Handboek filologie: S

Saga
De Oud-IJslandse prozaverhalen, opgetekend van de twaalfde tot de veertiende eeuw, vaak rond het thema van de bloedwraak.

Sage
Een overgeleverd heldenverhaal met een historische achtergrond, behorende tot de epische volkskunst.
Bijvoorbeeld: de Nibelungensage.

Samentrekken
Het herleiden tot één met gebruik van deletie. Vergelijk synizesis.
Bijvoorbeeld: 'leder' wordt 'leer'.

Sandhi
Een woord ontleend aan het Sanskriet, met de betekenis 'verbinding' (vandaar de Nederlandse term assimilatie). Het heeft dan ook de betekenis van een verandering die een medeklinker, aan het begin of aan het eind van een woord, in de zin ondergaat.
Bijvoorbeeld: 'op deze' wordt uitgesproken als 'ob deze'.

Sapphische strofe
Een vierregelige klassieke strofe. We onderscheiden:

  1. eerste sapphische strofe: drie regels in een sapphicus minor (zie hieronder) en in de vierde een adonisch vers.
    Bijvoorbeeld: Oden, I, 30 van Horatius.

  2. tweede sapphische strofe: de eerste en derde regel een pherecrateus en de tweede en vierde een sapphicus maior (zie hieronder).
    Bijvoorbeeld: Oden, I, 8 van Horatius.

Sapphische versmaat
Een klassieke versmaat. We onderscheiden:

  1. sapphicus minor:
    - U - - - U U - U - U.

  2. sapphicus maior:
    - U - - - U U - - U U - U - U.

Sarcasme
Bijtende spot; (bittere) hoon. Vergelijk ironie.

Satemtaal
De benaming voor elk van de oostelijke groep van de Indogermaanse talen. Genoemd naar de onderscheidende benaming voor 'honderd' (Avestisch: sat'em).

Saterspel, Satyrspel
Een bosgodtoneelstuk. De sater is in de Griekse mythologie een grappig en wulps wezen uit het gevolg van Dionysos en waren bos-of berggeesten, symbolen van de vruchtbaarheid.
Na de opvoering van een tragische trilogie volgde er altijd een saterspel, geschreven door dezelfde tragicus. Dit nogal vrolijke en montere spel werd genoemd naar het koor dat uit saters bestond, doch naar de vorm leek het op een tragedie.

Satire, Satura
Een gedicht of prozastuk in losse gespreksvorm over allerlei onderwerpen zonder strenge afgebakende lijn, soms wel een combinatie van vers en proza. De satura heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van de Romeinse klucht of komedie, en zelf ontwikkelde zij zich tot een eigen genre in de Romeinse letteren, een bijtend of luchtig commentaar op het maatschappelijk leven, literaire publicaties, etc. De schepper van het genre was Lucilius (tweede eeuw v.G.T.); ook Horatius (eerste eeuw v.G.T.) publiceerde om met een lach de waarheid te kunnen zeggen.
In de Renaissance kreeg deze litaratuurvorm weer de volle aandacht en werden vooral Horatius en Juvenalis sterk nagevolgd.
De moderne vorm van satura (satire) is het hekeldicht, waarin uitingen van afkeer of haat worden weergegeven.
Ook werken als Max Havelaar (1860) van Multatuli en Op Hoop van Zegen (1900) van Heijermans zijn voorbeelden van satire.

Sator-arepo-kwadraat
Een kwadraat waarbij de woorden "sator arepo tenet opera rotas" als volgt staan:

s a t o r
a r e p o
t e n e t
o p e r a
r o t a s

De tekst betekent "Zaaier Arepo houdt met moeite de wielen". De tekst werd geacht magische kracht te hebben. In latere tijden werden er varianten gemaakt waarbij "pater noster" ("onze vader") centraal stond.

Scansie
Het scanderen; het indelen in versvoeten; afgeleid van het Latijnse scandere (klimmen).

Scesis onomaton
Het gebruiken van een serie synonieme uitdrukkingen.

