Bijgeloof bestaat niet

Enkele aspecten van geloof in Waterland rond 1900

plaatjes

Theo Meder

 

Het thema van de week van de geschiedenis is dit jaar 'geloof en bijgeloof'. Vanuit mijn achtergrond als etnoloog (vroeger heette dat volkskundige) en volksverhaal-onderzoeker van het Meertens Instituut in Amsterdam wil ik over dit thema mijn licht laten schijnen. Er is in elk geval één belangrijk statement dat ik hier wil maken, namelijk: bijgeloof bestaat niet. Alleen geloof bestaat. Geloof is een gemoedstoestand - bijgeloof is een waardeoordeel.

Ik wil een stukje voorlezen uit de Bijbel, uit het evangelie van Mattheus, als net verteld is dat de discipelen het Meer van Galilea zijn opgevaren. Dan voegt Jezus zich bij hen, lopend over het water:

 

In de vierde nachtwake kwam hij tot hen, wandelende over de zee. Toen de discipelen hem op de zee zagen wandelen, verschrikten zij en riepen: Het is een spooksel! En zij schreeuwden het uit van angst. Doch terstond sprak Jezus hen toe en zeide: Hebt goeden moed, ik ben het; vreest niet. (Mattheus 14:25-28)

 

De arts Cornelis Bakker verzamelde rond 1900 in Broek in Waterland en omstreken volksverhalen op verzoek van de neerlandicus Gerrit Jacob Boekenoogen. In 1901 schrijft Bakker over Grietje Holleman, van wie men beweerde dat ze een heks was:

 

Grietje Holleman (u bekend) zei altijd, dat als men 's nachts om twaalf uur ging kijken, men dan haar geest over het water kon zien zweven. (CBAK0191)

 

Nu ziet het er naar uit, dat ze niet lijfelijk over het water kon lopen, maar dat haar geest wel over het water kon gaan. Maar er zijn ook verhalen over heksen, van wie beweerd werd, dat zij ook lijfelijk over het water konden lopen. Er bestaat ook een sagentype waarin heksen echt over het water gaan - de volkskundige J.R.W. Sinninghe typeert deze sage in zijn catalogus als "Hexe geht über das Wasser". Bakker tekende het volgende verhaal op in 1899:

 

Er stond een molen buiten de stad. Die molen was niet te bereiken dan over een stuk land dat bij hoog water blank stond. Op een goeden dag stond het land onder water. De molenaar was met zijn meisje naar de stad geweest. Bij het land wilde hij afscheid van haar nemen en zelf door het water waden. Zij wou echter met hem mee naar den molen.

"Ga dan maar op mijn rug zitten."

Dit wilde zij niet.

"Dan zul je natte voeten krijgen."

"Geen nood."

De molenaar waadde door het water; zijn meisje wandelde er over en haar muiltjes kletterden op het zilte nat zonder dat ze zelf natte voeten kreeg.

Dit trok de molenaar zich zoo aan dat hij ziek werd.

De deur van den molen bestond uit twee deelen: uit een onder- en een bovendeur. Toen hij een dag ziek was, wipte een hen over de onderdeur en kakelde dat het zoo een aard had. De moeder van den molenaar joeg haar weg.

Den volgenden dag verscheen de hen weer, kakelde weer hevig en vertrok eerst toen ze verjaagd was.

Den derden dag zei de molenaar: "Moeder, geef mij het turfbijltje op bed."

"Wat moet je daar mee doen?"

"Dat gaat je niet aan. Als de kip komt, mag je niet jagen."

De kip kwam, kakelde en kwam al dichter en dichter bij het bed. Toen de molenaar dacht dat zij dicht genoeg bij was, wierp hij met de bijl. De hen werd verwond en verdween.

Den volgenden dag vertelde de moeder van den molenaar dat zijn meisje ziek was; ze lag te bed en had de bil gebroken.

