De boerderij van de Gradus Stroes

Het hoveniersbedrijf van de familie Stroes was gevestigd op de Abstederdijk 180a in Utrecht (Het verschil tussen een hoveniersbedrijf en een boerderij zit hem voornamelijk in het feit dat een hovenier uitsluitend groenten verbouwt en een boer b.v. ook aardappelen verbouwt). Hoe dit hoveniersbedrijf in onze familie terecht is gekomen wil ik in het navolgende artikel beschrijven.

Het hoveniersbedrijf was een arbeidsintensief gebeuren. Men werkte van zonsopgang tot zonsondergang. Ook kleine kinderen moesten al jong hun steentje bijdragen door b.v. onkruid te wieden. De geteelde groenten werden uitgevent in de omgeving. Het geloof was zeer belangrijk. De hoveniersfamilies waren overwegend Katholiek of oud-Katholiek. De gezinnen waren vaak zeer kinderrijk maar de kindersterfte was erg hoog. De families waren door onderlinge huwelijken vaak aan elkaar verbonden en de onderlinge zorg was groot, men hielp elkaar door de moeilijke tijden heen. Echtscheidingen waren onbekend. Vaak trouwden de zonen van hoveniers met dochters van hoveniers omdat die al bekend waren met het vak. De hoveniersbedrijven waren geconcentreerd in de wijk Abstede, omgeving Vossegatsedijk, de Koningstraat en de plaatsen Vleuten en De Meern.

Abstede

De wijk Abstede was van oudsher de groentenleverancier van Utrecht. Om nog meer hoveniers aan te trekken werd de Abstederdijk in 1836 aangelegd op het landgoed "Minstroom", genoemd naar het riviertje wat hier loopt. In 1876 lieten Machiel van Zijl en zijn vrouw Cornelia Woudenberg op de Abstederdijk een boerderij voor zichzelf bouwen. Een stichtingssteen zit nog steeds aan de achterzijde van de boerderij. In 1885 verkocht Michiel van Zijl zijn boerderij tegen een lijfrente aan de St.Catharinaparochie in Utrecht en in het verkoopcontract werd bepaald dat de langstlevende van het echtpaar in de boerderij mocht blijven wonen. Machiel van Zijl bleef dan ook tot zijn dood hier wonen waarna de St.Catharinaparochie het beheer over de boerderij kreeg. Op 1 april 1907 trokken Gradus Stroes en Mijntje van Maurik (de ouders van onze oma van Spellen) met hun gezin in deze boerderij die ze dus huurden van de St.-Catharinaparochie. Per jaar betaalde Gradus 325,- huur voor deze boerderij waarvan het erf een totaal oppervlakte had van 32 are en 98 centiare. Dat huurbedrag was waarschijnlijk aanmerkelijk meer dan wat Michiel van Zijl aan lijfrente ontving. Het huurbedrag was zeker fors te noemen voor die tijd. Opmerkelijk is wel dat bij het tweede huurcontract in 1919 de huurprijs nog steeds onveranderd bleef. Het huurcontract vermeldde ook dat Gradus verplicht was van de 10 aangrenzende huizen de privaatpotten op tijd te legen en de inhoud hiervan op zijn land als mest te zullen gebruiken. 
 

 

 

Huurcontract voor de boerderij

Opmerkelijk is ook degene die zich in het huurcontract borg stelde voor de betaling van de huur. Dat was Petrus Knotsenberg. Zijn dochter Johanna Cornelia (Jans) wou trouwen met Willem Stroes, een broer van onze oma van Spellen. Jans Knotsenberg was een 36-jarige weduwe met vijf kinderen. Haar eerste man, Cornelius Jongerius, pleegde in april 1906 om onbekende redenen zelfmoord door zich in zijn boerderij op de Vossegatsedijk op te hangen. Willem Stroes was toen als knecht in dienst bij Cornelius Jongerius en Jans Knotsenberg. Willem Stroes trouwde op 24-jarige leeftijd met zijn twaalf jaar oudere bazin en het plan hiervoor schijnt bij zijn ouders op zeer fel verzet gestuit te zijn (volgens overlevering uit familiekring). In die tijd hadden ouders nog de macht huwelijken van hun kinderen tegen te houden. Waarschijnlijk is toen de 'deal' gemaakt dat de ouders van Willem hun verzet tegen het huwelijk op zouden geven in ruil voor de borgstelling door Willem's schoonvader.

