Retorica of retoriek?
In zijn Rhetorica stelt Aristoteles drie soorten overtuigingsmiddelen vast:
  1. het karakter van de spreker ('ethos');
  2. de emotie die zijn woorden oproepen ('pathos');
  3. zijn redeneringen ('logos').

Het overtuigen van toehoorders hangt mede af van de mate waarin de spreker zijn publiek op deze drie terreinen weet te beïnvloeden. Wanneer retorica echter slechts een zaak van logica of redeneren zou zijn, zou het inderdaad verbazing wekken dat deze kunstvorm de negatieve associatie opwekt, zoals nu het geval is. Ik betoog dat juist door de kunstjes op deze terreinen ‘pathos’ en ‘logos’ de negatieve associatie rond retorica ("retoriek") is ontstaan. Kort gezegd komen de stijlmiddelen die hiervoor aangewend (kunnen) worden namelijk neer op bedrog; en wie wil nu graag bedrogen worden?

De misleiding begint al bij aanvang van de rede. De spreker die zijn toespraak al keer op keer heeft geoefend en vrijwel uit zijn hoofd kent, begint aarzelend met: "'Het is moeilijk te weten waar te beginnen...". Deze stijlvorm, die aporia wordt genoemd, geeft de toehoorders het gevoel dat de spreker zijn rede nog niet zijn definitieve vorm heeft gegeven, waarmee hij wellicht de indruk wil wekken dat hij tot het laatst toe openstond voor nieuwe (tegen)argumenten. Daarnaast is het vaak irritant te luisteren naar een ‘betweter’, terwijl het bij de eerste woorden reeds duidelijk is dat déze spreker niet tot die categorie behoort. Deze stijlfiguur kan natuurlijk ook middenin een rede worden toegepast ("Het is moeilijk te weten waar verder te gaan…"), maar voor hetzelfde doel staat hem ook de dubitatie ter beschikking, waarbij de spreker zich afvraagt hoe hij een bepaald probleem zal aanpakken of welke naam hij eraan zal geven. Dezelfde indruk zal gewekt worden door gebruik van correctie, waarbij de spreker zichzelf corrigeert.

Wanneer de toespraak direct volgt op het betoog van de tegenpartij, kan de spreker zijn publiek op het verkeerde been kunnen zetten door een (schijnbare) toegeving, de epitrope, in de trant van: "Het zou inderdaad kunnen schijnen dat..., maar...". De kracht van dit middel zit natuurlijk in het woord ‘schijnen’, want door het gebruik ervan vervalt de onmiddellijke noodzaak om de argumenten van de voorganger inhoudelijk te ontzenuwen. Zonder dit in zoveel woorden te zeggen, wekt de spreker hiermee de indruk dat de vóórganger degene was, die het publiek misleidde met valse argumenten.

De kunst om de indruk te wekken dat de spreker fatsoenlijk is en zijn tegenstander niet, heet parrhesia en een veelgebruikt voorbeeld in inleidende zinnen (met name in discussies) is: "Met alle respect…". Uit wat zal volgen, blijkt waarschijnlijk dat degene die dit zegt helemaal geen respect heeft voor degene die de voorgaande uitspraak deed en al helemaal niet voor de uitspraak zelf, maar de indruk is gewekt en daar ging het om.

Nu de eerste cruciale zinnen zijn gesproken, is het natuurlijk zaak de uitstraling van een uiterst fatsoenlijk redenaar te behouden en ook hiervoor staat weer een arsenaal aan technieken ter beschikking.

Elke toehoorder weet wel een argumentum ad hominem te onderscheiden en het gebruik ervan zal de spreker vaak onsympathiek doen overkomen, wat natuurlijk ingaat tegen het eerste punt van Aristoteles. De kunst is dan ook het argument wél te introduceren, maar te doen alsof dat niet is gebeurd. Hiervoor zijn er een aantal sterk aan elkaar verwante stijlfiguren ontwikkeld, bijvoorbeeld de apofasis, waarbij de spreker iets noemt, terwijl hij tegelijkertijd verklaart dat hij de intentie heeft datgene niet te noemen; het is dus het ontkennen een onderwerp te willen opwerpen en dat tegelijkertijd doen. Bijvoorbeeld: "Wij kunnen elke verwijzing naar ... weglaten". Dit is sterk verwant aan de paralepsis (soms ook pareopesis genoemd), waarbij de spreker iets noemt, onder de schijn van verzwijgen: "..., om nog maar te zwijgen van...".

Een andere mogelijkheid is het te doen overkomen of datgene wat gezegd wordt een vorm van ongewenste loslippigheid is, een vergissing. Door middel van dit stijlmiddel, de pretermissie, wekt de spreker dus de indruk dat hij niet zozeer onfatsoenlijk was, maar eerder indiscreet, iets wat hem eerder zal worden vergeven.