Schaakbord
De rijmvorm waarbij men een schaakbord nam en in elk van de 64 hokjes een regel schreef. Lezend van links naar rechts (en omgekeerd), van boven naar beneden (en omgekeerd), en diagonaalsgewijze (in alle richtingen) moest men dan telkens een gedicht krijgen. Vergelijk met palindroom en palindroomkwadraat.
Bijvoorbeeld: Schackberdt van Matthijs de Castelein (±1625).

Schelmenroman
Het episch genre waarbij een aaneenschakeling van avonturen wordt gegeven, waarbij de hoofdpersoon met alle mogelijke standen en kringen in aanraking komt. Deze romans geven vaak een uitermate boeiende kijk op de zeden en leefgewoonten van een bepaalde tijd. Dit genre wordt ook picareske roman genoemd.
Bijvoorbeeld: Den vermakelijken avanturier (1695) van Nicolaes Heinsius.
Tijl Uilenspiegel was een schelm bij uitstek, maar aangezien er geen samenhang is tussen de verschillende avonturen, past de benaming 'roman' niet bij zijn belevenissen.

Schets
Een vertelling, maar minder breed uitgewerkt of overheerst door de beschrijving, zonder verwikkeling.

Schwa, Sjwa
Een reductievocaal (zie bij reduceren).

Schwank
Zie fabliau.

Schwulst
De overladen, gekunstelde stijl in de barokperiode in de Duitse literatuur. Een vorm van maniërisme. Vergelijk euphuïsme, gongorisme, marinisme en preciositeit.

Science fiction
Een onderdeel van de toekomstroman, waarbij echter de nadruk ligt op verzonnen wetenschappelijke uitvindingen, waardoor het schijnbaar onmogelijke mogelijk gemaakt wordt. Tot de eersten die dit genre beoefenden zou men Edgar Allen Poe kunnen rekenen, maar ook H.G. Wells gaf met zijn The invisible man in 1897 een definitieve stap richting de science fiction.
Tegenwoordig wil science fiction nogal eens in de griezelsfeer terecht komen. Dat dit absoluut niet zo hoeft te zijn, bewees onder andere John Wyndham met The Day of the Triffids (1951).

Secentismo
Zie marinisme.

Seguidilla
Een Spaanse copla-vorm, bestaande uit vier regels met afwisselend zeven en vijf lettergrepen.

Semanteem
Een verouderd woord voor een (minimaal) betekenisdragend element. Tegenwoordig spreekt men van stammorfeem. Een andere term voor dit begrip is lexeem.

Semantiek, semasiologie
De leer van de betekenis van de woorden.

Semantisch primitief
Een woord met een betekenis die niet behoeft te worden gedefinieerd (aangezien de betekenis als algemeen bekend kan worden beschouwd) en dus kan worden gebruikt in definities van andere woorden.

Semeem
Een betekeniseenheid uitgedrukt door een morfeem.

Semi-deponens
Een werkwoord met een actieve vorm in presens, imperfectum en futurum en een passieve vorm in perfectum, plusquamperfectum en futurum exactum. De betekenis is altijd actief. Bij één werkwoord ligt de zaak juist omgekeerd: 'reverti' (terugkeren).

Semiquinarius
De cesuur na de vijfde halve voet. Ook penthemimeres genoemd.

Semiseptenarius
De cesuur na de zevende halve voet. Ook hepthemimeres genoemd.

Semiternarius
De cesuur na de derde halve voet. Ook trithemimeres genoemd.

Semivocaal
Een glijklank.

Senarius
Een (jambische) trimeter: U - U - U - U - U - U -.

Sententie
Een spreuk van literaire oorsprong als schakel in een keten van gedachten. Ook gnome genoemd. Vergelijk spreekwoord, spreuk, aforisme en maxime.

Sententieel
Met betrekking tot een zin.

Sermocinatie
De vorm van aversio waarbij de redenaar via een ingebeelde toespraak of brief een andere persoon laat spreken. De woorden van deze (niet aanwezige) persoon zijn in de directe rede. Vergelijk percontatie.

Sermoen
Een preek; een vermanende toespraak. Zie ook homilie.

Serpentinisch vers
Een vers dat eindigt met hetzelfde woord als waarmee het begint.

