Handboek filologie: I

Icon
Het beschrijven van een gelijkenis door beeldspraak.

Ictus
De klemtoon; de nadruk. Zie ook bij arsis.

Identiek rijm
De rijmvorm waarbij de rijmende woorden volledig gelijk klinken, maar verschillend kunnen zijn naar spelling of betekenis.
Bijvoorbeeld:

'Ik lig aan uw zijde
in mijn pyjama van zijde.'

Ideogram
Een begripteken, zoals het Chinees dat bijvoorbeeld kent.

Idioom
Een taaleigen(aardigheid); een streektaal; een dialect; een jargon; een vaste, ondoorzichtige woordverbinding.
Een idioom in de betekenis van taaleigen kan alleen begrepen worden als men begrip heeft van het plaatselijk gebruik dat wordt genoemd, wat een afbeelding is voor dat wat werkelijk bedoeld wordt.

Idioticon
Een dialectenwoordenboek. Afgeleid van het Griekse idiotismôs (gewone, eigen spreekwijze).

Idiotisme
Een woord of een uitdrukking in een dialect. Afgeleid van het Griekse idiotismôs (gewone, eigen spreekwijze).

Idylle
De bekoorlijke, epische dichtvorm, die vertelt van eenvoudige mensen, die in een vreedzame, natuurlijke omgeving leven. Afgeleid van het Griekse eidôs (gestalte).
Bijvoorbeeld: Het Akkerleven van H.C. Poot.

Ik-roman
De compositievorm waarbij een boek in de eerste persoon geschreven wordt. Meestal zijn de zeer onwaarschijnlijke verhalen in de eerste persoon geschreven: zo krijgt de fantasie een hogere graad van waarschijnlijkheid.
Voorbeelden hiervan zijn Gulliver's Travels van Jonathan Swift, Robinson Crusoe van Daniel Defoe, en Rumeiland van S. Vestdijk.
Er kunnen echter ook andere redenen zijn om de hoofdpersoon zijn eigen geschiedenis te laten vertellen:
Eén van die redenen zou kunnen zijn dat de schrijver een diepgaande psychologische ontleding wil geven en ook de meest subtiele en innerlijkste gedachten van zijn romanfiguur wil meedelen. Wanneer het boek in de derde persoon zou zijn geschreven, zou dit een sterk geforceerde indruk maken. Veel van deze romans zijn dagboekromans, zoals Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants, Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge van Rainer Maria Rilke, en Journal d'un curé de campagne van George Bernanos.
Een derde reden om in de eerste persoon te schrijven kan eenvoudig zijn: de auteur kan zich niet los maken van de hoofdpersoon, de hoofdpersoon uit de roman bezit zoveel eigenschappen van de schrijver, dat beide figuren als het ware samenvallen. Dit is vooral bij oorlogsromans het geval.

Illatief
Een gevolgtrekking aanduidend of inhoudend. Afgeleid van het Middeleeuws Latijnse illativus (bedekt te kennen gevend).

Illustratie
Een levendige, gedetailleerde beschrijving van personen of zaken. Ook demonstratie, descriptie, diatypose, effiguratie, ekfrase, enargia, evidentia en hypotypose genoemd.

Imitatie
De navolging met herscheppende pretentie.

Immutatie
Een tekstveranderingscategorie waarbij één of meer elementen uit een geheel vervangen zijn door nieuwe elementen. Ook substitutie genoemd. Vergelijk adiectie, detractie 2, repetitie 2 en transmutatie.

Immutatief
Een werkwoord dat het verkeren in een bepaalde toestand uitdrukt. Afgeleid van het Latijnse in (niet-) en mutare (veranderen).
Bijvoorbeeld: 'rusten'.

Imperatief, Imperativus
De gebiedende wijs; de modus van het gebod (of: de negatieve modus van het verbod).

Imperatoria brevitas
De korte stijl van de heerser. Deze vaardigt uit zonder daarbij toelichting te (hoeven) geven.

Imperfectief, Imperfectum

  1. De onvoltooid verleden tijd; de werkwoordsvorm die te kennen geeft dat een handeling in het verleden onvoltooid was, dat wil zeggen bezig te geschieden, voortduurde.

