Het is dus vrijwel uitgesloten dat de gevonden afwezigheid van DNA van Mycoplasma fermentans niet in overeenstemming met de werkelijkheid is" (blz. 176).

Toch is dat vreemd, als men ziet dat in Amerikaans onderzoek (zie: http://www.gulflink.osd.mil/library/randrep/infectious_paper/mr1018_1_ch3.html ) het laagste percentage positieven op Mycoplasma fermentans bij gezonde proefpersonen met een ongevoelige techniek 1,3% is (zie tabel 3.2 en 3.3 op deze pagina). Eenvoudige kansberekening leert dat zelfs bij een besmettingsgraad van 1 op 2000 (0,005% dus 0,9995% kans dat iemand niet besmet is) de kans dat je na 4000 onderzoeken geen besmette persoon gevonden hebt slechts 13,5% is (0,9995 tot de macht 4000). We mogen er dan ook wel van uitgaan dat het RIVM deze opzienbare onderzoeksresultaten spoedig zal gaan publiceren in een peer-reviewed wetenschappelijk tijdschrift.

Conclusie

Het MOVB-E onderzoek heeft duidelijk aangetoond dat onder betrokkenen bij de Bijlmerramp (in dit geval alleen de politie-, brandweer- en hangarmedewerkers, de resultaten van de bewoners zijn niet in het onderzoek opgenomen) lichamelijke en psychische gezondheidsklachten meer vóórkomen dan bij een vergelijkbare groep niet betrokkenen.

De tweede conclusie van het onderzoek: "[het] heeft daarmee bevestigd wat velen inmiddels vermoedden: samengevat zijn de resultaten te beschouwen als een normale reactie op een abnormale gebeurtenis" wordt niet bevestigd door de geciteerde literatuur en is in tegenspraak met het eigen onderzoek en de verkregen resultaten.

De auteurs van het EMGO-rapport geven niet aan welke chemische blootstelling de oorzaak kan zijn van de klachten onder de betrokkenen. Wel wordt aan een aantal aanwijzingen die duiden op een chemische blootstelling (met name de huidklachten) niet de aandacht geschonken die ze verdienen. Ook wordt weinig aandacht besteed aan anomalieën in het onderzoek, voor zover die in tegenspraak zijn met de conclusies van de auteurs (bijvoorbeeld de relatie tussen hangarmedewerkers en PTSS, hemoglobinegehalten onder betrokkenen en het ontbreken van positieve uitslagen in het mycoplasmaonderzoek).

Eerlijk gezegd is dit onderzoek wel degelijk "te beschouwen als een normale reactie op een abnormale gebeurtenis". Namelijk de ontkenning van de feiten door een overheid die deze niet onder ogen wenst te zien. De recente en niet zo recente geschiedenis van de afgelopen 100 jaar levert helaas talloze voorbeelden van deze houding en het gedrag van de Nederlandse overheid in wat zo langzamerhand wel het Bijlmerschandaal genoemd mag worden past heel goed in dit patroon.

Dat hiermee voorbij wordt gegaan aan het welzijn van minstens enkele honderden betrokkenen bij de Bijlmerramp moge duidelijk zijn.

Jan Zonjee (bvdajzon@ision.nl of J.N.Zonjee{apestaartje}chello.nl)

« Terug naar "Brandvertragers als oorzaak gezondheidsklachten Bijlmerrampslachtoffers?"

Laatst bijgewerkt: 11 mei 2003