Inleiding
Vierkante korven
Bouw
Werkwijze
Tussenvormen
Overgang
Wespen en korven
Heden ten dage
![]() |
Inleiding |
![]() |
Nadat de mens de honing als zoetstof ontdekt had, was de jacht op de bijen
geopend. Mensen die goed waren in het vinden van "nesten" hadden
een goede "bij"verdienste. Tot de Middeleeuwen heeft de mens dit in West Europa
gedaan. In Zuid Europa hielden de oude Grieken al bijen, maar daar was natuurlijk
het klimaat veel gunstiger. Heden ten dage vindt deze jacht naar wilde bijen
nog steeds plaats in bijvoorbeeld Nepal, zoals in de film "De honing- jagers"
op de televisie te zien is geweest. Onder zeer gevaarlijke omstandigheden,
aan touwen boven afgronden hangend, werden raten van de (reuzen)bijen weggesneden.
Met de overgang van jager naar landbouwer, waarmee de mens zich meer zekerheid
verschafte in zijn bestaan, is ook de wens gekomen om zelf bijen te gaan houden.
Hiermee voorkom je dat anderen je bij de bijenjacht te vlug af zijn. In de
natuur "nestelen" bijen het liefst in waterdichte ruimten, bijvoorbeeld
holten in bomen of in rotsspleten. Een nest gebouwd in de openlucht in bomen
of struiken is een noodoplossing (koolzaad), en in feite een mislukking in
een klimaat als het onze.
De eerste bijen die hier door de mens gehouden werden, waren waarschijnlijk
gehuisvest in holle boomstammen, die al of niet opzettelijk waren omgezaagd.
Later kwamen korven en kasten, waarbij ik niet weet wat eerder gebruikt is
in de geschiedenis. In West europa waren dat waarschijnlijk de korven. De
voordelen van korven zijn iedereen bekend, vooral de beschikbaarheid van goedkoop
stro speelde hierbij een rol. De nadelen ervan kent elke imker ook, zeker
dat de capaciteit van een korf beperkt is. De overgang van korf naar kast
was voor sommigen te groot.
Zij probeerden een aantal voordelen van de kast (groter, losse ramen) te combineren
met de hun vertrouwde huisvesting en kwamen zo uit op de vierkante
korf.
Nog steeds een korf van roggestro, maar één waarmee je een aantal
kasthandelingen kon uitvoeren.
Een opstelling van boogkorven in de Noordoostpolder in 1946.
Moderne vierkante korven |
![]() |
Voor bijen is een vierkante of rechthoekige ruimte niet de ideale woning.
In verhand met de warmte-isolatie is de bolvormige woning de meest ideale.
De bol heeft ten opzichte van het oppervlak de kleinst mogelijke inhoud, wat
betekent dat de afkoeling, bij een bepaalde hoeveelheid bijen, in bolvorm
het kleinst is. Bovendien is een grotere bol energetisch weer voordeliger
dan een kleine. Dit verschijnsel vinden we ook bij zoogdieren (Regel van Bergman).
Binnen een groep verwante diersoorten leven de grootste exemplaren in de koudste
streken.
Al te veel waarde moeten we hier ook weer niet aan hechten. Als het koud wordt
trekken de bijen zich alsnog terug op de bolvorm en wordt de rest van de kast
niet benut (wintertros). Ook in de natuur kan een volk niet altijd een geschikte
woonruimte vinden. Een holle boom is meestal geschikt, maar een rotsspleet,
verre van rond, voldoet ook.
Binnen de vierkante korven kun je twee typen onderscheiden:
1. de vierkante korf van Uddel en Lüneburg (D).
De Uddelerkorf kun je beschouwen als een (kleine) kast, gezien zijn mogelijkheden, maar dan van stro gebouwd. De Lüneburger korf is een duidelijk grotere en stevigere korf dan de Uddelerkorf.
2. de Gravenhorster- of boogkorf.
De
Gravenhorster korf lijkt op een grote korf, zij het met een rechthoekige dwarsdoorsnede
en ronde bovenkant (in één vlak). In tegenstelling tot bijna
alle andere korven zitten er echter, afhankelijk van de breedte, 9 - 16 ramen
in, die aan de bovenkant rond zijn.
In het begin zijn deze ramen uitneembaar.

In de praktijk is een korf op den duur niet vormvast, waarmee de bijenafstand
verdwijnt en de ramen vastgekit of vastgebouwd worden.