  2. Een verbaal aspect waarbij men de handeling ziet in haar ononderbroken duur, zonder dat aan de begrenzing in de tijd gedacht wordt, zoals bijvoorbeeld 'tikken' of 'regenen'.

Impersonale
Het onpersoonlijk gebruikt werkwoord. Ook incorporeel genoemd.
Bijvoorbeeld: 'het sneeuwt'.

Implicatie
 

Implicatuur
De conclusie die getrokken kan worden uit een taaluiting.

Impliciete transpositie
De overgang van naamwoord naar werkwoord zonder vormverschil.
Bijvoorbeeld: 'Als achter vliegen vliegen vliegen, vliegen vliegen vliegen achterna.'

Implosief
Een zuigklank.

Imprecatie
Een bezwering; een verwensing.

Improduktief
De eigenschap van woordsoorten die geen nieuwe formaties in hun klasse toelaten of van affixen waarmee geen nieuwe afleidingen gemaakt kunnen worden.
Bijvoorbeeld: de lidwoorden.

Incantatie
Een bezwering; een (tover)spreuk.

Inchoatief, Inchoativum
Een werkwoord waarbij de voorstelling van het begin van de handeling voorop staat; een aanvangaanduidend werkwoord.
Bijvoorbeeld: Het Latijnse nôsco met de betekenis 'ik leer kennen'. Als voorbeeld in het Nederlands zouden we 'bevriezen' kunnen noemen.

Incipit
Een beginregel. Overgenomen van het Latijnse incipit (het begint).

Incisum
Een komma.

Inclinatie
Het verschijnen van enclise of proclise.

Incomparabilia
De adjectieven die geen vergelijkende en overtreffende trap kennen. Vergelijk met elatief.
Bijvoorbeeld: 'enig', waarvan 'enigste' een veel gebruikte maar verkeerde afleiding is.

Inconexio
Zie asyndeton.

Incongruentie
Een fout die indruist tegen de regels die in een taal gelden.
Bijvoorbeeld: 'het regenen'.
Antoniem: congruentie.

Incorporeel
Een onlichamelijk werkwoord. Ook impersonale genoemd.
Bijvoorbeeld: 'regenen'.

Incorporerende talen
De talen waarin objecten en bepalingen van het werkwoord in het verbum zelf worden opgenomen.

Increment
Het verschil van de termen in een opklimmende reeks.

Indeclinabilis, Indeclinabel
Onverbuigbaar. Ook inflexibel genoemd.

Indicatief, Indicativus
De aantonende wijs, het doet een objectieve mededeling van een feit of gebeurtenis.

Indignatio
Hartstochtelijk spraakgebruik of luid, boos spreken.

Indirecte rede
Het weergeven van iemands woorden of gedachten in een andere vorm dan van de persoon zelf.
Bijvoorbeeld: 'Hij zei dat...'.

Indirecte vraagzin
Een afhankelijke vraagzin, dat wil zeggen dat de vraagzin bijzin is geworden.

Induceren

  1. Het uitoefenen van invloed door een klinker of halfvocaal op de klinker in een volgende lettergreep, umlaut veroorzaken.

  2. Het afleiden van een algemene regel uit bijzondere verschijnselen.

Inductie

  1. Een mutatie, een umlaut.

  2. De wijze van redeneren waarbij men vanuit bijzondere verschijnselen een algemene regel afleidt.
    Antoniem: deductie 1.

  3. Een redenering die een grote waarschijnlijkheid heeft waar te zijn.
    Vergelijk: deductie 2.

In extenso
In zijn geheel, volledig. Zie ook verbatim.

Infinitief, Infinitivus
De onbepaalde wijs.
We onderscheiden:

  1. Infinitivus absolutus
    De onbepaalde wijs die

  2. Infinitivus constructus
    De onbepaalde wijs die

  3. Infinitivus futuri
    De onbepaalde wijs die een natijdigheid aangeeft ten opzichte van het hoofdwerkwoord.

  4. Infinitivus perfecti
    De onbepaalde wijs die een voortijdigheid aangeeft ten opzichte van het hoofdwerkwoord.

  5. Infinitivus praesentis
    De onbepaalde wijs die een gelijktijdigheid aangeeft ten opzichte van het hoofdwerkwoord.

Infix
Zie affix. Afgeleid van het Latijnse infigere (steken in).