Sesquipedalisme
Een zeer lang woord. Horatius was de eerste die een vorm van dit woord toepaste op woorden. Afgeleid van het Latijnse sesqui (anderhalf) en pedalis (een voet lang).

Sestine
Een gedicht met zes stanza's van zes regels, gevolgd door een triplet. Afgeleid van het Italiaanse sesto (zesde).

Sextet

  1. De laatste zes regels van een sonnet, twee terzetten.

  2. Een zesregelig vers.

Short story
Een kort, episch verhaal met een snelle stijging naar het kritieke moment en een soms abrupte ontknoping. Veel beoefend in Angelsaksische landen. Ook novelle genoemd.
Bijvoorbeeld: Tales of the Unexpected van Roald Dahl.

Sibillijns
Profetisch; orakelachtig; mysterieus.

Significatio
Het impliceren van meer dan iemand zegt.

Silbetellend vers
De versvorm waarbij elke versregel een gelijk aantal lettergrepen heeft. Dit komt in de Franse poëzie redelijk vaak voor.

Simile
Het expliciet vergelijken van zaken tijdens een (juridische) rede.

Similitudo
Zie gelijkenis.

Simplex

  1. Het enkelvoud, ook singularis genoemd.

  2. Een enkelvoudig (werk)woord.
    Antoniem: compositum.

Simultaan aspect
De intensiverende verhouding tussen een bepaald actie-moment en een gelijktijdig moment, hetzij op het toneel, hetzij elders.

Simultaneïsme
De letterkundige methode die feite die welke in tijd of ruimte gescheiden zijn naast elkaar stelt om een samenvattend beeld te suggereren.

Singulare tantum
Een woord dat alleen in het enkelvoud voorkomt.
Bijvoorbeeld: 'sneeuw'.
Antoniem: plurale tantum.

Singularis
Het enkelvoud, ook simplex genoemd.

Sirima
Het tweede en laatste gedeelte van een strofe van een canzone. Vergelijk fronte.

Sirvente
Een Provençaalse dichtvorm met een politiek-satirische lading, vergelijkbaar met de canso.

Sisklank
De 's' en de 'z' zijn de sisklanken in het Nederlands.

Sjwa, Schwa
Een reductievocaal (zie bij reduceren).

Skolion
Een geïmproviseerd drink- of tafellied. Overgenomen van het Griekse skôliôn (krom, scheef).

Slagrijm
De rijmvorm met het rijmschema: aaaa of aaa bbb. Meestal wordt deze vorm gebruikt om een komisch effect te bereiken.

Sleeptoon
De gerekte intonatie waarmee een vocaal kan worden uitgesproken in de polytonische talen.
Antoniem: stoottoon.

Sleutelroman
Het episch genre waarbij werkelijke personen uit heden of verleden verhuld (en onder andere namen) uitgebeeld worden. Dit genre wordt ook roman à clef genoemd.
Bijvoorbeeld: Vincent Haman (1898) van Willem Paap, waarmee Lodewijk van Deyssel wordt aangeduid.

Sociolinguïstiek
De sociale taalkunde, die de taal vooral beschouwt als een communicatiemiddel tussen mensen onderling en zich dus richt op het verband tussen taal, cultuur en maatschappij.

Sofisme
Een drogreden; een spitsvondige redenering.

Solecisme
Een grove taalfout.

Solidus
Het teken: /.

Sonant

  1. Een klinker.

  2. Een medeklinker als syllabe-vormende klank.

Sonnet
Een liefdesgedicht, dat veertien regels telt en bestaat uit twee strofen van vier kwatrijnen (het octaaf) en twee strofen van drie regels terzinen (het sextet). Het octaaf behelst de expositie, het sextet de conclusie. Tussen het octaaf en het sextet ligt dus een wending in de ontwikkelde gedachte, die men chute, volta of keerpunt noemt. Het rijmschema van het Italiaanse sonnet is abba abba cdc dcd, maar men wijkt er in het sextet al spoedig van af.
Deze vorm is waarschijnlijk rond 1250 "uitgevonden" door de Siciliaan Giacomo da Lentini (ca. 1210 - ca. 1260).
Het Engelse sonnet van Shakespeare en Spenser heeft een enigszins andere vorm: het bestaat uit drie strofen van vier regels en één van twee regels, met het rijmschema: abab cdcd efef gg.
Het sonnet, oorspronkelijk thuis bij de Provençaalse troubadours, krijgt met de Renaissance een grote verbreiding.
Bijvoorbeeld: de sonnetten van Petrarca.

