De eerste stakingen en vakorganisaties in de haven
[DEEL 1]
Heel verschillend was het ontstaan en de ontwikkeling van de
arbeidersbeweging in de beide grote havensteden. De
bevolkingsexplosie in Rotterdam maakte dat er een duidelijk
onderscheid was tussen de oude en nieuwe bevolking. De in de
binnenstad gelegen oude volksbuurten herbergden de autochtone
armen, die al generaties lang zo uitzichtloos leefden dat zij er
zich hij hadden neergelegd. Zij kwamen openlijk voor hun armoede
uit en hadden een grote virtuositeit ontwikkeld om van alles van
de bedeling loste krijgen. De traditionele Oranjeliefde, die
juist in de onderste lagen van de bevolking sterk was en die nu
en dan in beestachtige 'Oranjefuries' tot uiting kwam, leefde bij
de autochtone armen in Rotterdam nog lang voort. Door hun toedoen
bracht Domela Nieuwenhuis het er bij een bezoek aan Rotterdam in
1887 nauwelijks levend van af. De nieuwkomers daarentegen
schaamden zich voor hun armoede en hielden deze zo lang mogelijk
geheim in de hoop er inmiddels weer bovenop te komen.
Aanvankelijk niet politiek geïnteresseerd, vervreemdde de massa
der nieuwkomers snel van de grote gezagsgetrouwe kerken. Deze
waren er niet op berekend de honderdduizenden die van elders
kwamen op te vangen. Alleen kleinere opwekkingsbewegingen, die
meer een beroep op het gevoel deden, hadden een zeker succes.
Vooral de daadwerkelijke geloofsbeleving van het Leger des Heils
sloeg in de volksbuurten aan. Al lieten de nieuwkomers zich wel
meeslepen in acties en stakingen, pas bij de tweede generatie nam
de verzetsgeest en weerspannigheid de vorm aan van een
socialistische overtuiging. Dan is de tijd van de
SociaalDemocratische Bond (SDB) van Domela Nieuwenhuis, de 'oude
beweging', al vrijwel voorbij en zijn het de jonge woordvoerders
van de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) - in 1894
opgericht - als Arie Heijkoop, Hendrik Spiekman, Johan Brautigam,
Hein Mol en Arie Kievit, overigens ook geen Rotterdammers van
geboorte, die geleidelijk aan meer vat krijgen op de arbeiders.
De politieke situatie in Amsterdam was een andere. Hier had de
wieg gestaan van de oude beweging. Onder de ambachtslieden
(typografen, sigarenmakers, timmerlieden) ontstaan tegen 1870 de
eerste vakverenigingen. In 1869 staakten in de hoofdstad
scheepstimmerlieden en typografen. In de transportsector zijn het
de schuitenvoerders die zich het eerst organiseren. Amsterdam
kende in tegenstelling tot Rotterdam van oudsher veel
schuitenvoerders, die met hun vaartuigen vracht van de haven naar
de elders - langs de grachten - gelegen pakhuizen boomden.
De Nederlandse sectie van de Internationale Werklieden
Vereeniging, die vanuit Londen in de eerste plaats door Karl Marx
geleid werd, had op 8 augustus 1869 de hand in de oprichting van
de Amsterdaruse Schuitenvoerdersknechtsvereeniging Eendracht
maakt macht (EMM). De typografen Michon en Wertweyn speelden
hierbij een rol. Voorzitter werd D. Engeibrecht. Het doel was
eendracht en verbroedering aankweken en onderhouden en
stoffelijke welvaart en zedelijk welzijn bevorderen met alle
gepaste en wettige middelen. Erg revolutionair klinkt dit niet en
de vereniging maakte zich ook weldra los van de Internationale
Werklieden Vereeniging en sloot zich aan bij de eerste
vakcentrale in ons land:
het Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond, opgericht in 1871.
