Handboek filologie: R

Raamvertelling
Een novelle, opgenomen in een groter geheel. Ook kadervertelling genoemd.
Bijvoorbeeld: Decamerone van Boccaccio (14e eeuw), waarin tientallen kleinere verhaaltjes vertellen hoe afzonderlijke personen de pest-epidemie, die in Florence heerste, ontvluchtten.

Radicaal
Uit wortels bestaand.

Rangtaal
Een taalvorm die binnen een bepaalde taalgemeenschap dient ter aanduiding van de sociale status.
Bijvoorbeeld: Hoog- en Laagjavaans.

Rangtelwoord
Een telwoord dat de rang- of volgorde aanduidt. Ook ordinale genoemd.
Bijvoorbeeld: 'eerste'.

Rapiaris
Een verzameling bijeengelezen sententies. Afgeleid van het Latijnse rapere (snel grijpen).

Rapsodie
Een verzameling van (dicht)stukken waarin wel één geest en één strekking is, maar die niet in dadelijk verband tot elkaar staan.

Rasuur, Ratuur
Een uitgekrabde of uitgesleten plaats in een handschrift.

Ratelklank
De 'r'.

Ratiocinatio
Een vraag die door de spreker aan zichzelf wordt gesteld. Vergelijk anthypofora en hypofoor.

Recensie
De vaststelling van de overlevering van een tekst; de keuze daaruit van een kritische tekst en die tekst zelf. Afgeleid van het Latijnse recensio (keuring, schatting).

Recitatief
Het zingend spreken.

Reciteren
Declameren; opzeggen.

Rectie
Zie regering.

Recursie
De door Pike opgestelde theorie dat bij het vormen van zinnen allerlei relaties en elementen een rol spelen die in de zinnen zelf niet als zodanig tot uitdrukking komen. De elementaire 'zinsstructuren' kunnen volgens deze theorie in een 'dieptestructuur' op verschillende manieren met elkaar worden gecombineerd.

Recursief
Repeterend; onbeperkt herhalend toepasbaar.

Redekundige ontleding
De onderscheiding van de zinsdelen in onderwerp, gezegde, soorten van bepalingen, etc. Vergelijk taalkundige ontleding.

Reditus ad propositum
Terugkeren naar een onderwerp na een digressie.

Redondilla
De Spaanse dichtvorm die bestaat uit vierregelige strofen van achtlettergrepige verzen, met het rijmschema abba.

Reduceren
Een klank of vorm op een zodanige wijze realiseren dat bepaalde eigenschappen verloren gaan.
Bijvoorbeeld: de '-en' uitgang van de infinitief wordt bijna altijd gereduceerd tot '-un'.

Redundantie
Het overbodig-zijn van de vermelding van bepaalde fonologische, syntactische, semantische kenmerken.
Redundantie-regel
: Als men een bepaald segment in een bepaald woord heeft gespecificeerd, dan is de specificatie van een onmiddellijk aangrenzend segment redundant voorzover hij onder woorden gebracht kan worden in een regel die voor een aantal woordvormen tegelijk geldt.

Reduplicatie

  1. Een verdubbeling van een woord of lettergreep.
    Bijvoorbeeld: 'papa', 'mama'.

  2. Zie bij anadiplosis.

Referent
De zelfstandigheid buiten de taal waarnaar een taalkundig element verwijst.

Referentie
De verwijzende functie van (betekenisloze) woorden zoals eigennamen en pronomina.

Reflexio
Zie anaclasis 2.

Reflexief, Reflexivum
(Een) wederkerend (werkwoord); terugslaand op het subject van de zin.

Reflexiviteit
De aanduiding van de mogelijkheid in een taal over taal te spreken. Vergelijk metataal.

Refrein

  1. Een steeds terugkerende strofe of regel.

  2. De dichtvorm door de Nederlandse rederijkers geschreven, voornal genspireerd door de Franse balladen. Ze zijn echter dikwijls langer en gelijken dan op de chant royal. De strofen eindigen met dezelfde regel (de refreinregel of stock) die ook als titel van het gedicht dienst doet en de strekking weergeeft. Ze besluiten met een prince, overeenkomend met de Franse envoi, opdracht.