"Daarvoor moest ik het bijltje hebben," zei hij daarop: "Mijn meisje is een kol. Zij was de kip. Ik heb haar verwond en ik wil niet met haar trouwen." (CBAK0026)

 

Hier hebben we dus al een verhaal waarin de heks daadwerkelijk over het water loopt. Bakker tekende in 1901 nog zo'n verhaal op, nu met een mannelijke heks of tovenaar in de hoofdrol:

 

Op een schip kreeg ieder matroos dagelijks een oorlam. Op zekeren dag was er wat gebeurd waarom de equipage gestraft werd met inhouding van de oorlam. Toen vroeg één der bemanning of hij de matrozen wat schenken mocht zonder in de kombuis te komen. De kapitein stond dit toe. Toen haalde hij een kraantje uit zijn zak, draaide dit in de mast en tapte aan ieder een bittertje, brandewijntje of iets anders naar hun begeeren. Ieder was natuurlijk ten hoogste verwonderd.

Toen men een poos in zee was en geen land te bekennen was, kreeg die matroos het benauwd. Hij verzocht aan den kapitein de valreep zakken te laten en hem er af te laten. Deze dacht dat hij gek werd. Doch daar hij al benauwder werd en bleef aandringen, stond men zijn verzoek toe. Hij klom naar beneden en wandelde op het water. Daar het schip een groote vaart had, zag de bemanning hem al meer en meer van het schip verdwijnen. Hij zakte ten slotte al dieper en men kon met den verrekijker alleen zijn hoofd nog onderscheiden, zoodat hij waarschijnlijk verdronken is.

(Beets) (CBAK0190)

 

Voor velen van u zal het duidelijk zijn: als Jezus over het water loopt, is dat geloof. Als een heks over het water loopt is dat bijgeloof. Zo wordt dat altijd ingedeeld. Maar wat is nu eigenlijk het verschil? Bovendien, de kans is groot, dat de vertellers van de verhalen destijds allebei hebben geloofd. Ze geloofden dat Jezus over het water heeft gelopen en dat heksen over het water konden lopen. Beide elementen maakten integraal onderdeel uit van hun geloofssysteem.

Op 28 november 1996 was ik op bezoek bij Piet Groot, een 86-jarige Broeker boer in ruste, en op zeker moment kwam het gesprek op verhalen over nachtmerries die de paarden 's nachts in de stal plagen en over heksen. Piet Groot karakteriseert de verhalen meteen in één woord: "Bijgeloof!" Hij beweert dat dat soort verhalen in zijn jeugd niet voorkwamen, maar wel in de achtergebleven gebieden in Gelderland en Noord-Brabant. Er wordt verteld over een overleden heks die niet door de poort van het kerkhof mocht, maar door een gat in de heg het kerkhof werd opgedragen. Mevrouw Groot eindigt met de vaststelling: "Een idioot gedoe, want ze waren zó christelijk. En dan waren ze toch zó bijgelovig. Dat kan je toch haast niet rijmen."

Maar eerlijk gezegd zag ik het onderscheid niet zo. De kerk heeft door de eeuwen heen - op z'n zachtst gezegd - nou niet bepaald zijn best gedaan om het geloof in heksen en tovenaars met wortel en tak uit te roeien, niet in de laatste plaats omdat tovenaars en heksen ook in de Bijbel voorkomen (denk maar aan Simon de Tovenaar en de Heks van Endor). Het christelijk geloof belijdt dat er meer is tussen hemel en aarde, en het zogenaamde bijgeloof ook. Ik kon eigenlijk heel goed begrijpen hoe mensen, die geloofden in de wonderbaarlijke bijbelverhalen, ook nog wel konden geloven in het bestaan van toverkollen.