Sonnettencyclus
Een reeks van samenhangende sonnetten.
Bijvoorbeeld: Die Sonnette an Orpheus van Rainer Maria Rilke.

Sonnettenkrans
Een bijzondere reeks van sonnetten over hetzelfde onderwerp, vijftien in getal, waarvan elk begint met de slotregel van de voorafgaande; het vijftiende en laatste sonnet wordt dan gevormd door de beginregels van de veertien er aan voorafgaande.
Bijvoorbeeld: de Mathildecyclus van Perk.

Sonorant
De eigenschap van spraakklanken die met betrekkelijk grote opening van het spreekkanaal worden gevormd en daardoor gepaard gaan met spontane stembandtrilling.

Sonoriteit
De draagwijdte of volheid van klanken.

Soortgetal
Een woord op '-lei' of '-hande'.

Soriasmus
Een mengeling van onkundig of geaffecteerd taalgebruik.

Sotadisch
De eigenschap van een tekst die van achter naar voren gelezen kan worden en dan een obscene woordspeling bevat. Genoemd naar Sotades, een Grieks dichter van erotische verzen.

Sotheid
Een middeleeuwse, realistische klucht, spelend in volkskringen. Deze werd na de abele spelen opgevoerd. Ze was dikwijls plat en ruw; er wordt veel in gescholden en geslagen. Geliefd was het thema van de vrouw met de broek aan en de sullige echtgenoot. Ook sotternie genoemd.
Bijvoorbeeld: De Buskenblaser en Nu Noch.

Sotternie
Zie sotheid (zie hierboven)

Souterliedekens
De berijmde psalmvertalingen uit de zestiende eeuw. Afgeleid van het Oudhollandse souter (psalter).
Bijvoorbeeld: Souterliedekens van Willem van Zuylen van Nyevelt (1540).

Sparsa
Opmerkingen of korte beschouwingen over uiteenlopende onderwerpen.

Spenseriaanse stanza
Een strofe van negen regels, waarvan de eerste acht uit jambische pentameters bestaan en de negende een alexandrijn is. Het rijmschema van deze strofe is ababbcbcc. De Engelse dichter Edmund Spenser (1552-1599) schiep deze vorm voor zijn epos Faerie Queene.

Spirans, Spirant
De klanken die ontstaan door uitblazing van lucht waarbij de spraakorganen bijna doch niet geheel gesloten zijn: 'f', 'g', 'ch', 's', 'v', 'w' en 'z'. Afgeleid van het Latijnse spirare (blazen). Zie fricatief.

Spiritus asper
Het boven de beginklinker of aanvangs-'F' van een woord verschijnend teken, dat aangeeft dat men vóór de klinker of tweeklank een 'h' moet uitspreken. Bij hoofdletters staat de spiritus er niet boven, maar vóór. Afgeleid van het Latijnse spriritus asper (harde aspiratie).

Spiritus lenis
Het boven de beginklinker verschijnend teken bij een woord dat met een klinker of tweeklank begint, welke geen verandering brengt in uitspraak. Bij hoofdletters staat de spiritus er niet boven, maar vóór. Afgeleid van het Latijnse spiritus lenis (zachte aspiratie).

Spondee, spondeus
Een versvoet met de vaste combinatie: - -.
Bijvoorbeeld een gedeelte uit een gedicht van Vosmaer (waarbij - een geaccentueerde en U een ongeaccentueerde lettergreep voorstelt):

Toen daar bad de verheven en bitter beproefde Odysseus
   -         -    -     U   U -   U   U -  U    U -     U  U-     -

Spookwoord
Een woord dat door een (druk)fout is ingeburgerd.

