Handboek filologie: D
Dactylologie
De vingertaal. Afgeleid van het Griekse daktulôs (vinger).
 

Dactylus
Een versvoet met de vaste combinatie: - U U. In de tijd van de Renaissance zijn de klassieke versmaten in West-Europa overgenomen. Daar in de Westeuropese talen de lengte van de lettergreep geen duidelijke rol speelt, kon men de afwisseling kort : lang niet overnemen. Men verving die door een afwisseling van geaccentueerde en ongeaccentueerde lettergrepen, als in het volgende Nederlandse voorbeeld van Potgieter (waarbij - een geaccentueerde en U een ongeaccentueerde lettergreep voorstelt):

Grauw is uw hemel en stormig uw strand
     -      U  U -    U  U -     U   U    -

 
  Daling
Zie thesis.
 
  Dandyisme
De romantisch-aristocratische protesthouding van bepaalde negentiende-eeuwse auteurs.
Bijvoorbeeld: Byron.
 
  Dagboekroman
Zie ik-roman.
 
  Datief, Dativus
De derde naamval. Afgeleid van het Griekse dôtike (geneigd tot geven).
Bijvoorbeeld: 'Met voorbedachten rade.'

We onderscheiden:

  1. Dativus auctoris
    De handelende persoon die bij het gerundivum staat.
  2. Dativus commodi
    De naamval die dienst doet als meewerkend voorwerp.
    Bijvoorbeeld: parechô sôi sitôn (ik verschaf u voedsel).
  3. Dativus ethicus
    De naamval die gebruikt wordt wanneer de handeling of de toestand slechts zijdelings op een persoon of zaak betrekking heeft.
    Bijvoorbeeld: tôiôutô umin estin ê turannis (iets dergelijks, moet gij weten, is de tyrannie).
  4. Dativus incommodi
    De naamval die dienst doet als tegenwerkend voorwerp.
    Bijvoorbeeld: didomi sôi dikên (ik laat u straf ondergaan).
  5. Dativus mensurae
    De naamval die de maat van verschil aangeeft bij comparativi en comparatieve begrippen.
    Bijvoorbeeld: 'multo plures' (veel meer).
  6. Dativus modi
    De naamval die de wijze, waarop of de omstandigheden, waaronder iets geschiedt.
    Bijvoorbeeld: kraugê pôllê êpiasin (onder luid geschreeuw trekken zij er op af).
  7. Dativus possessivus
    De naamval die de persoon aangeeft die de bezitter van iets is.
    Bijvoorbeeld: 'Mihi domus est' (Ik bezit een huis (= aan mij is een huis)).
  8. Dativus sociativus
    De naamval te kennen geeft in wiens gezelschap men iets doet of zich bevindt.
    Bijvoorbeeld: eipetô meta ton filon (hij volgde met zijn vrienden).
  9. Dativus temporis
    De naamval die een tijdsverloop, waarover de handeling zich uitstrekt, aangeeft.
    Bijvoorbeeld: en pôlemo (in tijd van oorlog).
    De opgaven van feesten staan steeds zonder prepositie.
 
 

Decasyllabus

  1. Een tienlettergrepige (vers)regel.

  2. Een tienvoetig jambisch vers.

 
  Declamatie
Een retorische, hoogdravende rede.
 
  Declamatio
Het openbaar uitspreken van een rede als klassieke oefening aan de retorenscholen. De andere oefeningen waren: chrie, controversia, suasoria, laudatio en vituperatio.
 
  Declamatorium
Een dichtstuk dat bij de voordracht wordt begeleid en afgewisseld door muziek of zang.
 
 

Declinatie
Afgeleid van het Latijnse declinare (van de rechte weg afleiden).

  1. Een verbuiging(sgroep).

  2. Downdrift.

 
  Decorum
De mate waarin de stijl van een rede is aangepast aan het publiek en het onderwerp. Ook aptum genoemd. Een onderdeel van de elocutie.
 
  Dedicatie
De opdracht van een geschrift. Afgeleid van het Latijnse dicare (opdragen).
 
 

Deductie

  1. De wijze van redeneren waarbij men vanuit algemene verschijnselen een bijzondere regel afleidt. Als de premissen wetenschappelijk kunnen worden aangetoond is er sprake van een syllogisme.
    Antoniem: inductie 2.

  2. Een redenering die een conclusie heeft die gegarandeerd waar is als de premissen waar zijn. Als de premissen slechts waarschijnlijk waar zijn, is er sprake van een enthymema.
    Vergelijk: inductie 3.

