|
Terug J&L
Klik op de afbeelding voor een vergroting

Afb. 1 Verdrag van Verdun (843)

Afb. 2 Verdrag van Meerssen (870)
Afb. 3 Verdrag van Ribemond (880)

Afb. 4 Het Heilige Roomse Rijk (omstr. 1000)

Afb. 5 De Dollard met zijn grootste uitbreiding (1500)

Afb. 6 Limburg (1543)

Afb. 7 Bourgondische Rijk (1548)
Afb. 8 De Republiek; een tussenstand (1604)

Afb. 9 De oostelijke Barriere (1648)

Afb. 10 Staats-Brabant, Spaans Brabant en Staats-Limburg

Afb. 11 Splitsing Opper Gelder in een Pruisisch, Oostenrijks en Staats deel (1715)

Afb. 12 Limburg (1785)

Afb. 13 Het Koninkrijk Holland in 1810

Afb. 14 De Hollandse departementen van het Franse keizerrijk in 1812

Afb. 15 Het Koninkrijk der Nederlanden in 1839
Afb. 16 Baarle Nassau/Hertog (2005) |
Er zijn grenzen….
Een historische verkenning van het ontstaan van de grenzen van Nederland
Enkele jaren geleden, toen we op vakantie waren in Eibergen in de Achterhoek, maakten we een fietstochtje in de omgeving. Al snel kom je dan de grens met Duitsland tegen. Je vraagt je dan af waarom die grens nu hier en niet verderop loopt. Het is dat het met borden is aangegeven, want een barrière is die landsgrens van ons niet. Je kunt er gewoon doorfietsen en de wereld houdt echt niet op voorbij de grens. Het gras is nog even groen, er wonen ook gewoon mensen ......
De vraag is dus: waarom loopt de grens zoals die loopt van de Dollard tot de Wielingen.
I . De oudste contouren
De basis voor de grenzen van de Nederlanden werd eigenlijk al gelegd bij het Verdrag van Verdun in 843. Na het overlijden van Karel de Grote op 28 januari 814, wordt zijn grote rijk verder geregeerd door zijn zoon Lodewijk de Vrome. Zijn 3 zonen Lotharius, Pippijn en Lodewijk de Duitser komen tweemaal in opstand tegen hun vader. Na het overlijden van Pippijn (838) komt zijn stiefbroer Karel de Kale in zijn plaats. Na het overlijden van hun vader (840) ontstaat er een broederoorlog, met als inzet de verdeling van het Frankische Rijk. Die verdeling komt met het genoemde Verdrag van Verdun (afb. 1) tot stand.
Er ontstaat een West-Frankenrijk onder Karel II de Kale, een Oost-Frankenrijk onder Lodewijk de Duitser en een Middenrijk onder Lotharius I. De latere Nederlanden liggen, met uitzondering van Vlaanderen, in het noordelijke deel van het Middenrijk. De oostgrens daarvan loopt dan al parallel, maar iets meer naar het oosten, aan onze huidige oostelijke grens.
Het Middenrijk komt bij het Verdrag van Meersen (870) voor het grootste gedeelte bij het West-Frankenrijk (afb. 2). Italië wordt afgescheiden en komt onder Lodewijk, de zoon van Lotharius I. Bij het Verdrag van Ribemond (880) komt de noordelijke helft van het Middenrijk, in de onderdelen Opper- en Neder-Lotharingen, geheel onder het Oost-Frankenrijk te vallen. De zuidelijke helft valt uiteen in Opper- en Neder-Bourgondië (afb. 3) .
Bij de vorming van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie - zoals het voluit heet - , bij de kroning van keizer Otto II op 2-2-962 te Rome door de Paus, hebben de hertogdommen waarin het Oost-Frankenrijk is opgesplitst, sedert het begin van de tiende eeuw zich geconsolideerd (afb. 4). De grens tussen Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk liep van de Scheldemond langs de Schelde naar de bronnen van de Maas en daarna langs de westgrens van Bourgondië naar de Middellandse zee. Dit betekent dat Vlaanderen een Franse provincie was en dat zou nog lang conflicten geven.
Onze streken vallen onder het hertogdom Neder- Lotharingen. In deze periferie van het Duitse Rijk hebben zich echter lokale heersers gevestigd die kleinere gebieden beheersen en zich niets gelegen laten liggen aan de hertog van Lotharingen.
II De ontwikkeling tot de 80-jarige oorlog
We zullen eerst kijken naar onze oostgrens en welke factoren daar meespeelden bij de plaatsbepaling van de grens. Allereerst hebben wij te maken met de strijd in het noordoosten om de macht in Friesland. Daarna komen de bisdommen van Utrecht en Münster in beeld. Doordat de bisdommen ook wereldlijke macht hadden, was dat mede bepalend voor de grenzen in het oosten.
Groningen
Op het kaartje ziet men dat Friesland een groot gebied bestrijkt langs de noordkust tot aan de Weser toe. Naast West-Friesland – in de huidige provincie Noord-Holland - kan men de huidige provincie Friesland betitelen als Midden-Friesland, en het gebied tussen de Lauwers en de Weser als Oost-Friesland. De stad Groningen, gelegen op een uitloper van de Drentse Hondsrug, heeft zich ontwikkeld tot een centraliserende macht die probeerde de omliggende streken, de zgn. Ommelanden te overheersen en haar macht minstens van Lauwers tot Eems te vestigen. Dat Groningen kerkelijk tot het Bisdom Utrecht behoorde en de Ommelanden tot het Bisdom Münster vormde geen werkelijke hindernis. Door de onderlinge veten tussen de Friese gouwen en zijnde de enige stad in de omgeving, kwam de stad Groningen op een gegeven moment als het centrale punt in beeld waar het allemaal om ging draaien. Alhoewel in 1361 ook de rechters van Eemsgo (boven de Eemsmond), nog in Groningen vergaderden met de andere rechters van de gouwen, ontstond er na 1454 toch een andere situatie. In dat jaar werd Ulrich van Greetsiel beleend met Oost-Friesland (ten oosten van de Eems) door keizer Frederik III en het gebied werd tot graafschap verheven. Daardoor ontstond er een eenheid aan de andere kant van de Eems die door de belening Duits georiënteerd bleef en daardoor buiten de groep Nederlandse gewesten kwam te liggen. De vraag was nu nog of de Eems de grens werd. Het was gebruikelijk om te trachten de grens langs een natuurlijke hindernis te laten lopen zoals bijv. een rivier. Dat gaf duidelijkheid en was gemakkelijker verdedigbaar.
Vanaf de dertiende eeuw ging er aan de monding van de Eems veel land verloren in de gouw Reiderland door inbraken van water, die de Dollard deden ontstaan. Het overblijvende deel vormde een schiereiland tussen Dollard en Eems, waardoor het natuurlijke verband met de Ommelanden verloren ging. De stad Groningen was op dat moment niet sterk genoeg om dit gedeelte van het Reiderland voor zich te behouden en het ging naar het Graafschap Oost-Friesland. De Eems heeft sedertdien afgedaan als grens voor Nederland. De Dollard grensde bij zijn grootste uitbreiding tot aan Westerwolde (afb. 5). Op het moment dat Karel V de landsheer werd in deze contreien (1536), behoorde Westerwolde toe aan Münster. Het werd echter veroverd door Karel’s stadhouder George Schenk van Toutenburg, die het in leen kreeg. Westerwolde was sedertdien een afzonderlijk gebied, los van het Groningse en werd ten tijde van de Republiek een Generaliteitsland. Onder Karel V waren dus de Dollard en de venen van Westerwolde de grensstroken in deze omgeving.
Drente
We komen nu aan bij Drente. Van origine behoorde dat tot de bisschoppen van Utrecht. Het lag echter zo ver van zijn zetel vandaan, dat de bisschop voor zijn bestuur 2 burggraven aanstelde, nl. te Groningen en te Coevorden. Deze burggraven gingen zich al snel als zelfstandige landsheren gedragen. De bisschop probeerde zo nu en dan zijn macht in dit gebied te herstellen, maar dat lukte maar ten dele. Ook Drente ging in 1536 over naar Karel V. De oostgrens is hier in al die eeuwen niet veranderd, doordat Drente aan de oostzijde werd begrensd door moerassen, waarin geen doorgangen waren. Later zijn er slechts regelingen nodig om in die grensstrook een grenslijn vast te leggen.