Inflecteren
Verbuigen; vervoegen.

Inflexibel
Onverbuigbaar. Ook indeclinabel genoemd.

Ingressief
Het beginnen van iets, het ontstaan van een toestand uitdrukkend. Afgeleid van het Latijnse ingressus (het binnenkomen).

Ingweonisme
Een woordvorming of uitdrukking die in strijd is met de regels in een taal, wanneer het woord of de uitdrukking te letterlijk uit de Germaanse talen van rondom de Noordzee.
Bijvoorbeeld: het verdwijnen van de 'n' voor de 's'.

Inlaut
De klank in het midden van een woord. Vergelijk anlaut en auslaut.

In medias res
De epische compositiestijl waarbij de schrijver de lezer midden in de handeling plaatst en de voorafgaande gebeurtenissen retrospectief of door gesprekken weergeeft.

Innerlijke tegenstelling
De eigenschap van een woord dat bestaat uit delen die afzonderlijk een tegengestelde betekenis hebben.
Bijvoorbeeld: (door Battus de zeven wonderen genoemd) 'volledig', 'basalt', 'herder', 'horen', 'lafhartig', 'meermin' en 'staren'.

In parenthesi
Tussen haakjes; terloops.

Inseraat
Een naschrift.

Insertie
Zie klankinsertie.

Instrumentalis
De zevende naamval; naamval waarbij het instrument of middel van de handeling wordt uitgedrukt.

Intellectio
De eerste fase binnen de Vinding (zie de link voor meer informatie).

Intensief, intensivum
Een werkwoord dat een met energie gebeurende handeling uitdrukt. Vaak worden deze gevormd door de slotmedeklinker van de stam te verscherpen.
Bijvoorbeeld: 'bukken' als intensievere vorm van 'buigen'.

Intercalatie
Een inlassing.

Interdentaal
Een klank die wordt gevormd met de punt van de tong tussen de tanden.
Bijvoorbeeld: de Engelse 'th'-klank.

Interferentie
De invloed van een taal op een andere taal waardoor barbarismen ontstaan.

Interjectie
Een tussenwerpsel.
Bijvoorbeeld: 'tjonge', 'och'.

Interpolatie
Een tussenvoeging in een tekst. Afgeleid van het Latijnse interpolare (polijsten).

Interpreet
Een uitlegger.

Interpunctie
De plaatsing van de leestekens. In Hebreeuwse werken wordt dit letterlijk met punten gedaan. Men kent in het Hebreeuws namelijk geen klinkertekens. Om het (voor)lezen te vereenvoudigen, plaatst men punten rondom de medeklinkers die aangeven welke klinkers gelezen dienen te worden.

Interrogatief, Interrogativum
Een vragend voornaamwoord.
Bijvoorbeeld: 'wie', 'wat'.

Inter se pugnantia
Op hypocrisie of inconsistentie wijzen in het gezicht van de tegenstander.

Intervocalisch
De eigenschap van een medeklinker die tussen twee klinkers staat en in de spreektaal daardoor wordt vervangen door een andere medeklinker.
Bijvoorbeeld: de 'd' in 'dode' wordt uitgesproken als 'j'.

Intonatie
De stembuiging; de modulatie.

Intransitief
Een werkwoord dat een actie door de persoon of het voorwerp zelf inhoudt en niet afhankelijk is van iets of iemand buiten zichzelf; een onovergankelijk werkwoord; een werkwoord dat nooit een lijdend voorwerp kan hebben.
Bijvoorbeeld: 'blozen'.
Antoniem: transitief.

Invectief
Een scheldwoord.

Inventie
De eerste bewerkingsfase van een redevoering, waarbij de stof wordt gevonden en verder afgebakend. Eén van de vijf pijlers van de retorica. Zie ook intellectie.

Inverse, L'
Zie verlan.