 
  Deelwoord
De vorm van het werkwoord die de werking als attribuut van een zelfstandigheid voorstelt.
Synoniem: participium.
 
  Deesis
Een heftige smeekbede aan goden of mensen.
 
  Defectieve werkwoorden
De werkwoorden die niet alle vormen of tijden hebben.
 
  Deficiëntie
Het tekort aan redundantie. Het treedt op bij polysemie die niet voldoende door de context ingeperkt is.
 
  Definiet
Bepaald.
 
  Definitio
Zie explicatio.
 
  Deflexie
Het verdwijnen van buigingsuitgangen.
 
  Dehortatio
Een waarschuwing, een advies het tegenovergestelde te doen.
 
  Deiktisch
Aanwijzend, dat wil zeggen: verwijzend naar de concrete taalgebruikssituatie. Vergelijk anafoor 2.
Bijvoorbeeld: 'hier' is een deiktische uitdrukking.
 
  Delabialisatie
Ontronding.
 
 

Deletie

  1. Het wegvallen van een klank.
    Bijvoorbeeld: de 'd' in 'leder'.

  2. Zie detractie 2.

 
  Deliberatio
Het evalueren van verschillende mogelijkheden van handelen.
 
  Deliberativum
De soort politieke redevoeringen waarin geprobeerd wordt de toehoorders een voorstel te laten steunen of af te wijzen. Vergelijk demonstrativum en iudicale.
 
  Delta
De vierde letter van het Griekse alfabet, geschreven als Δ. Zie deze pagina voor het volledige Griekse alfabet.
 
  Demonstratie
Een levendige, gedetailleerde beschrijving van personen of zaken. Ook descriptie, diatypose, effiguratie, ekfrase, enargia, evidentia, hypotypose of illustratie genoemd.
 
  Demonstratief, Demonstrativum
(Een) aanwijzend (voornaamwoord).
Bijvoorbeeld: een 'demonstratief pronomen' is een aanwijzend voornaamwoord.
 
  Demonstrativum
De soort redevoeringen waarin iemand wordt geprezen of afgekeurd. Vergelijk deliberativum en iudiciale.
 
  Dendrografie
Het beschrijven van een boom.
 
  Denominaal
Van een nomen afgeleid.
 
  Denominatief
Een werkwoord afgeleid van een substantief of adjectief.
Bijvoorbeeld: 'zonnen' van 'zon', of: 'bruinen' van 'bruin'.
 
  Denotatie
De vast omschreven betekenis van een woord.
Antoniem: connotatie.
 
  Dentaal
Een medeklinker gevormd door afsluiting van de luchtstroom tussen de punt van de tong en de tanden (bijvoorbeeld de 'd' en de 't'). Afgeleid van het Latijnse dens (tand).
 
  Depalatalisering
Het ontnemen of verloren gaan van het palataal karakter van een klank.
 
  Deponens
Een passief werkwoord met een actieve betekenis.
Bijvoorbeeld: 'sequitur' (hij volgt).

We onderscheiden:

  1. Deponens medium
    Een mediale vorm van een passief werkwoord met een actieve betekenis.
  2. Deponens passivum
    Een passieve vorm van een passief werkwoord met een actieve betekenis.
 
  Derivaat, Derivatum, Derivatie
Een afleiding; een afgeleid woord. Afgeleid van het Latijnse rivus (stroom).
 
  Descriptieve grammatica
De grammatica die de competentie beschrijft.
 
  Descriptie
Een levendige, gedetailleerde beschrijving van personen of zaken. Ook demonstratie, diatypose, effiguratie, ekfrase, enargia, evidentia, hypotypose of illustratie genoemd.
 
  Desideratief
Een werkwoord, afgeleid van een ander werkwoord, dat het aangeeft de actie die het het primaire werkwoord omschrijft, te willen doen. Afgeleid van het Latijnse decideratum (verlangen).
Bijvorbeeld: het Latijnse werkwoord 'micturare' (het verlangen te urineren) is het desideratief van 'mingere' (urineren, verleden participaal = 'mictus').
 
  Desis
De uitwerking van het groeiend conflict in een tragedie. Ook epitasis genoemd.
 