Is er wel een verschil tussen geloof en bijgeloof? Eigenlijk niet. Het zijn allemaal vormen van geloof, en etnologen en antropologen spreken dan ook liever van volksgeloof of volksdevotie. Of men nu gelooft in God, in Allah, in Krishna, in Wodan, in Zeus, in natuurgeesten, in spoken, in mediums, in sjamanen, in gebedsgenezers of in mensen die kunnen toveren... het zijn allemaal vormen van geloof. En niemand kan objectief uitmaken wat het ware geloof is.

Hoe komen we dan aan dat onderscheid tussen geloof en bijgeloof? Dat onderscheid is in het verleden gemaakt door christelijke wetenschappers, die zeker meenden te weten dat alleen het christendom de ware godsdienst was. Men had dus het ware geloof, en dan nog vals geloof dat erbij kwam: bijgeloof, geloof bij het ware geloof. Verhalen over spoken, heksen, tovenaars, weerwolven en kabouters werden sagen genoemd - naar het Duitse woord 'sagen', datgene wat in de mondelinge overlevering gezegd of verteld wordt. Een kenmerk van een sage is dat het vertelde niet echt waar is. Zoals ik al zei: bijgeloof is een waardeoordeel. Het waardeoordeel luidt: sagen zijn niet waar en dus een vorm van bijgeloof. Volgens diezelfde christelijke geleerden waren de verhalen uit de Bijbel geen sagen, maar ware verhalen. Dat Noach een koppel pinguins heeft meegenomen in de ark, dat Jonas in de walvis heeft gezeten, dat Jezus water in wijn heeft veranderd, brood en vis heeft vermenigvuldigd, zieken heeft genezen, overledenen uit de dood deed opstaan, duivels heeft verdreven en zelf uit de dood is herrezen, dit alles moest men liefst toch voor waar aannemen.

Alle volksverhalen zijn - vanuit deze optiek - niet waar: sprookjes, moppen, raadsels en fabels zijn fictie, sagen en legenden zijn niet waargebeurd. Volgens de protestants-christelijke geleerden behoren ook legenden (van het Latijnse 'legere'; een verhaaltje dat wordt voorgelezen) tot het domein van het bijgeloof, en wel het paapse bijgeloof: verhalen over heiligen of heilige voorwerpen, waaromheen wonderbaarlijke gebeurtenissen plaatsvonden werden veroordeeld tot katholieke bijgelovigheid. Vanuit katholiek perspectief ligt dit natuurlijk al weer heel anders: wonderen verricht door Bonifatius of Sint Servaas of de Heilige Lidwina van Schiedam kunnen volgens de katholieken wel degelijk op waarheid berusten. Binnen het christendom kunnen protestanten en katholieken het dus al niet eens worden over wat bijgeloof is en wat geloof.

Vanuit de etnologische optiek is er alleen geloof en - zoals gezegd - geen bijgeloof. Marokkanen kunnen veel verhalen over geesten vertellen, de zogenaamde djinns en djinnies. Deze verhalen komen uit het dagelijkse leven, maar maken onderdeel uit van hun moslimgeloof als geheel. Bovendien komen djinns en djinnies ook in de Koran voor, en zo loopt het ene geloof naadloos in het andere over.

 

Dit gezegd hebbende, stellen we de vraag welke vormen van traditioneel 'bijgeloof' de verzamelaar en arts Cornelis Bakker bij zijn eenvoudige patiënten in het Waterland van rond 1900 aantrof. We hoeven eigenlijk alleen maar te kijken naar de sagen, want er is in het puur protestantse Broek en omgeving maar één legende heel summier opgetekend, namelijk die over het Hostiewonder van Amsterdam, waarvan de Stille Ommegang op 15 maart nu nog een overblijfsel is.

