Handboek filologie: A
Aandachtsstreep
Een liggend streepje dat een sterkere rust aanduidt dan een komma.
  Aansporing
Zie adhortatief.
 
  Aanspreking
Zie vocatief.
 
 

Abbreviëren

  1. De kunst zich zo kernachtig mogelijk uit te drukken, zoals dit bijzonder geliefd was onder Romeinen. Afgeleid van het Latijnse breviare (korter maken). Zie brachylogie;

  2. Verkort schrijven.

 
  Abductie
Een niet strikt logische redeneerwijze, waarmee men een bruikbare hypothese kan krijgen. Afgeleid van het Latijnse abductio (wegvoering).
 
  Abecedarium
Een vorm van acrostichon waarbij de beginletters van de verzen of strofe samen het alfabet vormen.
 
  Abele spelen
Het uit de tweede helft van de 14e eeuw stammende, ernstig wereldlijk Middel-nederlands drama dat vooral in het milieu van de ridders werd gespeeld. Het thema was vrijwel altijd de hoofse liefde. Afgeleid van het middeleeuwse abel (kunstig), ter onderscheiding van de kluchten. Zie ook deze site.
Bijvoorbeeld: Esmoreit en Lanseloet van Denemarken.


Esmoreit

 
  Ablatief, ablativus
De zesde naamval, de naamval die aangeeft waardoor of waarmee iets gebeurt, waaruit iets ontstaat. Afgeleid van het Latijnse 'ablatus' (wegdragen, wegnemen). Het woord ablativus werd door Quintilianus (35-96) bedacht.

We onderscheiden:

  1. Ablativus absolutus
    De naamval waarbij een participium, dat congrueert met een substantivum of een pronomen in de ablativus, als zelfstandig zinsdeel optreedt. Deze heeft in de zin de functie van een bijwoordelijke bepaling en kan derhalve worden vertaald:
    door een bijwoordelijke bepaling;
    door een bijwoordelijke bijzin (het participium wordt hierin predikaat, het substantivum of pronomen subject).
    In feite is de ablativus absolutus een uitbreiding van het gebruik van de ablativus als bijwoordelijke bepaling van omstandigheid, tijd, reden, etc., vergezeld van een dominant gebruikt participium. De term absolutus is afgeleid van het Latijnse solutum (losmaken).
    Bijvoorbeeld: 'Deo volente' (Zo God wil).

  2. Ablativus causae
    De naamval die aangeeft wat de oorzaak is waardoor iets gebeurt.
    Bijvoorbeeld: 'Clamore terremur' (Wij worden door het geschreeuw verschrikt).
  3. Ablativus comparationis
    Deze naamvalsvorm is een bijzondere vorm van de ablativus separativus en staat meestal vóór de comparativus.
    Bijvoorbeeld: 'Patre fortior est' (Van zijn vader uit bezien is hij sterker).
  4. Ablativus instrumentalis
    De naamval die aangeeft wat het werktuig of middel is waarvan gebruik gemaakt wordt.
    Bijvoorbeeld: 'Pecunia me iuvant' (Zij helpen mij met geld).
  5. Ablativus loci
    De naamval die de plaats waar iets zich bevindt aangeeft.
    Bijvoorbeeld: 'Carthagine habitat' (Hij woont in Carthago).
  6. Ablativus mensurae
    Deze naamvalsvorm is een bijzondere vorm van de ablativus instrumentalis en geeft aan hoevéél iets of iemand groter is dan iets of iemand anders.
    Bijvoorbeeld: 'Me multo maior est' (Hij is veel groter dan ik).
  7. Ablativus separativus
    De naamval die het uitgangspunt aangeeft bij scheiding of verwijdering.
    Bijvoorbeeld: 'Domo venit' (Hij komt van huis).
  8. Ablativus temporis
    De naamval die de tijd waarop iets gebeurt aangeeft.
    Bijvoorbeeld: 'Hieme non enavigant' (In de winter varen zij niet uit).
 
  Ablaut
Een klinkerverwisseling; zie apofonie.
Bijvoorbeeld: 'sterven', 'stierf', 'gestorven'.
Van een ablaut is ook sprake bij afgeleide woorden.
Bijvoorbeeld: 'breken' en 'breuk'.
 
  Ab ovo
De epische compositiestijl waarbij de schrijver de gebeurtenissen in chronologische volgorde vertelt. Afgeleid van het Latijnse ovum (ei).
 
  Abrupta
Korte, puntige gezegden of anekdotes.
 
  Absolutief
De naamval voor het subject in intransitieve, en het object in transitieve zinnen. Dit geldt voor Australische talen.
Antoniem: ergatief.
 
  Absolute constructie
Een constituent die semantisch en qua intonatie wordt verbonden met de rest van de zin, maar waarbij een openlijke uitdrukking van syntactisch verband ontbreekt.
Bijvoorbeeld: "De mannen - de zaken afgerond - sloten de werkdag af in een café".
 
  Absoluut proza
Een vorm van experimentele literatuur, die de zelfstandigheid van het werk voorop stelt en streeft naar maximale exploitatie van de interne betekenisrelaties.
Bijvoorbeeld: Het mes in het beeld, en andere verhalen van J.F. Vogelaar e.a.
 
  Abstract(um)
Een woord dat een abstract begrip aanduidt.
 
  Abstractum pro concreto
Zie metonymia.
 
  Abstraheren
Het afleiden.
Bijvoorbeeld: 'biels' was voorheen meervoud van 'biel', maar bij 'bielzen' als het nieuwe meervoud is 'biels' als enkelvoud geabstraheerd.
 
  Absurd theater
De theatervorm die in de jaren vijftig sterk opkwam en de nadruk legt op de zinloosheid en absurditeit van de mens. Ze is dan ook verwant aan het existentialisme. Verwant aan anti-theater.
Bijvoorbeeld: De kaalkop luistert van Lodewijk de Boer.
 
  Abusio
Zie catachrese.
 
  Academisme
De schoolse, conventionele stijl (ook in pejoratieve betekenis).
 
  Acatalectisch
Met het vereiste aantal (beklemtoonde en onbeklemtoonde) lettergrepen. Afgeleid van het Griekse a (niet) en katalego (ophouden).
Antoniem: catalectisch.
 
  Accent
De nadruk of toonhoogte waardoor een vocaal zich van andere onderscheidt. Men onderscheidt: dynamisch accent (sterk – zwak, bijvoorbeeld in de Germaanse talen), muzikaal accent (hoog – laagbijvoorbeeld in de Chinese talen) en temporeel of kwanitatief accent (vlug – langzaam, bijvoorbeeld in de klassieke talen). Zie ook bij ritme en metrum.
 
  Accent aigu
Het leesteken: ´.
 
  Accent circonflexe
Het leesteken: ^.
 
  Accent grave
Het leesteken: `.
 
  Accentvers
Een vers met een vast aantal arses, maar een willekeurig aantal lettergrepen. Vergelijk kwantitatief vers.
 
 

Acconsonantie
De rijmvorm waarbij er een overeenkomst is van klank tussen de medeklinkers. Ook wel medeklinkerrijm genoemd. Vorm van halfrijm.
Bijvoorbeeld het gedicht Nonconform van Bert Decorte:

Aan elke lering heb ik lak;
in elk systeem vind ik een lek;
omdat ik niemands zolen lik
en met gevlei geen machtigen lok,
is ’t dat ik niet als andren luk.

 
  Accumulatie
De stijlfiguur waarbij men woorden met een overeenkomstige betekenis of woorden van dezelfde soort samen plaatst om een bepaald effect te bereiken. Ook coacervatie en congeries genoemd. Sterk verwant aan enumeratie. Vergelijk diëresis 3.
Bijvoorbeeld: 'bont en blauw'.
 
  Accusatief, Accusativus
De vierde naamval; de objectsvorm. Afgeleid van het Griekse aitiake (causaal, waarbij het object of doel de oorzaak van de handeling of beweging is).

We onderscheiden:

  1. Accusativus adverbialis
    De accusativus van inhoud, die in zijn geheel tot adverbium geworden is.
  2. Accusativus cum infinitivo (a.c.i.)
    Een pronomen of substantivum in de accusativus en een infinitivus. Deze accusativus cum infinitivo komt voornamelijk voor bij werkwoorden van meedelen, waarnemen, voelen of willen, en bij onpersoonlijke werkwoorden.
    Doordat in deze naamvalsvorm zowel een subject als een object kan staan, kan er sprake zijn van (opzettelijke) dubbelzinnigheid.
    Bijvoorbeeld: 'Aio te, Aeacida, Romanos vincere posse', de uitspraak van het orakel te Delphi aan koning Aeacides. Deze uitspraak kan zowel vertaald worden met 'Ik zeg u dat gij, telg van Aeacus, de Romeinen kunt overwinnen', als met 'Ik zeg dat de Romeinen u, telg van Aeacus, kunnen overwinnen'.
  3. Accusativus cum participio
    Het verschijnsel waarbij een werkwoord van waarneming wordt vergezeld door een aanvullende predikatieve bepaling in de vorm van een participium.
    Bijvoorbeeld: 'Audio eum dicentem' (ik hoor hem zeggen).
  4. Accusativus exclamationis
    De accusativus van uitroep.
    Bijvoorbeeld: 'ne Dia' (ja, bij Zeus).
  5. Accusativus obiecti directi
    De accusativus met het direct lijdend voorwerp.
  6. Accusativus partis
    De accusativus van betrekking; ook graecus of limitationis genoemd. Zie accusativus respectus.
  7. Accusativus regionis
    De accusativus van richting.
    Bijvoorbeeld: pôllôi isan emêteron do (veel mensen kwamen in ons huis).
  8. Accusativus respectus
    De accusativus van betrekking. Ook accusativus relationis, accusativus partis of accusativus Graecus genoemd. Zelden ook limitationis genoemd.
    Bijvoorbeeld: theaon eidôs ariste (van de godinnen in uiterlijk de beste).
  9. Accusativus spatii
    De accusativus van afstand.
    Bijvoorbeeld: ten auten ôdôn elthômen (wij gingen dezelfde weg).
  10. Accusativus temporis
    De accusativus van tijd.
    Bijvoorbeeld: pôlun chrônôn algea paschei (lange tijd verduurt hij pijn).
 
