Super Servant 4
Weissmuller IJmuiden

Hoewel de Fa. Weissmuller eigen radio-officieren in dienst had, werd ik toch, waarschijnlijk wegens een momenteel tekort aan eigen personeel via Radio Holland angemonsterd voor de Super Servant 4. Het was 5 januari 1985. Het werd weer eens een vliegreisje naar het Verre Oosten. Met Korean Air Lines van Amsterdam een lange vlucht via Groenland, Canada naar Anchorage, alwaar een tussenlanding werd gemaakt. Vandaar naar Seoul. Voor het laatste stukje naar Pusan met een lokale vlucht verder.
In Pusan loste ik dus mijn collega af. De Superservant was een bijzonder schip. Een zogenaamde "submergeable" Een halve duikboot dus. De meestal zware ladingen worden niet op de gebruikelijke wijze via kranen vanaf de wal aan boord gebracht. Het schip wordt n.l. half afgezonken, zodat het te beladen dek onder water komt te staan. De drijvende lading wordt dan tot boven de juiste plek boven het dek gevaren. Daarna worden de voor het afzinken volgepompte tanks weer snel leeggepompt. Het schip komt dan omhoog en de lading staat aan dek. Dan rest nog het stevig verankeren met lassen en staalkabels van de lading. In ons geval een boortoren, bestemd voor Orange in de V.S. (Golf van Mexico). De lange reis daarheen kon nu dus aanvangen. Ik kan hier nog vertellen, dat ik een speciale taak had tijdens de ladingsoperaties. Door het afzinken werden n.l. voor- en achterschip van elkaar gescheiden, daar een groot deel van het schip onder water stond. Overbodig te zeggen dat alle toegangen naar accomodatie en machinekamer waterdicht waren afgegrendeld. Om de verbinding tussen voor- en achterschip te onderhouden, b.v. om de mensen achteruit van eten en koffie te voorzien, moest ik samen met een hulpje uit de machinekamer met een gemotoriseerde rubberboot om en over het schip varen. Een leuke afwisseling voor mij. We gingen dus op weg. Een lange reis. Aanvankelijk vrij rustig en eentonig. Dat veranderde in de Indische Oceaan in de buurt van Zuid Afrika. Voor het eerst in mijn varende loopbaan heb ik daar wel angst gekend voor kapseizen. Het weer was bijzonder slecht en we slingerden dag en nacht behoorlijk. In je kooi moest je je 's nachts schrapzetten tussen de kooiplanken. Tijdens deze omstandigheden werd ook vastgesteld dat de lading niet goed aan dek was vastgezet en dat schuiven van de lading niet was uitgesloten. Er werd dus besloten aan de zuidafrikaanse westkust Walvisbaai aan te lopen om alles te controleren en beter vast te zetten. Daarna konden we verder en kwamen we tenslotte zonder verdere problemen in de haven van Orange aan. Inmiddels was het half april en hadden we een reis van dik drie maanden achter de rug. Op 17 april werd de bemanning afgelost en vlogen we terug naar Amsterdam.
De volgende reis, na genoten verlof, zou ik gaan maken, samen met mijn vrouw, op de
Flevoland.