Handboek filologie: O

Obelisk
Het teken dat bij oude manuscripten wordt gebruikt om aan te duiden dat een woord of passage verdacht of onecht is.

Obiectio
De opsomming van argumenten tegen een bepaald voorstel in een redevoering. Overgenomen van het Latijnse obiectio (tegenwerping).

Object
Een voorwerp. Men onderscheidt: direct object (lijdend voorwerp) en indirect object (meewerkend (of belanghebbend) voorwerp).

Objectie
Een tegenwerping. Afgeleid van het Latijnse obiectio (tegenwerping).

Objectsaccusativus
Het object van een accusativus cum infinitivo.

Objectsverwisseling
De verwisseling van het oorspronkelijke object bij een werkwoord door een ander object (dat, naar de betekenis, lokaal, causaal of temporeel met het oorspronkelijke is verbonden). Het is een vorm van metonymia.
Bijvoorbeeld: 'een glas uitdrinken' voor 'de melk uitdrinken'.

Objecttaal
De taal als voorwerp van beschouwing, waarover met de metataal gesproken of geschreven wordt.

Obligatoire transformaties
De transformaties die op bepaalde takenreeksen in de structuurbeschrijving van een zin moeten worden toegepast.
Antoniem: optionele transformaties.

Oblique
Een naamval waarin een nomen verbogen wordt. Ook casus obliquus genoemd.

Obliquus
Verbogen; indirect.

Obscuritas
Onverstaanbaarheid, bijvoorbeeld door een overdreven gebruik van brevitas. Vandaar het gezegde: "brevis esse laboro, obscurus fio" (wanneer ik mij inspan om kort te zijn, word ik onduidelijk).

Obsecratie
Het zweren bij iets dat afwezig is. Ook obtestatie genoemd.

Obstruent
Een medeklinker die wordt geproduceerd met sterke vernauwing of afsluiting van het spreekkanaal.
Bijvoorbeeld: de 'm'.

Obtestatie
Het zweren bij iets dat afwezig is. Ook obtestatie genoemd.

Occasioneel
Gebonden aan een bepaald verband.
Antoniem: usueel.

Occlusief
Een medeklinker die gevormd wordt doordat de tong de luchtkolom tegen één of ander punt tijdelijk afsluit en ze dan met een lichte ontploffing weer doorlaat.
Synoniem: explosief. Antoniem: fricatief.
Bijvoorbeeld: 'p', 'b' (labiaal), 't', 'd' (dentaal), 'k', 'g' (velaar), 'm', 'n' (nasaal).

Occupatio
Het stijlmiddel waarbij de spreker mogelijke tegenwerpingen probeert te voorkomen.

Octaaf

  1. Twee kwatrijnen van een sonnet.

  2. Een ottava rima.

Octameter
Een achtvoetig vers. Ook octonarius genoemd.

Octet
Een achtregelige strofe.

Octonarius
Een achtvoetig vers. Ook octameter genoemd.

Octosyllabe

  1. Een achtlettergrepig woord.

  2. Een achtlettergrepig vers.

  3. Een achtlettergrepige versregel.

Ode
Een gedicht waarin een verheven onderwerp wordt bezongen. Ook lofdicht genoemd. Zie ook dithyrambe. Afgeleid van het Griekse ôidê (lied, gezang). We onderscheiden:

  1. Pindarische ode: een ode met een enkelvoudige metrische structuur, ofwel: strofe, metrisch gelijke antistrofe en een epode 1.

  2. Horatiaanse ode: een ode die volledig strofisch is, geschreven in metra die zijn ontleend aan de Griekse monodische lyriek. Ook carmen genoemd.

Officia oratoris
De plichten van de redenaar. Zie De vijf fasen van de retorica.

Ogam
Het Oudiers alfabet.
Zie deze site voor meer informatie.

Oictros
Het opwekken van medegevoel of vergeving in een rede.

Omega
De laatste letter van het Griekse alfabet: 'Ω'.
Zie het volledige Griekse alfabet op deze pagina.

Ominatio
Een onheilsprofetie.

Omissie
Een weglating.

Omphalos
De kern van een epinikion, vaak slechts zijdelings betrekking hebbend op de overwinning die beschreven werd. Het was meer een episch-lyrisch gegeven, waarbij de dichter het mytische onderwerp volgend eigen visie behandelde, zodat het toch weer lyrisch werd. Dit gedeelte wordt ook antistrofe genoemd.

Onbepaalde wijs
De naamwoordelijke vorm van het werkwoord, die de toestand of de handeling in het algemeen uitdrukt, zonder de personen of het getal te bepalen. Ook infinitief genoemd.

Onbepaald lidwoord
Het lidwoord dat te kennen geeft dat met het volgende substantief een niet-bepaalde zelfstandigheid wordt bedoeld: 'een'.

Ondicht
Proza.

Onedismus
Het vermanen van iemand als ondankbaar of goddeloos in een rede.

Onomasiologie
De leer van de verschillende namen die er voor één begrip zijn.

Onomastiek
De naamkunde.

Onomatopoësis, Onomatopee
Een woordvorming door klanknabootsing, waarbij de uitspraak aan de betekenis doet denken.
Bijvoorbeeld: de vogel 'koekoek' dankt zijn naam aan het geluid dat hij voortbrengt.

