Hoofdstuk 1

Voor 1850.

Hoewel deze uitgave in de eerste plaats bedoeld is als fotoboekje, willen we toch ook wat geschreven informatie geven over het dorp Noordbergum. Ons dorp moeten we eigenlijk schrijven, want we hebben het over ons eigen plekje. Bij alle beschrijvingen die we zullen geven zal de liefde voor eigen dorp merkbaar zijn. Het zij ons vergeven, het is een dierbaar plekje, maar dat zal ieder mens wel zeggen van de plaats waar hij in vrede kan leven.

Het dorp is nog jong, erg jong in vergelijking met andere dorpen uit de gemeente Tietjerksteradeel. We beginnen de geschiedenis dus maar vanaf omstreeks 1850 te volgen om de eenvoudige reden dat vanaf die tijd de eerste tekenen van ontwikkeling zijn te onderscheiden.

Schimmen op de heide.

Zoals er in de voorgaande eeuw op zovele plaatsen in Friesland nog uitgestrekte heidevelden voorkwamen lag er ook zo'n gebied ten noorden van het dorp Bergum. In de middeleeuwen zijn grote gedeelten hoogveen door de monniken afgegraven en later waarschijnlijk weer tot woeste grond geworden. In elk geval lagen er rond 1800 nog vele stukken heide in deze omgeving. Deze oorden werden meestal gemeden door de zogenaamde fatsoenlijke burgers uit de omliggende dorpen. We gen of paden waren er nauwelijks en ‘s nachts en in donkere tijden van het jaar was het er niet pluis (zei men). Een geliefd oord voor spoken en “tsjoen-sters”. Wie er verder nog huisden waren de armen, de verschoppelingen, waar in de dorpen geen plaats voor was.

Door de jaren groeide er bij deze mensen een afkeer tegen de omringende dorpen. Met name in een boek als “Marijke” van Abe Brouwer kan men de sfeer aan voelen zoals ze in die tijd was. Ruige heidebewoners, sterk op zichzelf, eigenzinnig, niet in het gareel willen lopen, stropen en jagen om aan de kost te komen en snel met vuist en mes klaar staan om meningsverschillen te beslechten.

Wie eerlijk durft te zijn kan sommige van deze karaktertrekken nog wel ontdek ken. En daarmee is geen kwaad woord gezegd. Nog is er sterk de drang naar zelfstandigheid, lees maar in het hoofdstuk over de ambachten en beroepen.

De schimmen worden tot wezens.

Rond 1850 komt er toch langzamerhand wat verandering in deze duistere toestand. De schimmen worden opgemerkt. Sommigen trekken zich het lot van dearme sloebers aan. We zijn geen romanschrijvers, het volgende is wat schoksgewijze informatie, verzameld uit krantenberichten en/of boeken. Toch geeft het wel aardig de eerste ontwikkeling van “de Heide” weer.

Biesjager gevraagd.

In 1804 hadden de dorpsrechters behoefte aan een extra kracht en die ordebewaarder werd de “biesjager” genoemd. Want in die tijd zwierven er nogal wat “bizen” door de grietenij, op wie men in het algemeen niet zo gesteld was: “bedelaars, landlopers, vagebonden en scheerslijpers samt alle dewelke bij ‘s Lands wetten verbooden zijn en met geene paspoorten zijn voorzien”. Zij namen het niet zo nauw met het mijn en dijn en traden ook verder tamelijk brutaal op. Daarom had de te benoemen biesjager de taak de ingezetenen en hun eigendommen te beschermen. Twee- of driemaal in de week moest hij, gewapend met een stok of een houwer (sabel) het dorpsgebied doorkruisen, om dat ongewenste gespuis te verjagen of het, bij tegenstand, in bewaring te nemen. Verder moest hij op zon- en feestdagen optreden tegen baldadigheid, straatschenderij, spelen om geld, werpen met stenen op wegen en straten, er op toezien dat er in herbergen en particuliere huizen geen sterke drank werd getapt, kortom een hondebaan.

