Handboek filologie: G

Galimatias
Wartaal, onzin.

Galliambe
Een versvoet.

Gallicisme
Een woordvorming of uitdrukking die in strijd is met de regels in een taal, wanneer het woord of de uitdrukking te letterlijk is vertaald uit het Frans.
Er zijn ook woorden die alleen in het Nederlands voorkomen, terwijl zij er zeer Frans uitzien: 'chique' en 'en face' zijn daar voorbeelden van.

Gamma
De derde letter van het Griekse alfabet : 'γ'. Afgeleid van het Hebreeuwse ghimel (kameel), vanwege de oude schrijfwijze van deze letter: Ú.

Zie voor het volledige Griekse alfabet deze pagina.
Zie voor het volledige Hebreeuwse alfabet deze pagina.

Gatha
Een godsdienstige hymne van de vroeger in het oude Iran levende mazdeïsten, een oud-Iraanse godsdienst.

Geaspireerd
Aangeblazen.

Geaspireerde consonant
Spiritus asper.

Gebiedende wijs
De vorm waarin de werkwoorden zich manifesteren als bevelen, geboden en dergelijke.
Synoniem: imperatief.

Gebroken rijm
De rijmvorm met het rijmschema: abcb of abac.

Gelijkenis
Zie ook parabool. In het Grieks kent men het woord parôimia, dat vertaald kan worden met 'vergelijking' of 'beeldspraak'. In het Engels komt nog steeds het woord paroemia voor (wat spreekwoord betekent). Ook similitudo genoemd.

Gemarkeerd
Afwijkend van wat als normaal wordt beschouwd.
Bijvoorbeeld: 'plee' in plaats van 'toilet'.

Gemengde coniugatie
De coniugatie waarbij werkwoorden, die overeenkomstig hun infinitivus tot de consonantstammen behoren, volgen wat hun praesens, imperfectum en futurum aangaat, gedeeltelijk de i-stammen.
Bijvoorbeeld: 'capere' (nemen).

Geminatie

  1. De verdubbeling van een klank of een letter; konsonantenverdubbeling.
    Bijvoorbeeld: 'vullen' tegenover 'vol'.

  2. Het stijlmiddel waarbij er een onmiddellijke herhaling optreedt van een of meer woorden. Zie ook epanalepsis.
    Bijvoorbeeld: 'de zee, de zee klotst voort in eindeloze deining' (Kloos).

Genereren
Het toekennen van een syntactische beschrijving aan een zin, bij het beschouwen van de grammatica als regelmechanisme.

Genera dicendi, genera elecutionis
De stijlvarianten in de klassieke retorica. We onderscheiden:

  1. genus humile of extenuatum: eenvoudige stijl in duidelijke, concrete taal met als doel: leren en bewijzen.

  2. genus medium of temperatum: gematigde stijl met gebruik van retorische figuren met als doel: aangenaam onderhouden en succes oogsten.

  3. genus sublime of grande: zware stijl met veel pathos en opsmuk met als doel: ontroeren.

  4. genus tumidum: gezwollen stijl met een overdreven gebruik van retorische figuren en zeldzame woorden met als doel: imponeren en eruditie tonen.

Generis
Het geslacht. Dit kan zowel op substantiva betrekking hebben als op verba.

Genetief, Genetivus
De tweede naamval ter aanduiding van een bezits- of afhankelijkheidsrelatie, welke gewoonlijk dienst doet als bijvoeglijke bepaling.
Bijvoorbeeld: in 'vaders jas' is 'vaders' de genitief van 'vader'.

We onderscheiden:

  1. Genetivus causae
    De naamval die een gemoedstoestand aanduidt.
    Bijvoorbeeld: pêthônein tini tinôs (iemand om iets benijden).

  2. Genetivus comparationis
    De naamval die het punt van vergelijking aanduidt.
    Bijvoorbeeld: ettasthai tinôs (de mindere zijn van niemand).

  3. Genetivus materiae
    De naamval die de stof waaruit iets bestaat aangeeft.
    Bijvoorbeeld: arênê êdeôs udatôs (een bron van zoet water).

  4. Genetivus obiectivus
    De naamval die gebruikt wordt om het object aan te duiden van de handeling die opgesloten zit in het substantivum waarbij deze genetivus hoort.
    Bijvoorbeeld: 'amor mei' (de liefde voor mij).

