s.s. Both
2661 BRT
n.v. Koninklijke Paketvaart Maatschappij
Bouwjaar 1931 in 1955 naar Panama verkocht

De juiste datum van aanmonstering op dat schip weet ik niet meer. Bij de KPM werden de schepen niet in het monsterboekje bijgeschreven. De bedoeling was dat ik nog wat in indonesiche wateren zou blijven totdat een plaats voor mij beschikbaar kwam op een thuisvarend schip naar Nederland. Welke havens precies werden aangedaan kan ik me niet goed meer herinneren. In Indonesie duurden de reizen tussen twee havens nooit erg lang en op een rondreisje deed je dus diverse havens. Ik herinner me nog wel dat de reis in Tanjung Priuk begon met Singapore als eerste aanloophaven. Hoewel ik op dit schip niet lang heb gevaren heb ik er toch nog bepaalde herinneringen aan. Bij de KPM voeren 2 kapiteins met dezelfde naam. Omdat ik niet weet of die nog in leven zijn noem ik ze kapitein V. Twee verschillende karakters. Een van hen was V. bagus, de andere V. busuk. Mijn kapitein was V. busuk (slecht). Hij had de naam een moeilijk mens te zijn, reserve marine-officier met een eigen vlag met anker. Die mocht hij voeren op zijn schip. Hij hield van militaire dicipline aan boord. Liefst zou hij alle officieren en bemanning 's morgens op appel aan dek zien. Toen ik mij als nieuwe radio-officier bij hem aan boord meldde werd mij meegedeeld dat ik was aangewezen als "social officer". Dat hield in dat ik als tussenpersoon tussen de kapitein en overige officieren werd aangesteld en o.a. tot taak had de scheepsbibliotheek te beheren. Niemand aan boord was gecharmeerd van de kapitein, behalve de 3e officier. Diens oom was marine-officier en hij stond pal achter het semi-militaire regime van de kapitein. Daaraan kwam op zekere dag een einde door het volgende voorval. Om praktische redenen had de kapitein een wasschema opgesteld voor de officieren. Dat betekende dat iedereen op een bepaalde dag zijn wasgoed voor de wasserij mocht inleveren. Voor dat schema bleek onze 3e officier onvoldoende kleding bij zich te hebben. Hij vroeg mij in mijn functie als "social officer" hierover zijn beklag bij de kapitein ter tafel te brengen. Dat deed ik als volgt. "Kapitein.... er zijn klachten over Uw nieuwe wasschema." Kapitein: "En wie is die klager dan wel?" Ik: "De 3e stuurman, kapitein." Kapitein: "Wat denkt die snotneus wel. Ik heb dagenlang over dat schema nagedacht en nu gaat hij vertellen dat het niet goed is? Laat die vent bij mij komen." Ik naar de 3e officier met de boodschap : "Bij de kapitein komen!" Wat er daarna bij de kapitein besproken is heb ik nooit vernomen, maar de sympathie voor onze gezagvoerder was bij de 3e officier danig bekoeld. Tijdens de reis kwamen we ook in Soerabaia. Bij het binnenvaren van de haven passeerden we een ander KPM-schip. Aan boord van dat schip was bekend wie onze kapitein was. Dat lieten enkelen blijken door op de handen aan dek staand en met de uniformpet op hun achterwerk geplaatst te groeten. Tijdens ons verblijf in Surabaia was ik na een avondje stappen met iets teveel pilsjes op teruggekomen aan boord, tamelijk laat en met een opkomende hoofdpijn. Daar ik in die tijd in een haven liggend weinig urgente werkzaamheden had, een privilege dat bij het vak van marconist hoorde, besloot ik wat uit te slapen. Daarbij had ik echter geen rekening gehouden met de militaire stijl. Klokslag 8 uur zwaaide n.l. de deur van mijn slaaphut open en stond de kapitein in vol ornaat, compleet met goudgerande pet op de drempel van mijn hut. Hij beet mij toe: "Moet ik een verlofdag voor je afschrijven of ben je ziek?" Dat laaste had ik min of meer kunnen beamen. Ik mompelde iets van "ik heb geen speciale werkzaamheden kapitein" waarop mij werd meegedeeld: "ik, de kapitein, bepaal de aanvang van de dienst en in de haven zijn alle officieren om 8 uur aan dek, compleet in uniform, ook de radio-officier." Ik heb me dus maar in het uniform gehesen. Hierna was er zeker geen sprake meer van warme gevoelens tussen de kapitein en mij. Dat zou echter drastisch veranderen na het volgende voorval. Van Surabaia ging de reis naar Bali. Varend door Straat Soenda liep bij nachtelijke duisternis de Both aan de grond op het Groot Hertebeest. Dat bracht nogal wat paniek teweeg en indonesische bemanningsleden zag ik al in zwemvest aan dek. Het schip maakte water en dwong ons terug te keren naar Surabaia voor reparatie. Dit voorval leverde voor mij dus nogal wat dringend radioverkeer op, waarvoor de kapitein de nodige waardering bleek te hebben wegens de stipte en efficiente uitvoering van mijn werk. Ik heb daarna geen kwaad meer kunnen doen bij die man. Daar hij wist dat ik op de nominatie stond om op een thuisvarend schip te worden geplaatst, bood hij mij zelfs gastvrijheid aan boord aan in de haven van Tanjung Priuk voor zolang het schip daar zou liggen. Dit voor het geval ik tot mijn thuisvaart nog in een mess aan de wal zou worden ondergebracht, waar mogelijk het eten minder goed zou zijn dan aan boord. Het is niet nodig geweest en we zijn als goede vrienden gescheiden. Korte tijd later monsterde ik als 3e radio-officier aan boord van de Sibajak, eindelijk op weg naar Nederland na een lange tropendienst in het Verre Oosten.

Naar de Sibajak.