Daar iedereen met zijn activiteiten gediend zou zijn moest zijn loon bij omslag door de gezinnen worden opgebracht. Op Bergumer-heide werden daartoe 74 gezin nen aangeslagen, maar hiervan werden 28 vrijgesteld omdat de aanslag voor hen te bezwaarlijk was. Een aanzienlijk aantal armen dus en dit zou de volgende jaren nog erger worden. Dit kwam omdat steeds meer mensen tot armoede vervielen en hier door in de dorpen niet meer konden aarden. Ook werden ze vaak naar de heide ver wezen om daar maar te gaan wonen.

Volkstuintjes.

Omstreeks 1832 konden de dorpsarmen die hiervoor in aanmerking kwamen perceeltjes heide van een half pondemaat in erfpacht krijgen tegen een jaarlijkse bijdrage van f 2,--. De pachter kon mettertijd ook kopen en aflossen. Hij moest zelf de lasten dragen, mocht geen uitgravingen doen van zoden, turf of zand, terwijl het hem verboden was een deel van het bezit aan een ander over te doen en er wonin gen of andere gebouwen op te (laten) stichten dan uitsluitend voor eigen gebruik. Kwam er van de afkoop niets terecht, dan was het perceel tenminste intact gebleven. Deze beperkende bepalingen waren bedoeld om vrije vestiging op de heide zo veel mogelijk tegen te gaan van mensen van wie men vreesde dat ze wel eens tot armlastigheid zouden kunnen vervallen.

Aanleg straatweg.

Wie in vroegere jaren van Leeuwarden naar Groningen wilde reizen moest een lange en moeilijke weg gaan. Hierin kwam ver-betering toen stadhouder Schenk van Toutenburg in 1529 de Staten van Friesland voorstelde een weg rechtuit aan te leg gen van Leeuwarden naar Rijperkerk (Zwartewegsend). Doordat de Staten niet met geld over de brug kwamen, ging de stad Leeuwarden de weg zelf aanleggen. Men kreeg het recht een tolhuis te bouwen en tol te heffen (Oud Tolhuis). De weg noemde men Zwarteweg. Tot die tijd was de zuidelijke route via het Ouddeel naar Tietjerk over dammen en overzetplaatsen en zelfs moest men gebruik maken van wadden. (Doorwaadbare plaatsen.)

Van Tietjerk ging men naar Hardegarijp en vandaar via de Zomerweg over de hoge gronden van Bergumerheide langs de herberg Zwartkruis over de Kuikhornstervaart, de Zwarte Tule, richting Groningen. De weg was grotendeels een zandpad, maar oostelijk van Buitenpost was een gedeelte verhard met puin en grind. Van bestrating was nog geen sprake. Tot er in 1830 een begin werd gemaakt met de aanleg van een straatweg van Zwartewegsend naar Steenharstille, oostelijk van Buitenpost. Een geweldige verbetering, want men hoefde nu niet meer via Tietjerk en de Zomerweg, dus veel korter, maar nu bovendien vanaf Leeuwarden bestraat. Op 22 augustus 1831 werd de weg, met een lengte van 27.464 ellen, die f 387.500,00 had gekost, geopend. Door het conflict met België stagneerde de aan leg van 1831 tot 1839. Daarna werd het laatste gedeelte van de weg aangelegd. Voor zeer velen een enorme verbetering.

Boschhuis
De in 1830 aangelegde straatweg. Naast het Boschhuis lag een stuk bos met heesters en slingerpaden.

Stichting van het armhuis.

Mensen uit Bergum die op de rand van armlastigheid zweefden, vestigden zich op de Bergumerheide of werden daar heen ve-rwezen. Men vestigde zich meestal aan de rand van de heide, maar de buurtschap Zevenhuizen maakte daarop een uit zondering. De werkloosheid in de jaren 1820-1 850 was groot en waar heerste de ar moede meer en nijpender dan onder de bewoners van de talrijke hutten van leem en riet waarmee de uitgestrekte heide benoorden het dorp Bergum was bezaaid.