Spoonerisme
De verwisseling van de beginklinkers van (samengestelde) woorden. Genoemd naar William A. Spooner, hoofd van New College, Oxford. Vergelijk antistrofe 1, paragram, parallellisme en verlan.
Bijvoorbeeld: 'peetot' in plaats van 'theepot'.

Spreekwoord
Een uitspraak met een algemene levenswijsheid of morele implicatie, waarvan de vorm vrijwel onveranderlijk is. Vergelijk spreuk (zie hieronder), gnome, aforisme en maxime.
Bijvoorbeeld: 'De spreekwoorden zijn het zout der taal'.

Spreuk
Een spreuk is een levenswijsheid vervat in expressieve, vaak metaforische taal. Vergelijk spreekwoord (zie hierboven), gnome, aforisme en maxime. Zie ook parabool.

Sproke
Een kort Middelnederlands verhaal in verzen, veelal met een didactische strekking. Ook boerde of fabliau genoemd.
Bijvoorbeeld: De sproke van Beatrijs.

Sprookje
Een prozaverhaal, behorende tot de epische volkskunst, waarin fantastische wezens, sprekende dieren en dingen naast mensen optreden. Het is verwant met de mythe, het godenverhaal (zie bijvoorbeeld: De tuin der Goden).
Bijvoorbeeld: de sprookjes van Grimm en Andersen.

Staartsonnet
Een sonnet waarin aan het vaste getal van veertien regels nog een strofe (van twee regels) is toegevoegd.

Stam
Dat gedeelte van een woord dat overblijft als men het ontdoet van het naamvalssuffix (nominale stam) of van het persoonssuffix (verbale stam). Anders gezegd is de stam de wortel, de vaste kern der woordvormen, nader bepaald door een suffix.

Stammorfeem
Het kleinste betekenisdragende element. Ook lexeem genoemd. Vroeger ook semanteem genoemd.

Stamverwant
Ook paroniem genoemd.

Stanze
Een strofe die bestaat uit acht regels, van oorspronkelijk elf lettergrepen, die in het Nederlands gewoonlijk vervangen werden door vijf jamben. Het rijmschema is: abababcc. Afgeleid van het Latijnse stare (staan).
Voorbeelden uit de Nederlandse literatuur zijn schaars, maar als voorbeeld is te noemen Aya Sophia van H.J.A.M. Schaepman.

Stasimon
Een deel van de klassieke tragedie, volgend op elk van de epeisodia. Een stasimon was een zang van het koor, dat zich op het orchestron (dansvloer) bevond, waar het zijn eigen functie had, namelijk de gevoelens van de dichter vertolken en zijn lyrische kracht, poëtische vormgeving en overwegingen tonen, tussen de dramatische bedrijven of epeisodia door, of de beschouwingen, geïnspireerd door het gebeurde of het vertoonde.

Stasis
De Griekse term voor het belangrijkste punt (of punten) dat werd behandeld in een juridische rede (Latijnse term: constitutio): wie heeft wat gedaan, wanneer en hoe. Sommige theoretici beperken de definitie tot het beginpunt van een zaak - de omstandigheden die de zaak openden - of tot het eerste punt dat een opponent opvoert in een zaak.

Stellende trap
De onveranderde grondvorm van een adjectief. Ook positief genoemd. Vergelijk comparatief, superlatief en elatief.
Bijvoorbeeld: 'groot'.

Stem
Het trillen van de stembanden bij het uitspreken van spraakklanken.
Bijvoorbeeld: de 'b', 'd' en 'z'.

Stemhebbend
Klanken gevormd met trilling van de stembanden; niet geaspireerd.

Stemloos
Klanken gevormd zonder trilling van de stembanden.
Bijvoorbeeld: 'ch', 'f' en 's'.

Sterk
De eigenschap van werkwoorden die het preteritium zonder suffix vormen, doch met verandering van de stamklinker, en waarvan het voltooid deelwoord op '-en' eindigt.
Bijvoorbeeld: 'lopen - liep - gelopen'.

