Handboek filologie: L

Labiaal
Een klank waarbij de articulatie hoofdzakelijk gebeurt door de lippen.
Bijvoorbeeld: de 'p' en de 'b'.

Labialiseren
Met geronde lippen uitspreken. Ook ronding genoemd.
Bijvoorbeeld: 'Willem' uitspreken als 'Wullum'.

Labiodentaal
Een medeklinker gevormd met behulp van de onderlip en de boventanden.
Bijvoorbeeld: de 'f' en de 'w'.

Labiovelaar
Een tegen het zacht gehemelte gevormde spraakklank die onmiddelijk door een halfklinker wordt gevolgd.
Bijvoorbeeld: 'kw'.

Laconisme
Bondigheid; bondige uitspraak. Afgeleid van de het land Laconia in Zuid-Griekenland, waarvan Sparta de hoofdstad was. De Spartanen waren geserreerd, bruusk en bondig in hun spraak.
Bijvoorbeeld: de uitspraak van Julius Caesar, 'Veni, vidi, vici', waarin letterlijk geen woord te veel staat.

Lai lyrique
Een gedicht met formeel van elkaar verschillende strofen die elk op een andere melodie werden gezongen.
Bijvoorbeeld: Lais et Descorts (dertiende eeuw).

Lai narratif
Een kort verhaal in octosyllaben met gepaard rijm, waarvan het onderwerp meestal is ontleend aan de cyclus van de Tafelronde.
Bijvoorbeeld: Lais van Marie de France (dertiende eeuw).

Lai vire, le
Zie bij chanson balladée.

Laisse
Een strofe of fragment van een lang gedicht met maar één rijm of één assonantie. Het komt voor in de Oudfranse epiek, zoals in de chanson de geste.

Lallans
Het literaire Schots.

Lambdacisme
De uitspraak van 'r' als 'l'. Afgeleid van het Griekse labdakismôs (het gebruik van de letter l in plaats van een andere).

Lamentatie
Een elegie.

Laminaal
Een spraakklank waarbij de tong dienst doet als articulator.

Lapidair
Korte, bondige stijl. Afgeleid van het Latijnse lapis (steen), aangezien inscripties ook kort en bondig dienen te zijn.

Lapsus calami
Een schrijffout.

Lapsus linguae
Een verspreking.

Laryngaal
Een medeklinker gevormd door aspiratie tegen de stembanden in het strottehoofd (larynx) (in het bijzonder als hypothetische klank in de Indo-europese oertaal).
Bijvoorbeeld: de 'h'.

Lateraal
Een klank die wordt gevormd met de tongpunt tegen de tandkassen, maar waarbij de zijkant van de tong de kiezen slechts gedeeltelijk raakt, waardoor er een luchtstroom kan ontsnappen.
Bijvoorbeeld: de 'l'.

Latinisme
Een woordvorming of uitdrukking die in strijd is met de regels in een taal, wanneer het woord of de uitdrukking te letterlijk is vertaald uit het Latijn.

Laudatie
Een lofprijzing. Ook panegyriek genoemd.

Laudatio
Het houden van een prijzende rede als klassieke oefening aan de retorenscholen. De andere oefeningen waren chrie, declamatio, controversia, suasoria en vituperatio.

Lax
Ongespannen (van uitspraak).

Leerdicht
Een dichtvorm van het beschouwende of didactische genre, waarbij de schrijver een onderwerp van wetenschappelijke of levensbeschouwelijke aard behandelt. Het kwam vooral in de middeleeuwen voor, zoals Maerlants Der Naturen Bloeme (het mooiste uit de natuur), maar ook in later tijd, bijvoorbeeld Vondels Altaergeheimenissen of Bilderdijks De ziekte der geleerden.

Legende
Een episch verhaal, verband houdende met de christelijke godsdienst en over Christus, Maria of heiligen, in hun betrekking tot de mens, handelt. Legenden komen in proza en in dichtvorm voor. Afgeleid van het Latijnse legenda (wat gelezen moet worden).
Bijvoorbeeld: Beatrijslegende (midden dertiende eeuw).

Leich
Een middeleeuwse Duitse dichtvorm, gezongen bij dansen en godsdienstige plechtigheden of als liefdeslyriek. Afgeleid van het Gotische leiks (spel, dans).

Leipogram
Een lipogram.

Lekenspiegel
Een uitvoerig leerdicht van Jan van Boendale uit de 14e eeuw.

Lemma
Een hulpstelling waarvan de juistheid in afwachting van nader bewijs wordt aangenomen. Overgenomen van het Griekse lêmma (veronderstelling).

Lenis
Een zachte en met weinig klemtoon uitgesproken medeklinker.
Antoniem: fortis.