Overijssel
Aan de zuidkant van Drente loopt de grens oost-west, langs het Schoonebeker Diep. We krijgen hier te maken met het Graafschap Bentheim waarvan het noordwestelijke deel, het zgn. Nedergraafschap, langs de Vecht diep het Oversticht binnendrong, terwijl de rest van het Graafschap grensde aan geheel Twente. De bisschop van Utrecht streefde er naar om zijn kerkelijke gebied en wereldlijke gebied te doen samenvallen. De bisschop heeft dan ook getracht de grens een logischer verloop te doen krijgen, maar het werd gedwarsboomd door de graaf van Bentheim die op een gegeven moment de broer van de Hollandse graaf was. Na een plundertocht van de Bentheimers naar Ootmarsum in 1417 trok de bisschop op naar het slot te Neuenhaus en kreeg dit en het kerspel Ulsen bij verdrag in 1418 als onderpand tot de schadevergoeding betaald zou zijn. Hierdoor trok de bisschop feitelijk de grens van Drente tot Twente rechtdoor. Toen de schadevergoeding was afgelost bleef het gebied van het Nedergraafschap wel leenroerig aan de bisschop, echter zonder dat het bij Overijssel werd ingelijfd. In het zuiden van Twente breidde de bisschop zijn gebied uit door het aankopen van Diepenheim en Dalem. De heerlijkheid Almelo werd leenroerig aan het Sticht, terwijl Oldenzaal al eerder aan de bisschoppen schijnt te hebben behoord. Andere aanwinsten zijn Enschede en Haaksbergen, waarmee de Twentse bezittingen werden gecompleteerd. Ook hier eindigde het verhaal uiteindelijk in een erkenning van Karel V als landsheer in 1528.
Gelderland
Nog meer dan Overijssel ontstaat Gelderland door het samenvoegen van stukken gebied. Het oorspronkelijke graafschap Gelre lag aan weerskanten van de Maas met als steden Venlo en Gelre. Door huwelijk werd het Graafschap Zutphen met Gelre verenigd (1138). Door aankoop werd o.a. Groenlo, Breedevoort, Hengelo, Dieren, Steenderen verworven. In 1247 werd de burcht en stad Nijmegen in leen verkregen. Gelre kon goed opschieten met zijn oostelijke buren Kleef, Mark en Berg. Ook met Münster, Gulik en Keulen kwamen weinig moeilijkheden voor; alleen met Brabant ontstonden problemen als gevolg van hun expansiepolitiek richting Maas en Waal. Na het overlijden van de graaf van Limburg(1280) ontstond een grote oorlog in het gebied tussen Maas en Rijn, die eindigde in de slag bij Woeringen ten noorden van Keulen in 1288. Gelre kreeg Limburg niet, maar het ging naar Brabant. Hierdoor werd de opkomst van Gelre afgeremd, maar in de eerste helft van de veertiende eeuw kreeg de graaf de hertogstitel en kon weer aan de uitbreiding van zijn landen werken. Uit een erfenis werd de heerlijkheid Montfort aan de Maas verkregen; het Reichswald nam hij als leen over van Kleef, kocht het graafschap Kessel en kreeg Aalten, Winterswijk en Dinxperlo in pand. Zie voor gedetailleerde informatie over de Achterhoek het boekwerkje " De Achterhoekse en Liemerse Lappendeken". Na zware strijd met Brabant kon aan het eind van de veertiende eeuw Grave bij Gelre worden gevoegd. Daarna werd er alleen nog maar aan de oostkant afgeknibbeld. De Lijmers en Zevenaar gingen in 1405 tegen een geldbedrag over naar Kleef. Bourgondië kreeg in de loop van de vijftiende eeuw belangstelling voor Gelre en Karel de Stoute was toen reeds kort in het bezit van Gelre. Nadat Willem van Gulik in het bezit was gekomen van Gelre in 1538, dreigde door de samenvoeging van Gelre, Gulik, Mark, Kleef en Berg een groot vorstendom te ontstaan in het Rijnland. Karel V kon dit uiteindelijk niet toestaan en veroverde Gulik en Roermond en viel Venlo aan. In Venlo werd in 1543 het verdrag gesloten dat Gelderland voorgoed aan Karel V bracht. Hiermee was het persoonlijk bezit van Karel V afgerond. Aangezien hij uit hoofde van zijn keizerlijke waardigheid ook het gezag had over de gebieden ten oosten hiervan, is het er niet van gekomen om het persoonlijke gebied af te ronden met bijv. Oost-Friesland, Bentheim of Kleef. Zelfs verloren randgebied als Zevenaar en Goch werd niet hernomen. Verderop zullen we nog gedetailleerd het grensverloop beschrijven.
Zo nam Philips II het over en toen de Republiek zich consolideerde na de Opstand realiseerde men zich dat die begrenzing niet de meest gewenste was, maar er was weinig meer aan te doen omdat de 80-jarige oorlog niet tegen Duitse vorsten werd gevoerd. Toch zullen de Staten Generaal trachten hun invloed naar het oosten uit te breiden zoals wij later zullen zien.
Limburg
De ontwikkelingen met betrekking tot het noordelijke deel van de huidige provincie Limburg, schetsten wij reeds grotendeels hierboven bij de ontstaansgeschiedenis van Gelderland. Rond 1100 lag er een hertogdom Limburg ten zuiden van onze huidige provincie van die naam, alleen enkele dorpen aan de zuidrand, zoals Epen en Wahlwiller behoorden ertoe. Door huwelijk kwam de heerlijkheid Wassenberg in 1157 definitief aan de Limburgers. Eerder was reeds Rode verworven en de voogdij verkregen over de abdij Kloosterrade (Rolduc). Sedert 1215 was Sittard in hun bezit. Verder was er de heerlijkheid Valkenburg in het bezit van een der heren van Heinsberg. Aan het eind van de dertiende eeuw kon hun gebied worden uitgebreid met Monschau, Sittard, Susteren en Born. De macht van Brabant werd in die tijd echter steeds groter, net als die van de prins-bisschop van Keulen. Beiden hadden hun oog laten vallen op de versnipperde landen in het Maasdal. Dit werd uitgevochten in de slag bij Woeringen(1288), die de overwinning bracht aan de Brabanders. Het Hertogdom Limburg kwam onder Brabant. De heerlijkheid Valkenburg werd in 1364 door Brabant gekocht. Sittard en Born kwamen aan Gulik. In het midden van de veertiende eeuw stierf het gravenhuis van Loon uit, zodat dit aan het prins-bisdom Luik terugviel. Zie voor de opkomende invloed van de Bourgondiërs hierboven bij de bespreking van de ontwikkeling van Gelderland. Het kaartje geeft de lappendeken van gebieden weer die in de huidige provincie Limburg in het midden van de zestiende eeuw bestonden (afb. 6).
III De 80-jarige oorlog
Onder Karel V werden de gebieden samengevoegd die uiteindelijk de naam de Nederlanden kregen en waarvan de oostelijke grenzen min of meer vastlagen en de basis vormden voor de latere definitieve grenstraktaten. De zuidelijke grenzen van de Nederlanden moet men zoeken aan de zuidkant van het tegenwoordige België. Het zou te ver voeren om die in dit kader ook geheel te bespreken. Het kaartje laat zien hoe de grens verliep bij de vorming van de Bourgondische kreits in 1548 aan de vooravond van de 80-jarige oorlog (afb. 7). Let op de inham die het prins-bisdom Luik hierin vormt.
De Nederlanden die Philips II van zijn vader had gekregen kwamen in opstand en het was de opstandelingen erom te doen om alle Nederlanden los te maken van de gehate koning van Spanje. Bij de veldtochten tijdens de 80-jarige oorlog die volgde, was het heroveren van het grondgebied van de oorspronkelijke Nederlanden op de Spanjaarden de richtlijn. Van belang hierbij is de wetenschap dat bij de verovering van een stad automatisch ook het bijbehorende gebied werd verkregen. De verovering van Bergen op Zoom, Breda en ’s Hertogenbosch was dus voldoende om vrijwel het gehele gebied van het huidige Noord-Brabant bij de Republiek in te lijven.
Bij de Unie van Utrecht in 1579 sloten zich aan Holland en Zeeland, Utrecht en de Ommelanden, alsmede Gelderland, Friesland, Overijssel en Drente. De stad Groningen bleef weigeren. In het zuiden tekenden Antwerpen, Lier, Breda, Gent, Yperen en Brugge.