  Acephalexis
Een metrische versregel waarvan de eerste lettergreep van de normale versvoet ontbreekt. Overgenomen van het Griekse akefalôs (zonder hoofd).
 
  Achronie
Het weglaten van de tijdsaanduiding in een verhaal. Een vorm van anachronisme. Zie ook syllepsis.
 
  Acribie
Het beoefenen van de filologie met uiterste nauwkeurigheid. Afgeleid van het Griekse akribeia (nauwkeurigheid, zorgvuldigheid).
 
  Acrofonie
Het benoemen van een letter met een woord dat met die letter begint.
Bijvoorbeeld: 'Simon' in plaats van 'S'.
 
  Acroniem
Een letterwoord; woord ontstaan uit een afkorting. Afgeleid van het Griekse akrôs (puntig, spits). Uit het gebruik akrôs van blijkt dat het gaat om de uiteinden van de woorden waaruit de acroniem wordt gevormd.
Bijvoorbeeld: 'NASA', 'radar'.
 
 

Acrostichon
Een naamdicht, waarbij begin-, midden- of eindletters van de strofen of de versregels een woord, naam, zin, gedicht of het alfabet vormen. Er zijn drie vormen:

  1. enkel acrostichon, waarbij alleen de beginletters van de woorden, de zinnen of de alinea's een acrostichon vormen;

  2. dubbel acrostichon, waarbij begin- en eindletters van de woorden, de zinnen of de alinea's een acrostichon vormen;

  3. drievoudig acrostichon, waarbij begin-, midden- en eind-letters van de woorden, de zinnen of de alinea's een acrostichon vormen.

Afgeleid van het Griekse akrôs (spits, puntig).

Bijvoorbeeld: het Wilhelmus, waarbij de beginletters van de coupletten de naam 'Willem van Nassov' vormen.
Zie ook abecedarium, acroteleuton, mesostichton en telestichon.

 
  Acroteleuton
Een gedicht dat verbinding van een acrostichon en een telestichon bevat.
 
  Acta
Verslagen van de handelingen van de senaat, de keizer en dergelijke. Ook gebruikt voor het bijbelboek Handelingen van de apostelen (Acta Apostolorum). Afgeleid van het Latijnse acta (handelingen).
 
  Actant
Een klasse van acteurs die in een verhaal- of dramageschiedenis een gemeenschappelijk kenmerk (functie) vertonen in het geheel van een handelingsverloop. Men onderscheidt gewoonlijk:
subject « object
begunstiger « begunstigde
helper « tegenstander
Gezamenlijk worden deze actants een actantieel model genoemd.
 
 

Actantiële syntaxis
De onderlinge relatie tussen de handeling-dragers in een geschiedenis.

 
 

Actio

  1. Zie aspect.

  2. Het uitspreken van een redevoering met de gepaste intonatie en gebaren. Ook pronuntiatie genoemd. Zie bij stijldeugden.

 
 

Activum, Actief
De bedrijvende vorm; het subject verricht de handeling.
Bijvoorbeeld: 'Ik prijs'.
Ook het activum kent verschillende vormen:

  1. transitief; bijvoorbeeld: 'ik zet neer';

  2. causatief transitief; bijvoorbeeld: 'ik laat doden';

  3. intransitief; bijvoorbeeld: 'ik ben'.

Antoniem: passivum.

 
  Actuerem
Een woord in een bepaalde betekenis toepassen.
 
  Acutus
Het teken voor ééntoppig accent: '; accent aigu.
 
  Acyrologia
Het gebruik van een onnauwkeurig of onlogisch woord. Een malapropisme.
 
  Adagium
Een spreekwoord; een traditionele stelregel. Overgenomen van het Latijnse adagium (spreekwoord).
 
  Adaptatie
Een bewerking van een werk om het voor een specifiek doel geschikt te maken.
 
  Addendum
Een appendix, aanhangsel van een boek. Overgenomen van het Latijnse addendum (dat wat moet worden toegevoegd).
 
  Additie
Zie adjectie.
 
  Ademdissimilatie
De dissimilatie om aspiratie in twee opeenvolgende lettergrepen te vermijden.
 
  Adhortatief, Adhortativus
De aansporende werkwoordsvorm. Minder bevelend dan imperatief. Afgeleid van het Latijnse hortari (aansporen).
 
  Adhortatieve bepaling
Een bijwoordelijke bepaling van modaliteit bij een aansporing.
Bijvoorbeeld: 'Kom toch!'
 
  Adiectio
De tekstveranderingscategorie waarbij één of meer elementen aan het oorspronkelijke geheel worden toegevoegd. Ook additie genoemd. Ze maakt daarbij bijvoorbeeld gebruik van amplificatie en appositie. Binnen een woord spreekt men van prothesis, epenthesis en paragoge. Vergelijk detractie 2, transmutatie, immutatie en repetitie 2.
 
  Adiectivum, Adjectief
Een bijvoeglijk naamwoord.
Vergelijk: epitheton.

We onderscheiden de volgende stijlfiguren:

  1. Adiectivum pro genetivo
    Het stijlmiddel waarbij een adjectief wordt gebruikt in plaats van een substantief in de genitief.
    Bijvoorbeeld: eleuterôn emar (van de vrijheid).
  2. Adiectivum pro substantivo
    Het stijlmiddel waarbij een adjectief als substantief wordt gebruikt.
    Bijvoorbeeld: 'Het goede in de mens'.
  3. Adiectivum verbale
    Een van een werkwoord afgeleid adiectivum, ook gerundivum genoemd.
 
  Adjectieve constituent
Het bijwoordelijk deel van het predikaatsnomen.
Bijvoorbeeld: 'Jan is erg ziek.'
 
  Adjectivisch demonstratief pronomen
Een bijvoeglijk aanwijzend voornaamwoord.
 
  Adjunctio
Het gebruik van één werkwoord om soortgelijke ideeën aan het begin of einde van opeenvolgende clausula's uit te drukken.
 
  Adjuvant
De helper van het subject in een handeling.
 
  Adnominaal
Bijvoeglijk; met een nomen verbonden gebezigd.
 
  Adonisch vers
Een kort vers, bestaande uit een dactylus gevolgd door een trochee of een spondee (-UU-U). Genoemd naar de versvorm die werd gebruikt bij feesten ter ere van Adonis. Het is één van de aeolische versmaten.
 
  Adstructie
Een toelichting op de genoemde feiten of argumenten.
 
  Adverbialia
Een bijwoordelijk numeralium.
Bijvoorbeeld: 'eenmaal'.
 
  Adverbium
Een bijwoord; een woord dat een nadere bepaling geeft van een werkwoord.

We onderscheiden de volgende stijlfiguren:

  1. Adverbium pro adiectivo
    Het stijlmiddel waarbij een adverbium wordt gebruikt in plaats van een adjectief.
  2. Adverbium pro substantivo
    Het stijlmiddel waarbij een adverbium wordt gebruikt in plaats van een substantief.
 
  Ad verbum
Verbatim.
 
  Adversatief
Een tegenstellend(e) bijwoord of bijzin.
 
  Adversatieve coördinatie
Een tegenstellende nevenschikking, door het woord maar.
 
  Adynaton
Een hyperbolische omschrijving van iets dat onmogelijk is, dat nooit zal gebeuren. Een vorm van perifrase.
Bijvoorbeeld: 'Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen'.
 
  Aemulatio
De poging om het model (van stijl, woordgebruik, metrum) te evenaren en, zo mogelijk, te overtreffen. Vergelijk imitatie.
Bijvoorbeeld: Vergilius tegenover Homeros.
 
  Aenos
Het citeren van wijsheden uit fabels.
 
  Aeode
Een rondreizende epische zanger in de Griekse oudheid, die zichzelf op de citer begeleidde. Waarschijnlijk had de aeode ook een creatieve functie bij het doorgeven van epos. Vergelijk met rapsode.
 
  Aeolische versmaat
De versmaat die bestaat uit een afwisseling van dactylen en trocheeën, zodat tussen de lange lettergrepen steeds één of twee korte voorkomen. Genoemd naar de poëzie van het Aeolische eiland Lesbos. Ook logaëdisch vers genoemd.
Bijvoorbeeld: het adonisch vers.
 