Toch konden met deze korf een aantal kasthandelingen toegepast worden.
Voor beide vierkante korven geldt dat ze feitelijk een doodlopende weg insloegen. Ten opzichte van de ouderwetse korf boden ze meer mogelijkheden, maar ze waren niet of weinig groter. Voor de ontwikkeling naar de moderne bijenteelt waren ze ongeschikt. Het belangrijkste was de inhoud, deze bedroeg nog steeds minder dan de helft van een doorsnee kast van tegenwoordig, waarin je met vruchtbare koninginnen al nauwelijks uit de voeten kunt. Het roggestro waarvan ze gemaakt zijn, is bovendien inferieur aan het hout van de kasten, zeker wat de levensduur betreft.
Moderne ontwikkelingen in de korfteelt beperkten zich niet tot bovengenoemde
strokorven. Er bestonden
een aantal cilinder- vormige korven, o.a: Mellonakorf, Kanitzkorf
en Boxmakorf (allen: horizontale doorsnede rond, verticale doorsnede rechthoekig).
Deze kenden in lengte verschillende bovenlatten, die meestal vast in de korf
zaten.
Als deksel gebruikte men een platte of gebogen, ronde kop van stro, waartussen
een tussenring paste (honingkamer). De Kanitzkorf kende zelfs een los houten
opzetkastje, vierkant van vorm.
Bouw |
![]() |
Een Uddelerkorf bestaat uit een broedkamer en twee honingkamers. De broedkamer bestaat uit acht gevlochten randen samen ongeveer 20 cm hoog, de honingkamer uit vier randen ongeveer 10 cm hoog. De inwendige maat is 26,5 cm in het vierkant. Wat de raten betreft neemt de vierkante korf een tussenplaats in tussen ronde korf en kast.

In beide kamers hangen zeven "raten". In de broedkamer bevindt zich
vaste bouw, waarbij de bijen kunnen beginnen aan 7 vaste bovenlatjes met voorbouw.
Aan de zijkanten bouwen de bijen de raten vast aan de korf. Door de broedkamer
worden net als bij de ronde korf voor de stevigheid spijlen in de raat gestoken.
In de honingkamer kan "losse" of vaste bouw voorkomen, afhankelijk
van seizoen en dracht. Als de honingkamer onder de broedkamer gezet wordt,
om het broednest ruimte te geven, kan de raat naar beneden uitgebouwd worden.
Wordt de honingkamer erop gezet dan komen er losse raampjes in. Ook hier geldt
als bij de Gravenhorster boogkorf dat bij de geringste afwijking in de vorm
van de korf, de ramen vastgekit of met raat vastgebouwd worden.
Werkwijze |
![]() |
In het voorjaar werkt men als bij een ronde korf, maar vanaf de zomer kun
je het werk vergelijken met dat van een kast. Wat de honing betreft draait
alles om de heidehoning. De voorjaarshoning blijft in de korf.
De volken worden ingewinterd in de broedkamer met een lege honingkamer eronder.
De raten van de broedkamer kunnen uitgebouwd worden in de honingkamer. In
het voorjaar wordt naar het fruit gereisd, bij sterke volken gaat er dan een
tweede honingkamer onder.
In de zwermtijd laten de imkers één of twee zwermen afkomen
die ook op één broedkamer met daaronder een honingkamer gezet
worden. Nu worden alle volken gedurende de zomer op sterkte gebracht voor
de heide. Op de heide wordt er dan een honingkamer opgezet met daarin zeven
raampjes met voorbouw. Tevens wordt dan de honingkamer onder de broedkamer
verwijderd, waarbij de raten die onder de broedkamer uitsteken met een draadje
worden weggesneden. Het volk gaat noodgedwongen naar boven.
Sommige imkers hebben geprobeerd met raampjes te werken in de broedkamer.
Maar ook hier geldt dat korven werken en bij het ouder worden kunnen inzakken.
Voor de huidige productieve moeren (koninginnen) zijn deze kasten veel te
klein. Het zwermen is dan praktisch niet tegen te houden, zelfs niet bij de
meest zwermtrage moeren.
Tussenvormen |
![]() |
Een "korf" die sterk op die uit Uddel lijkt is de korfkast uit Vaassen.
Deze is iets groter dan de Uddelerkorf, heeft een houten boven- en onderrand
en is voorzien van een houten deksel.