  Detectiveroman
Het episch genre waarbij de schrijver een hoofdpersoon door fijnzinnig speurwerk, door deduceren en combineren, licht laat scheppen in een aanvankelijk duister lijkende zaak.
Er is echter binnen dit genre ook een psychologische tak, zoals de detectives van Georges Simenon, wiens detective (Maigret) de misdadiger achterhaalt door zich vertrouwd te maken met diens geestelijke klimaat, zijn psyche, zijn mogelijke beweegredenen; bovendien munten de boeken van Simenon uit door hun sterke (gewoonlijk Parijse) sfeer.
 
  Determinant
Een bepalend woord of element.
 
 

Determinatief

  1. Bepalend.

  2. Bepalingaankondigend.

 
  Determinatief compositum
Een samenstelling waarvan het tweede lid door het eerste nader bepaald wordt.
 
 

Detractie

  1. Het weglaten van een deel van een woord. Het is een vorm van ellips 1. Zie afaeresis, apocope en syncope.

  2. Een tekstveranderingscategorie waarbij één of meer elementen uit het oorspronkelijke geheel zijn verwijderd. Ook deletie of suppressie genoemd. Vergelijk adiectie, immutatie, repetitie 2 en transmutatie.

 
  Deus ex machina
Een literaire kunstgreep. Letterlijk betekent het 'Een god uit de (toneel)installatie'.
 
  Deuteragonistes
De tweede acteur. Na de door Thespis geïntroduceerde hypokritès die de belangrijkste rol toebedeeld kreeg ('protagonistes'), introduceerde Aischylos een tweede acteur in de tragedie, de 'deuteragonistes'.
 
  Deuterocanoniek
De geschriften die wel door de katholieke kerk, maar niet door de protestantse kerken als deel van de canon van de bijbel worden beschouwd. De protestanten noemen deze geschriften apocrief.
 
  Deverbatief
Afgeleid van een werkwoord.
 
  Diabole
Een voorspelling of afkeuring van toekomstige gebeurtenissen.
 
  Diachrone verklaring
Een verklaring die is gebaseerd op gegevens betreffende de ontwikkeling van de taalverschijnselen in de loop der tijden.
Antoniem: synchrone verklaring.
 
  Diacope
  1. Het delen van elementen van een nevenschikkend woord door een ander woord of woorden.
  2. Het herhalen van een woord met telkens één of enkele woorden ertussen.
 
  Diacritisch teken
Een teken dat de uitspraak aanduidt.
 
  Diaeresis
Zie diëresis.
 
 

Diafora
Afgeleid van het Griekse dia (door) en fero (dragen).

  1. Een herhaling van een homograaf.
    Bijvoorbeeld: 'Wat een weer weer.'

  2. Een retorische uiteenzetting van het verschil tussen twee dingen.

  3. Het herhalen van een normaal woord in plaats van een eigennaam om zowel de persoon als zijn eigenschappen aan te duiden. Een vorm van antonomasia.

 
  Dialect
Een afwijking van de standaardtaal; een streektaal. Afgeleid van het Griekse dialektôs (tongval).
 
  Dialectologie
De leer of kennis van de streektalen of dialecten.
 
  Diallage
Het inbrengen van verschillende argumenten om één stelling te bevestigen.
 
  Dialogismus
Een dialoog (zie hieronder) voorwenden; spreken in naam van een ander.
 
  Dialoog
Een tweespraak; een samenspraak.
 
  Dialyse
Het redeneren vanuit een serie disjunctieve proposities.
 
  Diaporesis
De stijlfiguur van de (schijnbare) twijfel.
 
  Diastole
Het verlengen van een lettergreep of vocaal die normaal kort is. Antoniem: systole.
 
  Diasyrmus
Een kleinering van de argumenten van de tegenstander.
 
  Diatesseron
Een samenhangend verhaal van Jezus Christus' leven naar de gegevens van de vier Evangeliën.
 
  Diathese
Het samenvattend begrip voor actief en passief bij werkwoorden.
 
  Diathesis
De vorm van het werkwoord (actief of passief).
 
  Diatribe
Een retorisch betoog, een filosofische voordracht.
 
  Diatypose
  1. Een levendige, gedetailleerde beschrijving van personen of zaken. Ook demonstratie, descriptie, effiguratie, ekfrase, enargia, evidentia, hypotypose of illustratie genoemd.
  2. Het aanbevelen van bepaalde stelregels aan een ander.
 
  Diazeugma
De vorm van zeugma waarbij één onderwerp meerdere werkwoorden heeft.
 
  Dibrachys
De klassieke versvoet: U U. Ook pyrrhichius genoemd.
 
  Dicaeologia
Excuses maken uit noodzaak.
 