  Aeschrologie
Het bezigen van schuttingtaal. Afgeleid van het Griekse aischrôs (schandelijk).
 
  Aetiologie
  1. Het geven van een reden of oorzaak.
  2. Bij een sage, mythe, legende of sprookje: het aanreiken (al dan niet waarheidsgetrouw) van een verklaring van de naam, de oorsprong of het bestaan van dieren, planten, plaatsen, gebruiken of instellingen.
 
  Afaeresis
De weglating van letter(s) of klank(en) aan het begin van een woord. Gebruikt als stijlmiddel is het een vorm van detractie. Afgeleid van het Griekse afairesis (het wegnemen).
Bijvoorbeeld: het grondwoord van 'adder' was 'nadder', waarbij in het vierde kwart van de 13e eeuw de 'n' wegviel. Vergelijk met syncope, elisie en apocope.
 
  Afaesis
De afaeresis (zie hierboven) van een onbeklemtoonde klinker.
 
  Affective fallacy
De door het New Criticism ingevoerde term voor het verschijnsel waarbij een literair werk wordt beoordeeld op het emotionele effect ervan op de lezer.
 
  Affix
Een aan de stam toegevoegd vormelement: prefix, infix en suffix. Afgeleid van het Latijnse figere (hechten, vastmaken).
Het prefix is een voorvoegsel, bijvoorbeeld: be-, er-, ge-, ver-.
Het infix is een affix dat in het midden van een woord wordt gevoegd.
Het suffix is een vormelement dat aan de wortel (thema-suffix, stamsuffix) of aan de stam (flexiesuffix) wordt toegevoegd.
 
  Affricaat
Semi-occlusief. De klank begint als occlusief, maar eindigt als spirant. Afgeleid van het Latijnse affricare (ergens tegenaan wrijven).
Bijvoorbeeld: 'pf'-klank (in het Hoogduits).
 
  Aforisme
Een kort, kernachtig gezegde, die een levenswijsheid bevat. Het bedient zich van ongebonden, kernachtig proza om een gedachte krachtig te formuleren. In vergelijking met de spreuk en het spreekwoord is het aforisme persoonlijker, minder algemeen. Meestal is het aforisme een citaat uit het werk van filosofen en literatoren. Vandaar dat er veelvuldig gebruik wordt gemaakt van stijlfiguren, zoals de antithese, de paradox en het parallellisme. Vergelijk ook met sententie, maxime, epigram en raadsel. Afgeleid van het Griekse ôrôs (grens).
 
  Agens
Het woord dat aanduidt wie of wat de door een werkwoord aangeduide handeling verricht.
 
  Agglutinerend
De grammatische functies uitdrukken door affixen in plaats van door buigingsuitgangen. De affixen verbinden zich wel met de wortel tot een geheel, maar zodanig dat wortel en affix steeds duidelijk gescheiden blijven. Afgeleid van het Latijnse glutinare (samenlijmen).
 
  Agnomen
Zie bij antonomasia.
 
  Agnominatie
Het herhalen van een woord met een verschil in een letter of klank.
 
  Agon
Het conflict tussen de protagonist (de held) en de antagonist (de tegenstander). Deze strijd komt veelvuldig voor in de tragedie's van Shakespeare, zoals Hamlet en Claudius, Macbeth en Macduff, Othello en Iago, Richard III en Henry Tudor.
Het woord is afkomstig van het Griekse agôn dat 'worsteling, conflict', betekent. Een agôn was echter tevens een wedstrijd waarin prijzen werden uitgereikt op het gebied van athletiek, maar ook voor prestaties op het gebied van poëzie, drama en muziek.
In het Engels klinkt het woord nog steeds door in agony.
 
  Agrafa
De mondeling overgeleverde uitspraken van Jezus Christus.
 
  Akmeïsme
De Russische dichtvorm die taal als middel gebruikt om alledaagse dingen tot poëzie te verheffen. Afgeleid van het Griekse akme (hoogtepunt).
 
  Akoestische kenmerken
De kenmerken die een indeling van spraakklanken veroorzaakt aan de hand van de trillingsgetallen en trillingsvormen die kenmerkend voor de klanken zijn.
 
 

Akoestische poëzie
Zie concrete poëzie.

 
  Alba
De Spaanse term voor aubade.
 
 

Alcaïsch metrum
Een klassieke vers- en strofevorm. Ze wordt gebruikt in oden en bestaat uit twee elflettergrepige, één negenlettergrepig en één tienlettegrepig vers:

U | - U | - - | - U U | - U | U (2x)

U | - U | - - | - U | - U

- U U | - U U | - U | - U

De beginlettergreep van de eerste drie alcaïsche verzen noemt men een anacrusis. De term 'alcaïsch' is afgeleid van de Griekse dichter Alcaeus.
Bijvoorbeeld: Oden I 26 van Horatius.

 
 

Alcmanisch vers
Een dactylische tetrapodie:

- U U | - U U | - U U | - U U.

Genoemd naar de Griekse dichter Alcman.

 
  Aldicht
Een Rederijkersgedicht dat zo gebouwd is dat alle woorden die in de verschillende versregels op een overeenkomstige plaats staan, met elkaar rijmen. Een voorbeeld uit Const van Rhetoriken van Matthijs de Castelein (1548):

'Lacht dy sat. Tsick valt coen.
Wacht my dat. Ick zalt doen.'

 
  Alef
De eerste letter van het Hebreeuwse en Fenicische alfabet. De letterlijke betekenis is ossekop, omdat ze vroeger als een omgekeerde A werd geschreven.
Zie voor een afbeelding deze pagina.
 
 

Alexandrijn
Een zesvoetige jambe, genoemd naar de Roman d'Alexandre van Lambert le Tort (eind 11e eeuw) die verzen van twaalf lettergrepen had. In deze maat zijn onder andere Renaissancetreurspelen geschreven. Bij vrouwelijk rijm volgt op de twaalfde lettergreep nog een dertiende, die geen versvoet meer vormt, zoals in het volgende voorbeeld van Vondel (waarbij - een geaccentueerde en U een ongeaccentueerde lettergreep voorstelt):

Het loopt met Amsterdam, gelijck ghy hoort,
   U     - |      U  -|      U    - |      U - |     U      - |
ten ende,
 U   -|  U

 
  Alfa
De eerste letter van het Griekse alfabet 'α' (ontleend aan het semitische alfabet (zie alef)). Zie deze pagina voor het volledige Griekse alfabet.
 
  Aliënisme
Een leenwoord.
 
  Allegatie
Een aanhaling; een verwijzing. Afgeleid van het Latijnse legare (als bewijs aanvoeren).
 
  Allegorie
Een metaforische vergelijkingsstijl: zinnebeeldige voorstelling. Afgeleid van het Griekse allos (anders) en agôreuo (in de volksvergadering (agôra) spreken). De allegorie is een geheel volgehouden beeldspraak, in tegenstelling tot de homerische vergelijking, waarbij de metafora eens ophoudt. Vergelijk parabel en fabel.
Bijvoorbeeld: de Sinnespelen van de rederijkers, Scheepspraet ten overlijden van Prins Maurits van Oranje van C. Huygens (beide in dichtvorm) en Jan, Jannetje en hun jongste kind, door Potgieter (in proza).
 
  Alligatorenkritiek
De kritiek op literaire werken die afhangt van gemaakte afspraken of onderlinge belangen. Afgeleid van het Latijnse alligare (verbinden).
 
 

Alliteratie
De stafrijm; herhaling van de beginklank van geaccentueerde lettergrepen; opeenvolgende zinnen of alinea's met logisch op elkaar volgende getallen. Het heeft dikwijls een sterk ritmisch effect, zoals in het volgende citaat van Gossaert:

Hoe loodzwaar woog de last van 't lage wolkenhangen

of het voorbeeld van Gezelle:

Geteld, nu tokt zijn taalgetik

Door elke opeenvolgende zin of alinea te beginnen met het noemen van opeenvolgende getallen, werd het makkelijker een tekst of tekstgedeelte uit het hoofd te leren. Afgeleid van het Latijnse littera (letter).
In de Oudgermaanse poëzie was alliteratie samen met assonantie de enige rijmvorm.
Alliteratie wordt ook toegepast op kleinere gezegden: 'bont en blauw', 'door dik en dun'.

 
 

Allocutie

  1. Een toespraak, in het bijzonder van de paus, maar ook van andere hoge geestelijken;

  2. Een apostrof;

  3. De herhaalde expliciete aanspreking die vooral aan het eind van de zin staat.

 
  Allofoon
De willekeurige vorm van een foneem.
 
  Alloiosis
Het ontleden van een onderwerp in alternatieven.
 
  Allomorf
De extrafonologische varianten van woorden of morfemen.
Bijvoorbeeld: 'Wat is dat?' wordt uitgesproken als 'Wat is tat?'.
 
  Alloniem
Een naam van een derde als auteursnaam gebruikt.
 
  Alloquium
Een apostrof.
 
 

Allusie

  1. Een zinspeling; een toespeling op als bekend veronderstelde personen, gebeurtenissen, situaties of teksten.

  2. Een vorm van verband tussen verschillende teksten door verwijzingen in een tekst naar een andere tekst.

 
  Alogisme
Een onlogische, irrationele uiting of redenering.
 
