Argumentatietechnieken
  • alloiosis: het ontleden van een onderwerp in alternatieven;
  • amfidiorthosis: het verzachten of afbakenen van een aanklacht die in woede is gedaan;
  • anacoenosis: het vragen van de mening van de toehoorders (of lezers);
  • analogie: de waarheid trachten te omlijnen aan de hand van analoge feiten;
  • antanagoge: een ongunstig aspect met een gunstig vereffenen;
  • anthypofora: vragen stellen en beantwoorden;
  • antirrhesis: het verwerpen van een argument omdat het insignificant, fout of slecht is;
  • apodioxis: een argument verontwaardigd verwerpen als impertinent of absurd;
  • apomnemonysis: het citeren van een erkende autoriteit in een (juridische) rede;
  • apofasis:
    • het verwerpen van alle alternatieven behalve één;
    • voorwenden iets te negeren wat in werkelijkheid juist wordt bevestigd;
    • het geven van vele redenen en elke daarvan weerleggen;
  • apoplanesis: het vermijden van de zaak door af te dwalen van het onderwerp;
  • aporia: echte of gespeelde twijfel of overweging over een zaak;
  • aposiopesis: plotseling stoppen midden in een zin of overweging;
  • argumentum:
    • a contrario: volgt uit de beschouwing van het tegendeel.

    • a fortiori: overtreffend; als je wilt bewijzen dat A op een gegeven moment wreed heeft gehandeld, toon dan aan dat hij op een ander moment nóg wreder heeft gehandeld.

    • ad absurdo: uit het ongerijmde.

    • ad baculum: doorslaggevend. Afgeleid van het Latijnse baculum (stok).

    • ad hominem: op de man, tijdens de discussie die op dat moment plaatsvindt.

    • ad ignorantiam: op de onwetendheid van de tegenpartij gebaseerd.

    • ad invidiam: op afgunst of lage hartstochten speculerend.

    • ad judicium: op oordeel beroepend.

    • ad personem: op de persoon gespeeld, tijdens de discussie die op dat moment plaatsvindt.

    • ad populum: op het vooroordeel van de massa speculerend.

    • ad rem: op de zaak zelf betrekking hebbend.

    • ad verecundiam: op het schaamtegevoel van de tegenstander beroepend.

    • a posteriori: door ervaring geleverd.

    • a priori: door logica geleverd.

    • ex concessis: uit het toegegevene.

    • e(x) silentio: op stilzwijgen berustend.

    • post hoc (ergo) propter hoc: de redenering die zegt dat omdat A vóór B gebeurde, A de oorzaak moet zijn van B.

    • probabile: op waarschijnlijkheid berustend.

  • comprobatio: het complimenteren van iemands rechters of toehoorders;
  • concessie: het toegeven dat de tegenpartij gelijk heeft op een punt van ondergeschikt belang;
  • contrarium: het gebruiken van één of twee tegengestelde beweringen om een andere te bevestigen;
  • correctie:
    • een juist gebruikt woord of frase corrigeren;
    • de toehoorders voorbereiden op het horen van iets onplezierigs;
  • deliberatio: het evalueren van verschillende mogelijkheden van handelen;
  • diëresis: het ontleden van een begrip in verschillende onderdelen;
  • dialogismus: spreken in naam van een ander;
  • dialyse: het redeneren vanuit een serie disjunctieve proposities;
  • diasyrmus: het kleineren van de argumenten van de tegenstander;
  • dicaeologia: excuses maken uit noodzaak;
  • digestie: het ordelijk opsommen van de punten die behandeld zullen worden;
  • dilemma: een argument dat een tegenstanders onacceptabele keuzes geeft;
  • emfaze: het benadrukken van het taalgebruik om meer te impliceren dan wordt gezegd;
  • enumeratio: een recapitulatie;
  • epitrochasmus: een snelle overgang van de ene stelling naar de andere;
  • epitrope: een ironische of werkelijke instemming met een tegenstander;
  • erotesis: een retorische vraag die sterke afkeuring of ontkenning impliceert;
  • eufemisme: een verzachtende benaming voor iets onaangenaams;
  • expeditio: het verwerpen van alle alternatieven behalve één;
  • exuscitatio: emotionele uitingen die de toehoorders moeten bewegen tot soortgelijke gevoelens;
  • heterogenium: een irrelevant antwoord om de aandacht af te leiden;
  • hypofoor: een retorische vraag met een door de spreker zelf gegeven antwoord;
  • koinonia: het consulteren van de opponent of de rechters;
  • leptologia: subtiel spraakgebruik; spitsvondigheden gebruiken;
  • medela: excuses voor onloochenbare beledigingen of overtredingen van een vriend;
  • metanoia: een uitspraak beperken door deze te herroepen en beter te formuleren;
  • metastase:
    • snel over een zaak heen stappen;

    • een belediging of tegenwerping retourneren aan de persoon die ze maakte;

  • oraculum: het citeren van geboden van de goden;
  • paradiëgesis: het gebruiken van een bespiegeling of feit als vertrekpunt voor een verdere, gerelateerde bespiegeling;
  • paramologia: een punt toegeven, zowel vanuit overtuiging of om het eigen argument kracht bij te zetten;
  • parrhesia: oprechte spraak of het veinzen ervan;
  • perifrase: het gebruiken van omschrijvingen;
  • peristrofe: het aanwenden van de argumenten van de opponent voor eigen gebruik;
  • peroratie: een hartstochtelijke slotrede;
  • philophronesis: een poging woede te verzachten door vriendelijke spraak en nederige onderworpenheid tijdens een rede;
  • prokathalesis: de poging om een tegenwerping te voorkomen en van tevoren te ontzenuwen;
  • procatasceue: het voorbereiden van de toehoorders op het mededelen van de (mis)daden die iemand heeft gepleegd;
  • proëcthesis: het verdedigen van iemands daden of uitspraken;
  • progressio: het redeneren met stappen van vergelijking;
  • prolepsis: een attribuut of epitheton toepassen dat later relevant wordt;
  • prosapodosis: het ondersteunen van elk alternatief met een reden;
  • pseudomenos: een argument dat iemands tegenstander dwingt tot liegen;
  • ratiocinatio: een vraag die door de spreker aan zichzelf wordt gesteld;
  • reditus ad propositum: het terugkeren naar een onderwerp na een digressie;
  • restrictio: het uitzonderen van een deel van een voorgaande verklaring;
  • sermocinatie: een andere persoon via een ingebeelde toespraak of brief laten spreken;
  • significatio: het impliceren van meer dan iemand zegt;
  • subjectio: het suggereren van degene die een vraag stelt, dat hij die ook beantwoordt;
  • syllogisme: zinspelen op iets;
  • synchoresis: de spreker geeft degenen die hem ondervragen toestemming hem te beoordelen.
  Terug naar de stijlfiguren  
  © Maurice van Elburg  
  Terug naar de homepage