Hoofdstuk 6.

Buurtschappen.

Ons dorp kent geen echt centrum zoals men wel aantreft in andere dorpen, een brink of “buorren”. Dat komt omdat het huidige dorp erg jong is. Tot de zestiger jaren werd de Zevenhuizen dan nog wel gebruikt als er iets bijzonders aan de hand was. Zoals een openlucht samenkomst van een kerk. Toen de nieuwe straten ontstonden werden sommige aktiviteiten hier meer gehouden. De genoemde samen komsten worden nu in de Van Beijmastraat gehouden. Daar is een grasveldje met een zandbak een ideaal plekje voor samenscholing, terwijl er ook al enkele keren zogenaamde zeskampen, zeg maar volksspelen, zijn gehouden rond de kruising Van Beijmastraat - Hanegraaffweg. Vroeger werden dit soort feesten vaak gehouden op het land waar nu de gereformeer-de kerk staat.

Buiten wat we dan als dorp beschouwen liggen nog enkele, laten we het buurtschappen noemen. Deze buurtschappen zijn veelal ouder dan het “dorp”.

Kuikhorne.

Als er één plaats is die de belangstelling van historici en dat soort mensen heeft gehad dan is het wel Kuikhorne. Van al de informatie die we voor de
samenstelling van dit boek konden krijgen, was het meeste wel over Kuik-horne. Voor al de naam Kuikhorne en haar oorsprong heeft menigeen bezig gehouden. Een kleine greep uit de vele meningen.

Persoonlijk spreekt ons de laatste oplossing het meest aan. Maar dat zal wel gevoels-matig zijn. Wie naar het kaartje A. van Kuikhorne kijkt ziet wel dat het een drie ge-meenten punt is. Toeristisch niet zo bekend als het drielandenpunt in Limburg en veel rustiger, maar wie zal zeggen minder mooi? Het lag oorspronkelijk ook op een kruis-punt van waterwegen, de Swadde en de Kuikhornstervaart. Tussen de zandgronden van Bergum en die van Twijzel, Kootstertille en Zwaagwesteinde ligt een stuk veen. Het schiereiland lag hier 2 â 3 meter boven het oude A.P. en in de herfst en winter droog, terwijl het lage land er omheen veelal in de herfst en winter onder water stond. Een ideale plaats dus om te wonen en te leven. Dat dit in vroeger tijden al het geval was moge blijken uit het feit dat in stukken van 1583 beschreven staat dat er te Kuik-horne 50 manschappen ingekwartierd waren. Vermoedelijk om de aanvallen of strooptochten van de Spanjaarden te keren.

Wie in de grond gaat graven ontdekt, na de bouwlaag van ongeveer een halve meter, lagen geel en rood zand. Op ongeveer twee meter diepte komt er dan grind uit het gat. Nog weer dieper stuit men dan op zgn. “balstienhiem”. Dit hechte verband is er waarschijnlijk de oorzaak van dat dit stuk als schiereiland is blijven bestaan toen na de ijstijd het smeltwater terugvloeide en veel losse gronden wegspoelden waarop later het veen ont-stond. Toen in 1805 de Zwemmer uitgediept werd, is er veel van dit leem gebruikt voor de ophoging van wegen en paden, (o.a. de Nieuwe weg). Enkele “bulten” van dit leem liggen er nog langs de vaart. Op dit mooie, altijd droge plekje ging men zich vestigen. Droge grond voor het verbouwen van “earte en beantsjes”, rogge en boe kweit.

Rond 1450 is de vervening in deze omgeving al aan de gang. Het klooster “Klaerkamp” van Rinsumageest in het noorden en het “St. Nicolaes kleaster” van Bergum meer zuidelijk van Kuikhorne. Vermoedelijk hebben de monniken van dit laatste klooster de Kuikhornstervaart gegraven om het veen vanuit het Bergumer meer te kunnen bereiken en zo af te voeren. Toen het de kloosters na de reformatie niet zo goed meer ging kwam de vervening nage-noeg stil te liggen. Pas in de 18e eeuw is het weer op gang gekomen, vooral aan de zuidkant.

Nieuw Kuikhorne.