  Alpha privans
De 'a' aan het begin van Griekse woorden die een ontkennende betekenis aan een woord geeft. Afgeleid van het Latijnse alpha (alfa) en privare (beroven, ontnemen).
 
  Altaïsche talen
De talen behorende tot de taalgroep waar Turks en Mongools toe behoren. Sommigen opperen dat ook Japans tot deze taalgroep kan behoren.
 
  Alternantie
De rijmvorm met het rijmschema abab. Afgeleid van het Latijnse alternare (afwisselen).
 
  Alternerend vers
Zie toppenvers.
 
  Alveolaar, Alveolair
Gearticuleerd met de tongpunt tegen de tandkassen.
 
  Amadis-romans
De ridderromans uit de late middeleeuwen, waarin zowel het avontuurlijke als het sentimentele en het wonderlijke aan bod komen. Genoemd naar Amadis de Gaula van Garci-Rodriguez de Montalvo (1508). Nauw verwant aan de arthurromans. Geparodieerd door de picareske roman.
 
  Ambages
Het gebruik van overdreven veel woorden.
 
  Ambigram
Een woord dat zo is geschreven dat het achterstevoren gelezen hetzelfde woord vormt.
 
  Ambiguïteit
Een dubbelzinnigheid; een amfibolie. Afgeleid van het Latijnse amb- (aan beide zijden) en agere (doen).
 
  Amerikanisme
Een woordvorming of uitdrukking die in strijd is met de regels in een taal, wanneer het woord of de uitdrukking te letterlijk uit het Amerikaans Engels is vertaald.
Bijvoorbeeld: 'elevator' in plaats van 'lift', 'truck' in plaats van 'van'.
 
  Ametrie
Het ontbreken van een vast metrum.
 
  Amfibolie
Een dubbelzinnigheid; een ambiguïteit (zie hierboven) van grammaticale structuur. Meestal door een verkeerde punctuatie. Afgeleid van het Griekse amphibôlôs (dubbelzinnig).
 
 

Amfibrachys
Een versvoet met de vaste combinatie: U - U. Afgeleid van het Griekse amphi (aan beide zijden). In de tijd van de Renaissance zijn de klassieke versmaten in West-Europa overgenomen. Daar in de Westeuropese talen de lengte van de lettergreep geen duidelijke rol speelt, kon men de afwisseling kort : lang niet overnemen. Men verving die door een afwisseling van geaccentueerde en ongeaccentueerde lettergrepen, als in het volgende Nederlandse voorbeeld van Gezelle (waarbij - een geaccentueerde en U een ongeaccentueerde lettergreep voorstelt):

Ik hore 't, gij vogelkens
U   -  U|    U    -   U | U

 
  Amfidiorthosis
Het verzachten of afbakenen van een aanklacht die in woede is gedaan.
 
 

Amfigorie
Een nonsensgedicht; een kolderverhaal. Vaak een parodie.
Bijvoorbeeld: Nepheldia van Swinburne (1837-1909).
Zonder enige twijfel is The Jabberwocky uit Through the Looking-Glass van Lewis Caroll de meest bekende amfigorie. De openingsregels luiden:

Twas brillig, and the slithy toves
Did gyre and gimble in the wabe:
All mimsy were the borogroves,
And the mome raths outgrabe.

Enkele regels uit een verder gedeelte van het gedicht:

Come to my arms, my beamish boy!
O frabjous day! Calooh! Callay!

Het commentaar van Alice geeft een waardige weergave van het effect van een amfigorie: "It seems very pretty, but it is rather hard to understand!... Somehow it seems to fill my head with ideas - only I don't exactly know what they are...!"

 
  Amfimaser
Een versvoet met de vaste combinatie: - U -. Ook creticus genoemd.
 
 

Amoebaeum

  1. Het lyrisch gedeelte in de Griekse tragedie, bestaande uit een antifoon tussen twee spelers of tussen speler en koor.

  2. Verzen of strofen in de klassieke bucolische gedichten die als antifoon door twee sprekers voorgedragen worden om een thema, dat door één van hen is voorgesteld, verder te ontwikkelen.
    Bijvoorbeeld: Ecloge 3 en 7 van Vergilius.

 
  Ampersand
Het teken: &.
 
 

Amplificatie
Ook exageratie genoemd.

  1. De stijlvorm waarbij de schrijver of spreker iets uiterst breedvoerig voorstelt of vanuit allerlei gezichtspunten beschouwt. Het is vaak een lyrisch gedicht waarin een op zich eenvoudig thema wordt beschouwd. Zie ook bij adiectio.
    Bijvoorbeeld: Een vakman van Han Hoekstra.

  2. Het deel van de genus judicale waarbij de aanklager de misdaad van de aangeklaagde zo erg mogelijk voorstelt.
    Antoniem: minutie of attenuatie.

 
  Amplificatio
De Latijnse term voor de confirmatie.
 
  Anacephalaeosis
Een recapitulatie.
 
  Anachronie
De verschillen tussen de schikking in het verhaal en de chronologie van de geschiedenis.
Bijvoorbeeld: anticipatie en retroversie.
 
  Anachronisme
Een feit in een tekst dat in een verkeerd tijdvak is geplaatst. Zie ook syllepsis 3.
 
 

Anaclasis

  1. De verwisseling van kwantiteit tussen twee opeenvolgende lettergrepen;

  2. De herhaling van een woord in een dialoog, waarbij een spreker één of meer woorden van de vorige spreker overneemt, maar deze door er een verschillende betekenis aan te geven (homonymie) tot een zinspeling vormt. Ook antanaclasis of reflexio genoemd.

 
  Anaclept
Een gedicht dat alle woorden van een ander gedicht, in andere volgorde, bevat.
Bijvoorbeeld: De zee van Willem Kloos van Rudy Kousbroek.
 
  Anacoenosis
Het vragen van de mening van de toehoorders (of lezers).
 
  Anacoluthon
Een anakoloet.
 
  Anacreontiek
De luchtig ironische stijl met sterk hedonistische thema's.
Bijvoorbeeld: Pléiade.
 
 

Anacreontisch vers
Een Ionische dimeter (U U - - | U U - -), waarop een anaclasis is toegepast, waardoor is ontstaan:

U U - U | - U - -.

 
  Anacrusis
De beginlettergreep van de eerste drie alcaïsche verzen, die als het ware buiten het metrisch schema valt.
 
  Anadiplosis
Het stijlmiddel waarbij het laatste woord (of de laatste woorden) van een zin of een vers als eerste woord van de volgende zin of het vers terugkeert. Ook duplicatie of reduplicatie genoemd. Het is een vorm van epanalepsis. Vergelijk ketendicht.
Bijvoorbeeld: 'Love's fire heats water, water cools not love' uit het 154de sonnet van Shakespeare.
 
 

Anafora, Anafoor

  1. De stijlfiguur waarbij woorden aan het begin van een zin of zinsdeel worden herhaald of ernaar wordt terugverwezen. Afgeleid van het Griekse phero (dragen). Vergelijk: epifoor, geminatie 2 en repetitie.

  2. De eigenschap van een element dat afhankelijk is van een ander element uit dezelfde of een andere zin (het antecedent). Vergelijk: deiktisch.
    Bijvoorbeeld: 'Jan is ziek. Hij komt niet.' 'Hij' verwijst naar het antecedent 'Jan'. 'Hij' is dus een anafoor element.

 
  Anagnorisis, Anagnoresis
De ontknoping van een tragedie waarbij het keerpunt bestaat uit een herkenning. Een vorm van peripetie.
 
  Anagog(i)e
Een geestelijke, zinnebeeldige verklaring. Meestal naar het mystieke verwijzend.
 
  Anagram
Een door letterverplaatsing ontstaan woord uit een ander woord.
Bijvoorbeeld: 'pas' uit 'sap'. Sommigen willen een zekere mystieke waarde toekennen aan het anagram van een naam, bijvoorbeeld: 'A. Hitler: the liar'.
 
  Anakoloet, anacoluthon
De verkeerde voortzetting van een begonnen zin; onjuiste zinsconstructie. Het woord is een samenvoeging van het Griekse negatieve prefix an- en het adjectief akalôuthôs (van 'samen marcheren').
Bijvoorbeeld: 'Als je doorgaat met je onvriendelijke gedrag - wel, wat denk je dat er zal gebeuren?' Grammaticaal gezien zou het voorwaardelijke 'als' moeten worden gevolgd door 'dan'.
 
  Analecten
Een bloemlezing. Overgenomen van het Griekse analektôs (verzameld).
 
  Analepsis
Zie flash-back.
 
  Analeptische articulatie
De zich voortzettende articulatie die assimilatie tot gevolg heeft. Afgeleid van het Griekse analepsis (herstelling). Ook perseverende articulatie genoemd.
 
 

Analogie
Afgeleid van het Griekse analôgia (evenredigheid).

  1. Een overeenkomst; een gelijk(aardig)heid; een parallellisme. Deze wordt gebruikt als grondslag van een redenering, waarbij men de waarheid tracht te omlijnen aan de hand van analoge feiten.

