Handboek filologie: M

Maakwoord
Een woord dat door een schrijver voor het eerst wordt gebruikt en er door hem een bepaalde betekenis aan wordt gegeven.
Bijvoorbeeld: 'epibreren' van S. Carmiggelt.
De ware titanen op dit gebied zijn: Marten Toonder en Lewis Caroll.

Maat
De regelmatige afwisseling van lange en korte, of geaccentueerde en ongeaccentueerde klankgroepen. Ook metrum genoemd. Soms wijkt een dichter, in overeenstemming met het zinsritme, van het maatschema af om extra nadruk op een woord te kunnen leggen en om te voorkomen dat het vers in een dreun zou ontaarden. Welke maat de dichter kiest, hangt af van de gewoonten van zijn tijd en andere factoren.
Men doet er goed aan, de versmaat als een soort stramien te beschouwen, waardoor de dichter zijn accenten vlecht.

Maataanduider
Een woord of groep woorden die de maat of hoeveelheid aanduidt.
Bijvoorbeeld: 'een kilo' of 'een dozijn'.

Macarisme
Een zaligspreking.

Macaronisme
Een vers waarin verschillende talen op koddige wijze zijn dooreengevlochten.

Macrologie
Breedsprakigheid.

Macrostructuur

1. Het geheel van een tekst van enige omvang.

2. Het hoogste taalniveau.

Madriga(a)l
Een klein herderslied; een klein lyrisch minnedicht. Afgeleid van het Italiaanse madrigale.

Magnificat
Een canticum; een (kerkelijke) lofzang. Afkomstig van de Latijnse versie van Lukas 1:46, die aanvangt met magnificat (hij looft).

Magniloquent
Een hoogdravende, bombastische stijl.

Magnum opus
Een meesterwerk; het levenswerk.

Maieutiek
De kunst van het uitvragen om de ondervraagde tot een helderder inzicht te brengen. Afgeleid van het Griekse maieutikôs (het verlossen betreffend).

Major term
De hoofdstelling. Zie bij syllogisme.

Majuskel
Een hoofdletter.

Makame
Een verzameling berijmd proza afgewisseld met versjes. Al zijn de verhalen zelfstandig, vaak hebben ze een gemeenschappelijke held die op zijn tocht door het land allerlei moeilijkheden overwint. Afgeleid van het Arabische makâma (een plaats waar men verzameld is voor een gesprek).
Bijvoorbeeld: Makamat van Hamadhani (1007).

Makron
Een lange zin in de parabasis in hypermetrische anapesten, die in één adem werden uitgesproken door de koorleider. Ook pnigos genoemd.

Malapropisme
Een vulgaire fout door een poging intellectueel te lijken.

Maledictie
Een vervloeking.

Mandement
Een herderlijke brief.

Maniërisme
Een zeer gekunstelde stijl.

Mannelijk rijm
De vorm van eindrijm waarbij de versregel eindigt op de rijmende (beklemtoonde) lettergreep zonder iets meer. Ook staand rijm genoemd.
Bijvoorbeeld: 'Is de wijn in de man, is de wijsheid in de kan'.

Mantra
Een taalritueel waarvan de betekenis of herkomst onbekend is.
Bijvoorbeeld: 'simsalebim' of 'abacadabra'.

Marginalia
De glossen in de kantlijn.

Marinisme
Het schrijven van zeer gekunstelde, gezwollen taal. Genoemd naar de Italiaanse schrijver Giambattista Marino (1569-1625). Ook concettismo of secentesimo genoemd. Een vorm van maniërisme. Vergelijk euphuïsme, gongorisme, preciositeit en Schwulst.

 

Marivaudage
Het schrijven in gekunstelde stijl, gevoelens en intrigue. Genoemd naar de Franse schrijver De Marivaux (1688-1763).

Martyria
Iets bevestigen (in een (juridische) rede) vanuit de eigen ervaring.

Martyrologium
Een martelaarsboek.

Masculinum

  1. Het mannelijk grammatisch geslacht.

  2. Een mannelijk substantief.

Maskil
Mogelijk een beschouwend, bespiegelend gedicht. Deze dichtvorm komt uitsluitend in het Hebreeuwse gedeelte van de Bijbel voor en wel in Psalm 32 (zie opschrift daarvan). Een afgeleide vorm van het grondwoord komt echter voor in 2 Kronieken 30:22, waar dit de betekenis heeft van 'met voortreffelijk doorzicht handelen'. Ook in Psalm 53:2 draagt het woord 'maskil' de betekenis van 'inzicht hebben; met doorzicht handelen'.