In deze tijd is ook Nieuw Kuikhorne ontstaan. Er was geld te verdienen, er kwam nieuw leven. Er ontstond een veenkolonie langs de vaart meer zuidelijk. In de oude plaats werd het steeds stiller. Het werd zo erg dat de roggemolen stil kwam te staan en in 1728 voor “afbraak” werd verkocht. De turf werd naar het zuiden via de Kuikhornstervaart naar Bergum en omgeving vervoerd. Naar het noorden ging dat door de vaart in de richting Oud Kuikhorne, Dokkum en Rinsumageest. Om de scheepvaart hier mogelijk te houden werden er twee sluizen gebouwd. De familie Schwartzenburg kan als de belangrijkste bezitter van veengronden in de 17e eeuw aangemerkt worden. Toch kon Nieuw Kuik-horne het op den duur niet bolwerken. De wegen en paden lagen in het natte seizoen onder water. Het was dan alleen bereik baar over het water. Men kreeg ook behoefte aan bouwgrond om vruchten op te leveren. Het land lag te ver weg. Om al deze redenen trokken velen naar de hoge zandgronden bij ‘t Wyldpaed of ze gingen naar de “alde buorren” terug. Aan het eind van de 18e eeuw was er al niet veel meer over van Nieuw Kuikhorne. In 1840 waren er nog maar 9 arbeidershuisjes en bij het breder maken en uitdiepen van de vaart in 1880 zijn ook die afgebroken. Na een vreedzame strijd van eeuwen had de moeder het toch weer van de dochter gewonnen. Toen op het eind van de 18e eeuw de maatschappelijke orde danig veranderde en de adel steeds minder macht kreeg, moest deze steeds vaker land verkopen. De veenbazen beschikten in middels wel over geld en kochten dit dan op, bouw-land en weiland.Twee belangrijke namen kunnen in dit verband genoemd worden. De fam. De Jager, nazaten van Jan Daniëls later Ate Daniëls en Rienk Daniëls. Deze laatste was een “tûke skutter”. Hij kon volgens zeggen een aardappel die men voor de open schuurdeur langs gooide vanuit de “skuor-reed” doormidden schieten. Aangenomen wordt dat deze reputatie aanleiding is geweest om de naam De Jager te kiezen, toen de familienamen werden ingevoerd.

De andere familienaam is die van De Vries uit de stam van Jitse Adzers, de stichter van de in 1780 gebouwde boerenplaats dicht bij de oostelijke sluis in de oude vaart. In 1890 bewoonden deze twee families 12 van de 15 boer-derijen die toen in Kuikhorne stonden. Een van de De Vriezen was de bekende wonderdokter “Greate Wopke”. Tot aan zijn dood in 1894 werd hij veel ge-raadpleegd. Zelfs professoren, zeiden de Kûkhernsters, zochten hem op.

Na het afgraven van het veen noordelijk van Kuikhorne werd er in het ver-lengde van de Kuikhornstervaart een vaart gegraven naar Zwaagwesteinde. De afwatering kon voortaan hierlangs plaatsvinden en ook de turf schippers konden voortaan twee sluizen mijden. Het dwarsstuk raakte in verval, de sluizen werden afgebroken. Nu is er niet veel meer dan een royale sloot van over.

Om de waterhuishouding van Friesland te verbeteren werd er besloten om ook de Kuikhornstervaart te verbreden en uit te diepen. Er werd een spoorbrug met 8 stenen bogen gemetseld om het water alle ruimte te geven. De komst van de polder jongens in Kuikhorne in 1880 heeft heel wat drukte in het anders zo stille oord ge bracht. “Noait is der mear jenever dronken, op'e fioele spile en dounse as in de simmers fen 1880 en 1881” staat er in de bron waar-uit we de meeste gegevens over Kuikhorne hebben gehaald. “De keten stienen yn de Kûkhernsterbuorren op de âlde mounepôlle; it like wol alle jounen merke ! ”

Het slot “Jagtlust”.

Dit slot stond aan het eind van de Nieuwe weg, aan de oostkant tegen de Zwetteweg aan. Door wie het is gesticht is onduidelijk. Sommigen noemen de Nassaus, anderen de Haersma's van Stania State en ook weer de familie Schwartzenburg wordt hiermee in verband gebracht. Als houtvesters die er woonden worden ook genoemd de Haersma's, dus . . .