De reizigers die over de nieuw aangelegde straatweg trokken werden dan ook vaak bestormd door troepen haveloze, bedelende kinderen. De aanleg van de straatweg had wat verlichting gebracht, maar dit was slechts tijdelijk. Door de Belgische opstand werd het werk stilgelegd en de toestand werd nog schrijnender. Er moest wat gedaan worden. Op 23 november 1833 kwamen de man-nelijke gezinshoofden bijeen in de Kruiskerk te Bergum om nieuwe armvoogden te kiezen. Stemrecht had den de mannelijke gezinshoofden, die geen onderstand genoten en een huis bewoonden, dat op 20 gulden huurwaarde in de belasting was aangeslagen. Hier werd ook gesproken over het nut en de noodzaak van het stichten van een armhuis. E werd een kommissie benoemd om de zaak te bestuderen. Door het conflict met België kwam er een groot tekort aan arbeiders. Hierdoor kwam men niet tot een beslissing. De kommissie had echter ondertussen niet stilgezeten en kennis genomen var de goede resultaten van andere werk- en verpleeghuizen voor valide arbeiders er armlastige oudenvandagen. Dit plan was om de armlastigen voor de keus te stellen of hun ondersteuning in te houden, of voor het armhuis te verdienen. Voor “De Heide” zo oordeelde men in Bergum, zou zo'n inrichting niet minder nuttig zijn, voor al ook omdat “die van de heide” niet geschikt waren om zonder goede leiding en toezicht bij anderen te werken of dat zelfs helemaal niet wilden en maar onderstand genoten zonder te werken.

Een nieuwe kommissie (benoemd op oudejaarsdag 1841) werkte nu erg snel Het eerste plan om op de “Arme Staatsheide” het armhuis te bouwen liet men varen. Op 14 mei 1842 gaven de stemgerechtigde mannelijke gezinshoofden toestemming de “Arme Staatsheide”, groot 55 bunder, te verruilen tegen 27½ ha. heideveld van grietman H. B. van Sminia. Dit veld had de voordelen, dat het oostelijker lag egaler was en van goede grondsoort. Bovendien lag er een hoogte of terp in, geschikt om het armhuis op te bouwen. Het had nog meer voordelen, het lag namelijk dichter bij de straatweg, wat voor de aanvoer van materiaal f.500,-- voordeel opleverde. Het lag ook dichter bij Kuikhorne, zodat ook die kinderen de school in het armhuis zouden kunnen bezoeken. Eind 1842 werd een obligatielening aangegaan va f15.000,-- voor de bouw en inrichting. 75 obligaties van f 200,-- werden uitgegeven tegen 5% rente. De aanbesteding vond plaats op 4 januari 1845. In 1845 rapporteerden de armbestuurders aan het grietenijbestuur dat men bij een subsidie van t 4.900,-- meer dan f 700,-- overgehouden had doordat de ouden van

armhuis

 

Het armhuis vanaf de zuidkant gezien. De schuur links op de foto is in 1949 door brand verwoest

 

 

 

 