Massora
De traditionele Hebreeuwse tekst van het Oude Testament.

Maxime
Een spreukachtige grondregel van het menselijk handelen; een spreukachtige stelregel. Vergelijk spreekwoord, spreuk, gnome, en aforisme.

Medeklinkerrijm
Zie acconsonantie.

Medela
Excuses voor onloochenbare beledigingen of overtredingen van een vriend.

Media
Een stemhebbende of zachte plofklank. Afgeleid van het Latijnse medius (middelste).
Bijvoorbeeld: 'b', 'd' en 'g'.

Mediaeval
Een moderne nabootsing van oude Hollandse letteren, vooral die uit de middeleeuwen.

Mediopassivum
De werkwoordsvorm die formeel wel, maar naar de betekenis niet tot het passivum behoort.

Medium
De werkwoordsvorm waarbij het subject de handeling verricht in zijn eigen belang. Het staat qua zelfstandig geslacht tussen het activum en passivum in. We onderscheiden:

  1. het direct medium, welke een handeling aangeeft, die het subject op zichzelf toepast;

  2. het indirect medium, welke een handeling aangeeft, die het subject in zijn belang verricht;

  3. het medium dat een handeling aangeeft, die het subject door eigen krachten of middelen verricht;

  4. het causatief medium, welke een handeling aangeeft, waartoe het subject alleen de aanleiding geeft.

Medius
De middelste term van een syllogisme. Overgenomen van het Latijnse medius (middelste).

Meerslachtig
Meer dan één geslacht hebbend.
Bijvoorbeeld: 'vraag' of 'groep'.

Meervoud
De vorm van een naamwoord waardoor wordt aangeduid dat van een aantal personen of zaken sprake is. Ook pluralis genoemd.

Meerzinnigheid
Homonymie, zie bij homoniem.

Megalopropeia
Een schitterende en verheven uitspraak.

Meiosis

  1. Verkleinen, vaak door gebruik van een troop die bestaat uit één woord.

  2. Zie minutio.

Meistersang
De burgerlijke opvolger van de middeleeuwse Minnesang. De bekendste Meistersinger is Hans Sachs uit Neurenberg (ruim 4000 Meisterlieder).

Melioratie
Het verkrijgen van een gunstiger betekenis. Afgeleid van het Latijnse melior, de comparatief van bonus (goed).

Melioratief
Een gunstige eigenschap aanduidend. Afgeleid van het Latijnse melior, de comparatief van bonus (goed).
Antoniem: pejoratief.

Melodrama
Een sentimenteel, vaak volks spel, waarin grote aandacht geschonken wordt aan de deugdzaamheid van de underdog.

Melopee

  1. Het ritmische gezang dat een declamatie begeleidt.

  2. Een klankexpressief gedicht.

Membrum
Een geleding binnen een periode, zoals een voorzin, parenthese (tussenzin) of apodosis (nazin), tussen het begin en het einde. Ook colon genoemd. Afgeleid van het Latijnse membrum (lid, deel).

Memoires
Gedenkschriften; vaak een autobiografische beschrijving van voorvallen uit het leven van een bekend persoon.

Memoria
Het van buiten leren van de redevoering als onderdeel van de intellectio. Eén van de vijf pijlers van de retorica.

Mempsis
Klagen over onrecht en om hulp smeken tijdens een rede.

Mesostichon
Een gedicht waarin de middelste lettergrepen van alle verzen, van boven naar onderen gelezen, een woord vormen. Afgeleid van het Griekse mesôs (midden). Zie acrostichon.

Mesozeugma
Een vorm van zeugma waarbij een werkwoord in de middelste zinsnede staat.

Metabasis
Zie aversio.

Metafoor (soms: Metafora)
Een vergelijkingsbeeldspraak, in overdrachtelijke betekenis; het te vergelijken object wordt vervangen door het beeld. Overgenomen van het Griekse metafôra (overdracht van betekenis). Zie allegorie, antropomorfiseren, reïficatie en synesthesie.
Bijvoorbeeld: 'Verlate dan de ziel haar vleeschelijke woning' (J.C. Bloem), waarbij de 'vleeschelijke woning' een metafoor is van het lichaam.

Metafora
De verzamelnaam voor overdrachtelijke stijlfiguur, berustend op overeenkomst.
Bijvoorbeeld: 'De dood komt als een dief in de nacht.'
Wanneer een 'als'-vergelijking zeer breed wordt uitgewerkt, spreekt men van een homerische vergelijking.