Het uitventen van de geteelde groenten deden Gradus en Mijntje aanvankelijk met een hondekar, later met paard en wagen. Vakantie was voor hen een onbekend begrip. Veel welvaart kenden ze niet maar wel was er tevredenheid met wat men had. Ook hun kinderen moesten zoveel mogelijk meehelpen bij het werk.

Het woonhuis

Het woonhuis was niet erg groot maar er woonden wel veel mensen in. In 1907 woonden er behalve Gradus en Mijntje, hun 4 dochters en 6 zonen, ook een ongehuwde broer Jan en een ongehuwde zuster Antje, (meestal Antemeue genoemd, meue is oud-Utrechts voor tante) van Gradus in. Geleidelijk gingen de kinderen de deur uit en Gradus' ongehuwde broer Jan is op 23 mei 1916 overleden. Dochter Antje is in 1925 overleden aan TBC. Mijntje kreeg suikerziekte en is op 9 februari 1933 overleden aan de gevolgen hiervan. Gradus, zijn zuster Antje en zijn ongehuwde dochter Anna verlieten hierna de boerderij en gingen inwonen bij Gradus' zoon Ries en schoondochter Rika die op de Adriaan van Ostadelaan een fruitwinkel hadden. In 1936 of 1937 is Antemeue hier overleden. Op 3 november 1939 is Gradus Stroes op 79-jarige leeftijd overleden.

De boerderij werd voortgezet door zoon Gradus jr. en zijn vrouw Jans. Geleidelijk kwamen er echter veranderingen op komst. De groenten werden niet meer uitgevent maar werden naar een veiling gebracht. Door de stadsuitbreiding en ook door de grote concurrentie vanuit het Westland verdwenen langzamerhand een heleboel hoveniersbedrijven. Ook Gradus jr. werd ouder en stopte met het bedrijf. Hij bleef wel tot zijn dood in 1985 in de boerderij wonen. De boerderij staat er nog steeds en is hiermee de enige overgebleven boerderij in de wijk Abstede. De laatste hoveniersbedrijven in Utrecht kan men nu nog vinden in de omgeving van de Koningsstraat. De boerderij van de familie Stroes is op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst. In 1988 is de boerderij geheel gerenoveerd. Aan de achterzijde is nu een loopbrug over het riviertje heen gelegd. Het vroegere erf wordt heden ten dage voor volkstuintjes gebruikt.
 
 


TWEEDE HUURCONTRACT (1920)

Het Roomsch Katholiek Parochiaal kerkbestuur der Parochie van de Heilige Catharina te Utrecht verklaart te hebben verhuurd aan Gerardus Stroes, hovenier te Utrecht, die door meede-ondertekening verklaart te hebben gehuurd en in huur aan te nemen: Eene warmoezeniershofstede met huis, schuur, erf en warmoeziersland, tezamen groot twee en dertig aren acht en negentig centiaren, staande en gelegen te Utrecht aan de Abstederdijk, plaatselijk geteekend No.180a, kadastraal bekend gemeente Abstede sectie A nummers 7759 en 7760, den huurder volkomen bekend, die verklaart daarvan geen nadere omschrijving te verlangen.

Deze verhuur en huur is aangegaan voor den tijd van n jaar, aanvang nemende den eerste januari 1900 en twintig, voor en om de huurprijs van DRIE HONDERD VIJF EN TWINTIG GULDEN, zegge 325,- te betalen in twee termijnen, elk groot een honderd twee en zestig gulden vijftig cent, zegge 162,50 en wel op den eersten juli 1920 en den een en derstigste december 1920.

En voorts onder de navolgende bepalingen en voorwaarden: 1. dat de huurder het gehuurde naar behooren zal moeten gebruiken, bearbeiden en beteelen, zooals een goede huurder betaamt en hetzelfde noch geheel noch gedeeltelijk aan een ander in gebruik zal mogen afstaan of onderverhuren

2. dat de huurder de gebouwen en getimmerten orderlijk en zindelijk zal moeten bewonen, dezelve vloer- en glasdicht zal moeten onderhouden en zoodanig bij het eindigen der huur of eventueel eerder vertek zal moeten opleveren.