dagen veel voordeliger konden worden onderhouden en een veel betere verzorging kregen, “dan zij, bij particulieren besteed, ont-vangen”.Voor meer dan 182 kinderen was het armhuis een zegen. Zij ontvingen hier gratis onderwijs en de meesten kwamen trouw. Het gevolg was dat de bedelarij op de straatweg sterk afnam. De vijf bunder reeds ontgonnen heide leverde aardappelen en erwten op. In het armhuis werkte ieder naar zijn krachten. De oude vrouwen waren bezig met breien en spinnen, de oude mannen en kind-eren maakten matten van vlasafval, die goed te verkopen waren en aan grondstof niets kostten, doordat de sterkeren ‘s winters bezig waren met vlasbraken. Hier was een goed weekloon mee te verdienen. Het aantal ondersteuningen nam af van 262 tot 63. Er werkten in februari van het jaar 1843 nog 25 arbeiders op de heide, “met houwelen en bijlen vanwege de vorst”.Volgens de arm-voogden werkten de huisvaders zich warm en leerden zij zo dat er zonder arbeid in Bergum niet gegeven werd. Deze “armenzorg” mocht in de ogen van de armvoogden dan wel succesvol lijken, er vielen natuurlijk nog velen buiten de boot. Ondanks vele pogingen, ook van particulieren, om verbetering in het lot van deze mensen aan te brengen (uitdelingen in de winter) werd er op de Heide vaak nog bittere armoede geleden.Maar er zou verandering komen. . . . .

interieur armhuis
Interieur van het armhuis

aanbesteding avondrust
In 1948 kreeg het armhuis de naam "Avondrust"en werd toen een tehuis voor "Ouden van Dagen". V.l.n.r. Douwe Douma, Gradus de Vries en Joh. Kloetstra

gedenksteen

hervormde pastorie
Pastorie Hervormde Gemeente

Een kerk voor de Heide-bewoners.

In het schoollokaal van het armhuis werden bijbeloefeningen gegeven door de bejaarde Bergumer predikant ds. Niebuur Ferf. Gezien zijn leeftijd werd hij later bij gestaan door een hulpprediker: ds. U. W. Thoden van Velzen, die op 31 augustus 1845 in dienst trad met als standplaats de Heide. Er moest volgens dezen brood-nodig een eigen kerk op de Heide komen. In de Provinciale Friesche Courant van zon dag 21 en 28juni 1846 verschenen op de voorpagina twee artikels onder de kop: “De Bergumerheide”. Hoewel deze artikelen niet waren ondertekend wordt aangenomen dat de schrijver ds. U. W. Thoden van Velzen was. Enkele citaten uit deze kranten:

“De dagen, die wij beleven, getuigen ruimschoots van eene algemene belang-stelling in de verbetering der lichamelijke en geestelijke welvaart van vroeger aan hun lot overgelaten mensen, die zichzelf uit hun nood-lijdende toestand niet kun-nen opheffen”. “Verbetering van het lot der armen, verspreiding van verlichting en beschaving, onder onwetenden, uitbreid-ing van Christus' Koninkrijk, daar waar Zijn Naam ter zaligheid nog niet bekend is, - ziet daar, het grote en voortreffelijke doel, tot welks verwezenlijking men ijverig en rusteloos werkzaam is in onze tijd”. “Wij nemen de vrijheid, de aandacht onzer lezers te vestigen op de toestand van een streek in Friesland, die tot nog toe altezeer aanzichzelf was overgelaten. De Bergumerheide, op klein drie uren afstand van Frieslands hoofd-stad”. De schrijver vertelt dat de Bergumerheide tot voor kort een grote barre heide was. Veel heide is al verdwenen en herschapen in vruchtbaar bouw en weiland.“De Bergumerheide bevat een bevolking van ongeveer duizend zielen, die al daar verspreid, grotendeels in armoedige hutten wonen”.Hij roept de lezers op nuttige inrichtingen tot stand te brengen, akkerbouw en industrie te bevorderen. Door de gunstige ligging van de Bergumer-heide, aan het zogenaamde kanaal nabij het Bergumermeer en aan de straatweg, zou dat de wel vaart in dit deel van onze provincie kunnen bevorderen en veel mensen aan brood helpen. Vervolgens schrijft hij:

“Niet ver van het logement het Boschhuis, dat door zijn ligging veel bezoekers uitlokt en hun een aangename ontspanning verschaft, is een armhuis gesticht”.