  Dicatalectisch
Een vers waarbij in het midden en op het einde een lettergreep ontbreekt. Zie catalectisch.
 
  Dichoree
Een trocheïsche dipodie. Ook ditrochee genoemd.
 
  Dictie
Een uitdrukkingswijze; de woordkeus; de uitspraak.
 
  Diegesis
Het tijdruimtelijke universum waarin de geschiedenis zich afspeelt.
 
 

Diëresis, Diaeresis
Afgeleid van het Griekse diaireo (uit elkaar nemen).

  1. De rust in een vers tussen twee versvoeten in.

  2. De verlenging van een woord door van één lettergreep twee te maken.
    Bijvoorbeeld: 'storrem' van 'storm'.
    Antoniem: syneresis.

  3. Het ontleden van een begrip in verschillende onderdelen om het te benadrukken. Vergelijk accumulatie.

 
 

Differentiatie

  1. Een klankverandering waardoor twee opeenvolgende klanken sterker van elkaar gaan verschillen.

  2. Een betekenisontwikkeling in afwijkende richting.

  3. Het ontstaan van verschillende dialecten of talen uit een oorspronkelijke taal.

 
  Diffuus
Een breedvoerige, omslachtige stijl.
 
  Difoon
Een klankpaar, vooral beschouwd wat betreft de overgang van de ene klank in de andere.
 
  Diftong
Een tweeklank, twee klinkers als één uitgesproken. Afgeleid van het Griekse ftôngôs (klank).
Bijvoorbeeld: 'ui'.
 
  Digamma
Een oudgrieks letterteken met de klankwaarde van 'w', ook 'wau' genoemd.
 
  Digesta
Een kort uittreksel. Ook brevarium of epitome genoemd.
 
  Digestie
Een ordelijke opsomming van de punten die behandeld zullen worden.
 
  Diglossie
Het verschijnsel dat in één land twee officiële varianten van de schrijftaal bestaan.
Bijvoorbeeld: Servisch.
 
  Digraaf
Twee letters als één uitgesproken.
 
  Digressie
Een afdwaling van het eigenlijke thema om een rede of verhaal op te smukken met bijkomstigheden of elementen die slechts zijdelings met het thema te maken hebben. Ook excursus genoemd. Het terugkeren naar het oorspronkelijke thema heet reditus ad propositum. Vergelijk apoplanesis.
 
  Diiambe
Een jambische dipodie.
 
  Dilemma
Een argument dat een tegenstanders onacceptabele keuzes geeft.
 
  Dimeter
Een klassiek versschema met twee gelijke versvoeten.
 
  Diminutief, Deminutivum
Een verkleinwoord. Afgeleid van het Griekse dis- (uiteen) en het Latijnse minuere (klein(er) maken).
 
  Dipodie
De samenvoeging van twee jamben of twee trocheeën tot een eenheid. Ook syzygie genoemd.
 
  Dirae
De Romeinse verwensingen of smaadverzen. Vergelijk arae.
 
  Direct object
Het lijdend voorwerp.
 
  Directe rede
Het weergeven van iemands woorden of gedachten in dezelfde vorm als van de persoon zelf.
Bijvoorbeeld: 'Hij zei: "Ik ga niet"'.
Antoniem: indirecte rede.
 
  Dirge
De benaming in het Engelse taalgebied voor een elegie.
 
  Disjuncte fonemen
De fonemen die geen verwantschap of band met elkaar hebben, buiten het feit dat het alle klinkers zijn.
 
 

Disjunctie

  1. Het niet gecorreleerd zijn van fonemen.
    Vergelijk: correlatie en conjunctie 1.

  2. De 'of'-verbinding van samenstellende uitspraken tot één (samengestelde) uitspraak.
    Antoniem: conjunctie 2.

  3. Zie hyperbaton.

 
  Disjunctief, Disjunctivus
Een tegenstellend voegwoord; een tegenstelling vormend.
 
  Dislocatie
De verplaatsing van (een deel van) een zinsdeel naar uiterst links of uiterst rechts in de zin, waarbij een pronomen op de oorspronkelijke positie wordt geplaatst.
 
  Disponibiliteit
De bruikbaarheid in het taalsysteem.
 
  Dispositie
Het ordenen van de gedachten om een duidelijke en overzichtelijke voorstelling mogelijk te maken. De tweede van de vijf pijlers van de retorica. Ook wel ordening genoemd. Zie stijldeugden (punt 2).
 