3. dat de huurder de landen tot het gehuurde behoorende niet van aard en bestemming zal mogen veranderen en niet anders dan met de spade zal mogen overarbeiden.

4. dat de huurder zal moeten gedoogen de buitengewone reparatien welke gedurende den huurtijd nuttig of nodig wordt geacht, zonder deswege eenige schadeloosstelling of vermindering van huurprijs te vorderen.

5. dat de huurder zal moeten gedoogen dat het gehuurde van tijd tot tijd door of vanwege de verhuurderesse wordt opgenomen en bezichtigd.

6. dat de huurpenningen zullen worden voldaan aan handen, ten woonhuize en op kwijting van de penningmeester van gemeld kerkbestuur in grove zilveren Nederlandsche muntspecien, naar de koers en in waarde van den dag zonder eenige korting, hoegenaamd ook.

7. dat de huurder zich verbindt het gehuurde gedurende drie maanden voor het eindigen der huur of eventueel bij voorgenomen verkoop gedurende de door de verkoopster bepaalden bezich-tigingstijd, twee maal 's weeks en wel des dinsdags en donderdagmiddags telkens van 2 tot 4 uur, kosteloos voor gegadigden ter bezichtiging te stellen.

8. dat de huurder het bij gehuurde behoorende woonhuis voortdurend behoorlijk voorzien zal houden van meubelen en daarin geen inboedel als anderszins in het openbaar zal doen verkoopen.

9. dat alle belastingen, ook die welke verder in de toekomst mochten worden geheven, zijn en blijven voor de rekening van den huurder; de grondbelasting wordt door den verhuurderesse betaald.

10.dat de huurder verplicht is den inhoud van den privaatpotten van de tien aangrenzende perceelen, benevens die van het gehuurde perceel op het land te verwerken.

11. dat het onderhoud van alles wat tot de waterleiding behoort, de kosten wegens het gebruik daarvan, zoomede het schoonhouden en ledigen van den privaatputten, privaatpijpen en riolen voor de rekening van den huurder zijn.

12. dat bij gebreke van de voldoening der huurpenningen op n of meerder gestelde verschijndagen of uiterlijk binnen acht dagen daarna, of bij niet nakoming van de verplichtingen den huurder bij deze overeenkomst of bij de wet opgelegd, de verhuurderesse het recht heeft de vernietiging dezer overeenkomst met schadevergoeding te vorderen, zonder dat eenige afvraging of ingebrekestelling zal worden vereischt, als zullende de huurder door het enkel verloop van den bepaalden tijd of door het feit zelve (der niet nakoming der verplichtingen) in verzuim of overtreding zijn.

13. dat tot richtige nakoming van de betaling der huurpenningen de mede-ondergeteekende PETRUS KNOTSENBERG, rentenier te Utrecht, bij deze onder afstand van het voorrecht van uitwinning, alsmede van de rechten voortvloeiende uit de artikelen 1885 en 1886 Burgerlijk Wetboek en van alle anderen door de wet aan borgen toegekende benificien, verklaart zich ten behoeve van de verhuurderesse als borg, hoofdelijk schuldenaar en mede-huurder te stellen, belovende hij, bij ingebreke zijn van den huurder, het door dezen als huurpenningen verschuldigde als een eigen schuld te beschouwen en op de eerste aanmaning van de verhuurderersse te betalen, zonder dat enige gerechterlijke formaliteit daartoe noodig is en zonder meer dan eene behoorlijke kwijting aan de verhuurderesse te ontvangen. (op de akte is de naam Petrus Knotsenberg doorgehaald en vervangen door Willem Stroes, zoon van Gerardus Stroes en schoonzoon van Petrus Knotsenberg)

14.overigens zullen partijen, voor zooveel daarvan bij dit contract niet is afgeweken, zich gedragen naar de bepalingen omtrent huur en verhuur in het Burgerlijk Wetboek

Aldus in duplo opgemaakt en geteekend te Utrecht, den 30 december 1919
 
 

 

                                                        terug naar de namenindex