Dan een beschrijving over het nut hiervan:
Het neemt behoeftige gezinnen op, om hen tot vlijt, orde en werkzaamheid op te leiden. In het armhuis is een schoolvertrek gebouwd, waar 150-1 80 kinderen, die tot dusver geen onderwijs ontvingen en verwaarloosd langs de weg liepen, nu het eerste onderwijs ontvangen.

Dan wordt de aandacht gevestigd op de geestelijke behoeften der arme bevolking. De godsdienstoefeningen moeten in een bekrompen schoollokaal plaats vin den, omdat er geen kerk bestaat. Het lokaal is te klein en te laag. Bovendien kunnen de mensen hun aandacht niet bij de preken houden, omdat het in de om-liggende vertrekken te rumoerig is. Telkens moet het vertrek omgeschakeld wor-den van school naar kerk en andersom. Dit alles maakt het bouwen van een kerk noodzakelijk. De lezers worden opgeroepen geld beschikbaar te stellen voor de bouw van een kerk. Andere kranten in het land worden opgeroepen de artikelen over de “Bergumerheide” over te nemen. Deze artikelen veroorzaken veel deining.

Bijna een jaar later verscheen in het Handelsblad van 10juni 1847 een groot artikel onder de kop “Bergumerheide”. Hierin wordt fel gereageerd op de vorige artikelen. Het blad noemt het een blamage voor het gewestelijk en plaatselijk bestuuur. Er zouden geen duizend, doch hooguit vijfhonderd zielen zijn die er wel wat minder aan toe zijn. Er zijn maar weinig echte hutten. Het onderwijs en de geestelijke zorg komen veel beter tot hun recht sinds de stichting van het arm-huis, waar “de achtenswaardige predikant van Bergum, bijna 70 jaren oud” een-maal per week geestelijk voedsel verstrekt, tot er met het oog op die 70 jaar een hulpprediker werd aangesteld. En die ijvert nu voor een kerk op de Heide, maar hij schiet uit jeugdige opgewondenheid zijn doel voorbij. Het is namelijk goed zo-als het nu gaat. Want wat is er te verwachten als er hier een kerk zou komen? Veel gegoeden uit de omgeving zouden ter kerke komen, “schoorvoetend volgen de meest welgestelden der heide. De armsten echter schamen zich hun schamel-heid” en durven zich niet te vertonen. Bovendien komen de in de armhuispreek gebruikelijke woorden in het gedrang: “op de kansel past een sierlijker en ver-hevener taal, meer gekuiste oren moeten ook daar gestreeld worden” meer en meer armen zullen de preek niet meer begrijp en wegblijven.

Binnen twee weken reageerde de hulpprediker in de Leeuwarder Courant v 22 juni 1847. Volgens zijn persoonlijke telling wonen er 400 mensen ten zuiden en 600 ten noorden van de straatweg; daarbij zijn minstens 300 ongedoopten en er is bijna geen lidmaat van de kerk te vinden, niet zo'n wonder, want zeer velen hebben in meer dan twintig jaar geen herderlijk bezoek gehad. En mag dat geen geestelijke verwaarlozing genoemd worden? En wat de lichamelijke toestand be-treft, in de winter van 1846-1847 zijn mensen in het armhuis opgenomen die ten-gevolge van hun bitter lijden na hun aankomst zijn bezweken. Velen gingen bedelen en aten rauwe rapen om in leven te blijven. Menigeen was een wandel-end geraamte. Ds. Thod van Velzen was een voorstander van “praktisch Christendom”, vandaar dat hij kerk als leniger van alle noden zag.