  2. De vorming naar het voorbeeld of onder invloed van in klank of betekenis verwante woorden.
    Bijvoorbeeld: 'georven' naar 'gestorven'.

 
  Analyse
De zins- en woordontleding.
 
  Analytisch drama
De dramavorm waarbij de nadruk ligt op het ontsluieren van gebeurtenissen in het verleden. De spanning wordt opgebouwd door het aftasten welk personage welke informatie bezit. Vergelijk synthetisch drama.
Bijvoorbeeld: Koning Oedipus van Sophokles.
 
  Anamnesis
Het aanhalen van zaken uit het verleden in een (juridische) rede.
 
 

Anapest, Anapaestus
Een versvoet met de vaste combinatie: U U -. Afgeleid van het Griekse paio (slaan). In de tijd van de Renaissance zijn de klassieke versmaten in West-Europa overgenomen. Daar in de Westeuropese talen de lengte van de lettergreep geen duidelijke rol speelt, kon men de afwisseling kort : lang niet overnemen. Men verving die door een afwisseling van geaccentueerde en ongeaccentueerde lettergrepen, als in het volgende Nederlandse voorbeeld van Da Costa (waarbij - een geaccentueerde en U een ongeaccentueerde lettergreep voorstelt):

Kan het zijn dat de lier die sinds lang niet
   U    U    - |   U   U    - |  U     U        - |    U
meer ruischte
    U     - |     U

 
  Anapodoton
Het weglaten van een zinsnede.
 
  Anaptyxis
De epenthesis van een klinker; een svarabhaktivocaal. Afgeleid van het Griekse ana (terug) en ptusso (zich ontvouwen).
 
  Anastrofe
Een verwisseling van woorden. Het woord stamt van het Griekse strôfe (draai), van het werkwoord strefo (draaien). Door de toepassing hiervan krijgen de zinnen een sterk dramatisch effect. Wanneer een woord achteraan wordt geplaatst noemt men dit een postpositie. Ook inversie genoemd. Zie ook hysterologie en hyperbaton.
Bijvoorbeeld: 'Mij vervloekte hij!'
 
  Anat(h)ema
Een (ban)vloek.
 
  Anatomie
Het analyseren van een zaak tot de samenstellende onderdelen.
 
 

Anceps
De in het Latijn en Grieks voorkomende dubbelhoofdigheid, waarbij een lettergreep in een versvoet zowel lang als kort kan zijn. Gewoonlijk aangeduid met U.

 
  Anekdote
Een kort, aardig verhaal, meestal over bekende persoonlijkheden. Afgeleid van het Griekse anekdôta (dat wat niet uit handen is gegeven).
 
  Anemografie
Het beschrijven van de wind.
 
  Anglicisme
Een woordvorming of uitdrukking die in strijd is met de regels in een taal, wanneer het woord of de uitdrukking te letterlijk is vertaald uit het Engels.
Sommige anglicismen zijn echter een algemeen geaccepteerd deel van onze taal geworden, zoals: brandnieuw ('brandnew'), zijn nek utsteken ('to stick one's neck out'), nieuwkomer ('newcomer'), als regel ('as a rule'), etc.
Sommige anglicismen zien er alleen maar uit als zouden ze uit het Engels zijn overgenomen; in werkelijkheid komen ze alleen in het Nederlands voor: 'all-risk', 'happy end' en 'smoking' zijn daar goede voorbeelden van.
 
  Anlaut
De klinker of medeklinker waarmee een woord of een lettergreep begint.
 
  Annominatie
Zie paronomasia.
 
  Annotatie
Een toelichtende aantekening. Afgeleid van het Latijnse notare (optekenen).
 
  Anoiconometon
Onjuiste woordschikking.
 
  Anorganisch
De eigenschap van een gedeelte van een woord dat niet tot de stam behoort.
 
  Antagonist
Zie bij agon.
 
  Antanaclasis
Zie anaclasis 2.
 
  Antanagoge
Een ongunstig aspect met een gunstig vereffenen.
 
  Antapodosis
Een gelijkenis waarin de vergeleken objecten in meerdere opzichten overeenkomen.
 
  Antecedent
Het woord of zinsdeel waar een betrekkelijk voornaamwoord naar terugverwijst.
 
  Antepenultima
De derde lettergreep van achteren. Afgeleid van het Latijnse ante (voor), paene (bijna) en ultimus (laatste). In de Latijnse taal geldt de antepenultima-wet: bij woorden met meer dan twee lettergrepen ligt de klemtoon op de antepenultima.
 
  Antepirrhema
Een afsluiting van de parabasis van een Griekse komedie door de koorleider. Tegenhanger van de epirrhema.
 
  Anthimeria
Een functionele verschuiving; het gebruiken van het ene gedeelte van een rede voor een andere.
 
  Anthologie
Een bloemlezing. Ook chrestomathie genoemd. Afgeleid van het Griekse anthôlôgia (het bijeenvergaren van bloemen).
 
  Anthorismus
Conciliato
.
 
  Anthypofora
Vragen stellen en beantwoorden. Verwant aan de apocrisis en de retorische vraag.
 
  Anthyppalage
Het veranderen van de grammaticale naamval voor nadruk.
 
  Anticategoria
Wederzijdse beschuldigingen of tegenbeschuldigingen.
 
  Anticipatie
Een vooruitwijzing in een tekst door de verteller. Ook flash-forward genoemd. Een vorm van anachronie. Vergelijk prochronisme (en prolepsis).
 
 

Anticlimax

  1. De stijlfiguur waarbij de elkaar opvolgende zinsdelen telkens een geringere betekenis hebben; een afdalende reeks begrippen.

  2. Een plotse overgang van het sublieme naar het banale. Ook bathos genoemd.

 
  Antifoon
Een beurtzang; een tegenzang. In de Rooms-Katholieke Kerk ook een liturgisch gezang.
 
  Antifrase, Antiphrasis
Het gebruiken van een woord, terwijl men de tegenovergestelde betekenis van dat woord bedoelt.
Bijvoorbeeld: 'Een mooie boel', terwijl de spreker het gebeurde of de zaak helemaal niet zo mooi vindt.
 
  Antilogie
Een tegenstrijdigheid.
 
  Antimetabole
De symmetrische herhaling van woorden in omgekeerde volgorde.
 
 

Antimetrie
Het verschijnsel wanneer een metrisch vers op een bepaalde plaats van zijn maat afwijkt. De dichter doet dit niet uit technisch onvermogen, maar om een één of ander effect te bereiken, bijvoorbeeld het voorkomen van een effect als in de tik-takverzen van Cats, zoals in het voorbeeld van Lucebert (waarbij - een geaccentueerde en U een ongeaccentueerde lettergreep voorstelt):

ik heb in het gras mijn lichaam gelegd
U    -    U  U      -       U   -    U       U  -
mijn lichaam is geurig als hout bitter en zoet
   U   -    U      U    -   U   U    -       -  U   U    -

 
  Antinomie
  1. Een innerlijke tegenstrijdigheid; een paradox.
  2. Het onderling vergelijken van wetten (of delen ervan).
 
  Antiphrasis
Het gebruik van woorden met een gunstige betekenis, in plaats van die met de tegenovergestelde betekenis. Zie bij antifrase.
 
  Antiptosis
De ene naamval door een andere vervangen.
 
  Antirrhesis
Het verwerpen van een argument omdat het insignificant, fout of slecht is.
 
  Antisagoge
  1. Een beloning in het vooruitzicht stellen aan degenen die een deugd bezitten of een straf voor degenen die de deugd minachten.
  2. Eerst de ene zijde van een stelling verdedigen en dan de andere zijde, met evenveel kracht.
 
  Antispastus
Een vervoet met de vaste combinatie: kort : lang : lang : kort. Afgeleid van het Griekse antispastôs (krachtig gespannen).
 
  Antistasis
Het herhalen van een woord in een andere of tegengestelde betekenis.
 
  Antisthecon
Het vervangen van een letter of klank door een andere binnen een woord.
 
  Antistrofe
Afgeleid van het Griekse strefo (draaien, keren).
  1. Een klankverwisseling tussen twee verschillende woorden in een zin, ook contrepèterie genoemd. Vergelijk paragram, parallellisme, spoonerisme en verlan.
    Bijvoorbeeld: 'gapen en scheiten' uit 'schapen en geiten'.

  2. Een tegenzang of keerzang. De Griekse koorlyriek was strofisch opgebouwd. In de parodos of in de stasima bewoog het koor zich, terwijl het het ritmische dansen uitvoerde van de ene zijde van de scène naar de andere en zong dan een strofe. Na een korte beurtzanger van de koorleider voerde het koor de beweging uit in tegenovergestelde zin of richting, terwijl het de antistrofe zong. Beide delen waren opgebouwd op hetzelfde ritmische schema. In de klassieke drama's van Sophokles beantwoorde aan een strofe over het algemeen slechts één antistrofe. De antistrofe is de tweede van iedere groep van drie strofen.

  3. Een herhaling van dezelfde woorden, maar in omgekeerde volgorde. Zie epanodos.
    Bijvoorbeeld: 'de auto is oranje, oranje is de auto'.