Het tegenovergestelde van bovengenoemde stijlfiguren is het niet noemen van bepaalde woorden of zinnen, de zogeheten preteritie; hierdoor krijgen deze extra nadruk. Aangezien het natuurlijk nooit zeker is hoe anderen de gedachteketen zullen vervolgen, is dit een middel dat alleen kan worden toegepast wanneer er feitelijk maar één gedachte mogelijk is in de stilte die valt. Doordat bij deze stijlfiguur, de aposiopesis, de spreker zijn zin plotseling afbreekt, wordt de lezer of luisteraar gedwongen de gedachteloop van de schrijver of spreker te volgen of voort te zetten. Door deze methode wordt, zonder dat de boodschap letterlijk wordt vermeld, een extra nadruk op de betekenis van het niet uitgesproken gedeelte gelegd. Dit kan tevens gedaan worden als vorm van ironie of om het absurde van een voorstel te doen uitkomen. Een ander aspect dat het niet-uitgesproken argument extra kracht geeft, is het feit dat de gevolgtrekking bij de toehoorder ligt.

Een bekende hieraan verwante techniek is de retorische vraag. De bedoeling ervan is niet een antwoord te krijgen. In feite is de retorische vraag geen echte vraag, maar een nadrukkelijke mededeling in de vorm van een vraag. Ook hierbij wordt het antwoord door de toehoorder gegeven, wat het betoog overtuigingskracht kan geven.

Wanneer de spreker er niet helemaal zeker van is dat de toehoorders (in gedachten) het juiste antwoord zullen geven, kan hij gebruik maken van de hypofoor, waarbij hij de vraag stelt en zelf het antwoord geeft.

Een andere methode om directe confrontatie te ontlopen, is de stijlfiguur aversio (ook wel metabasis genoemd). Hierbij wendt de spreker zich af van zijn publiek; hij kan dit doen op drie manieren:

  1. de sermocinatie, waarbij de redenaar via een (ingebeelde) toespraak of brief een andere persoon laat spreken in de directe rede;
  2. de digressie: hierbij dwaalt de spreker af van het eigenlijke thema om een rede op te smukken met bijkomstigheden of zaken die slechts zijdelings met het thema te maken hebben;
  3. de apostrof, waarbij de redenaar tot iemand spreekt die niet aanwezig is.

Een veelgebruikte vorm van de sermocinatie is de zogeheten percontatie, waarbij de redenaar een denkbeeldige dialoog aangaat met de tegenstander van zijn stelling of zijn publiek. Het voordeel hiervan is dat er grote sturingsmogelijkheden zijn en de indruk wordt gewekt dat op elk tegenargument wel een antwoord is. Een voorbeeld dat vaak wordt gehoord, is: "Nu zult u zeggen: ‘Hoe zit het dan met…?’ Het antwoord hierop is eenvoudig…".

In hetzelfde ‘debat’ waarbij één partij slechts denkbeeldig deelneemt, is het mogelijk het onderscheid tussen twee aan elkaar tegengestelde meningen of bewoordingen af te zwakken, de zogenoemde conciliatie. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan door correctie toe te passen op de woorden van de tegenpartij: "U noemde het probleem… Het lijkt mij beter te spreken over…". Woorden van deze strekking worden vaak opgevat als een indicatie dat de spreker (of zijn partij) bereid is tot verzoening of een compromis.

Wanneer de spreker door het gebruik van bovenstaande stijlmiddelen er voldoende van overtuigd is dat hij zijn toehoorders gunstig weet te stemmen ten opzichte van zichzelf, zijn stelling of beide, kan hij zich richten op de inhoud van zijn betoog, het derde punt van Aristoteles. En zelfs daarbij kan hij zijn publiek op diverse manieren om de tuin leiden, bijvoorbeeld door de paralogisme, een valse redenering, waarbij ‘appelen met peren’ worden vergeleken. Daarbij kan handig gebruik gemaakt worden van de beperkingen van het syllogisme, waarvan een simplistisch voorbeeld:

  •     Socrates is een mens
  •     Ik ben een mens
  •     Ik ben Socrates

De spreker kan bijvoorbeeld uitgaan van de conclusie die door zijn tegenstander werd getrokken en van daaruit ‘achterwaarts’ redenerend aantonen (al dan niet gerechtvaardigd) dat de premissen ervan niet juist zijn. Dit kan eenvoudig zijn wanneer de voorgaande spreker gebruik heeft gemaakt van het enthymeem en één of beide premissen niet heeft uitgesproken. Hij kan doen schijnen dat de redenering van zijn tegenstander een modus ponens was, een redenering met twee premissen waarvan de eerste een conditionele uitspraak is (een 'als... dan...'-redenering) en vervolgens aantonen dat aan de voorwaarde niet wordt voldaan en de conclusie derhalve niet gerechtvaardigd is. Dit is slechts één voorbeeld van vele mogelijkheden om, door misbruik te maken van de logica of door gebruik van de beperkingen ervan, het publiek te misleiden.

Waarschijnlijk is hiermee voldoende aangetoond dat retorica niet voor niets argwanend wordt beschouwd. Een belangrijk deel van de kunst van retorica is de stijlmiddelen (de kunstjes) dusdanig aanwenden dat de toehoorders niet in de gaten hebben dat ze misleid worden, maar het gevoel hebben dat ze door steekhoudende argumenten overtuigd zijn.

  © Maurice van Elburg  
  Terug naar de homepage