Handboek filologie: P

Paean
Een Grieks feestelijk koorlied (ter ere van Apollo).

Paeanismus
Een uitroep van vreugde tijdens een rede.

Paeon
De klassieke versmaat die bestaat uit drie korte en één lange lettergreep. We onderscheiden:

  1. paeon primus: - U U U.

  2. paeon secundus: U - U U.

  3. paeon tertius: U U - U.

  4. paeon quartus: U U U -.

Paignion
Een lichte, schertsende en speelse poëziesoort in de klassieke literatuur, vooral in de vorm van een carmen figuratum. Overgenomen van het Griekse paigniôn (speelgoed, grap).

Palataal
Een klank waarvan de articulatie gebeurt in de buurt van het harde verhemelte.

Paleografie
De kennis van oude handschriften. Gegrondvest door Mabillon (1632-1707).

Palil(l)ogie
Een herhaling. Zie epanalepsis.

Palimpsest
Een meermaals beschreven rol perkament. Afgeleid van het Griekse palimpsestôs (opnieuw uitgekrabd).

Palindroom
Een woord, zin of vers dat in omgekeerde volgorde kan worden gelezen. Afgeleid van het Griekse palin (weer) en drômôs (wedren). Zie kreeftvers.
Bijvoorbeeld: 'parterretrap'.

Palindroomkwadraat
De rangschikking van de letters van woorden in een vierkant, die ook van achteren naar voren en van onderen naar boven gelezen kunnen worden.

Palinfoon
Een klankpalindroom.
Bijvoorbeeld: 'grebbeberg', 'cynisch'.

Palinodie
Een gedicht ter herroeping van een vroeger spotdicht. Afgeleid van het Griekse palin (weer) en ôide (lied).

Panegyriek
Een lofrede of lofdicht. Ook encomium of laudatie genoemd.
Bijvoorbeeld: Panegyricus in Traianum van Plinius de Jongere (±100 G.T.).

Pangram
Een zin waarin alle letters van het alfabet voorkomen. Afgeleid van het Griekse pan (alle).
Bijvoorbeeld: 'The quick brown fox jumps over the lazy dog.'

Pantagruelesk
Boertig. Afgeleid van Pantagruel van Rabelais.

Pantoum, pantoun
De dichtvorm die bestaat uit kwatrijnen met interne assonanties, met het rijmschema abab. Het tweede en vierde vers van iedere strofe wordt het eerste en derde in de volgende. In het laatste kwatrijn wordt het eerste vers van het gedicht het laatste en het derde vers het tweede. Oorspronkelijk een Maleisische dichtvorm.

Parabasis
Het gedeelte in een Grieks blijspel waarin het koor zich tot het publiek richt. Het kreeg een vaste plaats na het eerste epeisodion. Meestal bestond de parabasis uit zeven delen:

  1. kommation: een korte lyrische inleiding, gezongen door de koorleider.

  2. de parabasis zelf: een toespraak van de koorleider tot het publiek.

  3. makron: een lange zin in hypermetrische anapesten, die in één adem werd uitgesproken door de koorleider.

  4. ode: een aanroeping tot de goden door de helft van het koor.

  5. epirrhema: enkele satirische opmerkingen van de koorleider.

  6. anti-ode: de tegenhanger van 4. door de andere helft van het koor.

  7. antepirrhema: de tegenhanger van 5 door de koorleider als afsluiting.

Parabel, Parabool
Een gelijkenis; een illustratie; een spreuk. Afgeleid van het Griekse parabôle (Latijn: parabolis), wat een betekenis in zich draagt van 'een naast of bij elkaar plaatsen'. In feite heeft het woord meerdere betekenissen:
Illustratie heeft de ruimste betekenis: een middel om een gedachte te onderwijzen of over te dragen, iets te verklaren door het 'naast' iets soortgelijks te 'plaatsen'. Een spreuk bevat een waarheid in expressieve, vaak metaforische taal, en een gelijkenis is een vergelijking in de vorm van een korte, meestal fictieve vertelling waaraan een moraal of een waarheid wordt ontleend.
Aan de parabool is een potentieel gevaar verbonden: het is gemakkelijk een situatie verkeerd voor te stellen (appelen met peren vergelijken), waardoor een paralogisme kan ontstaan.
Veel spreekwoordelijk geworden parabelen worden toegeschreven aan Jezus Christus ('Barmhartige Samaritaan', 'Verloren Zoon', etc.).
Als Multatuli zijn bekende parabel van de Japanse steenhouwer schrijft, doet hij dit in dezelfde stijl als Jezus sprak.

Parachronisme
Een te laat geplaatste gebeurtenis, vorm van anachronisme.
Antoniem: prochronisme.

Paraclausithuron
Een klassiek klaaglied van een buitengesloten minnaar, gezongen voor de deur van zijn preutse geliefde. Overgenomen van het Griekse paraklausithurôn (bij de gesloten deur).

Paradiëgesis
Het gebruiken van een bespiegeling of feit als vertrekpunt voor een verdere, gerelateerde bespiegeling.

Paradigma
Afgeleid van het Griekse deiknumi (tonen).

