De eerste fase van de retorica: Vinding
  De fase Vinding start met de Intellectio

In deze fase is het voor de redenaar van belang zich te oriënteren op de aard van zijn onderwerp, het doel van de rede en de samenstelling van zijn toehoorders. Van belang is ook de aard van zijn toespraak.

Om stof te vinden, beantwoordt de redenaar de bekende vragenreeks: "quis, quid, ubi, quibus auxiliis, cur, quomodo, quando?"

De belangrijkste vraag die de redenaar zich in deze fase stelt is: "Hoe stem ik mijn rede af op het publiek?" Wil de rede overtuigen, dient deze drie zaken doen:

  1. overtuigen (docere of probare);
  2. behagen (delectare);
  3. ontroeren (movere).
 
  Hierna volgt de Argumenta

Na de algemene oriëntatie volgt de fase waarin de redenaar bewijzen en  argumenten verzamelt of bedenkt om het publiek te overtuigen. Hierover is veel geschreven. Onderstaand sommen we diverse dwarsdoorsneden op die betrekking hebben op de samenstelling van de argumentatie in een rede.

 
Bewijsvoering

Volgens Aristoteles zijn er twee soorten bewijzen:

  • Feitelijke bewijzen, zoals getuigenis onder ede, documenten, wetenschappelijke analyses, wetstoepassing, etc.
  • Kunstmatige bewijzen, waarin hij drie typen onderscheidt:
    • Ethos
      Deze overtuigingsmethode tracht het karakter van de redenaar boven iedere twijfel te verheffen, waardoor zijn stelling makkelijk te accepteren is;
    • Pathos
      Bij het toepassen van deze methode tracht de redenaar emoties bij de toehoorders op te wekken die ertoe leiden dat ze zijn pleidooi accepteren;
    • Logos
      Dit betreft de methode waarop de feitelijke bewijzen in elkaars verband worden geplaatst en argumenten worden toegepast om deze bewijzen in een licht te plaatsen waardoor de redenaar in het gelijk wordt gesteld. Zie verder hieronder.
  Logische bewijsvoering

De argumentatie die kan worden gebruikt in de bewijsvoering is onder te verdelen in twee typen:

 
  Standaardargumentatie

Aristoteles geeft een uitvoerige classificatie van combinaties van argumenten. Zie topos in de woordenlijst voor de algemene onderverdeling ervan. De 28 bruikbare methodieken (volgens Aristoteles) zijn:

  1. Formuleer je standpunt op tegenovergestelde wijze. Dus: in plaats van "overdaad schaadt" zeg je "bescheidenheid siert de mens". Als de tegenovergestelde bewering klopt, dan geldt dat ook voor de oorspronkelijke.
  2. Herdefinieer een sleutelterm enigszins om je standpunt te ondersteunen of stel een synoniem voor dat het beter schijnt te doen.
  3. Gebruik een correlatief idee. Als je wilt bewijzen dat B terecht gestraft moet worden, bewijs dan dat A het recht heeft hem te straffen.
  4. Argument a fortiori. Als je wilt bewijzen dat A op een gegeven moment wreed heeft gehandeld, toon dan aan dat hij op een ander moment nóg wreder heeft gehandeld.
  5. Redeneer vanuit omstandigheden in het verleden. Wat op een gegeven moment is beloofd, moet op een later moment worden uitgevoerd, ook al hebben tijd en omstandigheden zich misschien gewijzigd.
  6. Beschuldig de beschuldiger. De morele superioriteit die wordt geïmpliceerd, wordt op die wijze aangevallen. Dit werkt niet als de beschuldiging overduidelijk terecht is, want als je iets doet, kan je anderen niet effectief terechtwijzen dat zij hetzelfde doen.
  7. Definieer je uitdrukkingen dusdanig dat het je argumenten in een gunstig licht plaatst.
  8. Speel met verschillende betekenissen van een woord.
  9. Deel je argumenten op in logische onderdelen.
  10. Redeneer vanuit zuivere inductie (parallelle zaken).
  11. Redeneer vanuit autoriteit of voorgaande vonnissen.
  12. Beredeneer je standpunt stap voor stap.
  13. Redeneer vanuit gevolgen, goed of slecht.
  14. Als een actie goede of slechte gevolgen kan hebben, draai dan de argumenten van de tegenstander om. Aristoteles' voorbeeld: Gebruik geen retorica. Als je de waarheid zegt, zullen mensen je haten; als je liegt, zullen de goden je haten. Gebruik wel retorica. Als je liegt, zullen de mensen van je houden; als je de waarheid zegt, zullen de goden van je houden. (Variatie op 13).
  15. Ga een argument tegen door te doen alsof je het erkent en dan te betogen dat de dingen niet zijn zoals ze eruit zien. Als je tegenstander dit juist betoogt, beweer dan dat de dingen wel zijn zoals ze eruit zien.
  16. Redeneer vanuit logische gevolgtrekkingen. Als een man oud genoeg is om voor zijn land te vechten, is hij oud genoeg om te stemmen. Moeten we dan ook beweren dat degenen die te ziek zijn om te vechten niet hoeven stemmen?
  17. Beredeneer dat als twee resultaten gelijk zijn, hun oorzaken ook gelijk moeten zijn.
  18. Pas een vroegere beslissing van een tegenstander toe op een latere zaak, tot zijn nadeel.
  19. Stel het mogelijke motief voor als het feitelijk overheersende.
  20. Als je het individuele motief behandelt, wijs dan op algemene motieven of verboden (voor of tegen, afhankelijk van welke kant je hebt gekozen).
  21. Overtuig mensen van een onwaarschijnlijkheid door te wijzen op een nog grotere die toch waar is.
  22. Betrap je tegenstander op onzorgvuldigheden en tegenstrijdigheden.
  23. Weerleg laster door aan te tonen dat het is ontstaan door een verkeerde kijk op de feiten.
  24. Toon het effect aan door de oorzaak te tonen of vice versa.
  25. Toon aan dat een cliënt of een zaak een beter argument had en verzuimd heeft dit te gebruiken. Alleen betrouwbare onschuldigen maken zo'n fout.
  26. Ontken een actie door aan te tonen dat deze niet consistent is met voorgaande acties.
  27. Gebruik vroegere fouten als een verdediging (of verklaring) van huidige.
  28. Ondersteun een argument door te spelen met de betekenis van namen. Bijvoorbeeld: "De heer Spijker is een harde man."

Aristoteles somt ook 10  methodieken op die volgens hem niet gebruikt mogen worden:

  1. Een conclusie trekken als was je aan het einde van een redeneerproces, zonder dat je het volledige proces hebt doorlopen.
  2. Spelen met onlogische, toevallige overeenkomsten tussen woorden.
  3. Een uitspraak doen over het geheel, terwijl deze alleen geldt voor een deel, en vice versa.
  4. Verontwaardigd taalgebruik.
  5. Het gebruik van een afzonderlijk, niet representatief voorbeeld.
  6. Het toevallige als essentieel beschouwen.
  7. Vanuit gevolgen redeneren.
  8. Argumenten post hoc (ergo) propter hoc gebruiken. (Omdat A vóór B gebeurde, moet A de oorzaak zijn van B).
  9. Cruciale omstandigheden negeren.
  10. Verklaren - vanuit bedrieglijke verwarring van het algemene en het specifieke - dat het onwaarschijnlijke waarschijnlijk is, en vice versa.
 
  Thesis en hypothesis

Hermagoras verdeelde politieke kwesties onder in twee typen:

  1. Thesis
  2. Hypothesis
 
  Terug naar de inleiding Verder naar Ordening  
  Terug naar de homepage  
  © Maurice van Elburg