 
  Anti-theater
De theatervorm die een actieve deelname van alle betrokkenen, inclusief publiek wil bewerkstelligen.
Bijvoorbeeld: Publikumsbeschimpfung van P. Handkes (1966).
Zie ook absurd theater.
 
 

Antithese, Antithesis

  1. Het naast elkaar plaatsen van tegenstellingen. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan om een bepaalde eigenschap bijzonder te benadrukken. Zo zal iemands goedheid meer schitteren wanneer deze tegenover het kwade wordt gesteld. Ze ligt ten grondslag aan stijlfiguren als chiasme, oxymoron en epanodos.

  2. Een tegenstelling in inhoud.

 
  Antoniem
Een woord met tegengestelde betekenis.
Bijvoorbeeld: 'donker' en 'licht', 'goed' en 'kwaad'.
 
  Antonomasia
Een bijzondere naamgeving; een vervanging van soortnaam door eigennaam (of v.v.). Een vorm van perifrase. Afgeleid van het Griekse antônômazo (hernoemen, noemen in plaats van).
Bijvoorbeeld: 'het zwarte goud' voor olie.
Wanneer dit wordt gedaan bij personen (een bijnaam), noemt men deze vorm ook een agnomen.
Bijvoorbeeld: De Romeinse satiricon Gaius Petronius had de officiële taak en autoriteit aangelegenheden op het vlak van smaak en verfijndheid te behartigen (tijdens de regering van Nero (37-68 G.T.) en kreeg de titel arbiter elegantiae. Hij kreeg het agnomen 'arbiter' en kwam bekend te staan als 'Petronius Arbiter'.
Een andere vorm, aanverwant, maar verschillend, is cognomen. Strikt genomen heeft het de betekenis van familienaam, maar heeft tevens de reputatie van een bijnaam. De cognomen is de derde (meestal de laatste) naam of familienaam van een persoon.
Bijvoorbeeld: Scipio's volledige naam was Publius Cornelius Scipio, waarbij Scipio het cognomen is.
Wanneer een titel staat voor slechts één opvallende persoon, is er ook sprake van antonomasia.
Bijvoorbeeld: Der Führer en Le Roi Soleil.
Weer een andere vorm is wanneer iemands eigennaam als bijnaam wordt gebruikt.
Bijvoorbeeld: Een Don Juan of een Cicero.
 
  Antropomorfiseren
Een metaforische vergelijkingsstijl: personificeren; een niet-grijpbaar of tastbaar begrip beschrijven als was het een persoon. Afgeleid van het Griekse anthropôs (mens).
Bijvoorbeeld: 'Door 't woud der pijnen kreunt en zucht de wind' (Perk). Het kan echter ook andersom: 'Jan is de ijdelheid in persoon.'
 
  Antroponiem
Een persoonsnaam.
 
  Aoristus
De in het Grieks voorkomende verleden tijd die geen begrenzing insluit wat betreft het voortduren van de handeling; het duidt een feit of toestand aan zonder op de duur ervan te letten. In het Latijn heet deze werkwoordsvorm de perfectum historicum.

We onderscheiden:

  1. Aoristus gnomicus
    De aoristus die iets te kennen geeft, dat in het algemeen geldt. Deze vorm komt derhalve veel in spreuken voor.
  2. Aoristus ingressivus
    De aoristus die het begin van een handeling te kennen geeft.
  3. Aoristus secundus
    De aoristus van een verbum dat wordt gevormd door de wortel in zijn kortste vorm + de uitgang van het presens en imperfectum. De korte notering voor deze vorm is: aoristus II.
 
  Apaetesis
Een zaak die in woede opzij is gelegd (zie amfidiorthosis) later opnemen.
 
 

Apagoge

  1. Een bewijs uit het ongerijmde;

  2. Een indirecte bewijsvoering die aantoont dat het tegengestelde ongerijmdheden bevat.

 
  Aphairesis
Het oplossen van een lange lettergreep in een korte bij jambische versmaten.
 
  Apocarteresis
Alle hoop opgeven in de ene richting en de andere inslaan voor hulp.
 
  Apocope
Het weglaten van een klank aan het einde van een woord. Gebruikt als stijlmiddel is het een vorm van detractie. Afgeleid van het Griekse kôpto (stoten).
Bijvoorbeeld: 'mijne' en 'mijn'.
Vergelijk met afaeresis, elisie en syncope.
 
  Apocriefen
De godsdienstige geschriften die niet tot de canon van de bijbel behoren. Afgeleid van het Griekse krupto (verbergen). De protestanten noemen deze geschriften pseudepigrafen. De geschriften die door de protestanten apocriefen worden genoemd, worden over het algemeen deuterocanoniek genoemd.
 
  Apocrisis
Het weerleggen van zijn eigen argumenten. Sterk verwant aan de hypofoor en anthypofora.
 
  Apodictisch
De eigenschap van een stelling die niet bewezen hoeft te worden. Afgeleid van het Griekse deiknumi (tonen, demonstreren).
Bijvoorbeeld: op 11 maart zeggen: 'Morgen zal het 12 maart zijn', is apodictisch.
 
  Apodioxis
Een argument verontwaardigd verwerpen als impertinent of absurd.
 
  Apodixis
Het verwijzen naar algemeen geaccepteerde principes of ervaringen ter bevestiging van een argument in een (juridische) rede.
 
  Apodosis
Een nazin; een hoofdzin na de protasis (= voorwaardelijke bijzin). De apodosis is een colon 1 die deel uitmaakt van een periode. Afgeleid van het Griekse didomi (geven).
Bijvoorbeeld: 'Als het morgen regent, moeten we de picknick afzeggen.' Als het morgen regent is de protasis, moeten we de picknick afzeggen is de apodosis.
 
  Apofasis
  1. De stijlfiguur waarbij de spreker iets noemt, terwijl hij tegelijkertijd verklaart dat hij de intentie heeft datgene niet te noemen; het ontkennen een onderwerp te willen opwerpen en dat tegelijkertijd dus doen.
    Bijvoorbeeld: 'Wij kunnen elke verwijzing naar ... weglaten' of 'Waarom zouden we zelfs maar noemen dat ...?'
    Sterk verwant met de paralepsis.
  2. Het verwerpen van alle alternatieven met uitzondering van één. Ook wel expeditio genoemd.
  3. Het opsommen van allerlei reden en elk ervan weerleggen.
 
  Apofonema
Een sententie die in antithesische vorm wordt gesteld.
 
  Apofonie
De klinkerverwisseling in verwante woorden en suffixen. Zie Ablaut.
Bijvoorbeeld: 'zingen' en 'zongen', 'lopen' en 'liepen'.
 
  Apofthegma
Een kernspreuk; een zedespreuk. Wanneer een apoftegma los van zijn context wordt genoemd, spreekt men ook van een sententie. Afgeleid van het Griekse apofthegma (puntig gezegde).
Bijvoorbeeld: 'De mens wikt, God beschikt.'
 
  Apokoinou
De stijlfiguur waarbij één element dienstdoet als bestanddeel van twee zinnen of delen van zinnen.
Bijvoorbeeld Oogst van Lucebert, uit Triangel (1958):

'nimmer nog gingen gouden ogen zo ver
in het blinkende woud
hurken de slapers'

 
  Apologie
Een verweerschrift.
Bijvoorbeeld: Socrates' apologie van Plato.
 
  Apoloog
Een fabel of anekdote met moraal.
 
  Apomnemonysis
Het citeren van een erkende autoriteit in een (juridische) rede.
 
  Apopemptikon
Het afscheidsgedicht van iemand die vertrekt voor hen die achterblijven.
Antoniem: propemptikon.
 
  Apoplanesis
Het vermijden van de zaak door af te dwalen van het onderwerp.
 
  Aporia
De stijlvorm waarbij twijfel tot uitdrukking wordt gebracht (echt of gespeeld (meestal het laatste)), waar te beginnen, wat te zeggen, hoe verder te gaan.
Bijvoorbeeld: 'Het is moeilijk te weten waar te beginnen...', zegt een spreker die zijn rede al keer op keer heeft geoefend.
 
  Aposiopesis
Een reticentie; het plotseling afbreken van een zin; een plotseling zwijgen. Afgeleid van het Griekse apôsiopesis (een stil worden).
Hierdoor wordt de lezer of luisteraar gedwongen de gedachtenloop van de schrijver of spreker te volgen of voort te zetten. Door deze methode wordt, zonder dat de boodschap letterlijk wordt vermeld, een extra nadruk op de betekenis van het niet uitgesproken gedeelte gelegd. Dit kan tevens gedaan worden als vorm van ironie of om het absurde van een voorstel te doen uitkomen. Vergelijk met ellips 2.
Bijvoorbeeld: Vergilius Aeneas I:135: "quos ego..." en de vooral in toneelstukken gebezigde aposiopesis: 'U bedoelt - ?'
 
 

Apostelspel
De dramavorm die handelde over episoden uit het leven van de apostelen, vooral van Paulus.
Bijvoorbeeld: Spel van Paulus' bekering (1550).

 
 

Apostrof, Apostrofé

  1. Een vermanende toespraak.

  2. Het zich plotseling wenden tot een andere persoon.

  3. Het spreken tegen iemand die niet aanwezig is of tegen levenloze voorwerpen. Vergelijk met obsecratie.

  4. Het teken dat de weglating van een letter of letters aanduidt.

 
  Apothegma
Zie apofthegma.
 