aanbesteding bouw kerk

De intekening ten behoeve van het stichten van kerk, kerkhof en pastorie had succes in Leeuwarden “en enige andere voorname steden in het Vaderland”. Op 11 maart 1848 kwamen Sible Douma, Douwe Wadman, Gjalt Wilhelmij, ds. Thoden van Velzen, notaris Walle Tromp en de hoofden van de huisgezinnen van Bergum in de Kruiskerk bijeen om te beslissen over het beschikbaar stellen van een perceel grond, eigendom van “het dorp Bergum”,groot 2 bunder, voor het beoogde doel. Dit werd “in altijd durende huur” afge-staan tegen een erfpacht van 2 gulden per jaar, aan “het dorp” te voldoen. Op woensdag 8 mei 1850 vond de aanbesteding van de kerk plaats en op 19 juli 1850 werd de eerste steen gelegd. De pastorie kwam in 1849 gereed. Het kerkgebouw werd 19januari 1851 ingewijd, waarbij ds. U. W. Thoden van Velzen de feestrede uitsprak met als tekst: Openbaringen 21:22. “En ik zag geen tempel in dezelve”

ontginning heide

Een schilderij dat A. Uitgewrongen in 1854 maakte van de ontginning van de Bergumerheide, die toen in volle gang was. In het midden zien we het tuinhuis waar Nicolaas Ypey in 1852 koning Willem 3 ontving.

 

 

 

 

Het levenswerk van dr. Nicolaas Ypey.

Ongeveer gelijktijdig met de intekenactie voor de hervormde kerk, begon dr. Nicolaas Ypey met zijn levenswerk, de grootscheepse ontginning van de Bergumerheide om de verpauperde bevolking voor lange tijd werk te ver-schaffen.Nicolaas Ypey, in 1794 te Bergum geboren als zoon van de griffier van de Staten, Matthijs Ypey, en als kleinzoon van de Franeker professor Nicolaas Ypey, hoog leraar in de wis- en vestingbouwkunde. Hij vestigde zich als arts in Leeuwarden.Ypey promoveerde in 1815 op een studie over de werking van kou, in het bijzonder van koud water, op tyfeuze ziekten. De specialist in besmet-telijke ziekten, die in die tijd nog regelmatig het land teisterden, heeft veel voor Leeuwarden betekend. In 1828 trouwde hij met Baudina Looxma, dochter van dr. Age Looxma, die in 1800 het buiten Vijversburg op Zwartewegsend had gekocht. Na de dood van de ouders van Baudina (de vader stierf in 1843) legde Ypey zijn praktijk neer en vestigde zich als ambteloos burger met zijn vrouw en zoon Age op Vijversburg, om zich verder aan de studie te wijden. Door het grote vermogen dat Baudina's ouders naliet was hij in staat om veel goed te doen. Begin 1849 begon Ypey met het aankopen van grote stukken heide, waaronder de Statenheide, groot 55 bunder voor ongeve f110,-- per ha. In totaal ongeveer 90 ha. Aan de verkoop waren evenwel voorwaarden verbonden, die het onmogelijk maakten, dat er maar raak gebouwd kon worden op deze grond. Daarmee was voorgoed een voortgaande en onbeheerste vestiging van mogelijke armen op de resterende heide en de daarvan te maken cultuurgrond uit gesloten. Als er op de aangekochte heide nog woningen stonden, moesten die ver wijderd worden. Eind 1849 kon Ypey aan de slag, “Met magt van werkvolk”. Dit wijst op het groot aantal arbeiders dat hier bezig was de heidegrond in cultuurgrond te veranderen. Voor de bewoners van Bergumerheide dus veel werkgelegenheid. De oneffen-heden werden weggewerkt en de grond werd drie voet diep omgespit. Zand, leem en veen leverden, na bemesting, bouw- en weiland op. De ontwikkeling ging na-tuurlijk door, maar daarover meer in het volgende hoofdstuk. Er was een begin gemaakt in de goede richting. Het was lang zo geweest dat vermogende mensen de arme streken wilden ontginnen om er zelf duidelijk beter van te worden. Hier was dat anders. Werkverschaffing en verbetering van de leefomstandigheden waren de belangrijkste doelen.

groot veldlust

Zo zag de boerderij “Groot Veldlust” er eertijds uit. Deze boerderij is thans in gebruik bij de fam. H. Bouma.

 

 

 

 

 

 

top