Voor reakties  mail naar   j.zwart13@chello.nl

 

Door Nico Plomp : Drie Eeuwen van der Heeden's in het oosten van Holland

               

                                                                         Voor reakties  mail naar   j.zwart13@chello.nl

 

Inleiding

 

De Familienaam Van der Heede was met spellingsvariaties reeds in de middeleeuwen in gebruik, zowel in de Noordelijke als in de Zuidelijke Nederlanden.

Hoewel er in de zeventiende en achtiende eeuw Van der Heede's in de Noordelijke Nederlanden waren  van  wie de afkomst  uit

Vlaanderen aantoonbaar is, valt te betwijfelen of daarvan afstammelingen zijn onder de 216 v.d. Hee's, 63 v.d. Heedens en 20 v.d.Hedens die Nederland  telde bij de volkstelling op 31 mei 1947.  1 )

 De Van de(n) Hee's blijken te stammen  uit het oosten van de provincie Utrecht en het westen van Gelderland, De Van der Hee's komen vooral uit Bergambacht , waar de naam al in de 18 e eeuw voorkwam.

Uit die plaats stamt ook een deel van de Van de Hedens, afkomstig uit de Lopikerwaard, waar zij met name in de zeventiende en achtiende eeuw nogal talrijk waren 2).  Over de herkomst van de familie uit de Lopikkerwaard, sinds de zeventiende eeuw een typische plattelandsgeslacht, handelt dit artikel.

 

Wie zich in de zeventiende- en achtiende eeuwse generaties van dit geslacht verdiept , zal het opvallendst daarin de voornamen Amel en Andries regelmatig voorkwamen.

 Zonder veel moeite kan men met behulp van doop-en trouwregisters en rechterlijke archieven de gemeenschappelijke voorvader terugvinden : Andries Amelsz. van der  Heeden, die aan het begin van de zeventiende eeuw als boer te Lopik woonde. Zijn landerijen  werden beschreven in een belastingkohier uit het jaar 1600 en zelfs afgebeeld op een kaartje uit 1607, dat zou  een tevreden stemmend begin van de genealogie zijn, indien niet een toevallige vondst in de repertoria op de Hollandse leenregisters het perspectief op nog oudere generaties had geopend,

In die leenregisters is te vinden hoe Andries Amelsz. van der Heede in 1587 van zijn vadereen kleine zeven hectare land in de polder Bulwijk onder Woerden n een erfpacht uit een aantal huizen te Bodegraven erfde.

 De beide bezittingen waren reeds generaties lang in de familie, zodat de repertoria een stamreeks opleveren die tot diep in de Middeleeuwen reikt.

 Maar waar woonde deze Van der Heede's en wat waren het voor mensen?

Is er meer te vinden dan alleen  maar die  lange reeks namen en data uit  de leenregisters?

 Om die vraag te beantwoorden werd verder gezocht.  Systematisch onderzoek, maar even zeer toevalsvondsten en vriendendiensten

 leverden  inmiddels een beeld op dat interessant genoeg lijkt om hier te  schetsen.

 

DE OORSPRONG.

 

 De oorsprong  van deze familie moet worden gezocht  op een boerderij op Rietveld, aan de Oude Rijn onder Woerden. Deze boerderij was in de veertiende eeuw in gebruik bij Claes Matthijssoen, die met andere  inwoners van Rietveld en  het tegenover gelegen Barwoutswaarder vermeld wordt in een register dat uit 1369 dateert.

In 1372 moest hij 12 £ bijdragen voor het tot stad versterken van Woerden, waarmee hij tot  de hoogst aangeslagene behoorde, Zijn boerderij vererfde  op zijn zoon Matthijs, maar toen deze overleed verviel het deel van het land dat aan de graaf van Holland leenroerig was, twaalf morgen, aan de  leenheer, Het was een recht leen, hetgeen betekende dat het niet in  de zijlinie kon vererven als de leenman , zoals blijkbaar in dit geval. geen kinderen naliet.

Het land werd na de dood van Matthijs van de  graaf gekocht door Andries Claessoen. Deze bezat , deels samen met zijn broer Corstant Claessoen, reeds aangrenzende landerijen , hoewel het bewijs ontbreekt, lijkt het dat wij hier te doen hebben met tweejongere broers van Matthijs Claessoen. 

Of zij diens boerderij zelf hebben geexploiteerd is zeer de vraag.

Uit het feit dat Andries in 1384 een transactie bevestigde ten overstaan  van schout en schepenen van Oudewater, mag misschien afgeleid worden dat hij zich in dat stadje had gevestigd.

  Veel sporen heeft hij in de archieven niet achter kunnen  laten, omdat hij kort nadien overleed.  In 1385 werd hij in zijn leen

opgevolgd door zijn zoon Jan Andriesz, van der Heede, die toen nog onmondig was.

Van Jan is bekend dat hij  in  1390 binnen het kerspel Woerden woonde.

Hij was er later Hoogheemraadschap van het Groot-Waterschap van  Woerden .

Krachtens een bepaling van Hertog Albrecht uit 1396 waren er vijf '' welgeboren heemraden” , waarvan er drie uit het Hollandse en twee uit het Stichtse deel van het Groot-Waterschap kwamen.

Zij moesten met minstens twintig morgen land gegoed zijn in het Waterschap.

In oorkonden uit het laatst van de veertiende eeuw en het begin van de  vijftiende eeuw worden de oorkonde heemrade steeds  ,, knape'' genoemd, waarmee niet werd bedoeld dat zij allen ridders in spe waren of  afstamde van ridders, maar veeleer dat zij voortkwamen  uit de vrije, edele Hollandse welgeborene , die weliswaar tot de ridderlijke staat konden  komen, doch doorgaans leefden als gezeten boeren.  4  )

Jan Andriesz. van der Heeden paste in die groep. Daarop duidt niet alleen  zijn verkiezing tot hoogheemraad, maar ook de herkomst van zijn  naam, zoals hieronder zal blijken, in eerdergenoemd register uit 1369 wordt trouwens Matthijs Claessoen, de

 ( onbewezen ) oom van Jan. eveneens  ,, knaap'' genoemd, waarschijnlijk in dezelfde betekenis.