In de herfst kwam de adel hier jagen. Ook de stadhouders van Friesland schijnen vaak de Zomerweg en de Nieuwe weg langs gekomen te zijn om hier te jagen. Later kwam men met de trein naar Veenwouden, liep dan langs de Zwette en kwam dan samen bij het “boskhûs”, dat iets westelijker aan de Zwette lag. Hier woonde de boswachter. Dan ging men jagen. De arbeiders en boeren van de Bergumerheide moesten het wild opjagen. Het bos was in kampen verdeeld met tussenliggende paden. Zodoende kon men het opge-jaagde wild gemakkelijk schieten. ‘s Middags werd er dan gepauzeerd in herberg “ ‘t Boschhuis” aan de Rijksstraatweg.

Ook schijnt de kantonrechter van Bergum nog op het slot te hebben ge-woond. Later woonde dokter P. H. Feenstra er, die daar zijn praktijk uitoefen-de. Deze had een grote telescoop achter in zijn tuin staan waar de mensen groot ontzag voor had den. Hij zocht in het bos de kruiden die hij in zijn prak-tijk gebruikte. Dit kruidenzoeken leerde hij ook aan zijn koetsier Harm Durks, wiens zoon later als “Greate Wopke” bekend werd. Na dokter Feenstra woonde er een oud-zeekapitein Du Leu. In 1892 werd er de sigarenmakerij van Wiegersma in gevestigd. In 1907 is het slot afgebroken en werden de twee leeuwen die er bij stonden voor het oude gemeentehuis in Bergum geplaatst.

aan de heidstreek

Het boerderijtje van E van Wieren aan de Heidstreek (1934) .
links: Renze en Nienke van Wieren, in het midden de fam. Brouwer en rechts Anna en Egbert van Wieren

zwartkruis 100

 

 

De Woning Zwartkruis 100 omstreeks 1950, later afgebroken

De Heidstreek.

Op de schoorsteen van het huis nummer 1 aan de Heidstreek staat: Anno 1749. Dit duidt er dus wel op dat deze streek al vroeg bewoond werd. Het was ook een zgn. veenkolonie. De vaart waarde bebouwing langs geconcen-treerd is getuigt daar van. Vòòr 1600 was de veenafgraving in deze buurt al aan de gang. De vervening heeft tot ongeveer halverwege de 18e eeuw ge-duurd. Op oude kaarten komen dan tenminste al grote stukken cultuurgrond voor. Het gebied van de Heidstreek wordt in dit stadium wel tot de Zeven-huizen gerekend. De vaart heeft tot ver na de tweede wereldoorlog een funktie vervuld. De boeren van de Heidstreek hadden ook land noordelijk van Veenwoudsterwal liggen. Met grote pramen werd het gras en hooi dan naar huis gehaald. Bijna op het eind van de vaart ligt nog een grote poel. Deze ontstond doordat er “klien” uit werd gehaald voor de bereiding van de kleine harde turf, de zgn. “baalders”. Er is over de Heidstreek verder niet zoveel bekend. Zoals al eerder opgemerkt, het is een rustig oord. Op plaatsen waar vroeger boerderijen stonden zijn nu volkstuintjes. Er zijn plannen om de “reed” te verharden, zodat die in het natte jaargetijde wat beter begaanbaar is. De mensen die er wonen zijn meer op Veenwouden dan op Noordbergum georiënteerd. Eén van de oudere bewoners zei: “We moesten vroeger naar school op de Heide, maar later ben ik er niet vaak meer geweest”.

Zwartkruis.