Staan we om te beginnen stil bij de hekserij. Bij het lezen van de inzendingen van Bakker verbaasde het mij dat er bij zijn eenvoudige informanten nog zo erg geloofd werd in het bestaan van hekserij aan het begin van de 20e eeuw. Eén van de favoriete bezigheden van de heks of kol was het ziek maken van kinderen. Soms komt men erachter, doordat er een heksenkrans in het kussen van het slachtoffer gevonden wordt (in feite niet veel meer dan klonters veren in een kring).  Een remedie was het bakken van de veren in een pan, of zelfs het bakken van een levende kip. Verder konden de heksen van gedaante veranderen, en bijvoorbeeld 's nachts als katten bijeenkomen om te dansen rond een avondmaalsbeker (een satanisch ritueel). Ze kunnen mensen treffen voor middel van voodoo, door spelden in een poppetje te steken. Een kol kan ook als een nachtmerrie de stal binnendringen en de ganse nacht lang de paarden afmatten. De vrouwen die in de omgeving van Broek beticht werden van hekserij, daar was doorgaans iets mis mee; het ging in veel gevallen om bejaarde weduwen, soms armoedig, zwak of ziekelijk. Grietje Holleman was neurotisch en stond zichzelf erop voor om te kunnen heksen. Mie Roele was ook neurotisch en had een afstotelijke oogkwaal. Pietertje Huisman leed aan godsdienstwaanzin en stierf uiteindelijk krankzinnig. Trijntje Parrekiet rookte, pruimde en zoop als een kerel.

De praktijk van voodoo klinkt wellicht erg exotisch, maar het betreft een puur Nederlands verhaal, verteld door Gerrit Eysker uit Beets op 7 november 1901:

 

Een schippersknecht te Hoorn was getrouwd. Om den anderen nacht moest hij als beurtschipper 's nachts van huis om te varen. Dan werd hij 's nachts benauwd en zweette en kwijnde als sneeuw voor de zon. Iemand kwam op het idee dat zijn vrouw de schuld wel kon hebben. Hij ried den schippersknecht dus aan, die nacht thuis te blijven, zich te verschuilen en te zien wat zijn vrouw deed. Dit deed de knecht. 's Nachts om elf uur haalde zijn vrouw een doos uit de kast. In die doos was een pop. Die pop stak zij met spelden. Eerst het hoofd. Daarna de beenen en zoo vervolgens zooals de cijfers aangeven. Als ze in het hart in 11 had gestoken, dan was hij dood geweest. Hij heeft de pop genomen en verbrand, en is van zijn vrouw gescheiden. (CBAK0275)

 

Over vormen van spokerij zijn ook regelmatig verhalen verteld: het betreft soms onbestemde spokerij van een klop- of plaaggeest, of een vorm van voorloop, dat wil zeggen een voorteken van toekomstige gebeurtenissen of naderend onheil. Maar in de meeste gevallen gaat het juist om naloop: een rusteloze ziel keert terug naar de aarde en blijft ronddolen tot een bepaalde vorm van onrecht ongedaan wordt gemaakt. Veel verhalen over naloop betreffen in de Collectie Bakker de zogenaamde schatsagen. Hier volgt een voorbeeld, verteld door veehouder Jan Lof uit Zuiderwoude op 26 juni 1911:

 

Vroeger stond er bij Monnikendam een oude boereplaats, waar nou die nieuwe van Sluis staat. Nou, daar spookte het. Op een goeie dag kwamen er soldaten van Hoorn, en die vroege om nachtkwartier, omdat ze al zoo ver geloopen hadden. Dat konne ze niet krijgen, maar ze moste maar in de plaas gaan slapen. Dat woue ze niet, dus bleve ze liever buiten.

Maar één was er dan toch, die docht: ik zal het maar wagen.

Toe het 's nachts twaalf uur werd, werd ie wakker door een erg leven boven zijn hoofd, en toe kwam er een vrouw in 't wit de trap af, en was de kamer hel verlicht.

"Je hoeft niks bang te weze," zei ze, "as je maar belooft datgene te vervullen dat ik heb nagelaten bij me leven."

"Dat beloof ik," zei die.

"Een pand erop," zei ze.

Toe haalde hij zijn zakdoek uit zijn zak. Die pakte ze an en toe verbrandde nie heelemaal.