Leptologia
Subtiel spraakgebruik; spitsvondigheden gebruiken.

Lettergreep
Elk van de groepen waarin een woord bij het spreken of schrijven kan worden verdeeld. Ook syllabe genoemd.

Lettergreepvers
De versvorm waarbij elke regel een gelijk aantal lettergrepen heeft. Dit komt redelijk vaak voor in de Franse poëzie. Ook isosyllabisch vers genoemd.

Leveltonen
De tonen die niet van hoogte veranderen. Ook registertonen genoemd.
Antoniem: contourtonen.

Lexeem
Een minimale betekenisdragende eenheid. Tegenwoordig vaak stammorfeem genoemd. Vroeger ook semanteem genoemd.

Lexicale homonymie
Het verschijnsel waarbij een zin vanwege de verschillende betekenissen van één of meer woorden op verschillende manieren opgevat kan worden. Vergelijk met syntaktische homonymie.
Bijvoorbeeld: 'De vorst is in aantocht'.

Lexicalisatie
Het verschijnsel dat een woord een of meer betekenissen krijgt die niet zonder meer afleidbaar zijn uit de samenstellende delen.

Lexicologie
De leer van de woordenschat en de betekenis van de woorden.

Lexicon
Een morfeemverzameling; een woordenschat; een vocabulaire.

Libel
Een pamflet, een schotschrift. Afgeleid van het Latijnse liber (boek).

Lidwoord
De woordsoort die ertoe dient de bepaaldheid of onbepaaldheid van het substantief te doen uitkomen.
Bijvoorbeeld: (bepaald:) 'de', 'het', (onbepaald:) 'een'.

Lied
De eenvoudigste vorm van lyriek, zoals volksliederen, godsdienstige liederen, natuurliederen, liefdes- of minneliederen, sociale liederen, vaderlandse en historische liederen, dans- en drinkliederen en kinderliederen. Afgeleid van het Griekse lura (lier).

Lierdicht
Een hooggestemd lyrisch gedicht over een verheven onderwerp.
Bijvoorbeeld: De Kruisbergh van Vondel (1637).

Ligatuur
Enige aaneengekoppelde letters.
Bijvoorbeeld: 'æ'.

Limerick
Een vijfregelige vorm van puntdicht met het rijmschema: aabba. De regels 1, 2 en 5 zijn langer (drie accenten), regel 3 en 4 zijn korter (twee accenten). Gewoonlijk is de inhoud kolderiek. Genoemd naar de Ierse plaats Limerick.

Limitationis
De accusativus van betrekking; ook accusativus partis of graecus genoemd.

Linguaal
Met de tong.

Lingua franca
De gemeenschappelijke taal; een mengtaal. Overgenomen van het Italiaanse lingua franca (de Frankische taal).

Linguïstiek
De taalwetenschap.

Lipogram
Een tekst waarin één of meerdere letters of samenstellingen van letters verboden zijn. Afgeleid van het Griekse leipo (ik laat weg).
Bijvoorbeeld: La disparition van Georges Perec is een 'e-lipogram': in het hele boek komt geen 'e' voor.
Antoniem: tautogram.

Liquidae
De vloeiende medeklinkers: 'l' en 'r'. Afgeleid van het Latijnse liquere (vloeibaar zijn).

Literae humaniores
De schone letteren.

Litotes
De vorm van een eufemisme waarbij de waarheid wordt verkleind om die beter te doen uitkomen of de bevestiging van een feit wordt verstevigd door ontkenning van het tegenovergestelde. Afgeleid van het Griekse litôtês (eenvoud).
Bijvoorbeeld: 'Dat ziet er niet zo mooi uit' in plaats van 'Dat ziet er slecht uit.'

Littérature engagée
De literatuur die afhankelijk is van de uit de tijdsproblemen geboren levenshouding, in tegenstelling tot kunstwerken die opvallen door hun ontheven zijn aan de tijd.

Liturgische spelen
Een middeleeuws religieus drama, gebaseerd op de liturgie van de Kerk, in het Latijn geschreven. Ze werden als kerstspelen en op andere kerkelijke feestdagen opgevoerd.

Locatief, Locativus
De zevende naamval (in sommige talen de zesde naamval); plaatsaanduidende naamval. Afgeleid van het Latijnse locus (plaats).
Bijvoorbeeld: 'domi' (thuis).

Locofaulisme
Een scheldwoord voor bewoners van een bepaalde plaats of streek. Afgeleid van het Latijnse locus (plaats) en het Engelse to foul (bevuilen).

Locus amoenus
De vorm van natuurbeschrijving van een idyllisch plekje, ontstaan in de fantasie van de schrijver en dus niet aan de hand van een bestaande plaats.