  1. Een modelwoord; een verbuigingsschema; een vervoegingsschema.

  2. Het geheel van fonologische, syntactische of semantische eenheden die op een zelfde plaats in een woord of zin kunnen voorkomen.

  3. In de klassieke retoriek een voorbeeldverhaal dat geldt als logisch argument.

Parados
Het tweede deel van de klassieke tragedie: het intredelied van het koor. Meestal bereikte het intredelied een hoog, lyrisch niveau en vertolkte de gevoelens die door de recente, in de Prologos vermelde gebeurtenissen waren opgewekt.

Paradox
Een stijlfiguur waarbij gebruik wordt gemaakt van een (schijnbare) tegenstrijdigheid. Het doel van de paradox is de lezer te verrassen en aan het denken te zetten.
Bijvoorbeeld een uitspraak van Victor E. van Vriesland: 'Er zijn twee soorten van menschen, de eene soort bestaat niet.'
Meester in het gebruik van de paradox was Oscar Wilde. Als blijk daarvan volgt slechts één van zijn talloze paradoxale uitspraken: 'In this world there are only two tragedies. One is not getting what one wants, and the other is getting it.The last is much the worst; the last is a real tragedy.'

Parafrase

  1. Een vrije weergave (ter verduidelijking).

  2. De synonymie van hele zinnen:
    a. lexicale ambiguïteit (één dubbelzinnig woord).
    Bijvoorbeeld: 'De dominee heeft mijn zuster getrouwd.'
    b. structurele ambiguïteit (de hele zin).
    Bijvoorbeeld: 'Hij prijst het lichte pak.'

Paragoge
Het toevoegen van een letter, klank of lettergreep achteraan een woord. Afgeleid van het Griekse agein (leiden). Een vorm van adiectie. Vergelijk epenthesis en prothesis. Ook wel proparalepsis genoemd.
Bijvoorbeeld: in het 4e kwart van de 13e eeuw werd de vorm 'ieman' vervormd tot 'iemand'.

Paragram
Een met opzet verkeerd geschreven woord. Dit wordt vooral bij namen toegepast om te denigreren. Vergelijk antistrofe 1, parallellisme 2 (zie hieronder), spoonerisme en verlan.
Bijvoorbeeld: 'Zes en een kwart' in plaats van Seyss-Inquart.

Paralepsis, Paralipsis
Het noemen, onder de schijn van verzwijgen. Ook pareopesis genoemd. Nauw verwant aan de apofasis. Vergelijk preteritie en pretermissie.
Bijvoorbeeld: '..., om nog maar te zwijgen van zijn wandaden tijdens de pauzes.'

Paralipomena
Een algemene aanduiding voor toevoegsels aan geschriften.

Parallellisme

  1. De stijlfiguur waarbij een aantal zinnen op dezelfde manier beginnen en verlopen. Vooral in de Oosterse poëzie komt deze stijlfiguur voor, zoals in de Psalmen van de Bijbel (Psalm 150). Bij deze stijlfiguur krijgt het dichtwerk iets plechtigs, bezwerends.

  2. De stijlfiguur waarbij de klinkers in een woord veranderd worden, waardoor het woord een tegengestelde betekenis krijgt, vaak denigrerend. Vergelijk antistrofe 1, paragram (zie hierboven), spoonerisme en verlan.

Paralogisme
Een valse redenering, waarmee zichzelf bedriegt.

Paramologia
Een punt toegeven, zowel vanuit overtuiging of om het eigen argument kracht bij te zetten.

Paramythia
Een treurende troosten tijdens een rede.

Paramythie
De didactische dichtsoort waarin mythen ethisch verklaard worden.

Parasynthese
De woordvorming door een samenstelling en de toevoeging van een affix. Afgeleid van het Griekse sun (samen) en tithemi (stellen).

Parataxis

  1. Het stijlmiddel waarbij woorden van dezelfde, verwante of tegengestelde betekenis naast elkaar geplaats worden.

  2. De nevenschikking (zonder voegwoord).
    Bijvoorbeeld: 'Alle mensen zijn sterfelijk. Socrates is een mens. Socrates is sterfelijk.'
    Antoniem: hypotaxis.

Parechesis
De herhaling van klanken in woorden die dicht na elkaar staan.

Parelcon
Een toevoeging van overbodige woorden.

Parenthese
Een inlassing; een tussenzin.

Pareopesis
Zie paralepsis.

Parimion
Een resolute alliteratie, waarbij elk woord in een zin of uitdrukking met dezelfde letter begint.

Parison
De symmetrische herhaling van woorden in grammaticaal parallelle frasen. Zie ook isocolon.

Parisyllabe
Een naamwoord met een gelijk aantal lettergrepen in elke naamval.

Parodie
Een lachwekkende nabootsing, die zowel lyrisch als episch van aard kan zijn. Afgeleid van het Griekse parôdôs (tegenzang, vals akkoord). Het is een tegenhanger van de travestie 1.
Bijvoorbeeld: Satyricon van Petronius als parodie op de Odyssee van Homeros.

Parodos
Zie parados.