‘s Zomers gingen we naar het Zwartkruis om er te zwemmen. Met het Zwart- kruis bedoelden we toen en nu nog de direkte omgeving van de brug over de Kuikhornstervaart. De streek of buurt Zwartkruis mogen we beslist wat ruimer nemen, immers de plaats waar Zomerweg en Rijksstraatweg bij elkaar komen rekenen we hier ook nog bij. De oude brug die de Zwartetille werd genoemd lag iets zuidelijker over de vaart. De Zomerweg lag, voor de aanleg van de Rijksstraatweg, tot aan de vaart. Het pad langs de “opslag” is er het laatste stukje van. Hier recht tegenover, aan de andere kant van de vaart, ging de weg dan langs het voormalige veerhuisje, verder naar Twijzel. Vanaf de nieuwe brug kan men de vage resten van deze oude weg nog ontdekken. Menig Noordbergumer heeft hier het zwemmen geleerd en in de zomer vele plezierige uurtjes doorgebracht op de zand- en grindbulten. De schepen die hier lagen, verhoogden natuurlijk de vreugde. De vlasfabriek met de enorme loodsen bepaalden sterk het gezicht van deze plaats. De naam Zwartkruis heeft al tijd iets geheimzinnigs in zich gehad. Het blijft wat onbevredigend. Wat betekent de naam, of hoe is hij ontstaan? Er werd gesproken over een dode “poep”. Aan de ou de Harstewei stond een (zwart) kruis en het “poepe” kruis lag aan de Zomerweg onder Hardegarijp. Wat is nu de waarheid? De Zomerweg liep dus tot de Kuikhornstervaart en was tot 1830 een belangrijke verbindingsweg. De Nieuwe weg kwam hier op uit. Aan dit belangrijke knoop-punt stond de herberg “Zwartkruis”. In verhalen van rond 1750 wordt deze herberg al genoemd. Handelslieden konden elkaar hier treffen en rusten van hun vermoeiende trektochten. Toen de Kuikhornstervaart uit gediept en verbreed werd konden de polderjongens hier onderdak vinden, In een krant van 1888 vonden we nog een advertentie van een grasverkoping in deze her- berg. Volgens de hee rSierds Douma is in 1928 de vroegere herberg tot stelp-boerde rij verbouwd waarop hij jaren heeft gewoond. Daarvoor was het al een dubbel woon huis met er achter nog wel de grote schuur. Er hing toen nog een houten uithang bord onder de gootlijst. Die was donkergroen en beslagen met een zwart ijzeren kruis en de naam. Op de gele gootlijst stond nog eens “Zwartkruis”. “Het houten uithangbord heb ik indertijd kapot geslagen, ik kreeg er een hekel aan, de mensen die hier langs kwamen riepen soms luid ‘ZWART KRUIS' “aldus Douma. Op de voordeur zat zwart ijzerbeslag hetwelk Rachal bij de put, voorstelde. Maar met al deze wetenswaardigheden zijn we nog niet veel verder gekomen wat de naam betreft. Waarom droeg de herberg de naam Zwartkruis? In 1974 stond er een artikel in het Friesch Dagblad over hetzelfde onderwerp. Daarin werd de mogelijkheid geopperd dat de naam verband zou houden met de bezittingen van de Schwartzenburg. Immers het evenzo genoemde bos lag pal naast de Nieuwe weg, terwijl deze toch ook een verlengstuk van de Schwartzenburger weg was, noordelijk van Kuikhorne. Mogelijk dat men hierdoor sprak van Schwartzenburger kruis(punt) of iets van dien aard. In de loop der jaren zou dit dan kortweg het Zwartkruis zijn ge worden. Het is mogelijk, wie zal het nu nog zeggen? Voor de volledigheid kunnen we nog melden dat volgens “Spahr en Ypma” het laatste stuk Zomerweg bij het Zwartkruis al in 1511 de naam “Swarte Wech” droeg en dat de landerijen zuidelijk hiervan de Swarte Finnen werden genoemd. Buiten de gewone boeren en melkboer Lijkele Hansma, die precies in het uiterste hoekje van “de punt” woonde zijn er verder geen economische activiteiten geweest. Ja de vlasfabriek uiteraard. Hierover heeft u in vorige hoofdstukken kunnen lezen. Nadat eerdere pogingen eigenlijk min of meer mislukt zijn, lijkt het er nu op dat er een moderne, goed lopende jachthaven aan de Kuikhornstervaart verrijst of liever gezegd aangelegd wordt. Wietse Postma de huidige eigenaar heeft wat dat betreft grootse plannen. Een plan voor een restaurant en dat soort zaken ligt nog op de tekentafel.

Voor de dorpsgenoten heeft de Vereniging Voor Dorpsbelangen de al genoem- de “opslag” in beheer. Kleine visbootjes kunnen daar voor weinig geld een plaatsje krijgen. De PEB centrale in de Koemeerpolder bepaalt tegenwoordig sterk het aanzien van het Zwartkruis, vooral voor wie langs de Rijksstraatweg vanaf Twijzel over de brug komt. Op deze plaats lagen vroeger de Meen-scharren, de stukken gemeenschappelijk land. Strikt genomen ligt dit buiten het grondgebied van ons dorp, we zullen daarom beschrijving hiervan nalaten.

 

grasverkoping

 

 

jachthaven

 

 

De ruime jachthaven "Zwartkruis"

opslag vlasfabriek


 

De opslag bij de voormalige Vlasfabriek

Noordermeer.