 

Apotheose

  1. De vergoddelijking.

  2. Een schitterende slotscène van een toneelstuk.
    Bijvoorbeeld: de slotscène van Orestes (naar Euripides) in de bewerking van Hugo Claus (1976).

 
 

Appellatief, Appellativum

  1. Een soortnaam; een eigennaam;

  2. De naamval van aanspreking; vocatief.

 
  Appositie
Een bijstelling. Zie ook bij adiectie.
 
  Aprosdoketon
Een onverwachte wending. Afgeleid van het Griekse aprôsdôketôs (onverwacht).
 
  Aptum
Zie decorum.
 
  Arabistiek
Het linguïsme met betrekking tot het Arabisch.
 
  Ara
Een verwensing of smaadvers. Vergelijk dirae.
 
  Arcadia
Zie ecloge.
Bijvoorbeeld: De Batavische Arcadia van Johan van Heemskerk.
 
 

Archaïsme

  1. Een verouderde uitdrukking, zinswending of woord.

  2. Het opzettelijk gebruiken van verouderde uitdrukkingen, zinswendingen of woorden als stijlfiguur. Gossaert veel schreef in deze stijl.

 
  Archè
De inleiding van een epinikion. Deze inleiding bestond uit een groots opgevatte beschrijving van de overwinning en roemde de gevierde overwinnaar. Dit gedeelte wordt ook strofe genoemd.
 
  Archetype
Het manuscript van een tekst die als moedertekst dient van alle bekende afschriften van die tekst.
 
  Archifoneem
De samenhang of relatie van conjuncte fonemen. Troebetskoj definieerde het archifoneem als het totaal van distinctieve kenmerken die twee fonemen gemeen hebben.
 
 

Archilochische verzen
Een klassieke vers- of strofevorm, genoemd naar de Griekse dichter Archilochus van Paros. Het komt in twee varianten voor:

  1. archilochius minor: deze bestaat uit een hemiepes en een jambische dimeter. Naargelang van de volgorde van deze twee elementen, kunnen we onderscheiden:

    a. elegiambisch
    - U U | - U U | U | U - | U - | U - | U U

b. jambelegisch
U - | U - | U - | U U | - U U | - U U | U

  1. archilochus maior: deze bestaat uit een alcmanisch vers en een ithyphallicus:

- U U| - U U| - | U U| - U U| - U| - U| - U |

 
  Aretijnse lettergrepen
De lettergrepen ut (do), re, mi, fa, sol, la, si als benoeming van muzieknoten, ingevoerd door Guido van Arezzo.
 
  Argumenta
De tweede fase van de Vinding (zie de link voor meer informatie).
 
  Argumentatie
Het tweede deel van de corpus van een klassieke rede, waarin de redenaar de argumenten voor zijn voorstel, in de propositie, naar voren bracht.
 
 

Argumentum
Een argument, gevolgtrekking of bewijs. We onderscheiden:

  1. a contrario: volgt uit de beschouwing van het tegendeel.

  2. a fortiori: overtreffend; als je wilt bewijzen dat A op een gegeven moment wreed heeft gehandeld, toon dan aan dat hij op een ander moment nóg wreder heeft gehandeld.

  3. ad absurdo: uit het ongerijmde.

  4. ad baculum: doorslaggevend. Afgeleid van het Latijnse baculum (stok).

  5. ad hominem: op de man, tijdens de discussie die op dat moment plaatsvindt.

  6. ad ignorantiam: op de onwetendheid van de tegenpartij gebaseerd.

  7. ad invidiam: op afgunst of lage hartstochten speculerend.

  8. ad judicium: op oordeel beroepend.

  9. ad personam: op de persoon gespeeld, tijdens de discussie die op dat moment plaatsvindt.

  10. ad populum: op het vooroordeel van de massa speculerend.

  11. ad rem: op de zaak zelf betrekking hebbend.

  12. ad verecundiam: op het schaamtegevoel van de tegenstander beroepend.

  13. a posteriori: door ervaring geleverd.

  14. a priori: door logica geleverd.

  15. ex concessis: uit het toegegevene.

  16. e(x) silentio: op stilzwijgen berustend.

  17. post hoc (ergo) propter hoc: de redenering die zegt dat omdat A vóór B gebeurde, A de oorzaak moet zijn van B.

  18. probabile: op waarschijnlijkheid berustend.

 
  Argutie
Een spitsvondigheid. Afgeleid van het Latijnse argutus (spitsvondig).
 
  Aristophanisch vers
De versvoet: - U U | - U | - U. Ook de eerste Pherecrateus genoemd. Naar de Griekse dichter Aristophanes genoemd.
 
  Arsis
Een beklemtoonde lettergreep in een versvoet; het deel van een versvoet waarop de ictus valt. Ook heffing genoemd.
Antoniem: thesis.
 
  Arte mayor
De Spaanse versvorm van een achtlettergrepig, later een twaalflettergrepig vers aangewend in strofen van acht regels. De regels die bestaan uit twaalf lettergrepen hebben een cesuur na de zesde lettergreep. De klemtoon ligt op de tweede lettergreep en het rijmschema is gewoonlijk abba,acca.
 
  Arte minor
De Spaanse versvorm van twee tot acht lettergrepen, met een klemtoon op de voorlaatste lettergreep.
 
  Articulatie
De opeenvolging en vorming van spraakklanken.
 
  Articulatorische kenmerken
De kenmerken aan de hand waarvan men in de oudere foniek de spraakklanken indeelde. Men beschreef daarbij, welke spraakorganen aan de vorming van een spraakklank meewerkten en welke stand ze daarbij innamen.
 
  Artikel, Articulus
Een lidwoord.
 
  Aschematiston
Het onbekwaam gebruiken van stijlfiguren.
 
 

Asclepiadeïsch vers
Een klassieke versvorm, genoemd naar de Griekse dichter Asclepiades. Men onderscheidt:

  1. asclepiadeus minor (twaalflettergrepig):

- - | - U U | - | - U U | - U | U

  1. asclepiadeus maior (zestienlettergrepig):

- - | - U U | - | - U U | - | - U U | - U | U

 
 

Asianisme
De stijl in de welsprekendheid, vooral gehuldigd in de opbloeiende Ionische kuststeden van Klein-Azië, na de bevrijding van de Perzen door de verovering van Alexandros de Grote in de 3e eeuw v.G.T. De redenaars maakten zich vrij van de klassieke binding aan de afgemeten, goed geproportioneerde stijl van de Attische redekunst.
Het asianisme werd gekenmerkt door korte, afgekapte zinnetjes met ritmische woordplaatsing, die zangerig aandeed. Daarbij was de stijl bombastisch, gezwollen. Deze mode, die ook op andere literaire vormgeving haar stempel drukte, bloeide tot aan het einde van de Romeinse republiek. In zijn jeugdjaren gaf Cicero ook hieraan zijn voorkeur. Doch het atticisme won meer en meer aanhang, al bleef het Latijnse proza ook in de keizertijd sterk onder invloed van het asianisme.

 
  Asiatismus
De stijl met veel figuren, maar weinig ter zake doende woorden. Zie ook bij asianisme (hierboven).
 
 

Aspect
De grammaticale categorie die aangeeft of de gebeurtenis die door het werkwoord wordt aangeduid eenmalig is, regelmatig voorkomt, etc. Ook actio genoemd. In het Grieks kennen we de volgende aspecten:

  1. Het duratief aspect: drukt het voortduren van een handeling uit (presens, imperfectum en futurum);

  2. Het aoristisch aspect: drukt de gebeurtenis uit, niet het voortduren (aoristus en futurum);

  3. Het voltooid aspect: drukt een toestand uit (perfectum, plusquamperfectum en futurum exactum).

Alleen het imperfectum, de indicativus van de aoristus en het plusquamperfectum verplaatsen de handeling naar het verleden.
Het futurum verplaatst de handeling van het presens/imperfectum en van de aoristus naar de toekomst, het futurum exactum die van het perfectum/plusquamperfectum.

 
  Asphalia
Zichzelf aanbieden als borg voor een verplichting.
 
  Aspiraat
Het ontploffingsgeluid waarop onmiddelijk na opening van de mondholte een sterke uitademing volgt.
 
  Aspiratie
Het uitspreken met aanblazing.
Bijvoorbeeld: de 'h'.
 
  Assertie
Een verklaring; een bewering. Afgeleid van het Latijnse assertum (beweren).
 
  Assibilatie, Assibilering
De ontwikkeling tot van een plofklank tot een sisklank of affricaat. Afgeleid van het Latijnse sibilare (sissen, ruisen).
Bijvoorbeeld: 'pf'.
 
  Assimilatie
Het aan elkaar gelijk worden van twee ongelijke, op elkaar volgende klanken. Afgeleid van het Latijnse similis (gelijk, gelijkend).
Bijvoorbeeld: in het 4e kwart van de 13e eeuw kenden wij pas het woord 'litteken', daarvoor heette dit een 'lîkteken'.
 