Paroemia
Het citeren van spreekwoorden in een (juridische) rede.

Paroemiologie
De spreekwoordenleer.

Paromoion
Het figuur waarbij twee leden van een periode uit (ongeveer) evenveel lettergrepen en ten dele dezelfde woorden bestaan.

Paromoiosis
Een parallellisme van klanken tussen woorden van twee gelijke clausula's.

Paroniem
Een stamverwant woord.

Paronomasie, Paronomasia
Het gebruik van homoniemen als woordspeling; het kunstig tegenover elkaar stellen van deels dezelfde, deels op elkaar lijkende woorden (qua klank of betekenis). Ook annominatie genoemd. Vergelijk polyptoton, figura etymologica en variatie 1.
Bijvoorbeeld: de uitspraak 'Veni, vidi, vici' van Julius Caesar.

Paroxitoon, Paroxitonon
(Woord met) de acutus (') op de voorlaatste lettergreep.

Parrhesia

  1. De kunst de toehoorders te beïnvloeden. Afgeleid van het Griekse rhesis (spraak).
    Bijvoorbeeld: 'met alle respect', waarmee wordt bedoeld: 'Ik heb helemaal geen respect voor u en al helemaal niet voor wat u zojuist heeft gezegd, en ik ga voor de overige toehoorders laten zien wat een enorme idioot u bent.'

  2. Oprechte spraak of het veinzen ervan.

Pars pro toto
Zie metonymie.

Participium, Participaal
Een deelwoord.

Participium perfectum
Het voltooid deelwoord, het geeft een voortijdigheid aan met de handeling van het hoofdwerkwoord.

Participium praesentis
Het tegenwoordig deelwoord, het geeft een gelijktijdigheid aan met de handeling van het hoofdwerkwoord.

Partikel
Een klein, onbuigbaar rededeel, zoals een voorzetsel of een voegwoord.

Partitie
Het deel van een klassieke redevoering waarin de spreker alle punten die behandeld zullen worden toelicht en verklaart wat exact bewezen moet worden. Ook wel propositie genoemd.
Zie meer informatie over de indeling van een klassieke op de pagina over Ordening.

Partitief
Een deel uitdrukkend.

Partitieve genitief
Het genetivus partitivus.

Paskwil
Een satirisch pamflet; een schotschrift. Afgeleid van de Pasquino, een beeld in Rome, waarop men spotdichten plakte. Vandaar ook pasquinade genoemd.

Passé defini
De modus van een werkwoord waarin de handeling als gesloten wordt voorgesteld.

Passiespel
Een middeleeuws dramatisch toneelstuk waarin het lijden en de dood van Jezus werden uitgebeeld.

Passim
(Een) op verscheidene plaatsen voorkomen(d woord).

Passivum, Passief
De werkwoordsvorm waardoor wordt aangeduid dat het grammaticale subject de handeling ondergaat, de lijdende vorm.
Bijvoorbeeld: 'Ik word geprezen'.
Antoniem: activum.

Passus
Een zinsnede. Afgeleid van het Latijnse passus (schrede).

Pastiche
Afgeleid van het Italiaanse pasticcio (mengelmoes).

  1. Zie cento.

  2. Een parodie waarin regels van de gepariodeerde auteur worden verwerkt.

Pastoraal
De landelijke of herderlijke stijl.

Pastorale

  1. Zie ecloge.

  2. Een dicht- of prozastuk waarin het herdersleven bezongen of beschreven wordt.

Pathopeia
Het opwekken van passie of emotie.

Pathos
De hoogste graad van gevoelsuitdrukking; hartstochtelijkheid; hoogdravendheid.

Patois
Een dialect; onbeschaafd taalgebruik.

Patriarchade
Het genre van epische poëzie in de letterkunde van de achttiende eeuw waarin de figuur van een oudtestamentische personage wordt bezongen.

Patronymicum, Patroniem
Een van de naam van de vader, de familie of het geslacht afgeleide naam.
Bijvoorbeeld: Huygens, Jansen, Pietersen.

Pejoratief
Een ongunstige of negatieve associatie gekregen.
Bijvoorbeeld: 'collaborateur'.
Antoniem: melioratief.

Pentagram
Een woord dat bestaat uit vijf letters.

Pentameter
Een jambische vijfvoet van twee maal 2½ dactylen. Soms komen er in de eerste helft van de pentameter ook spondeeën en trocheeën voor. Hij komt geregeld in de sonnetten van de tachtigers voor, zoals in het voorbeeld van W. Kloos (waarbij - een geaccentueerde en U een ongeaccentueerde lettergreep voorstelt):

Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
     -       - U        - U     - U     - U    -
De witte bloesems in de schemering - ziet,
 U    -U     - U      - U       -    U         -
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
  U     -      U     - U     -     U   -  U  -
Een enkele, al te late vogel vliedt.
  U    - U      - U -U  -U     -

Uit dit voorbeeld blijkt dat de dichter - in overeenstemming met het zinsritme - soms van het maatschema afwijkt (of lettergrepen zelfs volledig negeert), waardoor een woord bijzondere kracht krijgt. Volsterkte regelmaat zou bovendien in een dreun ontaarden.