Locus communis
Een vaak gebruikte uitdrukking, een gemeenplaats.

Locutie
De spreekwijze, een uitdrukking.

Logaëdisch vers
De aeolische versmaat.

Logion
Een uitspraak van Christus.

Logische connectieven
De woorden die samenstellende uitspraken verbinden tot een (samengestelde) uitspraak. Zie conjunctie en disjunctie.

Logogram
Een teken dat een begrip of woord voorstelt. Een modern voorbeeld ervan is stenografie, waarbij korte tekens staan voor woorden.

Logogrief

  1. Een woordraadsel; een letterraadsel. Afgeleid van het Griekse grifôs (net, vismand), waardoor de gedachte wordt overgedragen dat het antwoord op het raadsel bestaat uit een mand vol andere woorden (deze toevoeging voor de échte kenners, diegenen die de raadsels van Henry Wadsforth Longfellow begrijpen). Meestal een anagram.

  2. Een rij regelmatig met één letter groeiende woorden.

Logomachie
Een woordenstrijd. Afgeleid van het Griekse machê (strijd).

Logopedie
De stem- en spraakverbetering. Afgeleid van het Griekse lôgôs (woord) en paideia (opleiding).

Logorrhaea
Een ziekelijke praatzucht, ook logoclonie en loquomanie genoemd.

Loqoumanie
Een ziekelijke praatzucht, ook logoclonie en logorrhaea genoemd.

Lusis
De ontknoping van een tragedie, voorafgegaan door de peripetie.

Lusitanisme
Een woordvorming of uitdrukking die in strijd is met de regels in een taal, wanneer het woord of de uitdrukking te letterlijk is vertaald uit het Portugees.

Lyriek, lyrische poëzie
Een subjectief genre van taalkunst, waarbij de schrijver zijn eigen stemmingen en gevoelens weergeeft. De dichter richt zich tevens op directe of indirecte wijze tot het gemoed van de lezer. Naar de aard van de vertolkte gevoelens kan men verschillende soorten van lyrische gedichten onderscheiden (lees hierover bij de gelijknamige onderwerpen):

  1. Lied.

  2. Ode en dithyrambe.

  3. Hymne.

  4. Satire (Satura).

  5. Elegie.

  6. Epigram.

  7. Parodie.

De indirecte lyriek uit zich door middel van symbolen, die dikwijls een verhalend element met zich brengen.
De primaire vorm van lyrische dichtkunst waren de Griekse skôlia (drinkliederen) en de liefdesliederen van het lichtere genre, waarbij de dichter meestal zijn persoonlijke gevoelens vertolkte. Hierop berust het onderscheid met de epiek en dramatische poëzie.
De lyrische poëzie leent zich tevens tot een verdeling in monodische en koorlyriek. De monodische lyriek omvat de liederen voor een enkele stem, en de koorlyriek die voor een koor.
Typisch voor de monodische lyriek is de combinatie van dactylen en trocheeën. De ontwikkeling van deze vorm van lyriek ging gepaard met de geleidelijke ontwikkeling van de instrumentale muziek.
In Rome waren er reeds in de archaïsche periode uitingen van lyrische poëzie te onderkennen, bijvoorbeeld cultusliederen, wiegeliederen, dodenliederen in de Saturnische versmaat (een eigen Italisch versmaat, vrij van Griekse invloed). Vrij bekend zijn de godsdienstige liederen van de Saliërs en de Akkerbroeders (Fratres arvales). Vele liederen werden gezongen en mondeling overgeleverd, zodat zij niet voorkomen in de Latijnse literaire nalatenschap.
De grootste Griekse dichters van de koorlyriek, na de grondleggers Alkman, Stechichoros en Ibykos, waren Simonides en Bacchylides van Keos en de grote dichter Pindaros, de adelaar van de Griekse lyriek.
De grootste Romeinse lyrici waren ongetwijfeld V. Catullus en Q. Horatius Flaccus, die de lyriek beoefenden in de trant van de Grieken Alkaios en Sapho, in hun oden of carmina. Na dezen stierf de lyriek uit in de klassieke talen. Alleen kende men een zekere opflakkering in de koorliederen van de tragedieschrijver Seneca en in de eerste christelijke hymnen van de jonge Kerk (Prudentius en Ambrosius).
Tegen het einde van de 12e eeuw kwam de hoofse lyriek, waarin de hoofse liefde bezongen werd, in Noord-Frankrijk tot bloei en werd later ook buiten Frankrijk nagevolgd.

 

 

© Maurice van Elburg
Niet zonder toestemming kopiëren.

 

 

<< Naar K  of  Naar M >>

 

 

Terug naar de homepage