  5. Genetivus partitivus
    De naamval die aanduidt waar het subject deel van uitmaakt.
    Bijvoorbeeld: ôi geraitatôi ton Athenaion (de bejaardsten der Atheners).

  6. Genetivus possessivus
    De naamval die dienst doet om de bezitter aan te geven.
    Bijvoorbeeld: 'Fratrem eius videt' (Hij ziet zijn/haar broer).

  7. Genetivus pretii
    De naamval die de prijs en waarde aangeeft van het subject.
    Bijvoorbeeld: 'magni facere' (hoog schatten).

  8. Genetivus qualitatis
    De naamval die de maat en waarde aangeeft van het subject.
    Bijvoorbeeld: chôriôn deka mnôn (een stuk land ter waarde van tien minae).

  9. Genetivus temporis
    De naamval die de tijdsruimte waarbinnen iets voorvalt, aanduidt.
    Bijvoorbeeld: (tôu) cheimônôs ('s winters).

Genoniem
Een algemeen soortwoord, een woord dat voor een algemeenheid van begrippen wordt gebezigd.
Bijvoorbeeld: 'doen'.
Afkomstig van het Griekse genôs (soort)

Genus

  1. Het type redevoering. We onderscheiden:

    1. genus iudicale: het gerechtelijke pleidooi om de rechters te overtuigen van de schuld van de ander of de onschuld van zichzelf (of de verdedigde);

    2. genus deliberativum: de politieke rede;

    3. genus demonstrativum: de gelegenheidsrede, meestal om iemand bij een feestelijke gelegenheid lof toe te zwaaien.

  2. Het taalkundig geslacht.

  3. Zie bij genera dicendi.

Geografie
Een beschrijving van de aarde.

Gepaard rijm
Het rijmen van telkens twee op elkaar volgende verzen.

Germanisme
Een woordvorming of uitdrukking die in strijd is met de regels in een taal, wanneer het woord of de uitdrukking te letterlijk uit het Duits is vertaald.
Sommige germanismen zijn echter een algemeen geaccepteerd deel van onze taal geworden, zoals bijvoorbeeld: inschatten ('einschätzen'), instelling ('Einstellung'), meerdere ('mehrere'), middels ('mittels'), etc.

Gerundium
Een werkwoordsvorm in het Latijn, te omschrijven als de infinitivus praesens activum als deze niet voorkomt als subject of als object.
Bijvoorbeeld: in 'jus promovendi' (het recht om als promotor op te mogen treden) is 'promovendi' een gerundium.
Afgeleid van het Middeleeuws Latijnse 'gerundum', van 'gerendum' (dat wat gedaan moet worden).

Gerundivum
Een van een werkwoord afgeleid adiectivum, ook adiectivum verbale genoemd. Het geeft aan, dat iets nog 'te doen' is, dat wil zeggen dat iets behoort gedaan te worden of moet worden gedaan.
Bijvoorbeeld: 'doctorandus' (moetende doctor worden).
Overgenomen van het Middeleeuws Latijnse gerundivum (betrekking hebbend op het gerundium).

Geserreerd
Kort en krachtig van stijl.

Geslacht
De bepaalde soort van een naamwoord met betrekking tot zijn verbuiging. Men onderscheidt: masculinum (mannelijk), feminimum (vrouwelijk) en neutrum (onzijdig).

Geste
De oude verhalen of liederen van de roemruchtige daden van het voorgeslacht. Ook yeeste genoemd.
Bijvoorbeeld: de verzameling Gesta Romanorum (±1300)

Ghazel(e)
Een Perzisch-Arabische dichtvorm, bestaande uit tweeregelige strofen, waarbij de tweede versregel van elke strofe telkens op hetzelfde rijm eindigt. Afkomstig van het Arabische ghazila (verliefd spreken).

Glide
Zie halfvocaal.

Glos
Een woord dat door de lezer of gebruiker van een handschrift tussen de regels of in de kantlijn is geschreven, ter verduidelijking of als vertaling van een woord in de tekst.

Glossarium
Een verklarende woordenlijst.

Glosseem
De kleinste betekeniseenheid.

Glossematica
De leer van de kleinste taaleenheden op zichzelf beschouwd. L. Hjelmslev wordt als belangrijkste exponent beschouwd.

Glossolalie

  1. De woorden in een taal die niets betekenen, vaak klanknabootsingen.

  2. Het spreken in tongen, zoals in het verslag in de Bijbel (Handelingen 2).

Glossologie, glottologie
Taalkunde; linguïstiek.