Penthemimeres
De cesuur na de vijfde halve lettergreep. Ook semiquinarius genoemd.

Penultima
De voorlaatste lettergreep.

Percontatie
Een imaginaire dialoog van een redenaar met de tegenstander van zijn stelling of zijn publiek. Ook exquisitie genoemd. Het is een vorm van sermocinatie.

Percursie
Een opsomming van feiten of gegevens zonder dat daarbij in details getreden wordt. Vergelijk brachylogie.

Perfectief
Een verbaal aspect waarbij men de grenzen van het verbale gebeuren (begin, einde) ziet; de voltooide handeling aanduidend.
Bijvoorbeeld: 'krijgen' of 'sterven'.
Antoniem: duratief.

Perfectum
De voltooid tegenwoordige tijd; de werkwoordsvorm die aangeeft dat een handeling in het verleden voltooid is of plaats heeft gevonden; het geeft tevens aan, dat er na het aflopen van een handeling een nieuwe toestand is ingetreden.
Bijvoorbeeld: 'hij heeft gelopen'.

Perfectum historicum
De Latijnse benaming voor de aoristus.

Performaal
Met betrekking tot het feitelijke taalgebruik (in tegenstelling tot het taalvermogen (zie competence) ofwel mogelijke taalgebruik).

Performance, Performantie
Het actuele taalgebruik (als deel van het gedrag).
Antoniem: competence.

Performatief
De eigenschap van een werkwoord dat een handeling aanduidt die plaatsvindt tijdens de uitspraak.
Bijvoorbeeld: 'ik waarschuw je voor...'.

Periegese
Een klassieke voorloper van de reisgids met een beschrijving van landen en hun bezienswaardigheden (monumenten, kunstwerken, etc.). Vergelijk hodoeporicon en periplous.

Perifrase
De omschrijving (soms overbodig, soms ter verfraaiing of uitbreiding van een uitdrukking). Het omvat ook andere stijlfiguren, zoals de adynaton en antonomasia. Ook circumlocutie genoemd. Afgeleid van het Griekse peri (rond).
Bijvoorbeeld: 'het azuren gewelf' in plaats van 'de hemel'.

Perifrastische tijd
De (grammaticale) tijd gevormd met een hulpwerkwoord.

Periode

  1. Een breed opgebouwde volzin met voor-, tussen- en nazinnen; de verbinding van meerdere kola (= meervoud van kolon).

  2. Een ritmische eenheid, bestaande uit twee of meer leden. Ze valt vaak samen met één versregel.

Peripetie
Een drastische, onvoorziene keer in de gebeurtenissen in een literair werk, vooral in een klassieke tragedie.

Periplous
Een klassieke beschrijving van reizen langs verre kusten, kan bedoeld zijn als reisgids of als avonturenrelaas. Vergelijk hodoeporicon en periegese.

Perispomene
De circumflex (~).

Perispomenon
Een woord met de circumflex (~) op de laatste lettergreep.

Peristate
Het benadrukken door het gedetailleerd beschrijven van de omstandigheden.

Peristrofe
Het aanwenden van de argumenten van de opponent voor eigen gebruik.

Permutatie
Zie transmutatie.

Peroratie
Een pakkende (hartstochtelijke) slotrede waarin een samenvatting van het voorgaande werd gegeven. Ook conclusie genoemd. Vergelijk exordium en corpus.
Zie meer informatie over de indeling van een klassieke op de pagina over Ordening.

Perseverende articulatie
De voortzettende articulatie die assimilatie als gevolg heeft. Afgeleid van het Latijnse perseverus (zeer streng). Ook analeptische articulatie genoemd.

Personaal
Het stijlmiddel waarbij het verhaal wordt verteld door één van de personages.
Vergelijk: auctoriaal.

Personale
Een persoonlijk voornaamwoord.

Personificatie
Zie antropomorfiseren.

Persoon
Degene die spreekt (eerste persoon), aangesproken wordt (tweede persoon) of derde zelfstandigheid van het onderwerp is (derde persoon).

Persoonlijk werkwoord
Een werkwoord dat in alle grammatische personen gebruikt wordt.

Perspicuitas
Het gebruik van duidelijke en correcte taal. Ook puritas genoemd. Een onderdeel van de elocutie.

Persuasie
De overreding van het publiek door middel van een redevoering. Dit kan getracht worden door aan de rede van de toehoorders te appelleren of een beroep te doen op de gevoelens van het publiek.

Pes
Een versvoet.

Petite histoire
De geschiedenis van de kleine, anekdotische voorvallen.

Petrarkisme
Liefdeslyriek op de manier van Petrarca (1304-1374), voorloper van de Renaissance.

Phalaecisch vers
Zie hendekasyllabe.

Pherecrateus
Een klassieke versmaat gebaseerd op twee trocheeën en één dactylus, genoemd naar de Griekse blijspeldichter Pherecrates. We onderscheiden:

  1. eerste Pherecrateus (ook Aristophanisch vers genoemd):
    - U U - U - U.