Veel protestanten hadden de wijk genomen naar Emden en het Kleefse gebied van de Beneden-Rijn. Deze gebieden lagen dicht langs de grens en veel Duitse vorsten waren de protestantse zaak toegedaan. De prins-bisdommen (Münster, Keulen) stonden uiteraard aan de Spaanse kant. Spaanse troepen opereerden dan ook aan onze oostgrens om hulp van Duitse vorsten af te snijden en de protestantse zaak daar zoveel mogelijk afbreuk te doen.
Hieronder zijn in een tabel de veroveringen van de Republiek en de heroveringen door Spanje chronologisch opgesomd. Dit heeft uiteindelijk de omvang van het grondgebied van de Republiek en later dus Nederland bepaald.
Veroveringen en heroveringen tijdens de 80-jarige oorlog aan de oostgrens
Jaartal |
Plaats/Streek |
Veroveraar |
Opmerkingen
|
1580 |
Groningen, Drente, Overijssel (ged.) en het Zutphense |
Verraad van Rennenberg |
|
1580 |
Zutphen, Steenwijk |
Verdugo |
|
1580 |
Grave, Megen, Batenburg, Venlo, Neuss en Rijnberk |
Parma |
|
1580 |
Deventer, schans voor Zutphen |
Uitgeleverd door de Engelse onderbevelhebbers Stanley en York |
|
Vanaf 1588 |
Zuthpen, Deventer, Delfzijl, Nijmegen, Steenwijk, Coevorden, Groningen, Groenlo, Breedevoort, Enschede, Ootmarsum, Oldenzaal |
Maurits |
|
1597 |
Lingen
(Na overlijden Willem van Oranje door de keizer teruggenomen; Prins Willem liet het zich schenken in 1578 door Overijssel met brieven op naam van Philips II; door Spanje bezet) |
Maurits |
Vererfd van de graaf van Buren via zijn dochter Anna op Willem van Oranje. |
1595 |
Emden |
Staten Generaal |
Regiment soldaten gelegerd in Emden |
1598 |
Rijnberk, Wezel, Rees, Emmerik en Xanten |
Mendoça |
|
1598 |
‘s Heerenberg |
Maurits |
|
1605 |
Oldenzaal, Lingen |
Spinoza |
|
1606 |
Lochem, Groenlo en Rijnberk |
Spinoza |
|
1606 |
Lochem |
Maurits |
|
1610 |
Gulik |
Maurits |
|
1612? |
Meurs |
Maurits |
Staats garnizoen in deze stad die Maurits in 1600 had geërfd van de graaf van Nieuwenaar |
1613? |
Emmerik, Rees, Goch, Kalkar, Gennep en andere steden |
Maurits |
|
1614 |
Verdeling van de gebieden tussen Brandenburg ( Kleef en Mark met Ravenstein en Ravensberg) en Neuberg (Gulik en Berg) |
|
Dit voorkwam een oorlog tijdens het Bestand. |
1621 |
Einde Bestand. Vanuit Wezel verovering van Gulik, Kleef, Goch, Kalkar en Gennep |
Spinoza |
|
1626 |
Oldenzaal |
Ernst Casimir |
|
1627 |
Groenlo |
Frederik Hendrik |
|
1629 |
Wezel, en andere vestingen in de landen van Kleef en Gulik heroverd. |
Cmdt van Emmerik |
|
1632 |
Lingen |
Frederik Hendrik |
|
1632 |
Venlo, Roermond en Maastricht veroverd; aansluitend tevens Valkenburg, ’s Hertogenrade, Daelhem en Limburg. Op de terugtocht werd Orsoy nog bezet |
Frederik Hendrik |
|
1633 |
Bevergern (aan de Eems t.h.v. Enschede) bezet door een Staats garnizoen wordt door de Zweden veroverd op de Munstersen |
Zweden |
Door de Zweden aan Frederik Hendrik geschonken. Bij de vrede van Munster formeel aan Willem II toegewezen. |
1635 |
Limburg, Daelhem, Valkenburg, ’s Hertogenrade, Goch, Kleef en Gennep, alsmede de Schenkenschans |
Spanje |
|
1637 |
Venlo en Roermond |
Spanje |
|
1637 |
Schenkenschans en Gennep |
Frederik Hendrik |
|
1644 |
Daelhem, Valkenburg en ‘s Hertogenrade |
Garnizoen Maastricht |
|
Idem aan de zuidgrens
1590 |
Breda(turfschip), Crèvecoeur, Hedel, Ter Heyde en Steenbergen, Oosterhout en de schans bij Roosendaal |
Maurits |
|
1591 |
Hulst en Nijmegen |
Maurits |
|
1593 |
Geertruidenberg |
Maurits |
|
1596 |
Hulst |
Spanje |
|
1600 |
Fort St. Andries |
Maurits |
|
1602 |
Cuijk en Grave |
Maurits |
|
1604 |
Schans Philippine, Aardenburg en IJzendijke, alsmede Sluis |
Maurits |
|
1604 |
Oostende |
Aartshertog Albertus en Spinola |
Na jarenlange belegering van deze enclave in spaans gebied |
1622 |
Steenbergen |
Spinola |
|
1625 |
Breda |
Spinola |
|
1629 |
’s Hertogenbosch |
Frederik Hendrik |
|
1637 |
Breda |
Frederik Hendrik |
|
1644 |
Sas van Gent |
Frederik Hendrik |
|
1645 |
Hulst |
Frederik Hendrik |
|
Opmerkingen m.b.t. de situatie bij/na de Vrede van Münster 1648 .
- Als wij de oostelijke grenzen bekijken naar de situatie bij de Vrede van Munster, dan zien we dat de oostelijke grens van de Dollard t/m de Achterhoek zijn definitieve loop heeft gekregen.
- Verder zien wij dat het Kleefse gebied ver het Gelderse gebied binnendringt, zelfs tot aan Arnhem en dat er nog een enclave in de Achterhoek ligt.
- In Noord-Limburg/oostelijk Brabant is er ook sprake van enclaves: Landen van Boxmeer, Ravestein, de Commanderij van Gemert en het (kleine) graafschap Megen vormden zelfstandige landstreken.
- Ver van de grenzen van de Republiek liggen in en om het huidige Zuid-Limburg enkele enclaves van de Republiek, zoals Maastricht, Valkenburg, Daelhem, Limburg en ’s Hertogenrade en nog enkele kleinere ten westen van Maastricht.
- Doordat de aandacht van de leidende provincie – Holland – op handeldrijven was gericht, heeft men geen actie ondernomen, toen dat nog kon, om de oostelijke grenzen wat naar het oosten op te schuiven.
- Ten oosten van onze grenzen liggen enkele gebieden waarin de Republiek invloed had (afb. 9). Binnen een eeuw is die invloed volkomen verdwenen.
IV. Consolidatie in de periode 1648-1795
A. verlies aan invloedsfeer over de oostgrens:
- Staatse troepen ontruimen Bevergern in 1650 na protest van Duitse vorsten m.b.t. de onrechtmatigheid van de Zweedse schenking. De Oranjes verkopen hun rechten.
- Rijnvestingen gaan verloren in 1672 aan Kleef (later Brandenburg en vervolgens Pruisen). Rijnberk gaat terug naar Keulen.
- 1702: overlijden van Willem III; Pruisen bezet de persoonlijke bezittingen van de Oranjes: Lingen en het platteland van Meurs; later ook de stad Meurs. (De troonpretendent van de Hohenzollerns voert tot op de dag van vandaag ook de titel van Prins van Oranje!)
- Oost-Friesland komt in 1744 aan de koning van Pruisen; Staatse troepen moeten vertrekken uit Emden en Leerort
B. Grensregelingen aan de oostgrens:
Hiervoor zagen we hoe door de politieke machtsverhoudingen de oostelijke grenzen ontstonden. Nu staan we stil bij de definitieve grensregelingen die in later tijd noodzakelijk werden.
Om weer bij de Dollard te beginnen constateren we dat een grensregeling noodzakelijk werd toen na de inpolderingen bleek dat er goede kleigrond was ontstaan die uiteraard meer waard was dan het veen vroeger. Vanaf de vijftiende eeuw werd in ieder geval de A als scheidlijn tussen Groningen en Oost-Friesland beschouwd. Daarop werd voortgeborduurd toen in 1636 de eerste grensregeling werd opgesteld met betrekking tot het nieuw ingepolderde land waarin ook het nieuw gestichte Nieuwerschans lag. De grens werd hieromheen met een bocht getrokken. Naarmate er meer land werd ingepolderd en er platen ontstonden in de steeds kleiner wordende Dollard, kwam er behoefte om nader te overleggen waar de grens precies lag. In 1723 werd van de toenmalige monding van de A een denkbeeldige lijn getrokken ongeveer in de richting van Embden en voorzien van dukdalven.