Toe zei ze: "Ga nou maar mee naar boven."

Toe wees ze naar beneden en zei: "Precies hieronder leit mijn geld begraven. Eenderde is voor de gemeente, eenderde voor de meniste-gemeente en eenderde voor jou.

De andere dag gong ie naar de burgemeester en vertelde het. Zij gonge graven en vonden de peut. Toe wou de burgemeester alles houde, maar dat gong niet. Er is toe een heel proces over geweest, maar hij heb het toch gewonne en zijn derde deel gekregen.

(J. Lof) (CBAK0470)

 

Jan Lof bekende aan C. Bakker niet uit te sluiten dat er werkelijk een verband bestaat tussen spokerij en een verborgen schat. Hij wist van zijn vader dat het spookte in en om de boerderij van Klaas Lodder, en het zou hem niet verbazen als er na enig graafwerk een schat uit de Franse Tijd naar boven zou komen. In zijn vertellingen heeft Jan Lof meermalen opgemerkt dat hij niet bijgelovig was, dus een connectie tussen een verborgen schat en spokerij zal hij als een reële optie hebben gezien. Anderen zouden het wellicht bijgeloof noemen, maar voor Lof is het geen bijgeloof maar waarheid. En dat zal voor meer mensen gegolden hebben, want toen het huis van de oude juffrouw Heintje Bakker, waar het ook spookte, werd gesloopt, heeft men naarstig naar "onrechtvaaardig geld" gegraven - aldus de overlevering.

 

Verhalen over tovenaars heeft Bakker ook regelmatig kunnen optekenen. Uit de verhalen blijkt dat ze hun kunst moeten leren uit een toverboekje. De mannelijke tovenaars bedrijven veel minder schadelijke toverij dan de vrouwelijke heksen, die vaak kinderen ziek maken. De mannelijke tovenaars willen eigenlijk vaker laten zien tot welke bijzondere kunsten ze in staat zijn. Zo kunnen ze paard en wagen of  de trekschuit van een afstand vastzetten, zodat deze niet verder kan, of ze kunnen tijdens een avondje kaarten de klaverboer een fles jenever laten halen.

Veehouder Jan Lof was eigenlijk ook wel geïnteresseerd in het leren van toverij, en hij vertelde in 1911:

 

In de Haarlemmermeer was iemand, die de zwarte kunst verstond. Als een paard en rijtuig hem vooruit was, kon hij het laten stilstaan. Was hij weer een eind vooruit, dan kon hij het weer laten komen.

Ik vond dat zoo aardig, aldus de kraamheer, dat ik het wel wou leeren. Die persoon was er niet ongenegen toe. Maar toe was er gelukkig een maat, die me waarschuwde.

Die zei: "Hij wil er wel graag of, en dat ken hij alleen, as ie iemand vindt, die het hebben wil, want ze hebben er erge last van. Ze hebben een boekie en daar kenne ze niet of, al verbrande ze het. Ze kenne het ook niet wegmake, want het komt telkens weerom. Alleen kennen ze het kwijt, als iemand het hebben wil."

Ik bedankte er dus voor, maar toe zei die vent: "As je 't ken, dan ken je an zooveul geld komme as je maar wille."

Toe wier ik toch nieuwsgierig en vroeg: "Hoe dan?"

Nou, dan most ik een kat met huid en haar murf koken, en dan 's nachts om twaalf uur voor den spiegel gaan zitten, en naar een beentje zoeken op de tast af.

Zoodra ik het bewuste beentje tusschen me vingers had, zou er een stem komen, die zegge zou: "Dat is het."

En dan was me fortuin gemaakt.

Toe begreep ik dat het duivelswerk was, en moest ik er niks van hebben.

(J. Lof) (CBAK0465)

 

Toen hem dus bleek dat toverij inhield dat hij moest heulen met de duivel, werd het Jan Lof te gortig en zag hij ervan af.