  2. tweede Pherecrateus:
    U
    U - U U - U.

Philophronesis
Een poging woede te verzachten door vriendelijke spraak en nederige onderworpenheid tijdens een rede.

Picareske roman
Zie schelmenroman. De naam picareske roman is afkomstig van het Spaanse woord voor schelm: pícaro.

Pie quebrado
Een korte regel van gewoonlijk vier, maar in elk geval ten hoogste vijf, lettergrepen in de Spaanse prosodie. Overgenomen van het Spaanse pie quebrado (gebroken voet).

Plagiaat
De letterdieverij.

Platitude
Een platte, zeer alledaagse opmerking.

Pleonasme

  1. De stijlfiguur waarbij een deel van de betekenis wordt herhaald. Afgeleid van het Griekse pleiôn (meer). Als het pleonasme goed wordt gebruikt, verhoogt het de zeggenschap van een mededeling. Vergelijk tautologie 1 en epitheton (ornans).
    Bijvoorbeeld: 'pas geboren baby', een héél jonge baby.

  2. De nodeloze herhaling van wat al gezegd of begrepen is.

Plethorisch
Een hoogdravende stijl; gezwollen taal.

Ploce

  1. De figuur waarin een woord wordt afgezonderd of herhaald om het te benadrukken, waarmee het woord niet alleen wordt gebruikt om het individuele object (of de persoon) aan te duiden, maar ook een specifieke eigenschap of kwaliteit. Zie ook epizeuxis.
    Bijvoorbeeld: "Then why not lips on lips, since eyes in eyes?' (Venus and Adonis van Shakespeare, regel 120).

  2. Het herhalen van een woord met een nieuwe betekenis na de interventie van een ander woord of woorden.

Ploffer, Plofklank
Een occlusief.

Plurale tantum
Een woord dat alleen in het meervoud voorkomt. Afgekort als: pl.t.
Bijvoorbeeld: 'hersenen'.
Antoniem: singulare tantum.

Pluralis

  1. Het meervoud.

  2. De meervoudsvorm.

Pluralis majestatis
Het gebruik van eerste persoon meervoud in plaats van eerste persoon enkelvoud in officiële stukken.
Bijvoorbeeld: 'Wij, Beatrix, Koningin...'

Pluralis modestiae
Het gebruik van eerste persoon meervoud in plaats van eerste persoon enkelvoud uit bescheidenheid.

Pluri-interpretabiliteit
De stijlvorm van de Atonale Dichtkunst, waarbij de schrijver zijn woorden bewust een dubbele bodem wil geven, wil dat een bepaald woord, een bepaalde regel voor meer dan één uitleg vatbaar is.

Pluri-literaal
Een (Hebreeuws) woord met meer dan drie letters in de stam.

Plusquamperfectum
Voltooid verleden tijd.
Bijvoorbeeld: 'Ik had geprezen' (Plusquamperfectum activum) en 'Ik was geprezen' (Plusquamperfectum passivum).

Pnigos
Zie makron.

Poesia visiva
Zie visieve poëzie.

Poëtica, Poëticisme, Poëtiek
De leer der dichtkunst.

Poëzie
De dichtkunst.

Poiciologia
Een onhandige, ongrammaticale rede.

Polemiek
Een pennenstrijd of twistgeschrift. Afgeleid van het Griekse pôlemikôn (strijdkreet).

Polymetrisch
De eigenschap van een strofe waarvan de verzen van verschillende structuur zijn. Ook heterometrisch genoemd.
Antoniem: isometrisch.

Polyptoton
De herhaling van hetzelfde woord in één zin, maar in een andere naamval of zinsfunctie. Vergelijk paronomasia, figura etymologica en variatie 1.
Bijvoorbeeld: 'homo homini lupus' (de ene mens is een wolf voor een andere) van Plautus.

Polysemie
De meerduidigheid, het verschijnsel waarbij hetzelfde woord meerdere betekenissen heeft. Vergelijk: homoniem en homofoon.

Polysyllabisch
Met veel lettergrepen; met meer dan drie lettergrepen.

Polysyndeton
Afgeleid van het Griekse sundeo (aaneenschakelen).

  1. De verbinding door vele voegwoorden, met name bij een enumeratie.
    Bijvoorbeeld een zin uit Vondels Palamedes: 'Die zorght, en waeckt, en slaeft, en ploegt, en zwoegt, en zweet,'.
    Antoniem: asyndeton.

  2. Het gebruik van een verbinding tussen elke clausula.

Polysynthetisch
Incorporerend; onlichamelijk.

Polytonie
Het verschijnsel dat talen vocalen hebben met stijgende en vallende accent- of toonbeweging, of met al-of-niet afbreking van de expiratiestroom door een sluiting der stembanden, door welke het tweede deel van de vocaal duidelijk ten opzichte van het eerste wordt gedifferentieerd (zie differentiatie).
Antoniem: monotonie.

Popularisme
Een woordvorming of uitdrukking die uit de volkstaal is overgenomen.