Inversie
De stijlfiguur waarbij de woordorde wordt omgekeerd. De normale woordorde in de mededelende hoofdzin is: onderwerp, persoonsvorm, bepalingen (= de rest van de zin). Wanneer de schrijver echter bijzondere nadruk wil leggen op een van de bepalingen, kan hij dat doen door de bepaling voorop te zetten (ook onderwerp en persoonsvorm verwisselen dan van plaats). Ook anastrofe genoemd. Vergelijk met hyperbaton en hysterologie.
Bijvoorbeeld: in plaats van 'Ik zag hem in de verte aankomen', kan ook gezegd worden: 'In de verte zag ik hem aankomen.'

Invocatie
Een aanroeping.

Ionicus
De tetrasyllabische klassieke versmaat. We onderscheiden:

  1. ionicus a maiore: - - U U.

  2. ionicus a minore: U U - -.

Deze worden vooral in liefdespoëzie gebruikt.

Iota subscriptum
De Griekse letter 'iota' bij (onder) 'alpha', 'eta' en 'omega'. Soms wordt de 'iota' er naast geschreven.

Ironie
De fijne spot waarbij men schijnbaar ernstig het tegenovergestelde zegt van wat wordt bedoeld. Vergelijk sarcasme. Afgeleid van het Griekse eirôneia (geveinsde onwetendheid).

Isme
Een barbarisme.

Isochronie
Het gelijk verlopen van verteltijd en vertelde tijd.

Isochronisme
Het verschijnsel waarbij de tijdsafstand tussen geaccentueerde lettergrepen gelijk is.

Isocolon
Zie ook isokolon (hieronder).

  1. Een colon met een (bijna) gelijk aantal lettergrepen in de samenhangende delen. Het vertoont dus parallellisme 1.

  2. Een herhaling van zinnen van gelijke lengte en gewoonlijk een overeenkomende structuur.

Isofoon
Een lijn waardoor op een dialectkaart gebieden met een gelijke klank in bepaalde woorden begrensd worden.

Isoglos, Isoglosse
De grens van een bepaald taalverschijnsel.

Isogram
Een woord waarin de hoeveelheden van dezelfde letter steeds gelijk zijn. Battus breidde de betekenis uit tot een woord of zin waarin elke letter hoogstens éénmaal wordt gebruikt. Volgens hem was het door dhr. Vormaat ingezonden woord 'gymwijfvrindjeskopbalzucht' hiervan het langste voorbeeld.
Voorbeeld van de strikte betekenis: 'raar', waarin de 'r' en de 'a' even vaak voorkomen.

Isokolon
Zie ook isocolon (hierboven) en parison.

  1. De stijlfiguur waarbij twee leden van een periode uit evenveel lettergrepen bestaan.

  2. De symmetrische herhaling van klanken en woorden in frasen van gelijke lengte.

Isolex
Een lijn die een gebied begrenst waarbinnen een woord een bepaalde betekenis heeft.

Isometrisch
De eigenschap van een strofe die bestaat uit gelijkgebouwde versregels.
Antoniem: polymetrisch.

Isomorf
De benaming voor lijnen waardoor gebieden met bepaalde dialectische morfologische vormen afgebakend worden.

Isosyllabisch
De eigenschap van de stijlsoort waarbij de versregels van een gedicht hetzelfde aantal lettergrepen tellen. Dit is van oudsher een stijlsoort die in het Franse vers wordt toegepast, meestal met zes, zeven, acht, tien of twaalf lettergrepen. Een isosyllabisch vers wordt ook lettergreepvers genoemd.

Isotagme
De benaming voor lijnen die de gebieden begrenzen waar een bepaald syntactisch verschijnsel voorkomt. Afgeleid van het Griekse tagma (het rangschikken).

Iteratie
Het stijlmiddel waarbij er een herhaling optreedt. Zie epanalepsis.

Iteratief
Frequentatief; een werkwoord dat een herhaalde handeling aanduidt.
Bijvoorbeeld: 'hakkelen'.

Ithyfallisch gedicht

  1. Een vers met het schema: - U - U - -.

  2. Een bacchisch vers.

Ithyphallicus
Een trocheïsche tripodie: - U - U - U .

Itinerarium
Een reisbeschrijving uit de klassieke oudheid.

Iudicale
 

 

 

© Maurice van Elburg
Niet zonder toestemming kopiëren.

 

 

<< Naar H  of  Naar J >>

 

 

Terug naar de homepage