De stijlmiddelen van balans, antithese en paradox
  • alloiosis: het ontleden van een onderwerp in alternatieven;
  • antanagoge: het vereffenen van een ongunstig aspect met een gunstig;
  • anthypofora: het stellen en beantwoorden van vragen;
  • anticategoria: het wederzijds uiten van beschuldigen of tegenbeschuldigingen;
  • antifrase: het gebruiken van een woord, terwijl men de tegenovergestelde betekenis van dat woord bedoelt;
  • antimetabole: het symmetrisch herhalen van woorden in omgekeerde volgorde;
  • antinomie: het onderling vergelijken van wetten (of delen ervan);
  • antisagoge:
    • Het in het vooruitzicht stellen van een beloning aan degenen die een deugd bezitten of een straf voor degenen die de deugd minachten.
    • Het eerst verdedigen van de ene zijde van een stelling verdedigen en dan de andere zijde, met evenveel kracht.
  • apocrisis: het weerleggen van zijn eigen argumenten;
  • apofonema: het stellen van een sententie in antithesische vorm;
  • aversio: het afwenden van de redenaar:
    • apostrofe: het spreken tegen iemand die niet aanwezig is of tegen levenloze voorwerpen;
    • digressie: het afdwalen van het eigenlijke thema om een rede of verhaal op te smukken met bijkomstigheden of elementen die slechts zijdelings met het thema te maken hebben;
    • sermocinatie: het laten spreken van een andere persoon via een ingebeelde toespraak of brief;
  • chiasme: het kruislings stellen van woorden of zinsdelen;
  • climax: het opeenvolgen van steeds sterkere uitdrukkingen (qua betekenis of lengte);
  • commutatio: het omdraaien van de volgorde van de eerste clausules in de tweede;
  • contrarium: het gebruiken van één of twee tegengestelde beweringen om een andere te bevestigen;
  • dialyse: het redeneren vanuit een serie disjunctieve proposities;
  • dilemma: een argument dat een tegenstanders onacceptabele keuzes geeft;
  • enigma: een raadsel;
  • euphuïsme: een ingewikkelde prozastijl die gebruik maakt van balans en antithese;
  • hypofoor: een oratorische vraag met een door de spreker zelf gegeven antwoord;
  • hypozeuxis: een zin waarin elke clausula een eigen onderwerp en werkwoord heeft;
  • isocolon: een herhaling van zinnen van gelijke lengte en gewoonlijk een overeenkomende structuur;
  • litotes: het ontkennen van het tegendeel;
  • oxymoron: het naast elkaar plaatsen van tegengestelde begrippen;
  • paromoiosis: een parallellisme van klanken tussen woorden van twee gelijke clausula's;
  • polysyndeton: het gebruik van een verbinding tussen elke clausula;
  • progressio: het redeneren met stappen van vergelijking;
  • prosapodosis: het ondersteunen van elk alternatief met een reden;
  • syncrisis: het vergelijken van tegengestelde elementen in contrasterende clausula's.
  Terug naar de stijlfiguren  
  © Maurice van Elburg  
  Terug naar de homepage