Glottisslag
Een explosieve klinker aan het begin van een woord of een lettergreep, gevormd in de stemspleet (glottis).

Glottogonie
De leer van het ontstaan van talen en taalverschijnselen.

Glyconeus
De octosyllabische klassieke versmaat, bestaande uit drie trocheeën, waarvan één catalectisch, en een dactylus. We onderscheiden:

  1. eerste glyconeus: - U U - U - U -

  2. tweede glyconeus: U U - U U - U U

  3. derde glyconeus: - U - U - U U -

De tweede komt het meeste voor.

Gnome
Een zinrijke spreuk betreffende levenswijsheid of zedenleer. Ook sententie genoemd. Vergelijk spreekwoord, spreuk, aforisme en maxime. Afgeleid van het Griekse gignosko (weten).

Gnomisch

  1. Tijdloos (met betrekking tot de tijd van het werkwoord in een zin die een tijdloze waarheid uitdrukt).

  2. Aforistisch (zie Aforisme).

Goliard
De groep (hoofzakelijk Engelse) geleerden en dichters uit de 12e en 13e eeuw die spottende en satirische Latijnse versen schreef. Het waren in de grond der zaak erudiete dronkelappen. Hun benaming is dan ook afgeleid van het Latijnse gula (keel). Leider van de groep was de legendarische Bischop Golias (Goliath), die ook de naam voor de groep bedacht.
Hun liederen staan bekend onder de naam carmina burana, enkele daarvan zijn in 1937 op muziek gezet door de Duitse componist Carl Orff (1895-1982). Ook vagantenpoëzie genoemd.

Gongorisme
De met woordspelingen en puntigheden gesierde stijl. Afgeleid van de Spaanse schrijver Luis de Argote y Góngora (1561-1627). Een vorm van maniërisme. Vergelijk euphuïsme, marinisme, preciositeit en Schwulst.

Gorgiaanse figuren
De door de Griekse redenaar Gorgias van Leontini (ca. 480-399 v.G.T.) gebruikte retorische figuren en stijlmiddelen. Zie Een geschiedenis van de retorica - deel 4.

Graalroman
Een hoofse ridderroman waarin de zoektocht naar de graal verweven is.
Bijvoorbeeld: Perceval van Chrétien de Troyes (einde twaalfde eeuw).

Gradatie
De climax 1.

Graduatie
Het plaatsen in de trappen van vergelijking.

Gradueel antoniem
Zie bij Antoniem.

Gradus
Een woordenboek voor Latijnse letterkunde (naar het boek Gradus ad Parnassum).

Gradus comparationis
De trappen van vergelijking (positivus (de stellende trap), comparativus (de vergrotende trap) en superlativus (de overtreffende trap)).

Graecisme
Een woordvorming of uitdrukking die in strijd is met de regels in een taal, wanneer het woord of de uitdrukking te letterlijk is vertaald uit het Grieks. Ook Hellinisme genoemd.

Graecus
De accusativus van betrekking; ook accusativus partis of limitationis genoemd.

Grafeem
Een letter, vooral beschouwd als aanduiding van spraakklanken; de minimale betekenisonderscheidende eenheid in geschreven taal.

Grammaloog
Een door een symbool of letter vertegenwoordigd woord. Bijvoorbeeld: '$' voor dollar.

Grammatica
De leer van het systeem van een taal, het geheel van regels volgens welke zinnen en woorden in een taal gevormd kunnen worden.

Gratis dictum
Een blote bewering. Overgenomen van het Latijnse gratis dictum (een woord voor niets).

Gratuïteit
Een ongegronde of ongemotiveerde uitspraak.

Gravis
Het accent grave. Overgenomen van het Latijnse gravis (zwaar).

Groteske
De literaire werken met een grillig en onnatuurlijk karakter. Afgeleid van het Italiaanse grotto (grot).
Bijvoorbeeld: Die Verwandlung van Franz Kafka (1915).

Gutturaal
Een occlusieve of fricatieve medeklinker die de indruk maakt in de keel (Latijn: guttur) te zijn gevormd. Ook velaar genoemd.
Bijvoorbeeld: 'k' of 'g'.

 

 

© Maurice van Elburg
Niet zonder toestemming kopiëren.

 

 

<< Naar F  of  Naar H >>

 

 

Terug naar de homepage