De vijf fasen van de retorica  

Cicero schreef in zijn De Oratore (boek 1, xxxi, 142-143):

"Elke activiteit en vaardigheid van een redenaar behoort bij één van vijf fasen. ... Eerst moet hij stuiten op wat hij moet zeggen; dan moet hij zijn ontdekkingen juist behandelen en ze rangschikken, niet alleen op ordelijke wijze, maar met een onderscheidend oog voor het exacte gewicht als het ware van elk argument; vervolgens moet hij ze tooien met de versierselen van stijl; daarna moet hij ze in zijn geheugen opslaan; en tenslotte moet hij ze doeltreffend en elegant voordragen".

Deze vijf fasen - de plichten van de redenaar (officia oratoris) ofwel de pijlers van de retorica - zijn:

  1. Vinding (Latijn: inventio, Grieks: euresis)
  2. Ordening (Latijn: dispositio, Grieks: taxis)
  3. Verwoording (Latijn: elocutio, Grieks: lexis)
  4. Geheugen (Latijn: memoria, Grieks: mnêmê)
  5. Voordracht (Latijn: actio, Grieks: hupôkrisis)

Voor elk van deze fasen zijn diverse (hulp)middelen beschreven en zelfs voorgeschreven. Klik op de naam van de fase om deze (hulp)middelen te bestuderen.

Niet alle handboeken volgen de indeling van Cicero. Anderen - zoals Quintilianus - volgen wel de indeling in 5 fasen, maar beschrijven er slechts 3 (Vinding, Ordening en Verwoording). Hierin volgen wij Quintilianus en we beschrijven dus alleen de eerste drie fasen.

  Terug naar de homepage  
  © Maurice van Elburg