Metafrase
Het overzetten in andere woorden ter verklaring.

Metalepsis

  1. Een figuurlijke uitdrukking waarbij in plaats van een woord een ander geplaatst is dat synoniem is met zijn homoniem.
    Bijvoorbeeld: 'Ik breng mijn geld naar de sofa'.

  2. Het stijlfiguur waarbij het voorafgaande wordt verwisseld met het volgende, de oorzaak verwisseld met het gevolg.
    Bijvoorbeeld: van het 'graf' spreken in plaats van van de 'dood'.

Metanalyse
Een verkeerde ontleding van de bestanddelen in een woord waardoor secundaire vormen ontstaan.
Bijvoorbeeld: het Laatlatijnse woord voor 'noteboom' is nucârius. Daarvan werd het woord 'nokernote' afgeleid, wat veel later werd vervormd tot onze 'okkernoot'.

Metanoia
Een uitspraak beperken door deze te herroepen en beter te formuleren.

Metaplasma
Het verplaatsen van letters of lettergrepen van hun oorspronkelijke plaats in een woord. Ook metathesis genoemd.

Metastase

  1. Snel over een zaak heen stappen.

  2. Een belediging of tegenwerping retourneren aan de persoon die ze maakte.

Metataal
De taal die voor een beschrijving (van een taal) wordt gebruikt, bestaande uit semantische primitieven.

Metathesis of metathese
Het verplaatsen van een letters binnen het woord. Ook metaplasma genoemd. Afgeleid van het Griekse meta (als prefix meestal een verandering aangevend).
Roemrucht voorbeeld is de klankverspringing van 'weps' in 'wesp'.

Metathesis quantitatis
De in het Grieks voorkomende klankomzetting, waarbij bij opeenvolging van een lange en een korte klinker in een woord, de lange kan worden verkort en de korte verlengd.

Methexis
De relatie tussen beeld en idee. Overgenomen van het Griekse methexis (het deel hebben aan).

Metonomasia
De vertaling van een naam in het Grieks of Latijn. Afgeleid van het Griekse metônômazo (anders noemen).
Bijvoorbeeld: 'Gnapheus' voor De Volder.

Metonymia, Metonymie
Een naamswisseling, waarvan gesproken wordt als de beeldspraak niet berust op vergelijking, maar op een zekere betrekking tussen het genoemde en het bedoelde. Afgeleid van het Griekse meta (als prefix meestal een verandering aangevend).
Er zijn verschillende betrekkingen die veel voorkomen:

  1. Het materiaal en het voorwerp dat van dit materiaal gemaakt is.
    Bijvoorbeeld: 'een doek' in plaats van een schilderij.

  2. Het voorwerp dat iets bevat en de inhoud.
    Bijvoorbeeld: 'Wilt u nog een kopje?'

  3. De maker en het gemaakte voorwerp.
    Bijvoorbeeld: 'een Monet bekijken'.

  4. Het geheel en een onderdeel. Zie synecdoche. Dit kan in twee richtingen werken:
    a. pars pro toto (een deel voor het geheel): 'de deur binnengaan'.
    b. totum pro parte (het geheel voor een deel): 'het huis stort in' (wanneer alleen het dak instort).

  5. Enkelvoud in plaats van meervoud gebruiken.
    Bijvoorbeeld: 'de hond is trouw' (wanneer honden in het algemeen bedoeld worden).

  6. De plaats van herkomst en het product.
    Bijvoorbeeld: 'een Bordeaux'.

  7. De leider en de groep.
    Bijvoorbeeld: 'Alexander de Grote veroverde grote delen van de wereld.'

Metriek
De leer van de versbouw. Zie metrum (zie hieronder).

Metri gratia
Ter wille van de maat.

Metronymicum
Een van de moedersnaam afgeleide achternaam. Afgeleid van het Griekse mêtrônumikôs (genoemd naar zijn moeder).
Bijvoorbeeld: 'Aagtjens'.

Metrum
De regelmatige afwisseling van sterker en zwakker beklemtoonde syllaben. De meest voorkomende metra in de Nederlandse literatuur zijn (zie bij de gelijknamige onderwerpen):

  1. jambe;

  2. anapest;

  3. trochee of trocheus;

  4. dactylus;

  5. amfibrachys;

  6. spondee of spondeus (alleen als afwisseling met dactylus).