Portmanteau(woord)
Een vlechtwoord; een mengwoord. Ook hypogram genoemd. Verwant aan de contaminatie, met als verschil dat de woorden bij een portmanteau niet persé verwant hoeven te zijn. Geïntroduceerd door Lewis Caroll in Alice in Wonderland.

Positie

  1. De plaats van een klank in een woord ten opzichte van de omgevende klanken.

  2. De plaats van een korte vocaal voor twee consonanten.

Positief, Positivus
De stellende trap.
Bijvoorbeeld: 'lang', 'groot'.
Vergelijk: comparatief, superlatief en elatief.

Possessief
Bezittelijk; in de tweede naamval.

Possessief compositum
Een samenstelling die het bezit en de bezitter aanduidt van hetgeen de leden samen noemen.
Bijvoorbeeld: 'roodborstje'.

Possessieve genetief
De tweede naamval die een bezitsrelatie uitdrukt.
Bijvoorbeeld: 'vaders jas'.

Possessivum, Possessief pronomen
Een bezittelijk voornaamwoord.

Postjectie
Een aan het einde van de zin geplaatste interjectie.

Postpositie
Een achteropplaatsing. Zie bij anastrofe.

Postulaat
Een hypothese.

Postverbaal
Een woord dat is afgeleid van een werkwoord.
Bijvoorbeeld: 'draf' is postverbaal, dat wil zeggen: het is secundair ten opzichte van 'draven'.

Potentialis
De mogelijkheiduitdrukkende modus.

Poulter's measure
Een gedicht met afwisselend 12 en 14-lettergreperige verzen.

Pragmatiek
De taalkunde met het oog op de praktische toepasbaarheid; het onderzoek naar hoe de context invloed heeft op de manier van het interpreteren van zinnen.

Pragmatografie
Het levendig beschrijven van een actie of gebeurtenis.

Praecognitio
Latijnse term voor de narratie.

Preambule
Een inleidende zin; een uitweiding vooraf.

Preciositeit
Een gemaakt verfijnde stijl. Een vorm van maniërisme. Vergelijk euphuïsme, gongorisme, marinisme en Schwulst.

Predicabel
Van een subject kunnende worden; autologisch.

Predikaat

  1. Het gezegde.

  2. Dat wat in een oordeel van het subject gezegd wordt.

Predikaatsnomen
Het naamwoordelijk deel van het gezegde.

Predikatief, praedicatum
Tot het gezegde behorend; als (deel van het) gezegde fungerend.
Antoniem: attributief.

Prefigeren
Van een prefix (zie hieronder) voorzien.

Prefix
Een voorvoegsel; zie bij affix.

Pregnant
Een geval waarbij aan een bepaald woord meer betekenis wordt gehecht dan gewoonlijk het geval is.
Bijvoorbeeld: 'gebruiken' in de zin van 'drugsgebruik'.

Premisse
Een uitspraak waarvanuit verder kan worden geredeneerd om tot een conclusie te komen.

Prepositie, praepositio
Een voorzetsel.

Prescriptief
Normatief; met betrekking tot de grammatica regels voorschrijven in plaats van beschrijven.

Presens
De (onvoltooid) tegenwoordige tijd.

Presens historicum
De presens die wordt gebruikt om feiten uit het verleden te verhalen.
Bijvoorbeeld: 'we hadden het net over hem gehad, zie ik hem gisteren ook nog lopen'.

Presuppositie
Een propositie die logisch aan een andere voorafgaat, daarin geïmpliceerd is en in de tweede propositie aanwezige elementen als waar of bewezen veronderstelt.

Preteritie
De benadrukking door verzwijging. Vergelijk apofasis, paralepsis en pretermissie (zie hieronder).

Preterito-presens
Een werkwoord met een 'opgeschoven' verleden tijd, dat wil zeggen, een werkwoord waarvan het tegenwoordige presens oorspronkelijk een sterk preteritum (zie hieronder) was.

Preteritum
De verleden tijd in talen die geen formeel onderscheid maken tussen bijvoorbeeld imperfectum en perfectum.
Bijvoorbeeld: Nederlands.

Pretermissie
Het stijlmiddel waarbij men juist dat aan de toehoorder of lezer onthult, wat men voor hem schijnt te willen verbergen. Vergelijk apofasis, paralepsis en preteritie (zie hierboven).

Preverbaal
Het gezegde van een adjectief dat ouder is dan het erbij behorende werkwoord.

Priamel
Een kort epigrammatisch gedicht waarin een aantal parallelle begrippen onder een relatie worden gebracht. Ze werd vooral toegepast in de twaalfde tot de zestiende eeuw. De spanning werd in de eerste regels opgebouwd en afgebroken met een verrassende zinswending. Afgeleid van het Latijnse praeambulum (inleiding).

Priapee
Een priapisch, erotisch gedicht. Afgeleid van de god Priapus, de god van de vruchtbaarheid.

Priapeïsche versmaat
Een klassieke versmaat bestaande uit een glyconeus en een pherecrateus, gescheiden door een diëresis.

Prince
De opdracht van een rederijkersrefrein (2), overeenkomend met L'envoi. Deze slotstrofe werd zo genoemd, omdat hij tot de vorst gericht werd.