Stichomyt(h)ie
Een bijzondere dialoogvorm in de klassieke toneelwerken, waarbij de in gesprek gewikkelde acteurs ieder slechts één versregel (stichôs)  uitspreken en de tegenspeler op zijn beurt met één regel antwoordt (muthia). In dramatische of pathetische passages verhoogde dit procédé vanzelfsprekend de spanning door het op elkaar inslaan van even lange antwoorden, die kernachtig en samengebald als ze waren, het beoogde effect bij de toehoorders bereikten. Afgeleid van het Griekse muthôs (spraak, verhaal). Zeldzaam ook am(o)eb(a)eanie genoemd.

Stijl
Alternatieve benaming voor de verwoording, één van de vijf fasen van de retorica.

Stijldeugden, De
In navolging van beroemde redenaars als Cicero en Quintilianus, geven de klassieke handboeken vier voorwaarden waaraan een goede rede moet voldoen:

  1. Correctheid: de regels van de grammatica en woordvorming dienen te worden nagevolgd. Tevens mogen geen vreemde insluipsels uit andere talen worden gebruikt (taalzuiverheid behouden);

  2. Helderheid: de argumenten van de redenaar dienen overzichtelijk en in duidelijke zinnen worden gepresenteerd aan degenen die overtuigd moeten worden;

  3. Gepastheid: de woordkeus en opbouw moet aansluiten bij de persoonlijkheid en uitstraling van de spreker, geschikt zijn voor het onderwerp en aangepast zijn aan het publiek;

  4. Verfraaiing: de rede dient te boeien, doordat er gesproken wordt in verrassende beeldspraak en fraai gestileerde zinnen.

Stijlfiguren
Zie deze pagina.

Stilisticum
Een stijlmiddel.

Sto(c)k
Een identiek eindvers van elke strofe.

Stom
Toonloos. Zie ook schwa, sjwa.

Stoottoon
Een korte, niet gerekte intonatie waarmee een vocaal kan worden uitgesproken. Ook valtoon genoemd.
Antoniem: sleeptoon.

Strambotto
Een oude Italiaanse dichtvorm, bestaande uit één strofe (zie hieronder) van gewoonlijk zes of acht versregels, die elk elf lettergrepen tellen.

Streekroman
Het episch genre waarbij de gebeurtenissen zich afspelen in een landelijke omgeving. Vaak dienen gebruik van dialect of een dialectisch getint Nederlands, evenals beschrijving van folkloristische eigenaardigheden om de couleur locale te versterken.

Strofe
Afgeleid van het Griekse strôfê (wending).

  1. Een verbinding van verschillende verzen tot één metrisch geheel. Dit kan zowel isometrisch als polymetrisch zijn. Men onderscheidt onder andere (lees hierover bij de gelijknamige onderwerpen):
    a. distichon.
    b. terzine.
    c. kwatrijn.
    d. clausula.
    e. enjambement.

  2. De archè of inleiding van een epinikion.

Structurele taalwetenschap
De taalwetenschap die de structuur en interrelatie van alle taalelementen (fonemen, morfemen, woorden en hun betekenissen) als haar object beschouwt. Grondlegger van deze tak is De Saussure.

Style indirect libre
Zie erlebte Rede.

Suasoria
Het houden van een rede over een fictieve beraadslaging als klassieke oefening op de retorenscholen. De andere oefeningen waren: chrie, declamatie, controversio, laudatio en vituperatio.

Subcontrair
De eigenschap van (logische) uitspraken die zich zo tot elkaar verhouden dat ze niet tegelijk onwaar maar wel tegelijk waar kunnen zijn.
Bijvoorbeeld: 'Sommige A zijn B' en 'Sommige A zijn geen B'.

Subjectio

  1. De antwoorden van de imaginaire tegenstander in de percontatie.

  2. Het suggereren van degene die een vraag stelt, dat hij die ook beantwoordt. Vergelijk hypofoor en ratiocinatio.

Subject, Subjectum
Het onderwerp.

Subjectsaccusativus
Het subject (zie hierboven) van de accussativus cum infinitivo.

Subjectsverwisseling
De vorm van metonymie waarbij het bij een werkwoord verwacht onderwerp vervangen is door een aan de handeling in een andere functie gerelateerd zinsdeel.