Refutatie
Zie confutatie.

Regeren
(Verplicht) gevolgd worden door.

Regering
De syntactische beheersing. Ook rectie genoemd.

Regiolect
Een streektaal.

Register
Het niveau of de stijl van taalgebruik, passend voor een bepaald aantal situaties.
Bijvoorbeeld: 'formele' en 'informele' taal, 'schrijftaal'.

Registertonen
De tonen die niet van hoogte veranderen. Ook leveltonen genoemd.
Antoniem: contourtonen.

Regressie

  1. De herinvoering van een eerder uitgestoten consonant of invoering van een andere consonant in de plaats daarvan.

  2. De stijlfiguur waarbij een meervoudig begrip nog eens wordt herhaald en verklaard door de opsomming van de bestanddelen.
    Bijvoorbeeld: 'Het bos is verdwenen. De ene helft van de bomen is afgebrand en de andere helft gekapt.'

Regressieve assimilatie
De assimilatie waarbij een consonant een voorafgaande aan zich gelijk doet worden.
Bijvoorbeeld: 'litteken' uit 'lîkteken'.
Antoniem: progressieve assimilatie.

Reïficatie
Het voorstellen van iets abstracts als concreet. Een vorm van metafoor.
Bijvoorbeeld: 'het grijze verleden'.

Rekking
Het lang worden van een oorspronkelijk korte klank.
Bijvoorbeeld: 'dagen' uit 'dag'.

Relatief

  1. Een betekenisverschil aanduidend; ook distinctief genoemd.

  2. Naar een antecedent verwijzend; betrekkelijk.

Relationeel antoniem
Zie bij antoniem.

Relativum
Een betrekkelijk voornaamwoord.

Relativum indefinitum
Een onbepaald betrekkelijk voornaamwoord, zoals: 'alwie', 'alwat'.

Relict
Een overblijfsel uit een vorige fase van de ontwikkeling van een taal.
Bijvoorbeeld: de 'oe' in 'hoes' in plaats van 'huis'.

Repetitie

  1. De stijlfiguur waarbij een woord of zinswending ongewijzigd wordt herhaald. Dit kan gedaan worden om dat zinsdeel bijzondere nadruk te geven. Vergelijk met anafora, epanalepsis, epanodos, epifoor, epizeuxis, geminatie en iteratie.
    Bijvoorbeeld: 'zij is mijn lust, zij is mijn leven, zij is mijn bestaan'.

  2. De tekstveranderingscategorie waarbij een tekstelement bij een herhaling in een andere context een andere betekenis krijgt. Vergelijk adiectie, detractie 2, immutatie en transmutatie.

Reprehensio
De Latijnse term voor de confutatie.

Representant, Representatie
De (equivalente) verschijningsvorm.
Bijvoorbeeld: het Nederlandse '-tie' en het Engelse '-cy'.

Repristinatie
Het weer opvatten van buiten gebruik geraakte woorden of betekenissen.

Resolutie
De ontbinding van een lange lettergreep in twee korte.

Resonant
Een weerklank.

Restrictief
Beperkend; met voorbehoud.

Restrictio
Het uitzonderen van een deel van een voorgaande verklaring.

Resultatieve werkwoordsbepaling
Het anticiperende gebruik van het adjectief in een predikatieve bepaling. Vergelijk prolepsis 4.
Bijvoorbeeld: 'Hij gaat zijn fiets zwart spuiten'.

Reticentie
Zie ellips.

Retorica, Retoriek

  1. Welsprekendheid.

  2. De beeldspraak die geen verhelderende functie heeft en (meestal in de vorm van clichés) slechts als versiersel is aangebracht.

Retorische vraag
Een vraag waarbij het doel niet is een antwoord te krijgen. In feite is de retorische vraag geen echte vraag, maar een nadrukkelijke mededeling in de vorm van een vraag. Dat is ook de reden waarom we een retorische vraag vaak gevolgd zien door een uitroepteken in plaats van een vraagteken.