 

Dissimilatie

  1. De stijlfiguur waarbij de spreker zijn eigen mening of die van zijn partij tracht te verbergen.

  2. Het aan elkaar ongelijk worden van twee gelijke, op elkaar volgende medeklinkers.
    Bijvoorbeeld: het woord 'tovenaar' is rond het 4e kwart van de 13e eeuw afgeleid van het woord 'tôverâre', waarbij de 'n' is gedissimileerd.

 
  Dissolutie
Zie asyndeton.
 
 

Distanzstellung

  1. De stijlfiguur waarbij woorden die syntactisch bij elkaar horen, worden gescheiden, waardoor het apart geplaatste woord een bijzondere nadruk krijgt.
    Bijvoorbeeld een zin uit een gedicht van Arthur van Schendel: 'Verwarring werd alles en angst en haat.'

  2. De romantechniek waarbij de auteur zich schijnbaar van het verhaalde distantieert door gebruik te maken van gefingeerde namen, van diverse verhalende instanties en dergelijke.
    Bijvoorbeeld: Max Havelaar van Multatuli.

 
  Distichomyt(h)ie
Een passage in een drama waarin de sprekers om beurten twee regels reciteren.
 
 

Distichon
Een klein gedicht van twee regels, oorspronkelijk bestaande uit een hexameter en een pentameter. Vaak een epigram. Wanneer het een (normaal) gedicht betreft, hebben de regels gepaard rijm, zoals in het voorbeeld van M. Nijhoff:

Zij hadden een stem in het licht vernomen
'Laat de kinderen tot mij komen'

 
  Distinctief
Een betekenisverschil aanduidend; ook relevant genoemd.
 
  Distinctio
De specifieke verwijzing naar verschillende betekenissen van een woord als stijlmiddel.
 
  Distributie
Het onderverdelen van het totaal in onderdelen als stijlmiddel.
 
  Distributief
Verdelende woorden.
Bijvoorbeeld: 'elke' en 'elk'.
 
  Dithyrambe, dithyrambos
Een ode; een hartstochtelijke lofzang. Deze basisvorm van dramatiek was in feite de primaire vorm van de tragedie, aangezien deze een vorm van de cultus van vruchtbaarheidsgodinnen was. De vorm was vaak een samenspraak tussen de exarchoon (koorleider) en het koor, ter ere van Dionysos, waarvan de bijnaam Dithurambos was. Arioon was de eerste, die er een regelmatige vorm aan gaf en ook de inhoud verzorgde. De voornaamste dithyrambos-dichters waren Simonides en Bacchylides van Keos en Pindaros. De dithyrambos had toen haar definitieve vorm in strofen en antistrofen. De inhoud van de dithyrambos had ook niet meer (uitsluitend) betrekking op Dionysos.
Vanaf de 5e eeuw v.G.T. na de Perzische Oorlogen kreeg de muziek de meeste aandacht en werd de inhoud van het lied bijzaak. Strofe en antistrof verdwenen, solozangen werden ingelast.
Later werd in de dithyrambe ook de verering van een (menselijke) held geuit.
De ode verschilt slechts in één opzicht: de dichterlijke verrukking en hartstocht is gematigder ten opzichte van de dithyrambe.
 
  Ditrochee
Een trocheïsche dipodie. Ook dichoree genoemd.
 
  Dit
Een Frans-middeleeuwse tekst, meestal satirisch en/of moraliserend.
Bijvoorbeeld: Dit de l'Erberie van Rutebeuf (±1620).
 
  Dittografie
Het bij vergissing dubbel schrijven van letters, lettergrepen, woorden of zinsdelen. Vóór de uitvinding van de boekdrukkunst, werden manuscripten met de hand overgeschreven. Daardoor kwam het voor dat letters, lettergrepen, woorden of gedeelten van zinnen dubbel werden geschreven.
 
  Divagatie
Een afdwaling, uitwijding.
 
  Divan
Een bundel gedichten van één auteur, meestal op alfabetische volgorde gerangschikt.
Bijvoorbeeld: Divan van Hafiz (±1360).
 
  Diverbium
Het gesproken gedeelte in een Latijnse komedie. Vergelijk canticum 1.
 
  Divisio
Het onderverdelen in soorten of klassen als stijlmiddel.
 
  Dizain
Een strofe van tien verzen, meestal een kwatrijn en een sextet.
 
  Dodecasyllabel
Een vers met twaalf lettergrepen.
 
  Dof
Neutraal (van klinker).
 