De jambe en anapest hebben een stijgend metrum, de trochee en dactylus een dalend metrum.

Middelhoogduits
Het Duits van de 12e eeuw tot het einde van de middeleeuwen.

Middelnederlands
Het Nederlands van de 12e eeuw tot het einde van de middeleeuwen.

Miktam
"Boetepsalm", epigram. Deze stijlfiguur is uniek voor de Hebreeuwse taal. Er zijn zes psalmen in de Bijbel die dit opschrift dragen (Psalm 16, 56-60). Deze gezamenlijk zouden derhalve epigrammen zijn van de talrijke episoden die erin worden beschreven.

Mimesis
Afgeleid van het Griekse mimôs (imitator).

  1. Een kunstige nabootsing van de natuur, zoals bij een onomatopee.

  2. Een nabootsing van gebaren, uitspraak of (veronderstelde of verzonnen) uitingen bij een persoon.
    Bijvoorbeeld: 'Dan keerde Abe Lincoln zich tot zijn moeder en zei: "Eens ga ik in dat grote witte huis in Washington wonen."' Over het algemeen wordt aangenomen dat de woorden 'Veni, vidi, vici' een mimesis bij Julius Caesar zijn.

Mimos
Een literair genre, verwant met de satire. Oorspronkelijk stamt deze vorm uit Sicilië (in het Latijn heet deze vorm mimus) en hoofdzakelijk uit Syrakusae, waar Sophron, die daar woonde, het dagelijkse leven in literaire termen schetste. Dit was rond de tweede helft van de 5e eeuw v.G.T. Deze volkse schetsen werden oorspronkelijk niet gemaakt om op het toneel te worden voorgedragen, maar, vanwege de vorm, monoloog of dialoog, was het voor een handig acteur niet moeilijk de mimen geschikt te maken voor het toneel.

Mimus
Een literair genre, verwant met de satire, nauw verwant met de Griekse mimos. Deze volkse en vaak ook platvloerse schetsen uit het dagelijkse leven werden uit Sicilië en Magna Graecia naar Rome gebracht. De oudste vorm hiervan was een gebarenspel met muziekbegeleiding. Langzamerhand werd de mimus een concurrent van de atellanae, en werd even grof, lichtzinnig en onzedelijk. Juist door deze eigenschappen was deze literatuurvorm enorm populair in Rome. In feite verdrong de mimus tijdens de Keizertijd de eigenlijke komedie.

Minimaal paar
Een vrijwel identiek woordpaar waar alleen door een gering (klank)verschil een betekenisonderscheid plaatsvindt.
Bijvoorbeeld: 'goal' en 'coal'.

Minnedicht
Een liefdesgedicht.

Minnesang
Een belangrijke vorm van middeleeuwse wereldlijke lyriek. Ze stond in het teken van de onbereikbaarheid van de liefde van een geïdealiseerde dame en heeft dan ook een wanhopige ondertoon.

Minor term
Een stelling die ondergeschikt is aan de hoofdstelling. Zie bij syllogisme.

Minuskel
Een kleine letter.

Minutio
Het deel van de genus judicale waarin de verdediger de daad van zijn cliënt minder erg voorstelt dan ze eigenlijk was, of pleit hij verzachtende omstandigheden. Ook attenuatie of meiosis genoemd. Overgenomen van het Latijnse minutio (vermindering).
Antoniem: amplificatie.

Mirakelspel
Een middeleeuws, religieus drama, waarin de wonderlijke tussenkomst van Maria, een heilige of een relikwie verlossing brengt. Het bekendste en beste Nederlandse voorbeeld is Marieken van Nieumeghen (±1500).

Modaal syllogisme
Een syllogisme waarin tenminste één van de premissen de wijze aangeeft van zijn of kennen.

Modale bepaling
Een zinsbepaling; het zinsadverbium.

Modaliteit
De subjectieve verhouding of beoordeling van de taalgebruiker ten opzichte van de inhoud van een (deel van een) zin.

Modernisme
Een neologisme.

Modificatie
Een bepaling.

Modulatie
De stembuiging.

Modus

  1. De wijs van het werkwoord.

  2. Het syllogismepatroon.
    Hierin onderscheiden we:

    1. Modus irrealis
      De modus van de niet-werkelijkheid. Deze geeft een bewering te kennen, die geen werkelijkheid wordt. Dit zou alleen kunnen geschieden, indien aan een zekere voorwaarde werd voldaan, waaraan nu niet voldaan wordt.