    Andries Claessoen gaf niet alleen zijn zoon oudste zoon de toenaam Van der Heeden, maar ook zijn tweede zoon, Jacob. De achternaam Van der  Heede treffen we eerder niet aan op  Rietveld , maar toch waren Jan Andriesz. van der Heede en Jacob Andriesz. van der Heede ongetwijfeld beiden met naam en toenaam vernoemd.

Enkele kilometers ten westen van de bakermat van deze familienaam Van der Heede al sinds kort  na 1300  voor.

 

Veertiende eeuwse Van der Heede's

 

    

In 1315 droegen Jacob van der Hee en zijn zoon Ingebrecht een woning met zestien gaarden land bij de kerk te Bodegraven op aan  de graaf van Holland, waarna zij het geheel in leen terugontvingen.

 Nadat Ingebrecht of Engebrecht was overleden, werd in 1368 diens zoon Jacob van der Heede Engebrechtsz. ermee beleend. Aan dat overlijden was het een en ander voorafgegaan. Jacob wordt in de baljuwrekening van het land van Woerden over de periode februari 1387 tot  februari 1368 vermeld, samen met Aernt  Engebrechtsz. omdat zij Harman Diddensoen hadden gedood. Zij betaalden daarvoor aan de baljuw een boete van 220 £ doch kwamen niet in Gevangenschap omdat het een  ,, vriendzoen '' betrof. 

 Dat wil zeggen dat zij , als welgeborenen, onderling de vrede herstelden waarbij  de daders of hun borgen aan de familie van het slachtoffer zoengeld betaalde   5

 Dat de vrede niet blijvend was blijkt uit het feit dat binnen enkele  jaren nieuwe slachtoffers vielen, te weten  Engebrecht Jacobssoen ( hun vader } , Jan Engebrechtssoen ( hun broer ) en Jan Diddesoen, allen uit Bodegraven. De hoogte van het zoengeld werd door de baljuw  vastgesteld.

Voor de familieleden van de daders, die moesten  meebetalen aan het zoengeld, was dat dikwijls een zware last. Daarom werd vanaf 1371 door hertog Albrecht de gelegenheid geboden  die verplichting af te kopen 6 )

 Jacob  van der Heede onder Zwammerdam, die direkt van die gelegenheid  gebruik maakte, is misschien dezelfde als Jacob van der Heede die in 1372 in de aangrenzende parochie Bodegraven woonde en daar 12 £ moest bijdragen voor het versterken van Woerden , Waarschijnlijk gaat het hier om de zoeven genoemde Jacob van der Heede  Enghebrechtsz.

 Aernt Enghebrechts. die kennelijk een broer was van Jacob. werd slechts een enkele keer met de naam  Van der Heede genoemd, namelijk in 1392, toen hij samen met Ruysch van der Heede een vrijgeleide kreeg voor de baljuwschappen Rijnland en Woerden. Zij hadden die nodig vanwege  een doodslag, begaan aan Splinter Gheryt Boudijnsoen. \

Toen de graaf in 1393 uitspraak deed tegen negendertig inwoners van  Bodegraven die hadden geweigerd bij te dragen aan de verdere versterking van Woerden, waren daaronder wederom Aernt Enghebrechtsz en Ruysch van der Heede.

 Jacob van der Heede Enghebrechtsz, was inmiddels overleden, zijn leengoederen nalatende aan zijn oudste zoon Jan, die er in november 1383 mee werd beleend.

Jan woonde toen al in Oudewater , waar hij  twee jaar later schepen was. In 1396 gaf zijn broer Ruysch van der

Heede Jacobssoen een oorkonde uit betreffende een erfpacht, ten overstaan van hem ( Jan ) en Michiel Claes Zwanssoen als ,,

 goede knapen ''

Zijn echtgenote was in  1395 Kerstijn, zuster van Gherijt van der Aer

Een aantal geschilpunten tussen broer en zuster over het beheer van haar goederen werd op 3 december 1395 afgedaan, enkele andere punten zouden definitief worden geregeld na de terugkomst van Jan van der Heede, die blijkbaar elders vertoefde.

Al eerder, in 1390, had Jan het voorvaderlijk leen bij de kerk te Bodegraven verkocht aan zijn broer Ruysch van der Heede

 Ruysch heette voluit Willem Ruysch van der Heede,  Het kwam nogal eens voor dat men kinderen met naam en toenaam vernoemde.

Wanneer men  vernoemde naar iemand met een  één- of twee lettergrepige achternaam, werd die vaak als roepnaam gebruikt en bleef de oorspronkelijke achternaam zin functie behouden  7),  Bij de naam Willem  Ruysch  valt opdat die in de dertiende en veertiende eeuw ook werd gebruikt bij één  van de twee riddermatige  families die zich  Van  Linschoten    noemden  en in het dorp Linschoten, ten zuiden van Woerden , een kasteel bezaten.

   Deze familie, die tot 1341 het latere huis Wulverhorst onder Linschoten bezat, voerde als wapen in rood een zilveren schuinbalk, Dat geeft een tweede aanleiding om verband te zoeken met de Van der Heede's Willem Ruysch van der Heede voerde eveneens een schuinbalk, met als persoonlijke breuk in het midden van de balk een kruisje of een ruit, dat is op  de twee  bewaard gebleven afdrukken van zijn zegel niet goed zichtbaar, ook zijn broer Jan van der Heede voerde een schuinbalk, met bovenin die balk als persoonlijke breuk een vijfpuntig sterretje .

Het is dus mogelijk dat de beide broers een familierelatie met deze Van Linschotens van riddermatige hadden, doch zeker is dat  allerminst.

Voorzichtigheid is hier geboden, want er zijn , naast een aantal individuele dragers, nog verscheidene andere familie's uit dezelfde

omgeving aan te wijzen die in de middeleeuwen een schuinbalk in hun schild voerden, zoals bijvoorbeeld Kynt, Van Eyck en één van de families van Rijneveld.