Privatief
Ontkennend.
Bijvoorbeeld: '-loos' is een privatief suffix.

Procatalepsis
Zie prokathalesis.

Procatasceue
Het voorbereiden van de toehoorders op het mededelen van de (mis)daden die iemand heeft gepleegd.

Prochronisme
Het plaatsen van een gebeurtenis eerder dan de feitelijke datum, vorm van anachronisme. Vergelijk anticipatie.
Antoniem: parachronisme.

Proclesis
Zie proklesis (hieronder).

Procleusmaticus
Een versvoet met vier korte lettergrepen: U U U U.

Proclise, Procliticos, Procliticum
Het zwakbetoond aanleunen tegen het volgende woord. Vergelijk enclise.
Bijvoorbeeld: ''t is', waarbij ''t' een verkorte vorm van 'het' is.

Procope
Een uitstoting van een vocaal of consonant vóór in een woord.
Antoniem: prothesis 1.

Prodiorthosis
Een voorafgaande correctie op wat men wil gaan zeggen.

Productief
De eigenschap van affixen die met zeer veel woorden te combineren zijn.
Bijvoorbeeld: '-baar'.

Proëcthesis
Iemands daden of uitspraken verdedigen.

Proëmium
Een inleiding; de proloog.

Profeteuma
Een profetische uitspraak.

Prognosticatie
Een profetie; een voorspelling.

Progressief
Een werkwoord dat een voortdurende handeling aanduidt. Ook duratief genoemd.

Progressieve assimilatie
De assimilatie waarbij de volgende consonant met een voorgaande assimileert.
Bijvoorbeeld: 'korrel' uit 'kornel'.
Antoniem: regressieve assimilatie.

Progressio
Met stappen van vergelijking redeneren.

Prokathalesis
De poging om een tegenwerping te voorkomen en van tevoren te ontzenuwen. Ook procatalepsis genoemd.

Proklesis
Een heftige oproep tot actie tijdens een rede.

Prolegomena
De inleiding; een voorwoord.

Prolepse
Een oordeel dat aan de opbouw van de wetenschap ten grondslag ligt.

Prolepsis
Afgeleid van het Griekse lambano (nemen).

  1. De stijlfiguur waarbij de dichter het zinsdeel dat hij nadruk wil geven geïsoleerd voorop zet, waardoor een zekere spanning wordt opgewekt.
    Bijvoorbeeld: 'Die lammeling, ik wil hem niet meer zien.'

  2. Het vooruitlopen op een tegenwerping.

  3. Een attribuut of epitheton toepassen dat later relevant wordt (in een (juridische) rede).

  4. Een prochronisme.

  5. Een voorbarige beschrijving gebruiken, terwijl de toestand of eigenschap zoals uitgedrukt in de beschrijving veroorzaakt wordt door het werkwoord dat de beschrijving vergezelt. Vergelijk resultatieve werkwoordsbepaling.
    Bijvoorbeeld: 'warm water opzetten'.

Prologos
Het eerste deel van de klassieke tragedie: het deel vóór de intocht van het koor, een monoloog of dialoog, die een functie had als het hedendaagse programmaboekje. De prologos verstrekte alle gegevens, inlichtingen en verhaal van gebeurtenissen, die vóór de aanvang van het stuk verondersteld waren te zijn gebeurd. Aldus kon de toeschouwer zich over de retroacta of nieuwe toestanden een idee vormen en het eigenlijke drama beter volgen. Dit gedeelte van de tragedie werd ook expositio genoemd. In een goed stuk werd ook aan dit gedeelte de juiste aandacht gegeven, zodat het volledig en duidelijk zou zijn.

Proloog
Het voorwoord; de inleiding.
Antoniem: epiloog.

Promythium
Een zedenles aan het begin van een fabel of exemplum. Vergelijk epimythium.

Pronomen
Een voornaamwoord.
We onderscheiden:

  1. Pronomen correlativum
    Een onderling betrekkelijk voornaamwoord. Zie bij correlativa.

  2. Pronomen demonstrativum
    Een aanwijzend voornaamwoord.

  3. Pronomen determinativum
    Een bepalend voornaamwoord; een verwijzend voornaamwoord.

  4. Pronomen indefinitum
    Een onbepaald voornaamwoord.

  5. Pronomen interrogativum
    Een vragend voornaamwoord.

  6. Pronomen personale
    Een persoonlijk voornaamwoord.

  7. Pronomen possessivum
    Een bezittelijk voornaamwoord. In het Latijn wordt suus uitsluitend gebruikt wanneer het reflexief is.
    Bijvoorbeeld: 'Fratrem suum videt' (Hij ziet zijn eigen broer).

  8. Pronomen reciprocum
    Een wederkerig voornaamwoord.
    Bijvoorbeeld: 'elkaar'.

  9. Pronomen reflexivum
    Een wederkerend voornaamwoord.
    Bijvoorbeeld: 'mijzelf', 'zichzelf'.

  10. Pronomen relativum
    Een betrekkelijk voornaamwoord. Het gebruik van het pronomen relativum kent enkele bijzonderheden:

    1. Soms ligt het antecedent van het pronomen relativum in dat pronomen opgesloten. In dat geval laat het zich het best vertalen door: 'wie', 'wat'.

