De derde fase van de retorica: Verwoording
De stijl waarin de rede wordt gehouden, moet zijn afgestemd op de gelegenheid en het publiek. Er worden vier stijlen onderscheiden:
  1. genus humile of extenuatum: eenvoudige stijl in duidelijke, concrete taal met als doel: leren en bewijzen;

  2. genus medium of temperatum: gematigde stijl met gebruik van retorische figuren met als doel: aangenaam onderhouden en succes oogsten;

  3. genus sublime of grande: zware stijl met veel pathos en opsmuk met als doel: ontroeren;

  4. genus tumidum: gezwollen stijl met een overdreven gebruik van retorische figuren en zeldzame woorden met als doel: imponeren en eruditie tonen.

Omdat de vierde stijlvorm niet rechtstreeks een "praktisch" doel had, treft men ook vaak een onderverdeling in drie stijlen aan:

  • eenvoudig (om te overtuigen (docere));

  • gematigd (om te behagen (delectare));

  • gezwollen (om te ontroeren (movere)).

Een andere indeling - op basis van historische ontwikkelingen:

  1. Asianisme
    De stijl in de welsprekendheid, vooral gehuldigd in de opbloeiende Ionische kuststeden van Klein-Azië, na de bevrijding van de Perzen door de verovering van Alexandros de Grote in de 3e eeuw v.G.T. De redenaars maakten zich vrij van de klassieke binding aan de afgemeten, goed geproportioneerde stijl van de Attische redekunst.
    Het asianisme werd gekenmerkt door korte, afgekapte zinnetjes met ritmische woordplaatsing, die zangerig aandeed. Daarbij was de stijl bombastisch, gezwollen. Deze mode, die ook op andere literaire vormgeving haar stempel drukte, bloeide tot aan het einde van de Romeinse republiek. In zijn jeugdjaren gaf Cicero ook hieraan zijn voorkeur. Doch het atticisme won meer en meer aanhang, al bleef het Latijnse proza ook in de keizertijd sterk onder invloed van het asianisme.

  2. Atticisme
    De stijlreactie tegen het asianisme (2e eeuw v.G.T.). De retorische beweging tegen het onnatuurlijke en bombastische van het asianisme haalde het in de 1e eeuw v.G.T. en kende ook in Rome zijn hoogtepunt in de 2e eeuw G.T., al bleef het asianisme voortwoekeren. Het atticisme nam voor zijn klassieke Attische taal de grote meesters van de 5e en 4e eeuw v.G.T. als voorbeeld. Stijlvoorbeelden waren Lysias en Demosthenes. Vooral Dionysios van Halikarnassos was als redenaar hiervan de voornaamste vertegenwoordiger in de 1e eeuw v.G.T. Julius Caesar was er eveneens een voorstander van. Nadat de Koinè in de 2e eeuw G.T. door het Neo-Attisch was verdrongen, werden atticistische lexica aangelegd, aan de hand waarvan men weer juist leerde schrijven.

  3. Rhodische stijl
    Deze stijlvorm stond ongeveer tussen het asianisme en atticisme in.

  De stijldeugden

In navolging van beroemde redenaars als Cicero en Quintilianus, geven de klassieke handboeken vier voorwaarden waaraan een goede rede moet voldoen:

  1. Correctheid: de regels van de grammatica en woordvorming dienen te worden nagevolgd. Tevens mogen geen vreemde insluipsels uit andere talen worden gebruikt (taalzuiverheid behouden);

  2. Helderheid: de argumenten van de redenaar dienen overzichtelijk en in duidelijke zinnen worden gepresenteerd aan degenen die overtuigd moeten worden;

  3. Gepastheid: de woordkeus en opbouw moet aansluiten bij de persoonlijkheid en uitstraling van de spreker, geschikt zijn voor het onderwerp en aangepast zijn aan het publiek;

  4. Verfraaiing: de rede dient te boeien, doordat er gesproken wordt in verrassende beeldspraak en fraai gestileerde zinnen.

 
  Stijlfiguren

De redenaar kon putten uit een enorme hoeveelheid stijlfiguren. Deze worden gecategoriseerd op deze pagina.

 
 
 
Terug naar Ordening  
Terug naar de inleiding Terug naar de homepage
© Maurice van Elburg