
Op
14 juli 1978 kwam ik, samen met mijn echtgenote, die mee
mocht varen, in Rotterdam aan boord. Ook de kapitein,
Willem Waldmeier, kwam met vrouw, zoon, dochter en hond
(een boxer) aan boord. Dat beloofde dus een gezellige
reis te gaan worden, vooral daar de kapitein een
fantasierijk man bleek te zijn. Daarover later meer. We
zetten dus weer koers naar de West en we zouden daar
dezelfde reisjes maken die mij al bekend waren van mijn
vorige Polar schip. De juiste volgorde van de diverse
havens weet ik me niet te herinneren, maar dat is ook
niet zo belangrijk. Het leven aan boord was echter wel
heel verschillend van de Polar Ecuador. Zoals al
opgemerkt, de kapitein was niet alledaags. Hij had een
levendige fantasie waaruit de meest vreemde ideetjes
ontsproten. Hij was een zwitser volgens zijn paspoort,
maar was verder even nederlands als U en ik. Hij had ook
in Nederland de zeevaartschool doorlopen. Had het ook in
betrekkelijk korte tijd tot kapitein geschopt. Van alles
dat we onder zijn "gezag" beleefden weet ik me
lang niet alles meer te herinneren. Al met al was het een
leuke boel aan boord. Er werd op zee, zowel als in havens
van alles georganiseerd. Hij heeft zelfs eens een stel
meevarende passagiers als ambtenaar van de burgerlijke
stand in de echt verbonden ;-)
Alles kon. B.v. zuidamerikaanse vissersschepen midden op
zee aanhouden om in ruil voor sigaretten verse vis aan te
kopen. Of midden op zee de machines stoppen om zijn
meevarende zoon, die duiker wilde worden, gelegenheid te
geven een kijkje onder het oppervlak van de Atlantische
Oceaan te nemen. Alle spullen had hij bij zich. Eens kwam
dat nog te pas toen een drijvende roeiboot in zicht kwam.
Hoewel die leeg leek te zijn moest er toch worden gestopt
om poolshoogte te nemen. Er zat niemand in. De kapitein
besloot dat die roeiboot binnenboord gehesen moest
worden, hetgeen geschiedde. Ook werden tijdens
wachtperioden tijdens de vaart door het Panamakanaal
sloepen buitenboord gezet om wat op de meren te
spelevaren, z.g.n. sloepoefeningen. Een beetje
handeldrijven in zuidamerikaanse havens was ook niet
ongebruikelijk. Vaak werd ik in New York naar Woolworth
gestuurd om daar de nodige snuisterijen goedkoop in te
slaan, die dan later in zuidamerikaanse havens aan de
vele bekenden van de kapitein met winst verkocht konden
worden. Niet om rijk van te worden, maar voor de lol.
Willem sprak overigens vloeiend spaans en nog wat andere
talen. Al met al een gezellige periode op dat schip. Onze
1e officier was ook een nederlander. Als hobby beoefende
hij het bouwen van scheepsmodellen. Die vonden vaak hun
weg naar de rederij-vitrines.
Die 1e officier nam tegen het einde van onze
contractperiode korte tijd het commando over nadat Willem
en zijn familie terug naar huis vlogen.
Mijn echtgenote is iets eerder naar huis vertrokken dan
ik. Ik heb haar nog vanaf Galveston met een huurauto zelf
naar de luchthaven van Houston gereden. Vandaar vertrok
ze via New York naar Nederland terug.
Op 20 december 1978 werd ik zelf afgemonsterd in
Gulfport, Miss. en vloog vandaar terug naar Nederland.
Hiermee was voor mij een einde gekomen aan de relatie met
Uyterwyk en de Polar-schepen. Kapitein Waldmeier heb ik
later nog diverse malen ontmoet en daarbij ook nog weer
te maken gehad met bizarre ervaringen als gevolg van zijn
ongebreidelde fantasie. Daar kom ik later nog wel op
terug. We houden nu eerst even verlof en gaan dan naar de
periode Beuker Bewaking.

|