Willem Ruych van der Heede wordt te Bodegraven vermeld van  1383 tot 1412. In 1394 was hij schout van Reeuwijk en

 Zwammerdam.

In 1416 werd hij in zijn lenen opgevolgd door zijn zoon Jacob Ruyschen van der Heede, die vermeld wordt tot 1441.

 Blijkbaar waren Jacob en zijn oom Jan te Oudewater beiden kinderloos.

Jacob droeg in 1444 het leen te Bodegraven over aan zijn neef Andries  van der Heede Jacobsz, dat was de methode om een recht

 leen nietbij het overlijden aan de leenheer te laten vervallen; het tijdig overdragen aan een ander.

 Met Andries van der Heede Jacobsz, zijn wij terug bij de Rietveldse familie. Al eerder, in 1400 , traden Johan van der Hede en

 Johan van  der Hede Andriesz ., zijn neef, op voor Erckenraet Johan Eggaertsdochter, hun beider nicht. De eerste Johan zal de

 Ouderwaterse poorter zijn  geweest, de andere was de Woerdense hoogheemraad.

Hiermee wordt duidelijk dat er verwantschap bestond tussen de veertiende eeuwse Van der Heede's te Bodegraven en de beide

 zonen van Andries Claes- zoen uit Rietveld. Beiden zijn zij blijkbaar met naam en toenaam naar familieleden genoemd. het meest

 waarschijnlijk is dat hun moeder een  dochter  was van Jacob van der Heede Enghebrechts. en een zuster

van Jan van der Heede en Willem Ruysch van der Heede.

 

In Gouda

 

 Jan van der Heede Andriesz., de Woerdense hoogheemraad, liet uit zijn huwelijk met Avezoete, kortweg Zoete genoemd, geen

kinderen na.

Zijn lenen vererfden op zijn broer Jacob van der Heede Andriesz. Deze wordt vermeld van 1423 tot 1460, omdat twee van zijn

 kinderen later te Gouda woonden, is het waarschijnlijk dat ook hij daar al gevestigd  was.

Zekerheid bestaat daarover echter niet omdat zijn woonplaats niet genoemd wordt in de gegevens die op hem betrekking hebben.

 Die twee zonen , Hermen en Andries, vinden we terug in de Goudse transportregisters en in de leenregisters. Herman had twee zonen die priester werden , waarvan er één , heer Johan Hermans van der Hee, tientallen jaren pastoor van Montfoort was. Andries Jacobsz , van der Hee ( ook wel Van der Heide genoemd ) was enige keren schepen van  Gouda

  Opmerkingen is het wapen  waarmee Andries zegelde. In 1438 en 1440 was dat een schuinbalk, links vergezeld van een Sint-Andrieskruisje.

Het randschrift luidde ;  ,, S ( igillum ) Andries Jacobsz van der Heide''.

In 1458 gebruikte hij hetzelfde stempel, doch het wapen was inmiddels vervangen door een gevierendeeld schild; 1  en  4  een schuinbalk, 2  en  3 een  Sint-Andrieskruis, misschien diende het vierendelen ter voorkoming van verwarring met andere wapens, Een schuinbalk kwam nu eenmaal nogal eens voor. Waarschijnlijk heeft Andries, of wellicht al eerder zijn vader of zijn oom de hoogheemraad, met de naam ook het wapen met de schuinbalk van de familie Van der Heede uit Bodegraven overgenomen

 Van Andries, die omstreeks 1646/66 overleed, zijn twee zonen bekend, beiden met de naam Jan. De oudste overleed voor september 1484 en liet zijn goederen na aan zijn broer, Mr. Jan Andriesz. van der Heede.

Deze had gestudeerd te Leuven, waar hij in de zomer van 1471 was ingeschreven. Hij overleed reeds in 1488, twee slechts enkele jaren  oude kinderen  nalatende, een zoontje en een dochtertje.

Hun namen vinden we in de lijfrenteregisters van Gouda, die in 1492, waarschijnlijk in het fraterhuis van de Collatiebroeders aldaar, gedrukt zijn 8)

 De zoon, Andries Jansz. van der Hee, was mondig in 1518. Van hem hebben we een iets duidelijker beeld dan van zijn voorouders, van wie niet bekend is welk beroep zij uitoefenden en met wie zij getrouwd waren.

    Andries Jansz. van der Hee huwde in eerste echt een dochter van de Goudse burgemeester Pieter Volpertsz.

 Diens familie zou zich later  Van Roosendael gaan noemen.

Andries werd tussen  1524 en 1548 zeer regelmatig schepen.

Het  zegel dat hij in die kwaliteit gebruikte, vertoont een nieuwe ontwikkeling in het wapen, want  hij voerde;  1 en 4 een schuinbalk , 2 en 3  drie Sint-Andrieskruisjes. Zeven kinderen zijn van hem bekend. Jan, waarschijnlijk de oudste, werd student te Leuven in  1523 , daarna verliezen wij hem uit het oog. Pieter volgt hieronder.

Maerten werd geestelijk broeder, Aechte werd geestelijk zuster in het klooster ten Poel bij Leiden. Daarna volgden nog Catrijn, Cornelis  en Marritje.

Andries Jansz, van der Hee overleed op 10 juni 1558. Lang voor zijn  dood, nog tijdens het leven van zijn eerste vrouw die op 15 oktober 1528 overleed, had hij met haar een legaat afgezonderd voor de  Heilige-Geestmeesters ( armbestuur ) te Gouda. Daaruit moesten deze jaarlijks op ieders sterfdag drie requiemmissen laten opdragen door twee priesters, die daarna  op het graf van de overledene het miserere moesten bidden.

Daarvoor zouden  ieder van de Heilige-Geestmees- ters twee stuivers ontvangen.

Voorts moesten deze aan dertien armen te kiezen door de familie van de legatarissen, op deze dagen na de  missen een stuiver per persoon uitreiken.

 

Van der Heede te Oudewater

 

Inmiddels had de tweede zoon van dit echtpaar, Pieter Andriesz, van der Heede, zich te Oudewater gevestigd, Hij was er getrouwd met Claertgen Amelsdochter van Rijswijck, uit toen een welbekende familie.