Subjunctief, Subjunctivus
De aanvoegende wijs; coniunctief.

Subordinatie
Een onderschikking; een hypotaxis.

Subordinator
Een onderschikkend(e) woord(groep).

Substantief, Substantivum
Een zelfstandig naamwoord.

Substantivering
Het tot een substantief (zie hierboven) maken van een adjectief of van een werkwoord.
Bijvoorbeeld: de 'echt' (het huwelijk) is afgeleid van de Germaanse grondvorm 'aiwe' wat 'recht' of 'gewoonte' betekende. Uit deze Germaanse vorm stamde het 'in de echt verbinden' wat aangaf dat er een formele, wettige basis was voor het huwelijk. Later werd deze samenstelling gesubstantiveerd, waardoor 'echt' een substantief (zie hierboven) werd, dat niet noodzakelijk in de samenstelling zoals hierboven genoemd, gebruikt hoeft te worden.

Substantivum verbale
Een van een verbum afgeleid substantivum (zie hierboven).

Substitutie
Zie immutatie.

Substraat
De oorspronkelijke taal van een land, later door een ingevoerde taal vervangen.

Suffix
Een achtervoegsel; zie bij affix.

Suffixsubstitutie
Het vervangen van een suffix (zie hierboven) door een ander.
Bijvoorbeeld: 'diepe', met '-e'-suffix, door 'diepte', met '-te'-suffix.

Suisklank
De 'h'.

Superlatief, Superlativus
De overtreffende trap. Vergelijk met positief, comparatief en elatief.
Bijvoorbeeld: 'grootst', 'langst'.
In het Latijn heeft deze trap twee betekenissen: 'het langst' en 'zeer lang'.

Superstraat
De (taalkundige) bovenlaag.

Supinum
De Latijnse nominale werkwoordsvorm, vooral gebruikelijk bij werkwoorden van beweging om het doel van de beweging aan te duiden. Afgeleid van het Latijnse supinum (achterovergebogen).
Bijvoorbeeld: 'cubitum ire' (gaan slapen).

Suppletie

  1. Een toevoeging; een aanvulling.

  2. Het verschijnsel van onregelmatige vormen
    Bijvoorbeeld: de comparatief van 'goed' is niet 'goeder', maar 'beter'.

Supplicatie
Een verzoekschrift.

Suppressie
Zie detractie 2.

Surrealisme
De richting in de literatuur (en andere kunstvormen) die van het denkbeeld uitgaat dat de dingen niet zijn wat zij schijnen, maar een bovenverstandelijke betekenis hebben. Om deze (onbewuste) verbanden op te roepen combineert men voorwerpen of woorden zonder (waarneembaar) onderling verband.

Svarabhaktivocaal
Een vocaal die niet geschreven, maar wel uitgesproken wordt.
Bijvoorbeeld: in 'wilg' (uitgesproken als: willüg) is de 'ü' een svarabhaktivocaal.

Sygkysis
Een onduidelijke hyperbatos.

Sygnome
Het vergeven van onrecht tijdens een rede.

Syllabe
Een lettergreep.

Syllepsis

  1. Een constructie waarin de congruentie van twee elementen niet door de formele, maar door de semantische kenmerken wordt bepaald. Ook constructio ad sensum of constructio ad sententiam genoemd. Vergelijk synesis.
    Bijvoorbeeld: 'het meisje liet haar pop vallen'.

  2. De stijlfiguur waarbij één of meer woorden worden weggelaten. Het is een vorm van de ellips. Vergelijk zeugma.
    Bijvoorbeeld: 'Jij loopt op de stoep en ik op het gras', waarbij 'loop' is weggelaten.

  3. Het gegroepeerd zijn van anachronieën in een verhaal, bijvoorbeeld op grond van verwant motief, etc. Vergelijk met achronie.

Syllogisme

  1. Een sluitrede; het trekken van een conclusie uit twee oordelen. Het is een deductieve manier van bewijsvoering.
    Bijvoorbeeld: 'mensen zijn sterfelijk' (de major term), 'een koning is een mens' (de minor term), dus: 'een koning is sterfelijk.'