Door de ontginningen aan beide zijden van de grens van Drente, die elkaar naderden, ontstond de noodzaak om precies te weten waar de grens liep. Na jarenlange correspondentie werd in 1764 met Münster overeengekomen een 12-tal grenspalen te plaatsen, waarvan de eerste moest komen op het punt waar Drente, Bentheim en Münster bij elkaar kwamen en de zesde bij het klooster van Ter Apel. Enkele palen konden niet geplaatst worden omdat het onvoldoende duidelijk was waar die moesten komen. In 1784 waren nog aanvullende correcties nodig.
De Overijsselse grens moest voor het grootste deel in overleg met Bentheim worden afgebakend. De grondslag daarvoor waren de oude grenzen van het bisschoppelijke Oversticht. In 1548 werd een uitvoerig verdrag getekend dat aan alle kwesties aandacht besteedde. De commissie die het verdrag had voorbereid, had zich uitgebreid ter plaatse op de hoogte gesteld en tevens bewijsstukken onderzocht om uit te maken in hoeverre bestaande grensmarkeringen de juiste waren. Met dit verdrag was de grens van Coevorden tot Losser precies beschreven op verschillende punten (niet allemaal!). Aangezien de grensmarkering vaak liep langs stenen en kruisen op bomen was na 50 of 60 jaar de markering niet helemaal meer voldoende. Zo werd in 1618 de grens bij Oldenzaal en Enschede nader met Münster geregeld. Aan het eind van de zeventiende eeuw ontstonden in dit gebied en ook wel zuidelijker bij Haaksbergen weer onenigheid over het verloop van de grens. In de tweede helft van de achttiende eeuw ging men ertoe over om de markeringen op bomen en palen te veranderen in officiële grensstenen die volgens een gedetailleerde kaart werden geplaatst.
De grenzen van Gelderland met Münster en Kleef gaven meer problemen. Er ontstonden geschillen vanwege een veranderende loop van de Rijn, door enclaves in Gelders gebied en door de rechten die de Münsterse bisschoppen op Borculo, Lichtenvoorde en Bredevoort meenden te hebben. Deze 3 plaatsen behoorden oorspronkelijk tot de diocees van Münster, waardoor de bisschop er ook het wereldlijk gezag wilde uitoefenen. In 1559 rekende hij een brede strook van de Achterhoek tot zijn bisdom; ruwweg de lijn Borculo – Emmerik. De heerlijkheid Borculo was in 1406 een Münsters leen geworden en behoorde dus niet tot het Graafschap Zutphen. In de tweede helft van de zestiende eeuw ontstond er een hevige twist over de opvolging in dit leen, waaruit een eindeloze procedure voortkwam. In 1615 stelde het Hof van Gelderland, gesteund door de Staten-Generaal, de aanspraak makende graaf van Limburg Stirum in het gelijk en werden de Münsterse troepen uit zowel Borculo als Lichtenvoorde verdreven en het bestuur overgenomen. De heerlijkheid Bredevoort (de stad Bredevoort en de dorpen Winterswijk, Aalten en Dinxperlo) kwam in de dertiende eeuw in leen bij de graaf van Gelre en ging later over op de Oranjes. In 1697 werd de heerlijkheid in zijn geheel overgedragen aan Willem III; Münster heeft zich daar nooit mee bemoeid.
We komen nu aan het gebied tussen Oude IJssel, Rijn en Maas. We hebben hier te maken met een ingewikkeld grensverloop en een aantal enclaves van Kleefs gebied. We bekijken eerst het gebied van de Oude IJssel tot de Rijn. Aan de Oude IJssel, juist over de grens, ligt de heerlijkheid Anholt. In de Middeleeuwen was het onduidelijk of het bij het Graafschap Zutphen hoorde of een zelfstandig rijksleen was. Wel zeker is dat het in 1512 door Karel van Gelre werd veroverd en in leen uitgegeven. De heer van Anholt achtte zich in 1578 tot de Gelderse bannerheren te behoren en tekende ook de Unie van Utrecht. Kort daarna werd het door de Spanjaarden veroverd en heeft Gelderland er geen rechten meer uitgeoefend. Duits gebied steekt hier nu met een punt Nederland in. Verder westelijk gaande komen we in de bannerij ’s Heerenberg, waarbij Etten, Gendringen, Netterden, Berg, Zeddam, Didam en Westervoort hoorden. Tussen deze strook - die van de Oude IJssel naar de IJssel liep - en de Rijn drong Kleefs gebied diep Gelderland in. Daarbij behoorde o.a. de plaatsen Emmerik, Elten, Lobith en Zevenaar. Op deze en andere plaatsen meenden de Staten van Gelderland later aanspraak te kunnen maken. Lobith was door Karel de Stoute aan Kleef geschonken toen hij Gelderland korte tijd in zijn macht had. Emmerik is omstreeks 1200 bij Gelre gevoegd, in de veertiende eeuw werd het voor een schuld aan Kleef verpand, kwam weer aan Gelre terug en in 1402 om de een of andere reden weer afgestaan. Dan is er nog de enclave Wehl, waarvan niet duidelijk is wanneer de hertog van Kleef dat in zijn bezit heeft gekregen. Deze hertog maakte ook nog aanspraken op Beek en plaatsen in de bannerij Wisch (o.a. Silvolde en Varsseveld)
Op de linkeroever van de Rijn, tegenover Arnhem, lag de heerlijkheid Huissen, deze hoorde sedert 1368 aan Kleef en bleef dat ook tot het Wener Tractaat van 1815 toe. Zevenaar komt al in de dertiende eeuw als Kleefs gebied voor. De grens van de Republiek liep met een gebogen lijn van de Schenkenschans aan de Rijn naar Mook aan de Maas. Ook hier was stof genoeg voor geschillen. In 1571 werd onderhandeld over het Kleefse leen Bijland onder Millingen; tot 1678 was men het oneens over waartoe de Schenkenschans behoorde. De kern van het Rijk van Nijmegen was in 1247 verpand aan de graaf van Gelre; bij de Vrede van Münster werd het pandrecht als vervallen beschouwd. De plaatsen Heumen, Groesbeek, Beek, Ooi en Persingen waren niet verpand maar zijn wel in de Middeleeuwen bij Gelre getrokken, alsmede een deel van het Kleefse Woud. Ook Goch, Duffel en andere plaatsen hebben deel uitgemaakt van Gelre. Deze streek werd door Karel de Stoute in 1473 aan Kleef overgedaan; de rechtsgeldigheid daarvan werd later betwijfeld, zodat de Staten van Gelderland hierop terugkwamen, echter zonder resultaat. Mook behoorde van oudsher tot het ambt Goch en bleef dus aan Kleef. Gennep is in vijftiende eeuw door koop aan Kleef gekomen, met het er tegenoverliggende Oeffelt. Grave en Cuijk waren in de veertiende eeuw lenen van Brabant; Karel V lijfde ze bij Brabant in. Zijn zoon Filips II verpandde Grave en het Land van Cuijk aan Willem van Oranje voor 60.000 gulden. De Staten Generaal verklaarden in 1611 het recht op inlossing eenzijdig nietig om het aan Maurits voor zijn verdiensten in volle bezit te geven; de soevereiniteit hielden de Staten aan zich. Spanje legde zich hierbij neer in 1648. Verder liep de grens langs de grenzen van de Meierij. De gebieden langs de Maas worden verder hieronder besproken.
C. Grensregelingen aan de zuidgrens
1. Zeeuws-Vlaanderen
Door de veroveringen tijdens de 80-jarige oorlog was het gedeelte van Vlaanderen langs de Scheldemond aan de Republiek gekomen. Bij de Vrede van Münster werd omschreven wat tot Zeeuw-Vlaanderen behoorde: Hulst met baljuwschap en ambacht, het ambacht Axel, forten in het land van Waes die waren veroverd en alles wat de Staten in bezit hadden in die hoek van het land. Hieruit blijkt wel dat nog duidelijk moest worden vastgesteld waar de grens precies liep, met name in het gebied dat als Brugse Vrije wordt aangeduid. Dat werd gedaan bij het verdrag van 1664. Hierin werd de grens van het Zwin af langs Sluis en Heille tot Overslag beoosten Sas van Gent nauwkeurig getrokken. De grens liep verder langs de eerder genoemde ambachten naar de Schelde. In het Barrière Tractaat van 1715 was beoogd de grens over de gehele linie, dus ook langs de kust, naar het zuiden te verleggen. Door hevige protesten vanuit de Zuidelijke Nederlanden is dat er niet van gekomen.