Dit ANWV keerde zich fel tegen het socialisme. Eendracht maakt
macht is hier met een onderbreking zeker nog tot 1896 lid van
geweest, terwijl Engelbrecht vele jaren deel uitmaakte van het
centraal bestuur van het ANWV. In 1872 stichtte Eendracht maakt
macht een fonds dat uitkeerde aan leden die tijdens hun werk een
ongeluk kregen, of aan nabestaanden bij overlijden. Dit was
alleen mogelijk dank zij de geldelijke bijdragen van de vele
patroons die donateur van de vereniging waren. Hudig noemt het
zelfs meer een fonds dan een vakvereniging. EMM sprak zich uit
voor zondagsrust. Men dacht dat Rotterdam en Den Helder het
Amsterdamse voorbeeld wel zouden volgen en ook de patroons leken
niet ongenegen, maar het kwam er niet van. Het aantal leden was
niet onbeduidend. EMM begon in 1869 met 200 leden. In de jaren
negentig was dit aantal sterk teruggelopen, maar daarna begon het
weer te stijgen. Tussen 1900 en 1903 schommelde het tussen 370 en
475. Ook was er in Amsterdam al heel vroeg een
Scheepsoptuigersvereeniging Nog tijdig ontwaakt. In 1872
opgericht, zien we deze in 1896 nog steeds in de
vakbondsstatistieken vermeld. De in 1876 eveneens in Amsterdam
tot stand gekomen Kuipersvereeniging Recht na plicht houdt het
maar drie jaar vol. Verder bestonden er korte tijd in Rotterdam
nog een Scheepsoptuigersvereeniging Plicht en Eendracht
(1877-1878) en een Sleepersvereeniging Een doel, een Wil
(1874-1878). Van acties, laat staan van stakingen, horen we
niets.
Het beslissende jaar in de geschiedenis van de bootwerkers vormt
1889. Op 13 augustus begon in Londen een nieuwe fase in de
ontwikkeling van de Britse vakorganisatie. Tot dan toe was de
vakorganisatie voornamelijk een zaak van goedbetaalde en
hooggeschoolde arbeiders, die hun toch al bevoorrechte positie
verdedigden en probeerden te verbeteren. Maar in 1889 zetten
jonge socialistische vakbondsleiders zich in voor de grote massa
der ongeschoolden. De woordvoerder van de Londense bootwerkers
die op 13 augustus 1889 het werk neerlegden, Ben Tillett, kreeg
steun van de socialistische voormannen John Bums en Tom Mann. In
korte tijd was de staking in de haven algemeen. Massaal trokken
de bootwerkers door de stad en zij voerden behalve vaandels ook
palen mee met stinkende viskoppen en rottende uien erop, die het
maal van deze bootwerkers symboliseerden. Maar waar moesten de
stakersuitkeringen vandaan komen? Toen begonnen de steungelden
van de Australische bootwerkers uit Brisbane binnen te stromen,
daarna ook van alle andere vakbonden en zelfs van de voetbalclubs
in dit land, en tenslone ook van de Londense burgerij, onder de
indruk van de ordelijk verlopende demonstraties. In totaal £
30.000,- aan steungelden maakte voldoende indruk op de
havenbaronnen om plaats te nemen aan de onderhandelingstafel
Een belangrijke rol in deze harde staking speelde kardinaal Henry Manning, die op 81-jarige leeftijd in de demonstraties vooraan ging en mede een uitstekend onderhandelingsresultaat wist af te dwingen. Op 16 september gingen de Engelse bootwerkers als overwinnaars weer aan het werk. Deze overwinning beroerde ook de bootwerkers in Rotterdam. Op 18 september kwamen er een paar honderd bijeen in het socialistisch vergaderlokaal aan de Binnen-Rotte. Willem Helsdingen, voorzitter van de afdeling Rotterdam van de SDB, had de leiding van de vergadering. Een daartoe gevormde commissie ontwierp een loonlijst en formuleerde eisen. Gevraagd werd een verhoging van het uurloon van 20 tot 25 cent, dubbel loon voor zondagswerk en afschaffing van de bestaande instelling van een onderbaas, die meedeelde in het loon maar daar vaak niet voor werkte. Op 19 september werd een manifest verspreid dat begon met de woorden: 'Op het voorbeeld door de dokwerkers van Londen gegeven, hebben ook de Rotterdamsche bootwerkers besloten, in eene gisteravond gehouden vergadering, hunne rechtmatige grieven te berde te brengen.' Op 19 september vond een tweede vergadering plaats, onder leiding van A. van Asdonk, een timmerman uit Den Haag en tevens lid van de centrale raad van de SDB. Ditmaal waren de eisen voor uurwerkers, lastwerkers in granen en ijzererts, voor steenkoolwerkers en expeditiewerkers aanzienlijk gespecificeerd. Het antwoord van de werkgevers moest op 25 september binnen zijn. Diezelfde dag wilden de bootwerkers over dat antwoord vergaderen. Maar de werkgevers, die zich niet konden voorstellen dat het echt tot een staking zou komen, bleken niet eens de moeite genomen te hebben om te antwoorden. Met algemene stemmen besloten de bootwerkers die ter vergadering bijeen waren op 26 september te gaan staken. Er werd een stakingsleiding gevormd van tien personen, uitsluitend bootwerkers.
