Stijlfiguren: een overzicht
Bij het verwoorden van de argumenten in een rede, diende de redenaar ervoor te zorgen dat zijn rede drie zaken zou doen:
  1. overtuigen (docere of probare);
  2. behagen (delectare);
  3. ontroeren (movere).

Hiervoor had de redenaar talloze stijlfiguren ter beschikking. Deze stijlfiguren zijn een middel tot verfraaiing (ornatus) van de stijl, waarbij wordt afgeweken van het normale taalgebruik. Ruwweg kunnen deze stijlfiguren worden onderverdeeld in twee categorieën:

  1. Woordfiguren:
    1. Grammaticale woordfiguren, waarbij de woorden de oorspronkelijke betekenis behouden, maar in een significante volgorde worden geplaatst;
    2. Retorische woordfiguren, waarbij een woord wordt gebruikt in een andere betekenis dan de normale, zoals een metafoor;
  2. Gedachtefiguren, waarbij de grammaticale of retorische figuur (of een combinatie ervan) over langere periode wordt volgehouden, zoals in een allegorie.

Onderstaand staan links naar groeperingen van woordfiguren.

   
  © Maurice van Elburg  
  Terug naar de homepage