    2. Modus ponens
      Een redenering met twee premissen waarvan de eerste een conditionele uitspraak is. (Engels: 'affirming the antecedent'.)

    3. Modus potentialis
      De modus van de mogelijkheid. Deze gebruikt men wanneer men zijn oordeel met bescheidenheid wil uitspreken of alleen de mogelijkheid wil aangeven.

    4. Modus realis
      De modus van de werkelijkheid. Deze gebruikt men wanneer men stellig en zeker iets wil beweren.

    5. Modus tollens
      Een redenering met twee premissen waarvan de tweede een negatie van een conditionele uitspraak is. (Engels: 'denying the consequent'.)

Molossus
De klassieke versvoet: - - -.

Momentaan
Op de handeling van een ogenblik betrekking hebbend waarbij het begin- en eindpunt samenvallen.

Moneem
De kleinste betekeniseenheid. Vergelijk het morfeem.

Monodie

  1. Een elegie in een Griekse tragedie.

  2. Een monoloog in verzen.

Monoftong
Een éénklank.
Antoniem: diftong.

Monoftongeren
Het tot één klank samentrekken.
Bijvoorbeeld: de 'ê' vanuit het Germaanse 'ai'.

Monografie
Een verhandeling over één onderwerp.

Monogram
Een woord dat uit één letter bestaat.
Bijvoorbeeld: 'u'.

Monoloog
Een alleenspraak.

Monometer
Een uit één voet bestaand voetvers.

Monopedie
Een uit één voet bestaande versmaat. Afgeleid van het Latijnse pes (voet).

Monosyllabe
Een éénlettergrepig woord.

Monotonie
Het verschijnsel dat een taal binnen de vocaal geen differentiatie kent.
Antoniem: polytonie.

Mora
De tijdseenheid van de lange en korte lettergrepen in het Grieks en Latijn. Aangezien er een vaste verhouding tussen lange en korte lettergrepen bestond (1 op 2), kon er isochronisme worden toegepast.

Moraliteit
Een middeleeuws, ernstig toneelspel, die in inhoud en sfeer bij de mysteriespelen aansluiten en talrijk allegorische personen (bijvoorbeeld de deugd) op het toneel brachten.

Morfeem
Het kleinste bestanddeel van een taal dat een eigen betekenis of functie heeft.

Morfologie
De vormleer in het algemeen, dat wil zeggen de kennis van woorden en van de regels om nieuwe woorden te vormen.

Morfonologie
De leer van de klankvorm van morfemen.

Mouilleren
Het verzacht uitspreken met behulp van een bijklank, in het bijzonder de 'j'.

Mutae
De stemloze medeklinkers: 'b', 'd', 'k', 'p' en 't'. Afgeleid van het Latijnse mutus (stom).

Mutant
Een foneem dat in de plaats van een ander treedt. Ook wisselklank genoemd. Afgeleid van het Latijnse mutans (veranderend).

Mutatie
De wijziging van een klinker onder de invloed van de klankkleur van de volgende lettergreep, umlaut of inductie. Afgeleid van het Latijnse mutans (veranderend).

Mutatief
Een werkwoord dat het overgaan van de ene toestand in de andere uitdrukt. Afgeleid van het Latijnse mutans (veranderend).
Bijvoorbeeld: 'inslapen'.

Muzikaal accent
De onderscheiding tussen woordklanken naar de toonhoogte. Vergelijk met temporeel en dynamisch accent.

Mycterismus
De spot drijven met een tegenstander, begeleid door gebaren. Vergelijk hypocrisis.

Mysteriespel
Een middeleeuws religieus drama, dat bijbelse taferelen of episoden uit het leven van heiligen ten tonele bracht. Er zijn twee Nederlandse mysteriespelen bekend: de Eerste en de Sevenste bliscap van Maria, waarvan het onderwerp respectievelijk de aankondiging van Jezus' geboorte en de hemelvaart van Maria zijn.

Mythe
Een episch verhaal waarin de primitieve mens onbegrepen natuurgebeuren poogt te verklaren door het toe te schrijven aan hogere machten. Afgeleid van het Griekse muthôs (gesproken woord).
Bijvoorbeeld: de wisseling der jaargetijden werd verklaard als strijd tussen de goede (zomer) en de kwade macht (winter), donder en bliksem als afkomstig van een over de wolken rijdende god.

 

 

© Maurice van Elburg
Niet zonder toestemming kopiëren.

 

 

<< Naar L  of  Naar N >>

 

 

Terug naar de homepage