2. Markizaat, Baronie en Meierij
Wij schreven hiervoor al dat de verovering van Bergen op Zoom, Breda en ’s Hertogenbosch ervoor had gezorgd dat de bijbehorende streken (Markizaat, Baronie en Meierij) aan de Staten kwamen(zie ook afb. 10). Opmerkingen ten aanzien van bezit en enclaves zijn:
- Huibergen, dat door Spanje niet tot het Markizaat werd gerekend, bleef Spaans;
- Borgvliet, dat niet tot het Markizaat behoorde, werd toch Staats, omdat het gebied tot aan de vestingwerken van Bergen op Zoom doorliep;
- Nispen, Sprundel, Hage en Zundert waren in 1387 door Johanna van Brabant aan de Heer van Breda verpand en nooit ingelost. De Staten beschouwden ze daarom als ingelijfd;
- In het noorden stonden de heerlijkheden en dorpen Lith, Bokhoven en Nieuwkuijk op zichzelf. De Staten namen Lith gewoon in bezit en kregen pas later (1671) de soevereine rechten bij verdrag. Bokhoven is altijd apart gebleven en Nieuwkuijk bleef aanvankelijk aan Luik, maar na 1648 namen de Staten toch het bestuur in handen.
- In het zuiden waren dat Postel, Reusel en Bladel. Deze dorpen werden door de Staatsen genomen, hoewel dat werd betwist. In 1785 heeft de Oostenrijkse keizer Joseph II Reusel en Bladel formeel afgestaan en kwam Postel aan hem, alhoewel het reeds in 1651 door de Spanjaarden was genomen.
- Luikgestel was een Spaanse enclave.
- In het noordoosten waren de heerlijkheid Ravenstein, de baronie van Boxmeer, het graafschap Megen en de Commanderij van Gemert, zelfstandige gebieden.
Het land van Ravenstein had aan Gulik-Kleef behoort en in 1614 werd het geërfd door de keurvorst van Brandenburg. Op zijn verzoek werd het door de Staten bezet. Het ging bij verdragen van 1624 en 1629 over aan de Paltsgraaf van Neuburg, en werd ontruimd, doch in 1635 weer bezet door de Staatsen, omdat anders de Spanjaarden dat zouden hebben gedaan. In 1648 werd het niet genoemd in het verdrag van de Vrede van Münster, dus bleef het formeel aan Spanje.
Het graafschap Megen, eveneens een Brabants leen, kwam de koning van Spanje toe, ondanks dat het oorspronkelijk deel had uitgemaakt van de Meierij. Het bleef aan hem na een mislukte poging om het te bezetten in 1657. De Baronie van Boxmeer kregen de Staatsen niet ondanks dat ze pretendeerden dat het ook bij de Meierij had behoord, wat overigens niet het geval geweest was. De Commanderij Gemert was een Brabants leen, dat werd gehouden door de Duitse Orde. Dit land werd neutraal beschouwd tot een ontevreden Commandeur de hulp van de Staten inriep en door hen bezet werd en verklaarden dat het tot de Meierij behoorde. In 1662 deden de Staten afstand van Gemert na aandringen van de Grootmeester der Orde, Aartshertog Leopold van Oostenrijk.
- Aan de Peelzijde van de Meierij had men in 1691 grenspalen geplaatst, maar die waren de andere dag al verdwenen. In 1716 en 1718 zijn er grensregelingen getroffen met Pruisen die sedert 1713 het gezag in Opper Gelre had. De grens werd iets ongunstiger dan in 1691.
- Grave en Cuijk waren oorspronkelijk neutraal, maar Karel V lijfde het bij Brabant in. Filips II gaf het in pand aan Willem van Oranje. De Staten-Generaal deden het recht van inlossing in 1611 eenzijdig teniet en dit werd in 1648 door Spanje erkend.
3. Limburg
Maastricht
De stad, vanaf 1204 een rijksleen van de hertog van Brabant, die in 1530 door Karel V met Brabant werd verenigd, werd zowel door de hertog van Brabant als door de prins-bisschop van Luik bestuurd. De staten namen in 1632 de rechten van de hertog van Brabant over en tornden niet aan die van de Luikse. In 1673 werd door de nood geboren Maastricht aan Spanje beloofd voor hun hulp tegen Frankrijk. Bij de Vrede van Nijmegen in 1678, toen de machtsverhoudingen geheel anders lagen, weigerde de Republiek zich aan de afspraak te houden. Later kwam de Oostenrijkse keizer Joseph II nog een keer op deze afspraak terug. Uiteindelijk deed hij in 1785 tegen betaling van 9,5 miljoen gulden afstand van zijn rechten op Maastricht bij het verdrag van Fontainebleau.
Landen van Overmaze
Dit omvat de heerlijkheden Valkenburg, Daelhem en ’s Hertogenrade. Deze heerlijkheden, alsmede de stad Limburg, werden door Frederik Hendrik veroverd na de inname van Maastricht in 1632. In 1635 gingen deze weer verloren, doch de commandant van Maastricht veroverde ze (behalve Limburg) weer in 1644. De Spaanse ambtenaren bleven echter hun werk doen. Tijdens de vredesbesprekingen werd afgesproken in 1646 dat alles bij het oude zou blijven. De Staten bezetten daarop Daelhem en Valkenburg en stelden snel Staatse ambtenaren aan en bij de ondertekening van het vredesverdrag op 30 januari 1648 pasten zij de bepaling toe dat alles bij het oude zou blijven! Er bleven echter op enkele plaatsen Spaanse ambtenaren gelden innen en 2 forten waren nog door de Spaansen bezet. In 1662, na jarenlang getouwtrek, kwam er een verdeling tot stand, waarbij ernaar was gestreefd om plaatsen met abdijen Spaans en plaatsen met protestantse kerken Staats te maken. Hierdoor ontstond een grillige grenslijn met enclaves. Kerkrade en ’s Hertogenrade kwam niet aan ons, maar wel het daartoe behorende Vaals, omdat de Akense protestanten daar kerkten, terwijl de proosdij St. Gerlach geheel in Staats Valkenburg lag, maar Spaans werd. Staats werden ook Daelhem en het veraf gelegen Olne, waar een protestantse gemeente was. Deze gebieden heeft Joseph II in 1785 geruild tegen Oud-Valkenburg, St. Gerlach , Schin op Geul e.a. (afb. 12).
Redemptiedorpen
In Luiks gebied lagen 8 dorpen (Hermal, Falais, Hoppertingen, Mopertingen, Nederheim, Peen, Rutten en Veulen) die tegen een vaste som hun jaarlijkse aandeel in de lasten afkochten (redimeerden). De republiek meende dat deze dorpen tot Maastricht behoorden en dus in 1648 eveneens waren afgestaan. Van 2 dorpen kon dat ook vanaf de dertiende eeuw worden aangetoond. De Spanjaarden wilden deze dorpen echter voor het rooms-k atholicisme behouden. In 1678 werden de dorpen echter uitdrukkelijk aan de Republiek toegewezen, die als het nodig was troepen vanuit Maastricht stuurde om duidelijk te maken wie de baas was. Het volledige bestuur hadden ze echter niet; de dorpen waren half Luiks en als het zo uitkwam beweerden ze zelfs dat ze tot de Zuidelijke Nederlanden hoorden.Tot de Franse tijd is deze verwarde toestand blijven bestaan.
Venlo, Roermond, Stevensweert en Sittard
Teneinde enige aansluiting te krijgen vanuit Staats-Brabant met Staats-Limburg en ter bescherming van de Oostgrens werd voor en tijdens de vredesonderhandelingen na de Spaanse Successieoorlog getracht Opper-Gelre te verkrijgen. De Engelsen spraken dit in 1709 zelfs af met de Republiek. De Pruisische koning had echter geld voorgeschoten aan Spanje en wilde daarvoor het gebied verwerven. De republiek kreeg bij de Vrede van Utrecht in 1713 slechts de steden Venlo en Stevensweert (afb. 11). Daartoe behoorde o.a. ook grotendeels het Ambacht Montfoort en de dorpen Vlodrop, Posterholt, Echt en Nieuwstad (zonder het tussen de laatste twee liggende Susteren). In 1785 werden door Keizer Joseph II Papenhoven en Obbicht aan de Republiek afgestaan.