  2. Een aanduiding; zinspelen op iets.

Symboliek
Een zinnebeeldige voorstelling. Zie ook bij allegorie.

Symmetrie
Het gelijk verlopen van zinnen.

Symploke
Zie complexio.

Synaeresis
Zie syneresis (hieronder).

Synaloefe
Een grammatische figuur waarbij twee opeenvolgende klanken (van verschillende woorden) samensmelten. Een vorm van syncope. Vergelijk elisie, hiaat, syneresis en synizesis  (beide hieronder).

Synchisis
Het verhaspelen van woorden of de woordvolgorde in een zin.

Synchoresis
De spreker geeft degenen die hem ondervragen toestemming hem te beoordelen.

Synchrone verklaring
Een verklaring die is gebaseerd op gegevens betreffende de taalstudie die de bouw van een taal op een bepaald ogenblik van haar bestaan bestudeert, zonder rekening te houden met de ontwikkeling van de taalverschijnselen in de loop der tijden.
Antoniem: diachrone verklaring.

Syncope
De uitstoting van een klank midden in een woord. Gebruikt als stijlmiddel is het een vorm van detractie. Afgeleid van het Griekse kôpto (stoten). Vergelijk met afaeresis, apocope en elisie.
Bijvoorbeeld: 'broeder' werd 'broer'; 'kermis' ontstond uit 'kerkmis'.

Syncretisme
De samensmelting van de naamvallen van een taal.

Syncrisis
Het vergelijken van tegengestelde elementen in contrasterende clausula's.

Syndetisch
Verbindend.

Synecdoche
Een metonymische vergelijkingsbeeldspraak: aanduiding door de naam van een deel (= pars pro toto) of het tegenovergestelde: het noemen van het geheel (= totum pro parte). Afgeleid van het Griekse ekdôche (van een ander krijgen).
Bijvoorbeeld: 'Even de neuzen tellen', waarbij de aanwezigen bedoeld worden.

Syneresis
Een samentrekking van twee vocalen in een lettergreep. Ook synaeresis gespeld. Vergelijk synizesis (zie hieronder).
Antoniem: diëresis.

Synesis
Een constructie waarin de betekenis voorrang krijgt boven de strikt grammaticale vorm. Zie syllepsis 1.

Synesthesie
Een metaforische vergelijkingsstijl: het verbinden van zintuigen bij een indruk. Overgenomen van het Griekse sunesthesie (samen waarnemen).
Bijvoorbeeld: 'schreeuwende kleuren' of 'bittere spot'.

Synizesis
Het versmelten tot één klank van twee klanken die tot verschillende lettergrepen behoren. Vergelijk syneresis (zie hierboven).

Synoniem, synonymia
Verschillende woorden met (bijna) dezelfde betekenis.
Bijvoorbeeld: 'stoep' / 'trottoir' of 'concept' / 'ontwerp'.
Antoniem: antoniem.

Synonymie
Het gebruik van synoniemen binnen één uitdrukking.

Synonymiek
De leer der synoniemen.

Synopsis
Een korte schets of overzicht van een boek.

Syntagma
Een syntactische groep; een woordgroep.

Syntaktische homonymie
Het verschijnsel waarbij zinnen wat hun bouw betreft op verschillende manieren kunnen worden opgevat. Vergelijk lexikale homonymie.
Bijvoorbeeld: 'De derde heeft Jan gisteren een andere plaats gegeven.'

Syntaktische struktuur
De zinsbouw.

Syntaxis
De leer van de woordengroepen of zinsbouw van een taal; ordening van de woorden.

Synthetisch drama
De dramavorm waarbij de (voorgenomen) handelingen centraal staan vanuit de vraag: wie wil wat? Vergelijk analytisch drama.

Systole
De dichterlijke vrijheid die bestaat in het als kort gebruiken van een lange lettergreep. Antoniem: diastole.

Systrofe
Het opsommen van beschrijvingen van een ding zonder het te definiëren.

Syzygie
Een dipodie; een juk tussen twee woorden.

 

  © Maurice van Elburg
Niet zonder toestemming kopiëren.
 
  << Naar R  of  Naar T >>  
  Terug naar de homepage