Pieter  en Claertgen  bewoonden in 1543, blijkens een belastingskohier, een huurhuis in het Leeuweringenvierendeel. Het stadje was in vier kwartieren verdeeld. 

 Het belastingskohier werd in 1545 afgesloten en  met vlotte hand mede ondertekend door ,, Pieter Andriesz van der Hee'',

als lid van het stadsbestuur .

In een kohier uit 1558 wordt hij opnieuw vermeld, nu echter als huurder van  een huis in het twijstratervierendeel

Enkele jaren later, in 1562, bewoonde hij eveneens een huis ( met hoge huurwaarde ) in die wijk, doch tevens had hij toen twee huizen verder een nog beter pand in eigendom dat werd bewoond door Jacob van Berry, Jacob van Alckemade genaamd van Barry, die tekende als J. Berry, was baljuw en schout van Oudewater.

 Pieter Andries. van der Heede wordt in 1545  en  1555 genoemd als schepen van Oudewater  en in 1564 als lid van  ,,achten'' , de stedelijkeraad. Wat zijn beroep was is niet bekend.

   In het oudste grafregister van de kerk van Oudewater staat een aantal graven ten name van  ,, die van der Hee ''. Uit het register, waarin de oudste gedateerde inschrijvingen uit de tweede helft van de zestiende eeuw zijn, valt op te merken dat die tenaamstelling moet dateren uit de tijd van Pieter Andriesz. van der Heede. Mogelijk zijn enige graven uit de familie van zijn echtgenote vererfd. In het best gelegen graf,  op het  O.L.Vrouwenkoor, werd Pieter in 1573 begraven. Claertgen wordt in het register niet vermeld, Zij overleed in ieder geval voor 1585.

 Uit het huwelijk van Pieter Andriesz. van der Heede en Claertgen Amelsdr. van Rijswijck werden, blijkens een akte uit 1585, vier kinderen volwassen : amel, de oudste zoon, Jan Pieter die geboren werd in 1544 of 1545 , en een dochter Gertruit, geboren in 1546 of 1547

 Dat de oudste zoon, Amel Pietersz van der Hee, pas in 1581 werd beleend met de bezittingen van zijn vader onder Woerden en Bodegraven, is waarschijnlijk een gevolg van zijn lotgevallen  in de roerige tijd waarin hij leefde. Amel was in 1564 al volwassen en getrouwd.

 Zijn vrouw was Barbara Willemsdr., een dochter van een gegoede weduwe uit Benschop, niet ver van Oudewater,

Of zijn schoonvader Willem Thonisz. landbouwer of koopman  is geweest wordt niet duidelijk uit de bronnen.

Elizabeth Cornelisdr. Amels schoonmoeder, beloofde in  september 1557 vijftig mud haver, die haar overleden man had verkocht aan Henrick Amelsz. te Oudewater, alsnog te leveren.

Behalve Barbara had zij nog twee dochters , de ene gehuwd met Claes van Lostadt, de  schout van Benschop, de andere met Aert Gerritsz. van Noortwijck, die te Oudewater woonde in een boerderij binnen de stad.

Amel en Barbara woonden ook te Oudewater, waar hij in datzelfde jaar wordt genoemd in een lijst van personen die s'nachts in het Twijstratervierendeel ( bij de huidige Wijdstraat ) wachtdiensten moesten verrichten.

 Toen in 1566, het jaar van het ,, smeekschrift der edelen '' en de beeldenstorm, heer Hendrik van Brederode enige duizenden soldaten bijeenbracht in zijn stadje Vianen om in het beginnende opstand van daaruit Amsterdam en Utrecht in het oog te houden, sloot  Amel Pietersz. van der Hee zich bij hem aan.

Het werd een mislukking; in het volgende jaar werd het leger ontbonden en nam Brederode de wijk.

De hertog van Alva, door de koning naar de Nederlanden gezonden om orde op zaken te stellen, richtte na zijn komst te Brussel in augustus 1867  een speciale rechtbank op om deelnemers aan de troebelen te berechten. de Raad van Beroerten, die de bijnaam ,, bloedraad '' kreeg. Op 27 oktober 1568 werd uitspraak gedaan tegen 37 voortvluchtige personen uit Gouda. Oudewater, Woerden en Jaarsveld. Een van hen was Amel Pietersz. van der Hee, die gestraft werd met een verbanning en verbeurdverklaring van zijn goederen.

      Waar Amel Pietersz. van der Hee sindsdien verbleef is onbekend.

In 1581, toen  Alva was teruggekeerd naar Spanje en ook het gezag van de koning niet langer werd erkend, kon Amel tenslotte beleend worden met zijn Hollandse lenen. Niet zo lang  daarna, dat wil zeggen voor 1585, is  hij overleden. Of zijn vrouw Barbara Willemsdr. hem overleefde is niet bekend.

 

Ooms en tantes van moederszijde en hun nageslacht

 

 Amel was niet de enige uit de familie die een rol speelde bij de  veranderingen die zich aan het voltrekken waren. Een broer van zijn moeder was heer Dirck Amelsz. van Rijswijck, priester te Oudewater. ook bekend onder de gelatiniseerde naam Theodorus Aemilius, ,,een deftig, geleerd en godtsalig man'' ,  zo schrijft Brandt,  ,,die, eenige smaak in de leere der reformatie gekregende hebbende, bij zich zelven besloot voortaan geen misse meer te doen.Daarom veranderde hij dikmaal van  woonplaats en onthield zich nu te Parijs, dan te Leuven, dan te Keulen, dan tot Utrecht. Deze was 't die Jacob Hermansz., naderhand bekend onder de naam  Arminius, bemerkende  in hem teekenen en proeven van een treffelijck verstandt, in sijne vaderloze kintheid ter schoole bestelde en hem in de gronden der taelen en godtsalig liet onderwijsen ''.