 

De angst voor dieren in de nacht was groot: honden, katten, muizen, ratten, het konden allemaal heksen, duivels of andere demonische wezens zijn. Op een nacht werd er weer eens een vreeswekkend dier waargenomen, blijkens het volgende verhaaltje uit 1911:

 

Op het kerkhof te Zuiderwoude was een witte gedaante met vurige oogen gezien. Onder aanvoering van den vader van vrouw D. van Ouwe (de oude Wullumpie) Salomon genaamd, trok half Zuiderwoude met stokken en messen gewapend er op af.
Toen riep Salomon: "Indien gij een geest Gods zijt, kom dan nader, maar zijt gij des duivels, zoo ga heen!"
De gedaante ging heen en sprong 'over sloot'.
Later bleek het een losloopende geit te zijn.

(CBAK0441)

 

Dit verhaal is eigenlijk een anti-sage, want de angst voor een bovennatuurlijk dier blijkt ongegrond: het was maar een gewone geit. Juist doordat de mensen een heel repertoire aan enge sagen in hun hoofd hadden, waren ze al snel geneigd om de voor de hand liggende realiteit een andere interpretatie te geven.

 

De houding van verzamelaar Bakker ten opzichte van sagen was ambivalent, en de doopsgezinde arts maakte nog een scherp onderscheid tussen geloof en bijgeloof. Enerzijds was Cornelis Bakker wel geïnteresseerd in de oude sagen over hekserij, toverij, spokerij en dergelijke, al was het maar omdat de verhalen dienstig konden zijn voor de wetenschap, om het pre-christelijke volksgeloof mee te kunnen reconstrueren. Maar tegelijkertijd kon hij zich ergeren aan allerhande misplaatste vormen van volksgeloof. Sprekend over de families waarin de sagen worden doorverteld, merkt Bakker op:

 

Zij zijn het, die de jeugd al vroeg op het gevaar van heksen en spoken e.d. wijzen en aan zeer jonge kinderen, liefst in het schemerdonker, meedeelen, wat hun zelf of anderen is overkomen en hun aantoonen hoe gevaarlijk katten en honden, ratten of muizen zijn, vooral als men ze bij nacht en ontijden aantreft. Zij zijn het, die bij een ernstige zieke het eerst aan kollerij denken en de afgetobde familieleden wijzen op schaduwen, die te zien zijn, of geluiden, die gehoord worden in den buurt van den lijder. Zij zijn het, die zelf bij het minste of geringste verdachte geluid geen voet buiten de deur durven zetten en 's nachts zoo diep mogelijk onder de dekens kruipen, zonder hoorbaar te durven ademhalen. Zij vergiftigen het kindergemoed voor hun leven, als niet door omgang met anderen, of door een goede opvoeding, een tegenwicht wordt aangebracht. Zij grijpen de oogenblikken aan, waarop bij iemand z.g. het bewustzijn vernauwd is, d.i. bijv. in tijden van ramp en tegenspoed, als de geest dus vatbaar is voor psychische infectie, om hun griezlige verhalen aan den man te brengen, en vinden dan maar al te vaak een gunstig gehoor. Zij zijn het, die hun stempel drukken op de mentaliteit der bevolking, een mentaliteit, die in moeilijke levensomstandigheden, voor ieder waarneembaar, tot uiting komt.

Zij zijn de echte kenners der kolverhalen en zij zorgen dat die voor het nageslacht bewaard worden, hoe ernstige pogingen worden aangewend om het heksengeloof uit te roeien. Door hun toedoen wordt een lichtgeloovig geslacht gekweekt, vatbaarder dan een ander, onder gelijke omstandigheden, voor psychische infectie. (Meder 2001, p.126-127)

 

Momenteel maakt de belangstelling voor sagen en legenden en andere traditionele volksverhalen een enorme revival door. Het legertje professionele vertellers is groeiende, dat deze verhalen zou kunnen vertellen. Kranten en tijdschriften willen artikelen over sagen, uitgevers staan momenteel te dringen om regionale sagen te kunnen publiceren, de televisie is geïnteresseerd, men kan sagensafari's maken, bos- en stadswandelingen met een verhalengids.