    2. Het pronomen relativum kan ook dienen om twee hoofdzinnen met elkaar te verbinden. Hierdoor wordt de tweede zin nauwer verbonden met de voorafgaande: de zogenaamde relatieve aansluiting. Deze kan in het Nederlands het best worden weergegeven door een aanwijzend voornaamwoord, al of niet vergezeld van één van de woordjes: en, nu, echter, maar, immers, want.

Pronomineren
Het identificeren zonder te specificeren (vorm van synecdoche).

Pronominum
Een zelfstandig of bepalend voornaamwoord.

Pronunciatie
Het uitspreken van een rede met de gepaste intonatie en gebaren. Ook actio genoemd. Zie bij stijldeugden.

Proparalepsis
Zie paragoge.

Proparoxytonon
Een woord met de acutus (') op de derde lettergreep van achteren.

Propemptikon
Een gedicht waarin men aan een afreizende vriend of geliefde het allerbeste toewenst. Vergelijk apopemptikon.
Bijvoorbeeld: Oden, I, 3 van Horatius.

Propositie

  1. Het noemen van het onderwerp in de eerste dichtregel.

  2. Zie partitie.

Propulsief
De drang tot verder lezen, die wordt opgewekt door: het beantwoorden van een in het bewustzijn van de lezer opgeworpen, maar nog niet uitgesproken vraag of het tegenover elkaar stellen van (schijnbaar) paradoxale mededelingen.

Prosapodosis
Het ondersteunen van elk alternatief met een reden.

Prosodie
De leer van het gebruik van de woorden en lettergrepen in de versbouw van een taal, waarbij de nadruk ligt op de maat en het ritme. Vergelijk metriek.

Prosopografie
De beschrijving van denkbeeldige personen of lichamen.

Prosopopoeia
De personificatie (zie antropomorfiseren).

Prospectief aspect
Een actie-moment wijst vooruit naar een bepaald punt in het verdere verloop van de handeling.

Protagonist
De hoofdacteur in een tragedie. In de praktijk was dit de door Thespis gentroduceerde hypokritès.
Antoniem: antagonist.

Protasis

  1. Een voorwaardelijke bijzin. Zie bij apodosis.

  2. De inleiding van een Griekse tragedie.

Proteron Husteron, Prohusteron
De stijlfiguur waarbij de dichter de feiten niet in chronologische volgorde vermeld, maar in volgorde van belangrijkheid (de psychologische volgorde).

Prothesis

  1. Een toevoeging van een letter of lettergreep aan het begin van een woord. Een vorm van adiectio. Vergelijk epenthesis, paragoge en proparalepsis.
    Bijvoorbeeld: het Franse 'esprit' voor 'geest' komt van het Latijnse 'spiritus'. In het Nederlands kennen wij 'tachtig' bij 'acht', waarbij de 't' een prothesis is.
    Antoniem: procope.

  2. De aankondiging van de te behandelen stof.

Prothysteron
Zie hysterologie.

Protonisch
Onmiddellijk voorafgaand aan de beklemtoonde lettergreep.

Protrope
Het aansporen van de toehoorders door dreigingen en beloftes.

Proverbium
Een spreekwoord.

Provincialisme
Een gewestelijke uitdrukking.

Proza
De niet aan versregels gebonden schrijfstijl.

Prozeugma
Een vorm van zeugma waarbij een werkwoord in de middelste zinsnede staat.

Pseudomenos
Een argument dat iemands tegenstander dwingt tot liegen.

Pseudoniem
Een gefingeerde schrijversnaam.

Psychologische roman
Het episch genre waarbij de schrijver meer nadruk legt op de zielkundige toestand van de hoofdpersoon, dan op de gebeurtenissen. Vooral in de negentiende eeuw kwam deze literatuurvorm naar voren. Vergelijk ontwikkelingsroman.
Bijvoorbeeld: Madame Bovary (1857) van Gustave Flaubert, Eline Vere (1889) van Louis Couperus, en De koperen tuin (1950) van S. Vestdijk.

Pulmonaire klanken
De klanken die worden gevormd met lucht uit de longen.

Punctueren
De interpunctie aanbrengen, in het bijzonder bij Hebreeuwse geschriften.

Puntdicht
Zie epigram.

Purisme
Het streven de taal te zuiveren van vreemde woorden en uitdrukkingen.

Puritas
Het gebruik van duidelijke en correcte taal. Ook perspicuitas genoemd. Een onderdeel van de elocutie.

Pyrrhichius
De klassieke versvoet: U U. Ook dibrachys genoemd.

Pysma
Het stellen van veel vragen die verschillende antwoorden vereisen.

Pythiambische versmaat
Een klassieke versmaat bestaande uit een dactylische hexameter en een jambische trimeter.
Bijvoorbeeld: Epoden, 16 van Horatius.

 

  © Maurice van Elburg
Niet zonder toestemming kopiëren.
 
  << Naar O  of  Naar Q >>  
  Terug naar de homepage