Burgerij en dagbladpers waren ontzet. Onder de lossen was de
staking weldra algemeen en de stakers dwongen ook de vasten het
werk neer te leggen.25 Britse zeelui, die op bevel van hun
kapitein de 'Era' aan het lossen waren, legden na rnet de stakers
gepraat te hebben het werk neer. Het gemeentebestuur verbood
onder druk van de werkgevers elke samenscholing van meer dan vijf
personen. 'Gelijktijdig werd de klok van den grooten toren geluid
om de schutterij te wapen te roepen. De schutterij sloot zich bij
de politie aan en beide vormden gemengde patrouilles, die zich
langs de voornaamste kaden bewogen om de proclamatie van den
burgemeester te doen naleven. Uit Den Haag arriveerde een
afdeling huzaren. Een kanonneerboot stoomde de haven binnen. Op
de rivier voeren door sleepboten getrokken roeiboten heen en weer
met mariniers aan boord. De stakers braken de straten open om
zich tegen het militaire en politionele geweld te weren. Het
aantal kanonneerboten werd tot drie uitgebreid. Het ging er
steeds harder aan toe en aan beide zijden vielen gewonden. Vooral
de socialisten die zich met de staking bemoeid hadden, moesten
het ontgelden. De stakingsleiding haastte zich te verklaren dat
het niet om een socialistische zaak ging. Het lossingswerk lag
stil Op 50 stoomboten en 43 zeilschepen.
Op 30 september verscherpt de situatie. Een trein van de
Rijnspoorweg voert vanuit Utrecht onderkruipers aan. De ontvangst
is allesbehalve hartelijk. Bovendien beginnen de vasten bij de
geregelde stoomvaartujnen in beweging te komen. Zij vormen ook
een comité, dat zich echter tegen het socialisme uitspreekt en
de kreet 'Oranje boven' aanheft. De staking blijft overigens
vrijwel algemeen en dat brengt de reders en cargadoors ertoe een
onderhandelingsdelegatie samen te stellen. Dit wordt op de
stakersvergadering van 30september bekendgemaakt. Een suggestie
van de werkgevers om aan het werk te gaan in afwachting van het
onderhandelingsresultaat, wijzen de circa 1100 aanwezigen unaniem
af.
Nu de stakingsleiding door de antisocialistische hetze wat
afstand van de SDB nam, zag het ANWV zijn kans schoon. Het
belegde een vergadering die alleen voor stakers toegankelijk was
en niet voor hun socialistische raadslieden. Daar voerde de
letterzetter Th. de Rot het woord, de voorzitter van het
Rotterdamsch Werkliedenverbond, dat aangesloten was bij het ANWV.
Hij raadde de stakers aan het werk te hervatten om de
onderhandelingen meer kans van slagen te geven. Maar de stakers
hadden hier geen oren naar, ondanks het feit dat er hier en daar
al weer werd gewerkt. Daags erna begonnen de onderhandelingen
tussen de stakingsleiding onder voorzitterschap van A. van der
Kolk en de werkgeversdelegatie. De tegenvoorstellen die de
werkgevers op 2 oktober deden, kwamen vrijwel neer op een
volledige inwilliging van de gestelde eisen. Alleen zou voor het
werk op zondag maar 50% extra betaald worden. Nu gingen de
havenarbeiders weer aan het werk.
Ook in de Amsterdamse haven kwam het tot actie: 'Verschillende
konflikten kwamen ... voor, en personeel na personeel lukte 't
nogal om het loon van 25 cent per uur te krijgen. Deze
geschiedenis liep tenslotte uit op steeds meer op stuk werken in
de haven, waardoor de arbeiders meer verdienden en de zaak voor
de patroons toch niet veel duurder werd. In Amsterdam hadden de
socialisten de acties steviger in handen en hier kreeg het ANWV
niet de kans zijn ideeën over het samengaan van ondernemers en
arbeiders uit te dragen.