Heer Dirck Amelsz. plaatste zijn jeugdige stadgenoot ( geboren in 1560 op de Hieronymusschool te Utrecht. Toen  Aemilius daar twee jaar later, in 1574 overleed, liet een andere bekende uit Oudewater, Rudolphus Snellius van Royen ( 1546---1613 ) hem overkomen naar Marburg.

Bij  het vertrek van Snellius naar Pisa keerde Arminius naar Holland terug, waar hij vanaf oktober 1576 te Leiden studeerde. Hij was daar toen  Snellius er in  1581 hoogleraar werd. Snellius was een volle van Theodorus Aemilius en van Claertgen  Amelsdr. van Rijswijck. de vrouw van Pieter Andriesz. van der Heede. Snellius vader Willebrord van Royen, die ook te Oudewater had gewoond, was een broer van hun moeder Catharina van Royen,

Toen Theodorus Aemilius was overleden, waren zijn broer en zusters of hun kinderen de erfgenamen. Aan het feit dat deze erfgenamen in 1585 gezamenlijk een rentebrief uit de nalatenschap verkochten, danken wij enig inzicht in de overige familiebetrekkingen die Amel Pietersz. van der Heede had van moederszijde; een inmiddels overleden oom Hendrik Amelsz. van Rijswijck te Oudewater, en tante Haasje, weduwe  van Cornelis van Willem Huigensz. ( van Swieten ) , ook  te  Oudewater,  en een tante Leidje, echtgenote van de Goudse burgemeester Mr.Jan Jacobsz. van Rosendael. deze laatste was ongetwijfeld het voornaamste familielid van de Van der Heede's te Oudewater.

Hij was een volle neef  van  Pieter Andriesz. van der Hee via diens moeder Geertruid Pieter Volpertsdr. Van  Rosendaels vader Jacob Pieter Volpertsz, ( uit wiens derde huwelijk  hij was ), was bovendien in tweede echt getrouwt geweest met een dochter van Jacob van Royen, een tante van o.a. Prof. Rudolph Snellius van  Royen, van Clara van Rijswijck, de echt- genote van Pieter Andriesz. van der Hee, en van Van Rosendaels echt-genote Leidje van Rijswijck.

 Waarschijnlijk ter gelegenheid van hun huwelijk werden in 1552 hun portretten geschilderd op de vleugels  van een altaarstuk. Mr. E.J. Wolleswinkel heeft kunnen vaststellen dat de portretten onder de  nazaten van het echtpaar vererfd zijn tot een achterkleinzoon die geen kinderen had, waardoor zij in de familie van diens vrouw terechtkwamen en daar vererfden  tot zij in 1972 in verkoop  werden gebracht.

Dank zij steun van de Vereniging Rembrandt konden de portretten in 1985 door de gemeente Gouda worden  aangekocht voor de Stedelijke Musea aldaar.

Zij zijn geschilderd  op panelen van 54.5 x 29,5 cm. Op de achterzijde zijn in grisaille fraaie renaissance-ornamenten afgebeeld, me het jaartal 1552 en hun familiewapens; hij in zilver drie rode bonen, zij in zilver drie zwarte , goudgekroonde leeuwen.

Mr. Jan Jacobsz. van Rosendael ( 1552---1583 ) was schepen van  Gouda tussen 1550  en 1562  en burgemeester tussen  1569 en  1581.  Van Rosendael speelde  in juni  1572 een belangrijke rol bij de overgang van  Gouda  en Woerden  naar de Prins, met wie hij tevoren reeds in  correspondentie stond. Namens Gouda nam hij in juli 1572 deel aan de  eerste ,, vrije'' Statenvergadering te Dordrecht, waarin de vrijheid van godsdienst werd vastgesteld. Hijzelf is steeds katholiek gebleven.

In 1573  werd hij gekozen in de raad die de Prins zou bijstaan in het bestuur van het gewest. In 1576  werd hij door de staten van Holland afgevaardigd  naar Middelburg om daar met de Prins te spreken.

Op  24 juli 1581 nam hij deel aan de statenvergadering die de hoge overheid van Holland opdroeg aan de Prins, na de koning Philips II afgezworen te hebben.

  Van Rosendael zond in 1580 zijn beide zonen, Amel ( 1557---1620 ) en Jacob  ( 1559--- 1629 ), naar de in 1575 opgerichte Leidse hogeschool.

Amel had tevoren in Basel en Marburg gestudeerd.

Tijdens hun studie te Leiden woonden zij ten huize van hun achterneef Pieter Pietersz. van der Heede uit Oudewater, die inmiddels koopman in hennep te  Leiden was geworden, Amel en Jacob maakten beiden naam als rechtsgeleerde. Aan Amel en zijn echtgenote herinnert nog een grafmonument in de Sint-Janskerk te Gouda.

 Hoewel minder in het oog lopend, verdienen ook de overige ooms  en tante's  van Amel Pietersz. van der Heede onze aandacht. Tante Haasje Amelsdr. van Rijswijck was al vroeg weduwe van de Amsterdamse  korenkoper Cornelis Jacobsz. van Marcken. Zij vestigde zich te Oudewater , waar een dochter  trouwde met Andries van Aller uit Utrecht.die er brouwer was en tevens secretaris van enkele dorpsgerechten. 

Hun zoon Jan Andriesz, van Aller, brouwer en later ook notaris te Oudewater, vertrok na het overlijden van zijn moeder naar Rotterdam, waar onder zijn afstammelingen later verscheidene bekende notarissen waren.

 Tante Aaltje Ameldr van Rijswijck trouwde met Willem Huigensz. en  woonde aanvankelijk te Oudewater. Haar lotgevallen uit de jaren 1572 tot 1574 zijn enige regels waard . Toen Oudewater  in 1572 voor de Prins had gekozen  bleven zij en haar echtgenoot daar wonen, ,,haer nochtans dragende als andere catholycque persoonen, die daer genoch ende veel in getalle sijn '' , zo schreef zij in 1574 , Nadat eerst haar man was overleden en daarna te Utrecht  haar broer heer Dirck  Amelsz. van Rijswijck, verliet zij Oudewater en trok in bij haar zustersdochter te Utrecht, die gehuwd was met Cornelis van Voort.