Roermond, dat vanaf omstreeks 1350 de hoofdstad van het Overkwartier van Gelre was, sloot zich niet aan bij de Unie van Utrecht in 1579 en werd Spaans Gelre tot 1702. In de jaren 1632-1637 was het korte tijd Staats. In 1702 werd het Staats tijdens de Spaanse Successieoorlog. Na afloop daarvan kwam het in 1716 bij de Oostenrijkse Nederlanden tot de bezetting door de Fransen op 5 april 1794. Van 11 december 1792 tot 5 maart 1793 was het ook kortdurend reeds door de Fransen bezet.
Sittard werd in 1400, samen met Born en Susteren door de heren van Valkenburg voor 70.000 goudguldens verkocht aan Gulik en bleef Guliks bezit tot 1794.
V. De Franse Tijd
Na de definitieve en volledige verovering van de Nederlanden door de Fransen in 1795, werden er allerlei regelingen gemaakt met betrekking tot de gebiedsverdeling (afb. 13 en 14).
- Reeds in 1794 zijn de landen tussen Maas en Rijn, incl. Maastricht, onder een centraal bestuur te Aken gesteld; de enclaves Megen, Ravestein, Boxmeer en Gemert werden hierbij ondergebracht in 1797;
- Opper-Gelder, Overmaze en Maastricht zijn in 1795 (samen met de vrije rijkslenen, voormalige Oostenrijkse Nederlanden, het prins-b isdom Luik en het vroegere Staats-Vlaanderen ) bij Frankrijk ingelijfd;
De haven van Vlissingen werd voor gemeenschappelijk gebruik opengesteld;
- In 1800 heeft de Bataafse Republiek de enclaves Megen, Ravenstein, Boxmeer en Gemert gekregen in ruil voor in 1795 afgestaan gebied. Tevens behoorden hiertoe Bokhoven, Luiksgestel, Baarle Hertog en enig Duits bezit met o.a. de heerlijkheid Anholt.
- De enclaves Wehl, Huissen, Malburg en Zevenaar bleven tot 1802 enclaves, toen de Pruisen deze afstonden, maar eerst in 1807 overdroegen;
- In 1803 brak de oorlog weer uit en Walcheren werd bezet.
- In 1807 wordt Oost-Friesland aan Nederland toegevoegd, tegen volledige afstand van Vlissingen; naast de overdracht van de Pruisische enclaves werd Lommel tegen Luiksgestel geruild.
- In 1809 wordt heel Walcheren bij Frankrijk ingelijfd en een jaar later heel Zeeland, Brabant en een deel van Gelderland.
- Kort daarna werd geheel Nederland bij Frankrijk ingelijfd (1810).
VI. Het Verenigd Koninkrijk
Nog voor de vrede van Parijs (30 mei 1814) die het einde van de oorlog tegen Napoleon betekende waren de geallieerden het er reeds over eens dat Nederland als zelfstandige staat moest worden hersteld. Het vredesverdrag stelde vast dat Nederland vergroot moest worden om in staat te zijn zelf zijn onafhankelijkheid te verdedigen. Koning Willem I vroeg uitbreiding met België en al het gebied tot Rijn en Moezel. Maar er werd onderhandelt over ons, zonder ons en de Belgen was al helemaal niets gevraagd. Er hebben allerlei scenario’s de ronde gedaan, doch vooral Pruisen aasde op een vergroting van zijn gebied in het Rijnland en was tegen uitbreiding van Nederland naar het oosten. Bij de Vrede van Parijs en het geheime Protocol van Londen (21 juni 1814) werd Nederland met België verenigd tot één staat. De grens in het oosten werd voorlopig de Maas, totdat het Wener Congres hierover nader zou beslissen. Er ontstond tijdens de onderhandelingen de gedachte dat de Maas als grensrivier niet zo geschikt was door zijn vele kronkelingen en overstromingen. Beide oevers moesten in een hand, de Nederlandse, komen. Bij het Verdrag van Wenen van 31 mei 1815 werd dan ook aldus besloten. De Nederlandse grens met Pruisen liep van de noordoosthoek van Luxemburg, naar de hoogte bij Vaals en volgde daarna de oude oostgrens van Overmaze (incl. de voormalige Oostenrijkse gebieden, behalve ’s Hertogenrade dat Pruisisch werd), naderde de Maas om van Susteren tot Roermond weer te wijken en daarna de Maas te volgen op geringe afstand tot de hoogte van Mook. Van Venlo tot Mook zou het Nederlandse gebied nergens smaller zijn dan 800 Rijnlandse roeden ( 3014 m), terwijl alle gemeenten er bij zouden horen die niet verder dan 1000 Rijnlandse roeden ( 3787 m) van de rivier af lagen. Het staat nergens vermeld maar het schijnt dat men bij de vaststelling van deze grens er rekening mee heeft gehouden dat van de linkeroever niet met kanonnen op Pruisisch gebied kon worden geschoten. Van Mook tot aan de Rijn werd de grens van voor 1795 hersteld, zoals ook de rest van de grens met Pruisen tot halverwege Twente. Pruisen stond alle enclaves in dit gebied af. Al snel was hier nog nadere regeling nodig die bij het Verdrag van Kleef (7 oktober 1816) tot stand kwam; dit gaf Schenkenschans aan Pruisen, terwijl Leuth en Kekerdom aan Nederland kwam. Inmiddels was ook de grens van de Moezel tot Mook verder afgebakend (Verdrag van Aken, 26 juni 1816). Er werd bepaald dat de 800 roeden grens evenwijdig aan de Maas zou lopen, wanneer de limieten van Pruisische gemeenten dichter bij de rivier kwamen. Stukken daarvan zijn zodoende alsnog bij Nederland gevoegd. De nauwkeurige grenslijn met Pruisen is tenslotte vastgelegd in een Proces-Verbal de la ligne de demarcation entre les Royaumes des Pays-Bas et de Prusse, getekend te Emmerik op 23 september 1818. Er werden eikenhouten grenspalen geplaatst die na 1847 zijn vervangen door stenen. Deze grenzen zijn op ondergeschikte punten nadien nog gewijzigd.
De grens met Hannover liep op de plaats waar die van de Republiek in 1795 lag. Bij Traktaat van Meppen op 2 juli 1824 is deze nader geregeld en werden de oude verdragen bevestigd. In artikel 1 van dit traktaat wordt verwezen naar eerdere overeenkomsten:
- Tussen Overijssel en Drente en het Hannoveraanse graafschap Bentheim in 1548, 1659, 1778, 1779 en 1801;
- Tussen Groningen en Drente en de Hannoveraanse Kreitz Meppen in 1764 en 1784;
- Tussen Groningen en de Hannoveraanse provincie Oost-Friesland in 1636, 1700, 1706 en 1723
De grens in de Dollard werd opnieuw bepaald en in 1863 nog iets gewijzigd
VII. De Belgische Opstand en zijn gevolgen.
Het bleek dat de samenvoeging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden geen succes was. De beide delen waren in de 2 voorgaande eeuwen te veel uit elkaar gegroeid en er ontstonden wrijvingen. Zowel Noord als Zuid vonden het dus geen bezwaar om in 1830 te scheiden van elkaar, alleen Koning Willem I heeft zich tot het uiterste verzet. Het zou te ver voeren om alle problemen die tot de Opstand leidden, de Opstand zelf en de Tiendaagse Veldtocht te beschrijven. Dit alles zorgde er wel voor dat opnieuw de zuidelijke grenzen moesten worden vastgesteld. De Belgen hadden nogal vergaande eisen; zij wilden o.a. Zeeuws-Vlaanderen en Zuid Limburg. Heel Limburg, behalve Maastricht, had zich aangesloten bij België en steden als Venlo, Roermond en Sittard waren van 1830 tot 1839 alvast door de Belgen bezet. De grote mogendheden die in 1815 de vereniging hadden bewerkstelligd, moesten nu weer de verdeling regelen. In het eindverdrag, het Traktaat van Londen van 19 april 1839, werd opgenomen dat tot België zouden behoren: Oost- en West-Vlaanderen(zonder Zeeuws-Vlaanderen), Antwerpen, Zuid-Brabant, Luik, Namen, Henegouwen en Waals Luxemburg. Van Limburg kreeg België het gedeelte ten westen van de Maas, zonder Maastricht en zonder het deel benoorden de lijn Budel-Stevensweert (afb. 15). Dit laatste gebied diende als compensatie voor de vroegere enclaves rond Maastricht. Dit alles werd verder uitgewerkt in het Verdrag van Scheiding dat op 5-11-1842 werd ondertekend en de grensscheiding werd op 8-8-1843 ondertekend te Maastricht. In datzelfde jaar werd begonnen met het plaatsen van 365 gietijzeren grenspalen, beginnend met grenspaal 1 op het drielandenpunt in Vaals. Nadat de zeearm het Zwin in 1869 was ingedijkt werden daar vier grenspalen bijgeplaatst, zodat er in totaal 369 grenspalen zijn. Op de grenspalen gaan we hierop verder niet in. Daarover bestaan diverse websites o.a. met foto’s van alle palen aan de Belgisch-Nederlandse grens.