Retrograde
De dichtvorm, door de Nederlandse rederijkers werd geschreven, die men van links naar rechts van boven naar beneden kan lezen en van rechts naar links van beneden naar boven. Ook kreeftdicht genoemd. Vergelijk palindroom.
Achterberg schreef een gedicht met de titel 'Retrograde', maar gaf er de betekenis aan van de Italiaanse muziekterm: 'al langzamer'.

Retrospectief aspect
Een actie-moment wijst terug naar een bepaald punt uit het verleden van een drama.

Retroversie
Zie flash-back.

Rhyme Royal
Zie Chauceriaanse stanza.

Ridderroman
Een middeleeuws verhaal over ridderavonturen. Men onderscheidt de:

  1. voor-hoofse ridderroman: uit de elfde en twaalfde eeuw met een geïdealiseerd beeld van de moed en kracht van de ridder. De helden zijn ruw en grof tegen vrouwen.

  2. hoofse ridderroman: uit de twaalfde tot en met vijftiende eeuw met een geïdealiseerd beeld van de gedragscode van ridders. De helden zijn 'echt ridderlijk' (beschermen zwakken, zijn beschaafd, wreken onrecht, etc.).

Rijm
De herhaling van klank na korte tussenpoos. Het komt zowel in de versregel, als aan het eind daarvan voor. Om de klankwerking te doen uitkomen moeten de rijmende klanken geaccentueerd zijn.

We onderscheiden:

I

  1. gekruist rijm met het schema abab cdcd...

  2. omarmend rijm met het schema abba cddc...

  3. gelijk rijm met het schema aaaa...

  4. gepaard rijm met het schema aabbcc...

  5. tussenrijm met het schema aabccb...

  6. verspringend rijm met het schema abcabc...

  7. onderbroken rijm met het schema aaxbby...

  8. gebroken rijm met het schema abcb... of abac...

II

  1. alliteratie

  2. volledig rijm
    1. mannelijk of staand rijm
    2. vrouwelijk of slepend rijm
    3. glijdend rijm

  3. halfrijm
    1. assonantie
    2. acconsonantie

  4. dubbelrijm

  5. enjambement

  6. identiek rijm

  7. visueel rijm

III

  1. eindrijm

  2. voorrijm

  3. binnenrijm (rijm in één versregel)

  4. slagrijm (binnenrijm van elkaar direkt opvolgende  woorden)

  5. middenrijm (rijm van woorden die op een gelijke plaats in   opeenvolgende versregels staan)

  6. kettingrijm, ketendicht of overlooprijm

  7. pauzerijm (rijm van het eerste met het laatste woord van  een vers of verzengroep)

  8. Schüttelreim (rijm met gebruik van spoonerisme)

  9. keerrijm

Rime riche
Zie bij volledig rijm.

Ringcompositie
Het stijlmiddel waarbij een woord of zinsdeel, over een groter tekstgedeelte heen, wordt herhaald.

Ritme
De natuurlijke beweging van een zin, hoofdzakelijk expressief gemaakt door de wisselende intensiteit van het temporeel (vlug-langzaam, bijvoorbeeld in de klassieke talen), het dynamisch (sterk-zwak, bijvoorbeeld in de Germaanse talen) en het melodisch (hoog-laag, bijvoorbeeld in de Chinese talen) accent. Het ontstaat dus door afwisseling in accent, toonhoogte, kleur, volheid en duur van klanken. Het is zowel in proza als in poëzie als de onontbeerlijke, natuurlijke beweging van de zin aanwezig. Het wonderlijke is dat vrijwel iedereen reageert (soms zelfs fysiek, door de drang 'mee te deinen') op een ritme waarbij de afstand tussen twee kernen van intensiteit ligt op ongeveer 3/4 seconde.
Het Germaanse vers was ritmisch: het had vier of vijf geaccentueerde lettergrepen per vers, waarvan er drie allitereerden of assoneerden, die door een willekeurig aantal ongeaccentueerde lettergrepen gescheiden waren, bijvoorbeeld:
- UU - U - UUU - U (- stelt een geaccentueerde, U een ongeaccentueerde lettergreep voor). Wegens de willekeurige afstand tussen twee accenten noemt men dit ook het vrije vers. De Nederlandse poëzie uit de middeleeuwen is in dit vers geschreven. Het komt nog steeds in onze (moderne) letterkunde voor.

