Complexe versierselen:
tien basistropen
  1. Onomatopee
    Een woordvorming door klanknabootsing, waarbij de uitspraak aan de betekenis doet denken.
  2. Antonomasia
    Een bijzondere naamgeving; een vervanging van soortnaam door eigennaam (of v.v.).
  3. Metonymie
    Een naamswisseling, waarvan gesproken wordt als de beeldspraak niet berust op vergelijking, maar op een zekere betrekking tussen het genoemde en het bedoelde.
  4. Perifrase
    De omschrijving (soms overbodig, soms ter verfraaiing of uitbreiding van een uitdrukking).
  5. Hyperbaton
    Een vrije woordschikking om een belangrijk begrip naar voren te brengen.
  6. Hyperbool
    Een overdrijvende, vergrotende uitdrukking.
  7. Synecdoche
    Een metonymische (zie punt 3) vergelijkingsbeeldspraak: aanduiding door de naam van een deel (= pars pro toto) of het tegenovergestelde: het noemen van het geheel (= totum pro parte).
  8. Catachrese
    Het gebruik van een woord in een oneigenlijke betekenis. Ze ligt daardoor aan de basis van elke vorm van metafoor (zie punt 9).
  9. Metafoor
    Een vergelijkingsbeeldspraak, in overdrachtelijke betekenis; het te vergelijken object wordt vervangen door het beeld.
  10. Antimetabole
    De symmetrische herhaling van woorden in omgekeerde volgorde.
  Terug naar de taalversierselen  
  © Maurice van Elburg  
  Terug naar de homepage