Niet geregeld werd de kwestie van Baarle-Hertog. Dit gebied was tijdens de Republiek een enclave geweest en men had verzuimd het tijdens het Verenigd Koninkrijk bij Noord-Brabant te trekken, waardoor het bij de provincie Antwerpen behoorde. De grenzen werden wel nauwkeurig ingemeten doormiddel van vaststelling van de nationaliteit van elk kadastraal perceel (totaal 5732). Deze vaststelling werden door Hertog en Nassau ondertekend met de opmerking dat een 80-roeden-gebiedje in de Withagen onder Ulicoten bij België zou horen, maar kadastraal bij Nederland was ondergebracht. Het was te moeilijk en te onbelangrijk in die tijd om dat verder uit te zoeken, zodat dit gebiedje betwist de geschiedenis is ingegaan. Bij de vaststelling van de nationaliteit bleken er zich 21 stukken in enclaves, dus geheel omring door Nederlands gebied, Baarle-Hertog te vormen. In deze 21 gebieden bevonden zich weer 7 Nederlandse gebieden, die - geheel omring door Belgisch gebied - Nassause exclaves waren, maar er lag in het Hertogse kerkdorp Zondereigen nog 1 Nederlands gebied, de enige Nassause enclave. Kleine grenswijzigingen vonden plaats bij modus vivendi van 26 en 28 juni 1954 (Zondereigen), vervangen door de modus vivendi van 5 en 7 december 1956 (Zondereigen). Het betreft de percelen die door het Internationaal Gerechtshof aan België werden toegewezen.
Door de heel bijzondere vaststelling van dit grensgedeelte had niemand meer gedacht aan de andere aanpalende Belgische en Nederlandse gemeenten langs het gebied tussen de grenspalen 214 en 215. Uiteindelijk hebben zij op 26 april 1974 pas voor hun officiële grensvaststelling getekend op het Stadhuis van Turnhout. De grenspaal in het centrum van Baarle herinnert aan deze gebeurtenis en staat tevens symbool voor alle grenslijnen die dit gebied doorkruisen. Er lag nu een ondertekening van Hertog en Nassau over hun onderlinge puzzelgrenzen en er lag een ondertekende vaststelling van de grenzen tussen de respectieve Nederlandse en Belgische dorpen in dit gebied. Het betwiste gebied was nog steeds niet van de juiste nationaliteit voorzien en de enclavegrenzen waren nog niet officieel als Rijksgrens door België en Nederland vastgesteld. Om ook dit in orde te brengen, zijn beide kadasterdiensten in 1980 begonnen met het secuur opmeten en beschrijven van de enclavegrenzen. Uiteindelijk werden op 31 oktober 1995 deze grenzen als Rijksgrens vastgesteld. Het 80-roeden-stukje (2632m2) bleek inderdaad Belgisch te zijn, waardoor Baarle Hertog zijn 22 ste enclave kreeg toebedeeld. Op een plaats in het dorp bleek de voordeur van een woonhuis niet op Belgisch gebied te liggen zodat Nassau er een huis bij kreeg (de plaats van de voordeur bepaald de nationaliteit van het huis). Hiermee was eindelijk ook op deze plek de grens definitief vastgesteld (afb. 16).
Uiteraard speelden er nog meer kwesties met België. In 1839 was overeen gekomen dat België het recht had op een verbinding van Antwerpen met het Ruhrgebied. In 1873 was er een spoorverbinding totstandgekomen via Roermond naar Mönchengladbach, waarmee volgens beide partijen aan de eis was voldaan. In 1919 vroeg men ook een kanaal verbinding via Roermond (later is als oplossing het Albertkanaal gegraven van Antwerpen, via Maastricht naar Luik). De Belgen wensten echter ook een verbinding met de Rijn, het Moerdijkkanaal. Dit is er uiteindelijk ook gekomen, in de tweede helft van de 20 ste eeuw. In de 21 ste eeuw is de verwaarloosde verbinding per spoor via Roermond weer actueel geworden en vragen de Belgen om het opnieuw in gebruik te nemen na een grondige renovatie. Langs de zgn. IJzeren Rijn ligt nu echter het natuurgebied De Meinsweg dat daarvan milieuschade kan gaan ondervinden. Het laatste woord is daarover nog niet gezegd mogen wij vrezen.
De meest recente grenswijziging tussen België en Nederland werd op 23 juni 1999 van kracht na de inwerkingtreding van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden tot wijziging van de grens in het kanaal van Terneuzen naar Gent die op 6 januari 1993 in Brussel werd ondertekend. Door deze overeenkomst werd een aantal percelen grond geruild, die voordien door het kanaal van de rest van het Belgische respectievelijk Nederlandse grondgebied waren gescheiden.
VIII De annexatie aan de oostgrens na WO-2
De Nederlandse eis om gebiedsuitbreiding na het einde van WO-2 mag niet onvermeld blijven.
Op het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie liggen tientallen brochures en pamfletten uit het eerste jaar na de bevrijding. Het zijn overtuigde pleidooien voor annexatie van Duits grondgebied, liefst zónder Duitse bewoners. De meeste zijn geschreven door zeer respectabele figuren: artsen, hoogleraren, politici en één zelfs door de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Eelco van Kleffens. Op een enkele kilometer werd niet gekeken: de één schuift de Nederlandse oostgrens op naar Oldenburg, de ander eist ‘slechts’ het Ruhrgebied op, een derde verlegt de grens zelfs tot voorbij Hamburg. Het kabinet wist niet goed wat het met de kwestie aan moest. Van Kleffens was een groot voorstander van annexatie, Drees was tegen en Schermerhorn, de premier, hield zich angstvallig op de vlakte. Toch werd er druk met de geallieerden onderhandeld over mogelijke gebiedsuitbreiding. In de zomer van 1946 eiste de Nederlandse regering voor het eerst officieel 4980 km² aan Duits grondgebied en dit was nog maar de helft van de 10.000 km² die Van Kleffens graag had gezien. De geallieerden reageerden weinig enthousiast. De geallieerden stemden uiteindelijk in 1948 in met enkele kleine grenscorrecties ten gunste van Nederland, om precies te zijn een uitbreiding met 69 km² en ongeveer 10.000 Duitsers. De belangrijkste grenscorrectie betrof Elten en Tüdern (Tudderen), twee Duitse grensplaatjes die opeens bij Nederland hoorden. Van de grootse annexatieplannen was niets overgebleven, maar de Nederlandse eer was gered. Met veel machtsvertoon werden pas op zaterdag 23 april 1963 om 12.00 uur, de gebieden officieel overgenomen.
De grenscorrecties bestonden uit:
- Onbewoonde strookjes(totaal 0,30 km²) tussen Nieuweschans en Ter Apel, strekkende tot verbetering van de Moersloot en kering van het veldwater uit het Boertanger Veen;
- Onbewoonde strookjes aan weerszijden het kanaal Almelo-Nordhorn ter grootte van 0,03 km², waardoor waterstaatkundige verbetering van de Sammelbeek en vergemakkelijking van het douanetoezicht op de grensweg mogelijk werd;
- Strook ten noordoosten van Losser(1 km²) met een totale bevolking van 10 personen;
- Grensweggetje bij Lekken ten zuiden van Haaksbergen;
- Onbewoonde strook bij Petten (0,09 km²);
- De door ± 350 personen bewoonde Duitse bebouwing aangrenzend aan Dinxperlo (0,64 km²);
- De grensinham bij Elten (19,54 km²) met 3500 bewoners (Drostambt Elten);
- Grensweggetje bij Millingen;
- Een door ± 40 personen bewoonde strook tussen Beek en Wijlerberg, waardoor het douanetoezicht werd verbeterd;
- Grensweggetje bij Mook;
- Onbewoond strookje bij Ottersum (0,05 km²);
- Grensweggetje bij Siebengewald;
- Twee strookjes ten noorden en ten zuiden van Arcen (0,40 en 0,41 km²) met een totaal van 60 inwoners;
- De hals van Sittard ter grootte van 41,34 km² bewoond door ongeveer 5000 personen (Drostambt Tudderen);
- Grensweggetje bij Ubach;
- Gebiedsstrook bij Limburg en Kerkrade (0,88 km²) bewoond door 130 personen;
- Opheffing van enkele douanetechnische anomaliën in Kerkrade;
- Gebiedsstrook bij Vaals (0,11 km²) bewoond door 110 personen
Naarmate de verhoudingen met de nieuwe Duitse regering steeds normaler werden, werden die grenscorrecties echter steeds abnormaler.