Waarschijnlijk gaat het hier om Margriet, een dochter van haar zuster Haasje. Omdat Aaltje zich voor- nam te Utrecht te blijven en haar ongetrouwde kinderen die nog te  Oudewater verbleven daarheen te halen, reisde zij naar IJsselstein om van daaruit orde  op zaken te stellen.

 IJsselstein was een door Alva vanwege de koning verbeurd verklaarde heerlijkheid van de Prins.

 Het bleek een ongelukkige keuze, want in Ijsselstein aangekomen werd zij gevangen genomen en op het kasteel in gijzeling gezet door Mr. Cornelis Bercxs. de secretaris van IJsselstein.

 Deze wilde met haar de dochter van zijn echtgenote lossen, die gevangen  was te Woerden.het stadje dat evenals Gouda en Oudewater in 1572 naar de Prins was overgegaan.

Doch kennelijk wisten  noch Bercxs, noch  Aaltje of haar Prinsgezinde relaties de gewenste ruil tot stand  te brengen, zodat zij zich in 1574  in een  rekest tot de  kapitein-generaal Don Fernando richtte

Deze zond het in april om advies naar de superintendent van IJselstein.

Tot onmiddelijk gunstig gevolg leidde dat niet, want Aaltje was nog gevangen toen in augustus twee naar Utrecht uitgeweken Oudewaterse priesters op verzoek van Andries van Aller een verklaring ten gunste van haar aflegden.

    Hoe het verder ging weten we niet, maar wel staat vast dat haar drie kinderen Gooltje, Jacob en Huig, die zich Van Swieten noemden, te Oudewater waren gedurende het beleg door de Spanjaarden van 19 juli tot 7 Augustus 1575, toen de stad  werd ingenomen en een ware slachting onder de bevolking plaatsvond.

Gooltje trouwde enkele jaren  later met Maarten van der Pol, een Montfootse burgemeesterszoon, die na een reis naar Italie gemaakt te hebben zijn vader opvolgde in het Baljuws- en schoutambt van Hazerswoude.De beide zonen, die onder meer als burgemeester deel uitmaakten van het Oudewaterse  stadsbestuur, trouwden pas in de jaren negentig. Huig trouwde met een Brussels meisje van goeden huize, waaruit een dochter  geboren werd die de secretaris  van Amsterdam  Mr. Dirck Schaep en de adcocaat-fiscaal van de domeinen van Holland  Mr.Willem van Strijen tot schoonzonen  kreeg. Jacob trouwde met een dochter van de rector van de Latijnse  school te Oudewater. Hij werd behalve burgemeester ook ouderling en hield  in de strijd  tussen  remonstranten en contra- remonstranten de Arminiaanse zijde.

Toen  het in 1617 te Oudewater  tot interventie door de Staten  van Holland  kwam, zonden deze Mr. Adriaen Cool, de schoonzoon  van Jacobs eerdergenoemde neef Mr. Aemilius van Rosendael  ) Oom Hendrick Amelsz. van Rijswijck woonde eveneens te Oudewater. de keuze van zijn huwelijkspartner was al even  passend geweest als bij de tante's. Zijn vrouw, Aaltje Willemsdr. de Lange, behoorde tot een Familia die te Gouda, Schoonhoven en Oudewater hoog in aanzien stond.

Hun wapen, een schaap voor een boom , prijkt in de kwartierstaat van vele leden van regeringsfamilie's  uit het oosten van Holland. In dat licht is het merkwaardig dat wij over hun kinderen en hun afstammelingen slechts weinig weten. Een zoon , Amel, was schepen, raad in de vroed- schap  en burgemeester  van Oudewater. Uit zijn testament van 1615 blijkt dat hij kinderloos was. zijn broer Willem, in 1585 en 1589 te

Oudewater vermeld, noemt hij er niet in, evenmin als zijn getrouwde zuster Gooltje, die in 1598 in ieder geval nog leefde. Wel worden zijn zuster Elizabeth en de kleinkinderen van zijn overleden zuster Claartje bedacht. Slechts van de echtgenoot van Elizabeth weten we de naam met zekerheid, namelijk Cornelis Claesz. Dat brengt ons echter niet veel verder. Claartje was waarschijnlijk gehuwd  met ene Willem Rutgersz., doch ook daar raken wij het spoor bijster.

 

De van der Heede's na 1575

        

 Na de ooms en tantes van Amel Pietersz, van der Hee beschouwen wij nu diens broers en zusters. Geertruyt huwde Maerten Adriaensz.,van elders te Oudewater gekomen. Hij noemde zich later Van de Hooch-camer. De zonen uit dit huwelijk zetten de traditie voort en namen deel aan het stadsbestuur. Een dochter trouwde met Gijsbert van Kersbergen, zijdelakenkoper te Oudewater. Geertruyt en haar man en kinderen onderhielden, evenals de Van Swietens, goede betrekkingen met hun neef, de brouwer en notaris Van Aller, ook nadat die naar Rotterdam was verhuisd  10)

     Minder weten wij van Amel en Geertruyts broer Jan Pietersz. van der Hee. Hij was herbergier en bierverkoper te Oudewater en trad naar voren als gasthuismeester, schepen en raad in de vroedschap. Na 1585 vernemen we echter niets meer van hem. Hij leefde tezelfdertijd als een bijna naamgenoot, Jan Pietersz van der Lee, die al jong roem ver- gaarde wegens zijn onverschrokken optreden tegen de Spanjaarden zowel te Oudewater als te Gouda. Er is hem echter iets te veel eer gegeven; enkele functies die in de  genealogie Van der Lee op zijn naam staan werden in werkelijkheid door Jan Pietersz. van der Hee bekleed andere door nog een derde persoon, de schout en kerkmeester Jan Pietersz.  11 ). 

Jan Pietersz. van der Hee zou dezelfde kunnen zijn als de Jan Pietersz. van der Hee die op 27 juli 1603 te Gouda werd begraven, doch zeker is dat niet.