In Rotterdam leidde de eerste bootwerkers staking ook tot een
tijdelijk begin van organisatie. Op 6 oktober 1889 had de
Londense leider van de bootwerkers Orbeli in het lokaal Caledonia
gesproken over de noodzaak van organisatie. Staande de
vergadering werd de Rotterdam Branch van de Londense Dock, Wharf,
Riverside and General Labourers' Union opgericht. Voorzitter werd
A. van der Kolk. Een lang leven was deze organisatie niet
beschoren. Van de twaalfhonderd leden waren er weldra nog maar
tweehonderd over. Twee bestuurders hadden een zo wonderlijke
opvatting van het beheren van de kas dat ze ijlings vervangen
werden. De eis dat alleen leden van de Rotterdam Branch schepen
mochten lossen, maakte dat de werkgevers ieder contact weigerden.
Bovendien schrikte het socialistische en buitenlandse karakter
niet alleen de burgerij maar ook veel bootwerkers af. Th. de Rot
zag zijn kans schoon en nam op 23 oktober 1889 het initiatief tot
de oprichting van de Rotterdamsche Bootwerkersvereeniging De
Nederlandsche Vlag, onder voorzitterschap van Bertus de Heer.
Deze stakingsleider verklaarde ook later nog dat hij de staking
zeer nodig en gerechtvaardigd achtte, omdat de arbeiders niet
kregen wat hun toekwam. In de afloop ervan echter was hij zwaar
teleurgesteld, omdat de cargadoors zich niets aan de
onderhandelingsresultaten gelegen lieten liggen. De socialisten
van de Londense Labourers' Union waren hier in zijn ogende
oorzaak van. Het ledental steeg gestaag, tot 1300 in 1900. De
Nederlandsche Vlag was antisocialistisch: 'de Union is geheel
gebaseerd op werkstaking, maar er zijn vele andere en betere
middelen om tot lotsverbetering te geraken. Dat klonk de
werkgevers als muziek in de oren en zij schonken f 200,-. Hoewel
De Heer meer zei te hechten aan eigen vergaarde fondsen,
accepteerde men het geld om in geval van een ongeluk een arbeider
financiële ondersteuning te kunnen verlenen. De Vereniging van
Cargadoors, die naar aanleiding van de staking op 30 oktober 1889
werd opgericht om eenheid van handelen bij de werkgevers te
bevorderen en gemeenschappelijk op te treden waar zulks nodig
mocht blijken, had bij gebrek aan voldoende leden niet veel tot
stand kunnen brengen en was begin 1896 uiteengevallen.
Amsterdam heeft gedurende enige tijd een zusterorganisatie van de
Rotterdam Branch gekend, de Boot-, Scheeps- en
Dokwerkersvereeniging De Volharding. Een nieuwe poging tot
landelijke vakorganisatie is de oprichting op16 augustus 1893 te
Amsterdam van de Nederlandsche Bootwerkersbond. Deze heeft korte
tijd afdelingen in Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht, Terneuzen en
Zaandam. In 1896 blijft alleen die in Amsterdam nog over, met
maar een twintigtal leden.
Er komen ook confessionele verenigingen, die zich met een uiterst
bescheiden rol en weinig leden tevreden moeten stellen. De
Rotterdamse afdeling van de RKVolksbond richtte op 22 januari
1891 de Bootwerkersvereeniging Kardinaal Manning op en even later
op Feijenoord de RK-Havenarbeiders Vereniging Leo XIII. De
Manning-club stelde zich tot doel 'verbetering te brengen in de
positie der werklieden, geheel volgens de begrippen van de R.K.
Kerk, zondagsrust en heiliging van de R.K. feestdagen;
dronkenschap en godslastering tegen te gaan; samenwerking
tusschen patroons en werklieden te bevorderen'. Het ledental liep
op van 30 in 1891 tot 100 in 1904. De Amsterdamse
zusterorganisatie, de Vereeniging voor Werklieden van Handel en
Scheepvaart St. Clemens begon op 20 december 1894 met 10 leden.