De geschiedenis van de Akerslootse familie KROM    

 

4.3   DE OVERIGEN

Als we van Generatie I tot en met Generatie VIII alle mannelijke Krommen op een rijtje zetten, komen we tot 21 mannen (die volwassen zijn geworden). Twaalf van hen werden boer, zeven timmerman. Er waren slechts twee mannen met een ander beroep.

De eerste van die twee is Thijs Jacobse Krom (Generatie IV). Hij is geboren in 1748 en is het jongste kind (van de 15) van Jacob Dirkse. Hij trouwt in 1775 met Trijntje Jans Brasser. Ook hij begint zijn loopbaan als boer. In zijn huwelijksjaar koopt hij van zijn broer Jacob "een akker zaadland groot 26 voet gelegen in 't Kijfpolder voor 111 guldens en 16 stuivers". Een jaar later koopt hij "een huys staande en gelegen op den Dam met 122 roeden erf belent ten zuyden de vaart voor 99,-". In een ander archiefstuk betreffende "binnenverpondingen" wordt overigens melding gemaakt van "een hofstee en huys op Sluysbuurt". Waarschijnlijk stond zijn huis ergens op de grens van de buurtschappen de Dam en de Sluisbuurt.

In 1780 echter koopt hij van Dirk Blom een huis en erf "zijnde een broodbakkerij op den Dam voor 1600,-". Hij sluit hiervoor een hypotheek af van 1800,-. Borg staan broer Jan en echtgenote met hun huis en erf op Moolenbuurt.

Hieronder volgt de acte uit 1780, opgemaakt door schout Colthoff,  waarin de aankoop van de broodbakkerij door Tijs Crom beschreven staat.

Thijs gaat vanaf 1780 dus als bakker door het leven. Hij levert blijkbaar regelmatig brood aan de armen van Akersloot, want hij krijgt vanaf 1782 regelmatig een bedrag uitbetaald door de penningmeester van het Armenbestuur. Zo krijgt hij in 1782 ruim  64,- "voor gelevert broot". In 1783 ontvangt hij 47,- "voor gelevert broot aan Mart, Antje & Neeltje Pieters samen 94 broode". In dat jaar doet bovengenoemde penningmeester nog een uitbetaling die indirect met Thijs te maken heeft. Hend. Kooning ontvangt dan immers  4,-  "voor een rijglijf voor het mijsje dat bij Tijs Krom woont". In 1784 ontvangt Thijs nog eens 88,-. Een jaar later vermeldt de penningmeester, dat hij ruim 66,- heeft uitbetaald aan Wed. Tijs Krom. Thijs is immers in de maand juli van het jaar 1785 op 37-jarige leeftijd overleden. 

 

De tweede maar ook laatste Krom (uit de Akerslootse familietak) met een ander beroep dan dat van boer of timmerman is Jaap Krom (Generatie VIII). Jaap is geboren in 1887. In 1905 woont hij een half jaar in Castricum. Zijn beroep is dan "smitsknecht". Vanaf 1918 woont hij met zijn moeder Steintje in een houten huis aan het begin van de Julianaweg. Achter dit huis stond een grote houten schuur waarin Jaap het beroep van fietsenmaker uitoefende. Hij doet dit op de bovenverdieping, de benedenverdieping deed dienst als de timmerwerkplaats van zijn broers, de Gebr. Krom. In 1926 trouwt Jaap met Marie Sernee, de dochter van de hoofdonderwijzer. In dat jaar wordt tevens het oude houten woonhuis gesloopt en wordt er op dezelfde plek, nu Julianaweg 6, een nieuw huis met winkel en werkplaats gebouwd waarin wordt gevestigd het bedrijf van Jac. Krom, "rijwielhandelaar en -hersteller".

 

                               

 

Overigens heeft Jaap naast het beroep van fietsenmaker nog een ander beroep. Hij is tevens postbode. In die tijd heet dat nog "brievenbesteller". In de jaren '60 is Jaap met zijn vrouw verhuisd naar de Raadhuisweg, nummer 36. Hij is in 1984 op de hoge leeftijd van 96 jaar overleden.

 

In de rouwcirculaire n.a.v. het overlijden van Jaap staat over hem het volgende:

Pa werd ruim 96 jaar oud en was met die leeftijd het oudste lid van de beide families tot nu toe. Van die lange levensjaren was hij 41 jaar postbode in Akersloot en circa 50 jaar was hij daar rijwielhandelaar e.a. Hoewel nog sterk van lichaam, werd zijn geest zwakker. Zijn vriendelijkheid en dankbaarheid kon hij echter nog lang blijven uiten. 

 

Van een aantal andere Krommen die niet tot de hier beschreven tak behoren, maar tot een zijtak, kan ook nog verteld worden welk beroep zij uitgeoefend hebben.

Allereerst is daar Jan Jansz Krom (1772-1835), zoon van Jan uit Generatie IV. Jan Jansz komt voor als dagloner, en ook als jager. Met jager wordt in dit geval niet een persoon bedoeld die met een wapen op dieren jaagt, maar iemand die het paard, dat een trekschuit moet trekken, bestuurt (meer hierover in hoofdstuk 10). Jan Jansz was de laatste jaren van zijn leven, van 1827 tot aan zijn dood in 1835 ook (water)molenaar van de Binnengeestermolen (deze molen stond op de plek waar nu een gemaal staat, op de hoek van de Crimpen en het Molenpad). Hij kreeg deze baan, doordat hij in 1827 (her)trouwde met de weduwe van de vorige molenaar, Aaltje Dubbeld. Tijdens zijn carrire als molenaar ontving Jan 60,- voor een jaar maalloon. 

Op de afbeelding hiernaast zien we de Binnengeestermolen. Deze poldermolen was een zogenaamde buitenkruier, en is gesloopt in 1928. De molen komt in de geschiedenis van onze familie regelmatig ter sprake. Niet alleen werkte Jan Jansz erin, de eerste timmerman van de familie, Klaas, timmerde aan de molen, en vervolgens woonden vele Krommen (in ieder geval vanaf Generatie II) in de directe omgeving van de molen. De Molenbuurt, waarin vele Krommen woonachtig waren, heeft zijn naam immers aan deze molen te danken.  

 Jan Jansz was niet de enige jager in de familie. Ook Sijmen Krom (1821-1899), zoon van Jacob (Generatie V), was jager.

Dan is er ook nog een tweede Krom met het beroep van bakker. Het betreft de zoon van de hiervoor al beschreven bakker Thijs Krom, Jacob. Jacob is geboren in 1779. Vanaf 1803 is hij eigenaar van een bakkerij "op den Dam", ook komt hij voor als bakker "op de Sluysbuurt". Waarschijnlijk heeft hij dezelfde bakkerij als zijn vader gehad. In 1811 komt ook hij voor in het Registre Civique. Het beroep van Jacob Tijse Krom heet dan heel deftig "boulanger". Jacob zal later, waarschijnlijk ten tijde van zijn tweede huwelijk, verhuizen naar Heiloo. In 1835 overlijdt aldaar Jacob Tijsz Krom, van beroep bakkersknecht. 

Startpagina                                                        Verder