  Dolce stil nuovo
De poëtische stijl van een losse groep hoofdzakelijk Florentijnse dichters in de dertiende en veertiende eeuw, waaronder Dante. Deze groep schreef zuivere, verfijnde en zeer muzikale verzen in de eigen volkstaal met de liefde als hoofdthema. Men streefde naar lieflijkheid, eenvoud, oprechtheid en verbondenheid met de natuur. Afkomstig uit het Italiaans (dolce stil nuovo = zoete nieuwe stijl).

 
  Donysis
Het beschrijven of reconstrueren van heftige emoties.
 
  Dorsaal
Met de rug van de tong gevormd.
 
 

Doublet

  1. Een dubbelvorm; een paar; dubbel.

  2. Een tautologie 1.

 
  Downdrift
De eigenschap van elke zin die met een dalende toon aanvangt. Soms ook declinatie genoemd.
 
 

Doxologie
Afgeleid van het Griekse dôxa (eer).

  1. Een lofprijzing (van God); gloria.

  2. Het nagaan van de invloed van een tekst in het algemeen bij een vergelijkende literatuurstudie. Vergelijk crenologie.

 
 

Drama
Een genre van taalkunst waarin een stuk leven in handelingen en begeleidende gesprekken wordt weergegeven. De opvoerende acteur brengt de passende gebaren en mimiek tot stand.
De oudste toneelstukken (middeleeuwen) van de Westeuropese letterkunde (de abele spelen, de liturgische spelen, de mysterie-en mirakelspelen, de kluchten) vertonen nog geen strenge bouw. Dit verandert met de Renaissance, als onder invloed van de klassieke oudheid (de Griekse en Romeinse tragedie en komedie), de tragedie (treurspel), de komedie (blijspel) en de pastorale spelen (herdersspel) ontstaan. In de pastorale wordt het geïdealiseerde landleven tegenover het verdorven leven van de cultuurmens in de steden gesteld. Tezelfder tijd ontstond de tragi-komedie, gebaseerd op Amadisromans, die avontuurlijke liefdesverhalen over ridders en jonkvrouwen vertellen. Het rationalisme bracht een wending naar het burgerlijke drama; parallel met het 19e-eeuwse realisme en naturalisme ontwikkelde zich het realistische en het naturalistische drama.
In de Renaissance-periode keerde de drie eenheden (van tijd, plaats en handeling) weer terug. In Frankrijk en Italië deelde men het treurspel, naar het voorbeeld van Seneca, in vijf bedrijven in:

  1. De expositie, waarin de toeschouwer vertrouwd werd gemaakt met de hoofdpersonen en de situatie waaruit de ramp zou voortkomen;

  2. Het intrige vertoont de verwikkelingen waardoor de ramp wordt voorbereid;

  3. De climax laat zien hoe de gebeurtenissen de ramp steeds dichterbij brengen;

  4. De catastrofe behelst de ramp;

  5. De peripetie geeft een zekere rechtvaardiging en verklaring van de onafwendbaarheid van de ramp.

Weliswaar past men in Frankrijk Seneca's rigoureuze wetten later met wat soepelheid toe, het drama blijft in dat land streng klassiek. In Engeland komt in die periode het romantische drama op, dat in Shakespeare zijn hoogtepunt bereikt.

 
  Dualis
De (oude) grammaticale vorm van het getal (naast enkelvoud en meervoud) die betrekking heeft op twee personen of zaken.
 
  Dubbel rijm
Het eindrijm bij metrische verzen dat zich uitstrekt over meerdere lettergrepen waarvan er twee niet geaccentueerd zijn.
 
  Dubitatie
De stijlfiguur waarbij de spreker zich afvraagt hoe hij een bepaald probleem zal aanpakken of welke naam hij eraan zal geven.
 
  Duplicatie
Zie bij anadiplosis.
 
  Duratief
Een werkwoord dat een voortdurende handeling aanduidt; ook progressief genoemd.
 
  Dynamisch accent
De onderscheiding tussen woordklanken naar de kracht. Vergelijk met muzikaal en temporeel accent.
 
  Dysfemisme
Een verhardende of kwetsende uitdrukking.
Antoniem: eufemisme.
 
  Dysmelie
Een niet-harmoniërende verbinding van zinsdelen of woordfuncties.
 
  Dystopie
Het verwerpen van een toekomstbeeld in een toekomstroman.

 

 
  © Maurice van Elburg
Niet zonder toestemming kopiëren.
 
  << Naar C  of  Naar E >>  
 

Terug naar de homepage