Rococo
Een overdadig bloemrijke stijl.

Roman
Een episch proza-verhaal dat vertelt hoe zich het leven van één of meer personen gedurende een bepaalde periode ontwikkeld heeft. De roman is vergelijkbaar met de novelle, maar is breder van opzet en dit genre literatuur komt sedert de middeleeuwen voor. Men kan de ridderromans (die echter in dichtvorm geschreven zijn) als de eerste vertegenwoordigers in West-Europa beschouwen. In de tijd van de Renaissance volgen, in proza, herdersromans (arcadia's) en schelmenromans (of picareske romans). Het rationalisme brengt de zedenroman, de Romantiek de sentimentele en de historische roman; in de tweede helft van de 19e eeuw ontstaan de realistische, de naturalistische, de sociale en de psychologische roman.
Algemeen gesproken kan de roman in drie categorieën worden ingedeeld:

  1. de realistische roman, waarbij de schrijver probeert zo neutraal mogelijk te blijven en in feite dus niets anders kan doen dan een beeld te geven van de dagelijkse realiteit;

  2. de naturalistische roman, waarbij de schrijver wil laten zien hoe de mens gedetermineerd is door erfelijkheid en milieu;

  3. de tendens- of strekkingsroman, waarbij de schrijver iets wil bewijzen, bijvoorbeeld het verkeerde van iets aantonen.

Roman à clef
Zie sleutelroman.

Roman à thèse
Een roman die dient om een bepaalde theorie of een maatschappelijk standpunt van de schrijver te verdedigen. Ook tendensroman genoemd.

Roman à tiroir
Een verhaalvorm waarbij losstaande episoden uit het leven van een held met elkaar verbonden zijn. Overgenomen van het Franse roman à tiroir (roman in schuifjes).

Romance
De tijdens de Romantiek beoefende dichtvorm, zeer nauw verwant aan de ballade, maar dikwijls minder gespierd, soms sentimenteel en gewoonlijk blij-eindigend.
Bijvoorbeeld: Ada en Rijnoud van A.C.W. Staring.

Romancyclus
Een reeks van samenhangende romans. Ook roman fleuve genoemd.
Bijvoorbeeld: Anton Wachter romans (acht delen, 1934 - 1960) van S. Vestdijk, en La comédie humaine (91 romans en verhalen, 1829-1848) van Honoré de Balzac.

Roman fleuve
Zie romancyclus (zie hierboven).

Rondeel, Rondeau
Een in de Franse lyriek van de 14e eeuw ontstane dichtvorm, die bestaat uit dertien versregels, verdeeld over twee strofen van vijf regels, gescheiden door een terzet. Er worden slechts twee rijmklanken in gebruikt. Het schema is: abbaa; bab; abbab. Het terzet en de laatste strofe eindigen met een refrein dat bestaat uit de eerste of de eerste en tweede versregel van het gedicht.
Later werd deze dichtvorm ook door de Nederlandse rederijkers geschreven en werd deze ook triolet genoemd. Het aantal regels varieerde echter.

Ronding
Het verschijnsel dat bij sommige vocalen de lippen gerond worden. Ook labialiseren genoemd.

Roperispomenon
Een woord met de circumflexus (~) op de voorlaatste lettergreep.

Rotacisme
De overgang van 'z' in 'r'.
Bijvoorbeeld: 'vriezen', 'gevroren'.

Rune

  1. Een Oudgermaanse letter, meestal in steen gegrift. Het runenalfabet heet futhark.

  2. Een letter uit het Mongools-Turkse alfabet van de 8e eeuw.

  3. Een Oudfins of Oudnoors gedicht.

 

  © Maurice van Elburg
Niet zonder toestemming kopiëren.
 
  << Naar Q  of  Naar S >>  
  Terug naar de homepage