In opdracht van minister Stikker begonnen geheime onderhandelingen met Duitsland. Nederland zou bereid zijn de geannexeerde gebieden terug te geven, maar daar moest wel iets tegenover staan. Al eeuwenlang betwistten Duitsland en Nederland elkaar de loop van de grens in de Eems/Dollard. Dit leek een ideale kans om die grens eindelijk vast te leggen in het voordeel van Nederland. Duitsland wilde op dat punt echter geen enkele concessie doen In 1963 gaf Nederland de geannexeerde gebieden terug aan Duitsland, zonder dat de kwestie van de Eems/Dollard echt was geregeld. Bij deze teruggave werd 1 uitzondering gemaakt; het natuurgebied Duivelsberg nabij Nijmegen bleef Nederlands. Er tegenover stond 125 miljoen gulden “Wiedergutmachung”.
IX Van Dollard tot Wielingen:
In de inleiding schreven wij al dat het ontstaan van de grens van Dollard tot Wielingen beschreven zou worden. Het toeval wil dat juist deze 2 gebieden heel lang voor schijnbaar onoplosbare problemen hebben gezorgd en gedeeltelijk nog zorgen.
De Eems-Dollard kwestie
In 1960 is er wel een verdrag gesloten dat bepaalde dat de kwestie niet werd opgelost en dat er samen zou worden bestuurd (de zgn Common Aerea). Bij de onderhandelingen voor de teruggave van de na de oorlog geannexeerde gebieden is het niet gelukt om de grens definitief vast te leggen. Blijkbaar eiste Nederland weer eens iets in zijn voordeel en hielden de Duitsers voet bij stuk. In 1984 werd er een protocol aan het verdrag van 1960 toegevoegd. Dit was nodig omdat Emden een industriegebied wilde aanleggen op een zandplaat in de Dollard en de vaargeul van de Eems daarvoor moest worden aangepast.
Op 22 augustus 1996 werd, aan boord van "MS Warsteiner Admiral" in de Eemsmonding ter hoogte van Delfzijl, een aanvullend protocol tot regeling van de samenwerking met betrekking tot het waterbeheer en het natuurbeheer in de Eemsmonding (Eems-Dollardmilieuprotocol) getekend.
De kwestie van de Wielingen
Een andere kwestie die de kop opstak, was die van de grens in de zee voor de kust van België. De vaargeul van de Westerschelde loopt langs de kust van Zeeuws-Vlaanderen en van België tot de hoogte van Blankenberge en wordt de Wielingen genoemd. Nederland stelde dat dit bij de Westerschelde hoorde die in 1839 aan Nederland was gekomen. In 1866 betwiste België al de rechten van Nederland. Nederland trad niet krachtdadig op en stond zelfs toe dat België een lichtschip in de Wielingen stationeerde. België wilde na de Eerste Wereldoorlog in 1919 gebiedsuitbreiding en toen kwam dit ook ter sprake. Men kwam er toen niet uit. In 1965 werd een verdrag opgesteld dat Nederland niet heeft ondertekend omdat het vast hield aan de soevereiniteit over de Wielingen. In het kader van verbetering van de bilaterale betrekkingen met de buren heeft Nederland vanaf 1994 alles op alles gezet om oude twistpunten uit de wereld te helpen. De grenzen van de territoriale zeeën en het continentaal plat van beide landen werden pas afgebakend bij de Verdragen van Brussel van 18 december 1996. Ook toen nog werd teruggegrepen op historische verdragen en standpunten, zoals uit de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp blijkt:
a) historische rechten; daarbij wordt verwezen naar een arrest van 11 oktober 1504 van de Grote Raad van Mechelen en naar artikel 14 van het Verdrag van Münster van 1648;
b) op de overweging dat de Wielingen, als riviermonding, moeten worden beschouwd als een integrerend deel van de Westerschelde waarop Nederland de soevereiniteitsrechten uitoefent.
Uiteindelijk zag Nederland af van de soevereiniteitsrechten op de Wielingen en kwam men tot een akkoord over de vaststelling van de grenslijn volgens de equidistantiemethode (de grenslijn is de middellijn waarvan elk punt even ver is verwijderd van de basislijnen vanwaar de breedte van de Territoriale Zee van elk van de twee staten wordt gemeten). Rekening werd gehouden met de opwassen op de plaat Rassen en de uitbouw van de haven van Zeebrugge in zee. Als basislijn koos men uiteindelijk voor het Belgische standpunt: de laagwaterlijn langs de kust. Nederland had voorgesteld de lijn Het Zwin- Westkappelle.
X Tot Besluit:
Wij denken met het bovenstaande een aardige indruk te hebben kunnen geven hoe Nederland is gevormd sedert de vroege Middeleeuwen. Bezit, veroveringen, heroveringen en toeval hebben bepaald welk gebied tot Nederland behoort en welk niet. Pas later en vooral wanneer nodig vanwege twistpunten werden de grenzen afgebakend met grensstenen. Na de Franse Tijd werd pas echt werk gemaakt van het uitstippelen van de grenzen en het plaatsen van grensstenen. Na de Afscheiding van België, die definitief werd in 1839, ontstond de noodzaak tot het vaststellen van het grensverloop aan onze zuidgrens en het plaatsen van de grenspalen. Interessant zijn de websites van de grenspaal enthousiastelingen; binnen afzienbare tijd staat van elke grenspaal een foto op internet. Een formidabele prestatie. Moge het bovenstaande daaraan verder bijdragen met de beschreven historische achtergronden. Voor de goede orde wordt vermeld dat deze beschrijving is ontstaan door gebruikmaking van de bestaande literatuur, zonder eigen bronnenonderzoek.
Bronvermelding
Literatuur:
De grens bepaald door J.W.Bieze; uitgave Stichting Belastingmuseum Prof. Dr. Van der Poel te Rotterdam, 1992
De grenzen van Nederland door A.C.J. de Vrankrijker, Amsterdam, 1946
Sesam Atlas bij de Wereldgeschiedenis , deel I, Baarn, 1965
Mooie Vrede , een documentaire over Nederland in de jaren 1945-1950 door Michel van der Plas, uitgever Ambo, Utrecht, 1966.
Geschiedenis van Brabant van het Hertogdom tot heden , Waanders Uitgevers, z.j
Geschiedenis van Limburg , deel 1, Jos Venner, red.; Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, 2001.
Over de bestuurlijk-politieke geschiedenis van Achterhoek en Liemers: De Achterhoekse en Liemerse Lappendeken, door G.J.Hans, Doetinchem 2002
Over de geschiedenis van het Hertogdom Gelre: Het hertogdom Gelre, geschiedenis, kunst en cultuur tussen Maas, Rijn en IJssel, Utrecht 2003 (ook met uitgebreid kaartmateriaal -blz. 454 - 481)
Links:
De annexatie na WOII zie http://forum.wo2.nl/viewtopic.php?t=2878
Over grenspalen zie: www.grenspalen.nl (met veel links naar andere grenspalen sites en een uitgebreide bibliografie!)
Kaarten te vinden op: http://geneaknowhow.net/regel/kaarten.htm#staats
veel grensinformatie (met totaal andere insteek!) op: http://web.inter.nl.net/users/Paul.Treanor/nederland.html
over de geschiedenis van Bokhoven: http://nl.wikipedia.org/wiki/Bokhoven
over de grens met Belgie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Rijksgrens_van_Belgi%C3%AB
over de geschiedenis van Huissen: http://home-3.tiscali.nl/~ti011507/geschhuissen.html
over de geschiedenis van Gemert: http://www.jamani.nl/site/Kasteel_Gemert.html
over de geschiedenis van Ravenstein: http://nl.wikipedia.org/wiki/Ravenstein
over de geschiedenis van Roermond (kort): http://nl.wikipedia.org/wiki/roermond_(stad) en http://www.roermond.com/Gemeente/Gemeente.htm
idem (uitgebreid) : http://www.historie.roermond.net
|