Andere feministische kijk op Brusselmans

Uit: De Standaard 12/11/1999

Ida Dequeecker

Ida Dequeecker vindt dat je feministe kunt zijn en toch van mening blijven dat Herman Brusselmans moet kunnen schrijven wat hij wil. Zijn houding tegenover vrouwen is verwerpelijk, maar dat rechtvaardigt nog geen censuur.
In de controverse rond de zaak Brusselmans-Demeulemeester hebben enkele feministische kopstukken en politica's een ,,protestbrief'' opgesteld met de volgende stelling: ,,Wij steunen de uitspraak van de rechter die, met de Boekenbeurs in het vooruitzicht, in een spoedprocedure beslag liet leggen op het boek van Brusselmans.''
Hun argumentatie steunt erop dat de seksistische belediging van bij naam genoemde, bestaande personen, het verbieden van de roman rechtvaardigt.
Tot op heden is dat de enige feministische stem die zich publiek heeft geuit. Maar in de feministische beweging is er geen eensgezindheid rond het standpunt van Rita Mulier, Monika Triest en Sabine de Béthune, de woordvoersters van deze protestbrief.
Er zijn feministen, waarbij ik mezelf en andere leden van het Vrouwenoverlegcomité (VOK) reken, die de seksistische uitlatingen van Brusselmans in zijn boeken verwerpelijk vinden, maar die menen dat hij moet kunnen schrijven en publiceren wat hij wil, die dus tegen élke censuur zijn.
En het zijn de rechter in kort geding, noch de advocaten van mevrouw Demeulemeester die mij kunnen beletten het woord ,,censuur'' in dit geval te gebruiken.
Anderzijds is het deel van Brusselmans' verdediging dat stelt dat de uitspraken door een ,,fictieve figuur'', Guggenheimer, worden gedaan, zwak. Bedoelen de aanhangers ervan dat meningen die niet in een ,,fictieve'' vorm gegoten zijn (een pamflet, een essay, een ,,wetenschappelijke'' studie...) wél kunnen worden gecensureerd?
De auteur is verantwoordelijk voor wat zij/hij schrijft en dient de gevolgen van haar/zijn mening te dragen.
Wie, al dan niet via fictieve stromannen provoceert, moet een reactie verwachten. En die kan vele vormen aannemen naargelang de grofheid van de provocatie en het temperament van de gekrenkte persoon: minzaam negeren, een vermanende vinger, een speelse oorvijg, een proces wegens laster en eerroof, en ga zo maar door.
Maar censuur? Over goede smaak kan gediscussieerd worden, maar er zal nooit een unanieme mening tot stand komen. En dat doet er ook niet toe.

De concrete omstandigheden van de zaak Demeulemeester versus Brusselmans doen de emoties hoog oplaaien: verontwaardiging, woede, partijdigheid... Het vertroebelt de argumentatie. Ook de protestbrief - met alle respect voor de schrijfsters - draagt er de sporen van. De aangehaalde argumenten zijn van dezelfde aard als die in het pornografiedebat dat de vrouwenbeweging verdeelt tussen voor- en tegenstanders van censuur om pornografie te bestrijden.
Blijkbaar meent men in Brusselmans' geval ook dat de kernvraag is of het fundamenteel recht op vrije meningsuiting niet moet wijken voor een ander fundamenteel recht, het respect voor de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van de persoon.
De protestbrief stelt dat het seksisme van Guggenheimer/Brusselmans ,,schokkend'' is. Wat is schokkend voor wie? In welke mate? En wie beoordeelt dat? Wat voor mevrouw Demeulemeester ondraaglijk is, is het voor andere reëel bestaande vrouwen die in Brusselmans' romans even brutaal bejegend worden, niet of minder.
Tijdens een solidariteitsactie lazen Sabine De Vos en Joyce De Troch de over hen geschreven passage voor. Mevrouw De Troch voegde er fijntjes aan toe dat ze nooit verder geraakt was dan pagina veertien ,,omdat ze wel wat beters te doen had dan die rommel te lezen''. Een gevatte opmerking die ik daarnet vergat te vermelden in mijn opsomming van eventuele reacties.
Een ander argument in de protestbrief luidt dat het proza van Brusselmans inspireerde tot dreigtelefoons en stalking in een periode waarin vrouwen geconfronteerd werden met massale verkrachtingen in de Balkanoorlog''. Hier wordt een rechtstreeks verband gesuggereerd tussen ,,het denigrerend beschrijven van vrouwen als walgelijke geslachtsorganen en het opvoeren van zeer gewelddadige verkrachtingsscènes op herkenbare personen'' en vormen van daadwerkelijke agressie.
Dat is een onaanvaardbare verglijding. De bewering dat een geschrift tot agressieve reactie zou inspireren, is zuivere speculatie en dus zeker geen argument om het te verbieden. De associatie met de verkrachtingen in de Balkanoorlog kent een, mijns inziens onterecht, geopolitiek belang toe aan het oeuvre van Brusselmans. Het lijkt een beetje op morele chantage en stemmingmakerij.

Vervolgens is er de ,,politiek correcte'' dooddoener: de parallel tussen seksisme en racisme. ,,Het denigrerend en veralgemenend schrijven over etnische groepen zoals zwarten en joden, kan evenmin getolereerd worden wegens het uitgesmeerde racistisch geweld.''
Hierin zit een contradictie: uitgesmeerd racistisch geweld is niet aanwezig in elk denigrerend en veralgemenend schrijven over etnische groepen. Is racisme in zijn vele vormen dan geen mening, weze het een die ik steeds resoluut bestreden heb en zal blijven bestrijden?
Een geval van censuur is er altijd een te veel. Want ofwel bestaat het recht op vrije meningsuiting (ook voor seksistische, racistische en andere verwerpelijke meningen, beelden, enzovoort), ofwel niet. Censuur kan niet ,,à la carte'' worden toegepast. Feministen, recensenten en al wie maar wil, kunnen het seksisme van Guggenheimer/Brusselmans op de korrel nemen. Dankzij het recht op vrije meningsuiting.
(De auteur is lid van het Vrouwen Overleg Komitee.)