m.s. Armilla
Tankvaartrederij "La Corona"

Na ruim 2 weken verblijf in het zeemanshuis in Tanjung Priuk wegens een medische behandeling kon ik weer gaan varen. Met een KPM-schip werd ik naar Singapore gestuurd om daar aan te monsteren op de Shell-tanker Armilla. Mijn eerste tanker, waar ik ruim 9 maanden op zou varen. Bij het aan boord komen was het even wennen aan de ziekte die daar aan boord heerste. Enkele mensen, waaronder de vrouw van de kapitein, die ook aan boord was, leden aan "tankeritus". Dat gaat gepaard aan vreemde verschijnselen. Men zag b.v. regelmatig twee verloofde dwergjes, die van de kooi moesten worden weggestuurd. Later bleek ook de 2e officier besmet te zijn. Die kwam voor de lunch niet normaal de messroom binnen, maar schopte op cowboy-manier de deur open, met in elke hand een dreigend klapperpistool. Er werd natuurlijk niet echt mee gevuurd, want op een benzinetanker is zulks niet aan te bevelen. Roken mocht danook uitsluitend op het achterschip in een afgesloten ruimte. In die tijd rookte ik er zelf ook nog stevig op los, dus het was even wennen. Gelukkig was mijn radiohut met bijbehorende slaaphut ook op dat achterschip, waar ik het rijk alleen had. Wel vaak rokersvisite natuurlijk. Maar dat was niet zo erg, want we hadden een leuk ploegje aan boord en we konden best met elkaar overweg. Het officierenkorps, inclusief mezelf, bestond uit nederlanders. De bemanning was volledig chinees. Zo ook mijn hutsteward. Om die reden meende ik toen ook chinees te moeten gaan leren. In Singapore een leerboekje aangeschaft. Toen ik merkte dat veel chinezen door het grote verschil in dialecten elkaar ook niet best begrepen, heb ik het boekje maar aan de kant gelegd.
Ik zou over alle leuke en minder leuke ervaringen een afzonderlijk boekje kunnen schrijven, maar ik wil me hier maar tot de hooflijnen beperken. We voeren met de Armilla voornamelijk vanuit de havens Pladju en /of Pulau Bukum met ladingen vliegtuigbenzine naar de havens Saigon, Vientiane en Haiphong. In die tijd heette het land nog Indo-China en werd er een bevrijdingsoorlog tegen de fransen gevoerd door de Viet Minh. De fransen hadden onze benzine nodig voor hun oorlogvoering. Het verblijf in de havens Vientiane en Haiphong was daarom nogal avontuurlijk. 's Nachts was de Viet Minh actief. We moesten daarom in de nachtelijke uren ten anker in de rivier en vlak voor mijn deur op het achterschip stond een franse mitrailleur opgesteld, bediend door een Senegalees in franse dienst. Eigenlijk konden we uitsluitend overdag gaan"stappen", want na 20 uur ging de spertijd in en mocht je niet buiten. Maar mijn stapmaatjes en ik deinsden er toch niet voor terug, compleet in het witte tropenuniform, van de stad via donkere buitenwegen naar de oliesteiger te lopen om weer aan boord te gaan. We zijn danook heel wat keren van de weg geplukt door franse legionairs en stonden regelmatig met de handjes in de lucht in opdracht van wantrouwige pikzwarte senegalese militairen. De legionairs, meest duitsers, wonden we om de vingers met onze hollandse "schnaps". Die brachten ons dan keurig aan boord. De Armilla was dus een 9 maanden durend avontuur, waarover ik nog veel zou kunnen vertellen. Ook de regelmatige bezoeken aan Singapore bevielen ons best en velen kenden ons daar in de gelegenheden waar wij ons regelmatig vertoonden. Ik merk hier nog bij op dat het tegenwoordige Singapore niet meer lijkt op wat het toen was. Maar dat geldt ook voor vele andere plaatsen in de wereld.
Aan alles komt een eind, dus ook aan het Armilla-avontuur. Op 11 december 1953 werd ik in Singapore afgemonsterd.


Ga door naar Karaton.