De
broedkamer bestaat uit één kamer ongeveer ter grootte van een
honing- en broedkamer bij de korf van Uddel. Deze korf begint al aardig op
een kast te lijken, maar is nog steeds grotendeels van stro gemaakt. Een stap
verder ging de korfkast uit Ter Apel, sterk lijkend op de korf uit Vaassen,
maar voorzien van houten binnenbakken, waarin de raampjes hingen. Als "laatste"
tussenstap kwam de houten korf/kast van de noordelijke Veluwe, die aan de
buitenzijde bekleed was met bunt (isolatie of uiterlijk?).
Het was alsof de imkers de definitieve stap naar de volledig houten kast steeds probeerden uit te stellen, en met allerlei overgangs- vormen de te nemen stappen zo klein mogelijk wilden houden.
De overgang |
![]() |
Dan pas durft men het aan om de houten kast te gebruiken. Hier speelden
natuurlijk meer factoren een rol, dan alleen maar de overgang van stro naar
hout.
De echte houten kasten zijn wat inhoud betreft veel groter dan de doorsnee
korf, waarvan de inhoud kleiner is dan van één broedkamer van spaar- of simplexkast.
Als je dan ook nog eens een tweede broedkamer en een honingkamer gebruikt,
is het duidelijk dat een houten kast een andere moer, maar ook een andere
methode vereist om mee te werken. Simpel uitgedrukt paste de korfimker "niets"
toe en liet de zwermen gewoon afkomen, sterker, dat maakte zelfs deel uit
van zijn "methode". Elk volk moest minstens twee zwermen geven,
die dan opgefokt werden, en honing moesten halen. Het overschot aan volken
werd aan het eind van het bijenseizoen geoogst en afgemaakt, in later tijden
ook als naakt volk (naar Engeland) verkocht.
Hierin school voor de doorsnee korfimker de moeilijkheid. Hij moest overschakelen
op de veel grotere kasten, waarin de bestaande moeren niet makkelijk meer
tot zwermen kwamen, zodat hij niet meer volgens de oude methode kon werken.
Een algemeen toegepaste kastmethode bestond ook niet, zodat veel zoniet de
meeste kastimkers maar wat aan rommelden, vaak zelfs probeerden om toch hun
beproefde methode die ze bij de korf geleerd hadden, toe te passen. Hierin
kwam pas verandering toen de Aalstermethode ingevoerd en gepropageerd werd.
Voor de meeste imkers is met deze methode, met al zijn beperkingen, goed en
makkelijk te werken. Mede daarom werd ze ook gebruikt om nieuwe imkers te
onderwijzen.
Dat de overgang naar de houten kasten nog zo lang heeft moeten duren, in Amerika
waren ze ons decennia voor, is dus niet zonder meer een kwestie van onwil
geweest. De overschakeling op een nieuwe werkwijze was voor veel oude imkers
teveel, maar ook speelden het ontbreken van een goede kastmethode en bovenal
de (veel) hogere kosten die aan de kasten kleefden een grote rol bij de overgang
naar de kast.
Wespen en vierkante korven |
![]() |
Zolang de mensheid woningen voor bijen bouwt heeft hij moeten inzien dat
ook andere dieren er gebruik van maken.
In de zomer van 2005 loop ik de tuin in en merk opeens dat er wespen langs
me heen vliegen, hoewel het geen goed wespenjaar was. Ik kijk om me heen en
zie dat uit de gravenhorster korf die ik voor de aardigheid op een verhoging
had gezet enkele wespen vliegen. Ik besluit om ze met rust te laten.
Pas in de winter schiet me weer te binnen dat ik in de boogkorf wil kijken
en voeg ik de daad bij het woord.
Het resultaat kunt u op de foto's zien, een volledig door de wespen in één
seizoen volgebouwde korf.


Heden ten dage |
![]() |
Niks is veranderlijker dan een mens, maar niks ook zo behoudend. Reden waarom
in de 21e eeuw veel moderne imkers nog steeds geboeid zijn door de (vierkante)
korf en er in al zijn facetten, zij het op beperkte schaal, mee willen werken.
Het voert me te ver om alle nadelen van de korf in het algemeen op te voeren
(zwermen!!!). Ik ben bang dat er dan geen enkele imker nog aan wil beginnen.

Als je er ondanks deze opmerking toch aan begint, kan ik alleen maar zeggen
dat een gewaarschuwd mens voor twee telt, ik praat uit ervaring!
Desondanks veel plezier ermee.
Hans van Boven