Onovergankelijk
Geen direct object bij zich hebbend.
Synoniem: intransitief.

Onpersoonlijk
De eigenschap van een werkwoord dat slechts in de derde persoon voorkomt. Ook impersonale en incorporeel genoemd.
Bijvoorbeeld: 'regenen'.

Onproductief
De eigenschap van woordvormingsregels en dergelijke die niet meer spontaan te gebruiken zijn voor het vormen van nieuwe woorden.

Ontkenning
Zie negatie.

Ontronden
Het uitspreken van een geronde vocaal zonder de lippen te ronden. Ook delabialiseren genoemd.

Ontwikkelingsroman
De romanvorm waarbij de innerlijke groei van een personage wordt beschreven via psychologische analyse. We onderscheiden:

  1. Erziehungsroman: de nadruk ligt op de held.

  2. Bildungsroman: de nadruk ligt op de vormende invloed van de omgeving van de held.

  3. Künstlerroman: de beschrijving van de ontwikkeling van een artistieke persoonlijkheid.

Vergelijk psychologische roman.

Oosterse roman
De hoofse roman waarin Oosterse elementen verwerkt zijn. Deze vorm ontstond onder invloed van de kruistochten. Ook Byzantijnse roman genoemd.
Bijvoorbeeld: Floris ende Blancefloer.

Opeenstapeling
Een epizeuxis.

Opperlands
Het beschouwen van Nederlands zonder waarde te hechten aan de betekenis van de woorden, maar veeleer om genot te onttrekken aan de vorm van de taal. Battus was degene die het handboek opstelde voor de Opperlandicus: 'Opperlandse taal- & letterkunde'. Van hem is dan ook de Opperlandse grondwet: 'Wat kan dat mag, en wat niet kan dat mag helemaal.'

Optatie
De stijlfiguur waarbij een redenaar op hartstochtelijke wijze een wens uitspreekt.

Optatief, Optativus
De wensende modus.
Bijvoorbeeld: 'Dat hij kome.'

Optionele transformatie
Een transformatie die niet verplicht is.
Antoniem: obligatoire transformatie.

Oraal
Een klank gerealiseerd met een afgesloten neusholte.
Antoniem: nasaal.

Oraculum
Het citeren van geboden van de goden in een (juridische) rede.

Oratie
Een redevoering, toespraak.

Oratio obliqua
De indirecte rede.

Oratio recta
De directe rede.

Oratorium
Een geestelijke cantate.
Bijvoorbeeld: Messiah van G.F. Händel.

Orcos
Een eed tijdens een rede. Ook wel euche genoemd.

Ordening
De tweede van de vijf pijlers van de retorica. Ook wel dispositie genoemd.

Ordinale, ordinalium
Een rangtelwoord.

Ordonnantie
De compositie of structuur van een literair werk.

Orinasaal
Een genasaliseerde vocaal.

Ornatus
De schoonheid van de elocutie.

Orthoëpie
De uitspraakleer. (Zeldzaam) ook orthofonie genoemd. Afgeleid van het Griekse epôs (woord).

Orthografie
De spelkunst; de spellingsleer; de juiste spelling.

Orthogram
Een woord of eigennaam waarvan het correct uitspreken als een uitdagende erezaak wordt beschouwd.

Orthologie
De kunst van een goed en juist taalgebruik.

Ottava rima

  1. Een strofe van acht jambische pentameters, met het rijmschema abababcc; van Italiaanse oorsprong.

  2. Een strofe van acht verzen met elk elf lettergrepen, waarvan de eerste zes gekruist rijm en de laatste twee gelijk rijm hebben.

Oudhollands
Middel- of vroeg-nieuw-Nederlands.

Oudnederlands
Het Nederlands van voor de 12e eeuw.

Oulipo
Ouvrir de Littérature Potentielle (Werkplaats voor potentiële litteratuur). Het Franse instituut ter bevordering van het Frans los van de betekenis (zoals Opperlands (zie hierboven)).

Oversprong
Het enjambement.

Ovidisch
De stijl in navolging van Publius Ovidius Naso, een rond de tijdwisseling levende Romeins schrijver. Zijn stijl kenmerkte zich door een fijne, psychologische schildering. Zijn grootste werk was Metamorphoses (Gedaanteverwisselingen), waarin hij de wereldgeschiedenis aan de hand van de belangrijke literaire werken behandeld.

Oxeia
Het accentteken, '.

Oxymoron
De stijlfiguur waarbij tegengestelde begrippen naast elkaar worden geplaatst. Afgeleid van het Griekse ôxus (scherp) en môrôs (gek) en betekent dus 'scherpzinnige onzin'. Vergelijk contradictie.
Bijvoorbeeld: 'Hij was levend dood.'
Andere voorbeelden: 'Mag ik u iets vragen?', 'Dat is geen optische illusie, dat ziet er alleen maar zo uit!', 'Vroeger was ik agnosticus, maar ik ben nu toch gaan twijfelen', 'Kunnen de mensen achterin mij horen?', 'Je moet nooit generaliseren', 'Een goede raad is: luister niet naar goede raad', 'Ik kan geen pap meer zeggen'.

Oxytonon
Een woord met de acutus (') op de laatste lettergreep.

 

  © Maurice van Elburg
Niet zonder toestemming kopiëren.
 
  << Naar N  of  Naar P >>  
  Terug naar de homepage