 Behalve Amel, Geertruyt en Jan had het echtpaar Van der Hee van Rijswijck een zoon Pieter. Hij vestigde zich als koopman in hennep te Leiden  en trouwde daar. Na het overlijden van zijn eerste, Leidse vrouw, hertrouwt hij met een Rotterdamse. Een jaar of tien later hij was toen in de vijftig  verhuisde hij naar Rotterdam, waar hij  nog een jaar schepen werd. In oktober 1603 overleeed hij, ongeveer 58 jaar oud.

 Ook Pieter hield kennelijk de contacten met de familie in stand. Te Leiden woonden zijn beide veelbelovende neven Van Rosendael, die meer dan tien jaar jonger waren, tijdens hun studie bij hem in huis.

Enkele jaren na zijn dood woonde zijn oudste zoon, die jong overleden is, te Oudewater.

De beide volwassenen geworden dochters uit het eerste huwelijk trouwden beiden met een predikant. Clara, de oudste, hertrouwde na het overlijden van haar eerste man met Jacob Vervoorn, uit Gorinchem, waar hij later burgemeester werd en vervolgens lid van gecommitteerde raden van Holland  en tenslotte gedeputeerde in de Raad van State.

Ook dit echtpaar had afstammelingen in regentekringen. De andere dochter, Catharina, huwde eerst een bejaarde emeritus-predikant en  vervolgens  met een Delfthavense zeilmaker. Ook dit echtpaar had nageslacht.

 De zoon uit het tweede huwelijk van Pietersz. van der Heede Anthony, ging als koopmansleerling naar Amsterdam en trouwde na

het overlijden van zijn meester met diens weduwe. Zo werd hij koopman- kruidenier aan de Nieuwedijk, Ook zijn kinderen, voor zover getrouwd, kwamen ,, goed terecht''. Catharina huwde met een Amsterdamse notaris en Margriet met een van diens ambtgenoten, die later stadssecretaris was tot zijn overlijden in 1655. Zijn opvolger was getrouwd met Phillipina

van der Geer, die met Margriet een Oudewaterse overgrootvader ( Amel Hendricksz. van Rijswijck } gemeen had, maar dat was uiteraard eentoevalligheid.

     Merkwaardig genoeg weten wij van Amel Pietersz. van der Hee, de eigenaar van de leengoederen doe voor de rode draad in het onderzoek zorgden, nauwelijks meer dan zijn eerste optreden in Benschop en  Oudewater en niet te vergeten zijn deelname aan de opstand onder Hendrik van Brederode.

Wat er na zijn verbanning van hem geworden is weten wij niet. Zijn huwelijk met een meisje uit het dorpje Benschop

in de Lopikerwaard viel misschien  enigzins uit de toon  in deze familie die sinds meer dan honderdvijfig jaar in de kleine steden  woonde, maar  een mesalliance zal het niet geweest zijn. Van Lostadt huwde, blijkt dat er van een duidelijk verschillend milieu geen sprake was.

Amel Pietersz. van der Hee had twee kinderen. Margaretha, zijn dochter, trouwde in 1600 te Oudewater met de schout van Lange en Ruige Weide, Aert Hugensz., die dichtbij Oudewater in de buurtschap Driebruggen onder het kerspel Waarder woonde. Ging de familie zich nu verplaatsen uit het milieu van kooplieden en neringdoenden in de kleine stad naar dat van gezeten boeren, schouten en herbergiers op het dorp ? 

De zoon van Aert Hugensz. en Grietje van der Heede, die  de familienaam van zijn moeder aanneemt , lijkt  met dat vooruitzicht

geen genoegen te willen nemen.

Hij trekt naar Amsterdam, wordt er net als zijn moeders neef Anthony Pietersz. van der Heede Kruidenier

en krijgt als schutter een plaatsje onder het korporaalschap van Frans Banning Cocq. Twee feiten waarop hij bij zijn leven geen invloed had. hebben er voor gezorgd dat zowel zijn naam als zijn beeltenis in de belangstelling bleven .Na zijn dood in 1655 hertrouwde zijn weduwe tien jaar later met Mr. Arnout Hellemans Hooft, zoon van de beroemde Pieter Cornelisz. Hooft, zodat zijn naam voortleeft in de genealogie  Hooft, zij het in een bijrol.

Dit tweede huwelijk van zijn vrouw zal er  overigens toe hebben  bijdragen dat de enige dochter van Jan Aertsz.

van der Heede met een lid van de Amsterdamse vroedschap trouwde.

Toen Rembrandt in 1642 het korporaalschap van Kapitein Frans Banning Cocq en Luitenant Willem van Ruytenburgh schilderde, was Jan Aertsz. van der Heede een van de schutters die werden vereeuwigd Hij zal niet hebben bevroed dat nog eeuwen daarna duizenden mensen per jaar in bewondering oog in oog met hem zouden staan. Overigens zonder hem tussen de andere schutters te herkennen.

 Toen Grietje Amelsdr. van der Heede in 1600 vanuit Oudewater met de schout van Lange en Ruige Weide trouwde , was haar broer Andries reeds als boer te Lopik gevestigd, niet ver van Benschop. Hij trad daarmee meer in de traditie van moederszijde dan in die van vaders- zijde.

 De ene boer is de andere niet, zo zal ook Andries Amelsz. van  der Heede., die als kerkmeester met geoefende hand ondertekende,

zich zijn achtergrond en familiebetrekkingen nog wel bewust zijn geweest, Maar voor zijn zeven zonen en twee dochters die volwassen werden , waren de mogelijkheden om zich te onderscheiden van hun dorpsgenoten al veel geringer, zo zij dit al wensten. Onder zijn kinderen en kleinkinderen  waren er verscheidene die met hun handtekening verraden behoorlijk onderwijs te hebben gehad. Maar al spoedig waren  er ook enkelen die zich moesten  behelpen met het tekenen van een  kruisje. Na enige generaties herinnerde waarschijnlijk niets meer aan de herkomst van de familie. die zo afwijkt van die van vele andere boerengeslachten.