 

Assonantie
De rijmvorm waarbij klinkers of tweeklanken worden herhaald.
Bijvoorbeeld: 'bomen' en 'rozen'.
Een ander voorbeeld: de 'i' in het vers van Kloos:

Zooals daarginds, aan stille blauwe lucht,
Zilveren-zacht, de half ontloken maan
Bloeit...

Het effect van assonantie is niet altijd van dezelfde aard. In het gegeven voorbeeld steunt de assonantie het ritme. In andere gevallen bestendigt ze een stemming of gezichtsindruk, die door het eerste woord gewekt wordt, zoals in het voorbeeld van Gossaert:

Weer is de lange kwaal van 't loome
jaar doorleden

De assonantie kwaal/jaar bestendigt hier het door kwaal opgeroepen gevoel van onbehagen, dat langs associatieve weg wordt doorgetrokken. Een andere mogelijkheid, zoals benut door Perk:

Door 't woud der pijnen kreunt en zucht de wind
En machtig wuiven de gepluimde toppen,

De assonantie wuiven/gepluimde bestendigt hier de gezichtsindruk, die door het woord wuiven is gewekt.
Assonantie komt, vooral in middeleeuwse poëzie, ook als eindrijm voor. In de Franse chansons de geste is het de enige rijmvorm en in de Nederlandse liederen uit de middeleeuwen treft men er verscheidene voorbeelden van aan, zoals in het Lied van Heer Halewijn:

Wat deed zij aen haren lyve
Een hemdeken fynder als zyde

In de Oudgermaanse poëzie was assonantie samen met alliteratie de enige vorm van rijm.

 
  Asteismus
Een schertsend of spottend antwoord met een woordspeling.
 
  Asyllabisch
Niet syllabisch.
 
  Asyndetisch
Zonder voegwoord of zonder verbindings-woord.
 
 

Asyndetische vergelijking
De metaforische vergelijking, waarbij het te vergelijken object en het beeld zonder enig verbindingswoord naast elkaar staan. Daar de dichter het dus als het ware aan de lezer overlaat de elementen met elkaar te verbinden, is de asyndetische verbinding vaak buitengewoon suggestief.
Bijvoorbeeld in een gedeelte van een gedicht van Remco Campert:

in dikke stukken kogelvrij glas
ving ik het schaarse licht op
dat uitliep op de grond
een lauwe, bleke plas

 
  Asyndeton
Een zinsverbinding zonder voegwoorden, met name bij een enumeratie. Ook inconexie of dissolutie genoemd. Afgeleid van het Griekse sundeo (aaneenschakelen).
Bijvoorbeeld een zin uit Multatuli's Max Havelaar: 'Dan zou ik myn boek vertalen in het Maleis, Javaans, Soendaas, Alfoers, Boeginees, Battaks...'
De bekendste asyndeton is van Julius Caesar: 'Veni, vidi, vici.'
Antoniem: polysyndeton.
 
  Atellana
Fabula atellana, genoemd naar de stad Atella, was een oude, boertige en komische klucht in klassiek Griekenland. De scènes hadden betrekking op het dagelijkse leven en kende steeds terugkerende typen (Marcus de Gek, Pappus het oude mannetje, Dossennus de Bultenaar, Manducus de Veelvraat, etc.) Het was vooral bij het ongecultiveerde publiek geliefd toen deze vorm in Rome bekend werd.
 
  Athematisch
Zonder thematische klinker.
 
  Atonale poëzie
De vorm van experimentele poëzie, waarin door klanken en associaties een beeld wordt opgeroepen, zonder dat daarvoor een duidelijke, vaste opbouw bestaat.
 
  Atonisch
Onbeklemtoond.
 
  Attenuatie
Zie minutio. Afgeleid van het Latijnse attenuatio (verzachting).
Antoniem: amplificatie.
 
 

Atticisme
De stijlreactie tegen het asianisme (2e eeuw v.G.T.). De retorische beweging tegen het onnatuurlijke en bombastische van het asianisme haalde het in de 1e eeuw v.G.T. en kende ook in Rome zijn hoogtepunt in de 2e eeuw G.T., al bleef het asianisme voortwoekeren. Het atticisme nam voor zijn klassieke Attische taal de grote meesters van de 5e en 4e eeuw v.G.T. als voorbeeld. Stijlvoorbeelden waren Lysias en Demosthenes. Vooral Dionysios van Halikarnassos was als redenaar hiervan de voornaamste vertegenwoordiger in de 1e eeuw v.G.T. Julius Caesar was er eveneens een voorstander van. Nadat de Koinè in de 2e eeuw G.T. door het Neo-Attisch was verdrongen, werden atticistische lexica aangelegd, aan de hand waarvan men weer juist leerde schrijven.

 
  Attische genetivus
De genetivus singularis op eos.
 
 

Attische reduplicatie
De reduplicatie van verba, aanvangende met 'a', 'e' of 'o', die in het perfectum eerst het augment krijgen en daarvoor geplaatst de eerste twee letters van het verbum.

 
 

Attractie
Een vervoeging op grond van betekenis en niet van grammaticale regels.
Bijvoorbeeld: 'De hersenen is het belangrijkste orgaan'.
In het Grieks kennen we de volgende vormen:

  1. De attractie: het relativum in de naamval van het antecedent);

  2. De attractio inversa (in het Ionisch en Attisch): het antecedent in de naamval van het relativum.

 
 

Attributief-praedicatief
Het gebruik van het participum waarbij het niet alleen iets zegt van het substantivum waarmee het congrueert, maar ook en vooral een bijwoordelijke bepaling is bij het predikaat. Deze kan in het Nederlands vertaald woorden door:

  1. het overeenkomstige Nederlandse deelwoord;

  2. een bijwoordelijke uitdrukking;

  3. een bijwoordelijke bijzin, dat wil zeggen een bijzin ingeleid door een voegwoord.

 
  Attributieve genitief
De naamval waardoor iets genoemd wordt als behorend tot een persoon of zaak.
 
  Attribuut
Een bijvoeglijke bepaling. Afgeleid van het Latijnse tribuere (delen).
 
  Aubade
De liedvorm waarin geliefden hun spijt uitdrukken over het opkomen van een nieuwe dag. Ontstaan tegen het einde van de twaalfde eeuw. Afgeleid van het Franse aube (ochtendschemering).
Bijvoorbeeld: Troïlus and Criseyde, Book III van Chaucer (±1380).
 
  Auctoriaal
De eigenschap van een letterkundig werk waarvan de gebeurtenissen worden verteld vanuit een alwetende verteller. Vergelijk met personaal.
 
  Auditorische kenmerken
De kenmerken die voor het oor waarneembaar zijn en waardoor spraakklanken ingedeeld kunnen worden.
 
  Augmentum
Een prefix bij de werkwoordstam in de onvoltooid verleden tijd in het Grieks en Sanskriet. Afgeleid van het Latijnse augmen (aanwas).
 
  Augmentatief
Vergrotend; vergrotingswoord/affix.
 
  Augmentum syllabicum
Het augmentum (zie hierboven) in het Grieks wanneer een woord met een consonant aanvangt; het augment is dan een 'e'.
 
  Augmentum temporale
Het augmentum (zie hierboven) in het Grieks wanneer een woord met een vocaal aanvangt en er een verlenging plaatsvindt.
 
  Auletische nomos
Zie nomos.
 
  Auslaut
De eindklank van een woord of een lettergreep.
 
  Austronesisch
Behorende tot de Maleis-Polynesische taalgroep.
 
  Autobiografie
Het episch genre waarbij de schrijver zijn eigen leven beschrijft.
 
  Autograaf
Een eigenhandig geschreven stuk.
 
  Autologisch
Identiek met het begrip dat door het gebruikte adjectief wordt aangeduid.
Bijvoorbeeld: 'vijflettergrepig' is vijflettergrepig.
 
  Autoniem
Een woord dat in een zelfnoemfunctie wordt gebruikt.
Bijvoorbeeld: 'Lang lijkt op een Chinese naam'.
 
  Auto-sacramental
Een genre van het Spaanse klassieke toneel van rond de zeventiende eeuw met een sterk allegorische inslag. Het bestaat uit één bedrijf, geschreven ter ere van het Heilig Sacrament en opgevoerd op Sacramentsdag. Belangrijke auteur in dit genre is Calderon de la Barca.
 
  Auxesis
Het plaatsen van woorden of clausula's in volgorde van oplopende spanning.
 
 

Aversio
De stijlfiguur waarbij de spreker zich afwendt. Ook metabasis genoemd. Dit kan in drie vormen worden onderverdeeld:

  1. sermocinatie;

  2. digressie;

  3. apostrofe.

 
  Avonturenroman
Het episch genre waarbij de gebeurtenissen (in plaats van de ideeën) rondom een hoofdpersoon worden beschreven. Meestal gaat het daarbij om avonturen in het verleden en in onbekende streken. Vaak zijn avonturenromans tot op zekere hoogte ook historische romans.
Bijvoorbeeld: Oriënt Express (1934) van A. den Doolaard, en Rumeiland (1940) van S. Vestdijk.
 
  Axioma
Een (onbewezen (volgens sommigen onbewijsbare), apodictische) grondstelling.

 

 
  © Maurice van Elburg
Niet zonder toestemming kopiëren.
 
  Terug naar de homepage  of  Naar B >>