Deze buurtschap ligt eigenlijk ook buiten ons dorp. Toch willen we het hier noemen, omdat het noordelijk deel van de bewoners zich duidelijk bij Noord-bergum betrokken voelt. De kinderen gaan er naar school en men gaat er naar de kerk. Oor spronkelijk was Noordermeer een zelfstandig dorp, hoofdzakelijk gegroepeerd rond de Kruiskerk, dus zeg maar Bergumer Nieuwstad en de Menno van Coehoornweg. Hier in de buurt stond ook het “Hooghuys”, een groot buiten waar voorname lieden woonden. In het boek “Tietjerksteradeel” kunt u er alles over lezen. Het stuk waar de “Noordbergumers” wonen lag er vroeger anders bij. De weg ging achter de woningen van nu langs. Dus over het pad wat langs het kleine huisje “de Wylch” gaat naar de woonboerderij van de familie Beeling. Er zijn in dit gebied nog enkele boom wallen, typerend voor de hoge zandgronden westelijk van het Bergumermeer. Hele stukken land zijn in de loop der tijden al afgegraven. Vroeger kwam hier veel wild voor, zoals konijnen, hazen, fazanten enz. Ook het fraaie Ritskebos ligt hier. De IWGL heeft ook hier haar wingebied. Door gestage uitbreiding van dit gebied en strenger wordende milieu-eisen geeft dit beperkingen voor de in de buurt liggende bedrijven. Landschappelijk is het een fraaie buurt. De naam Noorder-meer komt waarschijnlijk van een ingepolderd stuk van het Bergumermeer, wat zo heette.

 

eerste auto sikkema's


De eerste vrachtauto na de oorlog van de gebroeders H.P. en
M. Sikkema

Quatrebras.

In de omgeving van Quatrebras werd al vroeg aan vervening gedaan. Vooral tussen Veenwoudsterwal en Quatrebras is er een belangrijk veengebied geweest. Maar ook langs de Burgeveenstervaart was dit het geval. Voordat de straatweg er kwam waren de herbergen “Huis ter Heide” en “Huis ten Bosch” belangrijke rustpunten aan de oude weg. Na 1830 kwam hier veran-dering in. Wanneer de herberg van Quatrebras is gebouwd weten we niet, maar het werd een belangrijk ontmoetingspunt. Ook vanwege de naastge-legen speeltuin is deze herberg lang het einddoel van “dagjes uit” geweest. De diligence kwam er vroeger 8 keer per dag langs. Later kwamen paarde-
en stoomtram. Nu rijden er elke dag duizenden auto's, groot en klein, over de kruising, die in de loop der jaren al vele malen gerekonstrueerd is. Auto-matische verkeerslichten zorgen ervoor dat alles keurig en meestal vlekkeloos verloopt. Het is welhaast logisch dat op zo'n markant punt ook de Marechausseekazerne (later politiebureau) kwam. Nu is er al enkele jaren de antiekhandel Boomsma in gevestigd. Zo kunnen gebouwen steeds wisselende bestemmingen krijgen. In het pand aan de Oude Commissieweg no 28 was oorspronkelijk het mengvoederbedrijf van Wouda gevestigd, later is er het “plasticfabriekje” geweest (men maakte er plastic regenkleding) en tot voor kort was er een groentehandel in gevestigd.

Wat betreft de voorzieningen ,die er in de loop der jaren zijn geweest, kon Quatrebras een dorp op zichzelf zijn. Kruidenier, slager, bakker, groenteboer, café, smid, garage, autohandel, houthandel, bar, artiesten buro en wegen-bouw, van alles is er geweest. De leveranciers van de zgn. “eerste behoeft-en” zijn echter verdwenen. En ook voor deze buurtschap geldt weer: hoewel sommige stukken eigenlijk bij Hardegarijp behoren, is men wat kerk en school betreft op Noordbergum ge oriënteerd.

 

boerderij de Hoop
Voormalige boerderij hoek Rijksstraatweg - Woudweg. Bewoond geweest door de familie de Hoop

bejaarden noordbergum

 

 

 

De bejaarden van Noordbergum een dagje uit

commissie bejaarden

De commissie bejaardentochten.
Boven v.l.n.r.: H Sikkema - G Sikkema - S de Vries - E van Akker - mevr. Bloemhof -

Bloemhof - W Kloetstra - en S Kloetstra.
Onder v.l.n.r.: A Boonstra - A Boonstra - S de Vries - mevr van Lune - en D van Lune.

 

 

top