 

Naschrift

 

   In het voorgaande is geprobeerd een stamreeks, ontleend aan  diverse leenregisters, door middel van onderzoek in archieven, hand schriften en literatuur zover aan te vullen dat daaruit een beeld ontstaat dat wat meer aanspreekt dan een reeks van louter namen en data.

Omdat in verscheidene archieven in het westen des lands veel bronnenmateriaal bewaard is gebleven  dat bij een dergelijk onderzoek van  pas kan komen , kan zo'n poging tot een behoorlijk resultaat leiden.

Het grootste probleem dat daarbij optreedt is niet een gebrek aan bronnen, ook niet de bereikbaarheid van die bronnen, maar wel de  toegangkelijkheid ervan.

De archieven van de steden Gouda en Utrecht en van de tussen gelegen kleinere stadjes bevatten prachtige series

notariele archieven, gerechtelijke verklaringen, lijfrenteregisters en  andere bronnen die zowel  voor de genealoog als voor de historicus interessante gegevens bevatten . De archieven betreffende het omringgende platteland leveren in dit verband gegevens op over het grondbezit en de  vererving daarvan . In veel gevallen moet men  er echter van afzien  al die bronnen van blad tot blad door te nemen, omdat de te verwachten opbrengst niet in redelijke verhouding staat tot het tijdrovende werk. Ook bij dit onderzoek golden die beperkingen, zodat over de hiervoor behandelde personen ongetwijfeld meer te vinden is.

     Het stemt hoopvol dat het toegangkelijk maken  door middel van indices op namen en onderwerpen vooral de laatste jaren door de  onderzoekers niet meer uitsluitend gezien wordt als een taak voor de archivarissen, maar dat velen die in genealogie of lokale geschiedenis geinterresseerd zijn aan dit werk hun bijdragen leveren.

In de gemeentearchieven van Gouda en Utrecht zijn daarvan verscheidene voorbeelden voorhanden, waarvan dankbaar gebruik is gemaakt.

 Van zeer groot belang voor een onderzoek als het onderhavige zijn ook bronnenpublikaties zoals de Zuidhollandse Vereniging voor Genealogie die uitgeeft. Van de leenregisters die voor dit  artikel zijn gebruikt. zijn er verscheidene voor een ieder toegangkelijk geworden door de in,, Ons Voorgeslacht '' gepubliceerde repertoria.

 

 

Noten

 

1 )  Nederlands Repertorium van Familienamen, dl 1 ---13 ( Assen ,Zutphen.1963 / 83  )  het deel betreffende Limburg is nog niet verschenen.

2 ) Dit  bliikt uit de collectie persoonskaarten bij het CBG en uit  steekproeven in  BS en DTB

3 ) De schrijver is daarvoor dank verschuldigt aan Mr. G. J J. van   Wimersma Greidanus. Ds M S F  HKemp. dr J G Kort Mr E J

Wolleswinkel en W A Wijburg.

4)  Vgl, N Plomp, Adelsgunsten van de Rooms-koning Sigismond '' in  Liber Amicorum Jhr Mr C C van Valkenburg ( s- Gravenhage, 1985 )

blz 242---244.

5} Zie over de zoenprocedure bv. P W A Immink en A. J. Maris,  RegistrumGuidonis ( Utrecht, 1969 blz 22 e. v.

6) J C Kort,, Inwoners van het platteland van Holland, het register van  vrijkopingen van doodslagen 1371---1396'' , in Ned Historische Bronnen

dl. 1 ( 's Gravenhage, 1979) blz 1---3 en 32.

7) Vgl  N Plomp,  ,, De oudste generaties van de geslachten Schade( van  Westrum )'' in; De Nederlandse Leeuw  93 ( 1976 ). k  275.

8 ) J E J  Geselschap. ,, De geprente regysters van der stede renten in het  archief van Gouda'', in ; Archief en Bibliotheekwezen in Belgie 45 ( 1974

)blz  623  --- 630.

9  ) JW. Margadant , Blikken in het kerkelijk en gemeentelijk leven onzer vaderen , bewerkt naar het kerkelijk archief der Hervormde Gemeente te Oudewater 

van het jaar 1566 af ( Rotterdam , 1904

10 ) J c Hoynck van Papendrecht, .. Geboortensbouck'' in ; Nederland's  Archief voor  genealogie en Heraldiek 2  ( 1939 /40 )

11 )  Zie  Bijblad van de nederlandse LKeeuw, dl. 2 ('s Gravenhage, z.j. )blz  40 ---60 en 274--- 282. Over het daar op blz 40 en 282 beschreven wapen ook ; W M C. Regt, ,,Het wapen der familie Van der Lee '', in ; Maandblad

,, De Nederlandsche Leeuw'' 18  ( 1900 ) k. 142---143. De daar beschreven wapenbordjes, thans in het museum te Alphen a d Rijn en recentelijk gerestaureerd, moeten vrij laat  zijn ontstaan , waarschijnlijk in de achtiende eeuw of het begin  van de negentiende eeuw. Een draagt het

opschrift ,, die van der Hee'' dat was ook het opschrift van de grafzerken van de v d Heedens in de kerk van Oudewater. Een tweede

Hendrick van der Lee van Arcel & van Egmont 1610 Het laatste opschrift

 toont aan dat de fantasie van de bedenker op hol is geslagen door

het wapen Van der Lee, dat blijkens zegelafdrukken inderdaad reeds in de zeventiende eeuw door deze familie Van der Lee werd gevoerd. Het eerste kwartier is inderdaad gelijk aan dat van  der Hee's de kwartieren 2 en 3  en het hartschild zijn ontleend aan het wapen van de graven  van Egmond tak IJselstein  Het verband tussen de van der Lee's en de van Egmonds of eventueel bastaarden daarvan is niet bekend  De eerste generaties van de Lee's in het bijblad moeten  overigens critisch worden bezien, de afstamming van Jan Pietersz van der Lee en zijn door Walvis genoemde broer Claes komt voor nader onderzoek in aanmerking.

 

 

Terug naar de Hoofdpagina     http://members.chello.nl/j.zwart13/