De belangstelling voor volksverhalen komt thans vanuit een andere sociale groep dan voorheen. Tegenwoordig zijn het de hoger opgeleiden, de middle en de upper class, die zich interesseren voor de sagen, vanuit een cultuurhistorische belangstelling, uit motieven van nostalgie, romantiek, en verbazing over het 'bijgeloof' van vroeger. Deze sociale groep bestaat echter niet uit gelovers in de verhalen. Ze zijn niet bang meer dat heksen, spoken, tovenaars en weerwolven echt bestaan. Rond 1900 werden de verhalen nog echt verteld door lager opgeleiden, lower class, die daadwerkelijk geloofden in heksen, spoken en dergelijke, en die het niet waagden om bij nacht en ontij de deur uit te gaan, laat staan om op Witte Wieven-safari te gaan.

 

Ik citeer nog een verhaal dat Bakker optekende bij veehouder Jan Lof te Zuiderwoude op 26 juni 1911, wachtend tot diens vrouw ging bevallen:

 

De kraamheer, Jan Lof geheeten, gelooft niet aan die fabeltjes van vroeger, maar dat is hem toch zelf overkomme en wel een keer of zeven achter mekaar.
Hij lag te slapen en toe werd ie wakker en toe was het net of er wat op hem zat, en hij was doodsbenauwd, zoodat het zweet van hem afdroop. Duidelijk voelde nie het bij zijn bienen opkomme en op lest tot aan zijn keel toe gaan, terwijl hij al benauwder wier. Omdat hij niet bangelijk van natuur is, besloot hij toe te grijpen, zoodat hij duidelijk voelde dat ie een kat tusschen zijn vingers had. Maar raar! Het versmolt almeer en meer, zoodat ie op laatst niks meer over had. Toe voelde nie het weer na beneden gaan na zijn bienen, toe hoorde nie een sprong en toe was het over. Maar toe was ie toch wel bang! Dat hij docht: ik zel de dekens maar over me halen.
En wat zag ie? Dat zijn deken netjes aan het voetenend opgerold lag. Nou heb ik nog vergete te zeggen dat toe dat beest op zijn keel zat, het hel licht in de kamer was, alhoewel er geen lichtjes brandde.
"Ze prate wel ers van de nachtmerrie; nou geloof ik daar niet an, maar ik denk toch dat het zuk slag geweest is."
(J. Lof) (CBAK0468)

 

Het is een intrigerend verhaal, omdat het geen sage is die over anderen handelt, maar het relaas is van wat de verteller zelf heeft meegemaakt. Is het waar of niet waar, inbeelding, bijgeloof of echt gebeurd? Men zou geneigd zijn om het op een zinsbegoocheling te gooien, maar in werkelijkheid is voor dit fenomeen een medische verklaring gevonden.

Feit is dat dit soort verhalen over de hele wereld voorkomen, in alle culturen - ook culturen die nooit met elkaar in aanraking zijn geweest. Er wordt dan verteld hoe het slachtoffer op bed ligt en zeker weet wakker te zijn. Er worden vervolgens duidelijk figuren en lichten waargenomen en soms zijn  er ook duidelijk geluiden te horen. De essentie van dit soort verhalen is steeds, dat de wakende die in bed ligt zich niet kan bewegen: het lijkt wel alsof hij verlamd is. Het wezen buigt zich over hem of kruipt hem zelfs op de borst, wat een gevoel van langzame verstikking tot gevolg heeft. Enige ogenblikken later verdwijnt de verschijning weer en kan het slachtoffer zich weer bewegen. In het Nederlands wordt dit fenomeen wel aangeduid met de nachtmerrie, in het Duits met de Druckgeist (de geest die op je lichaam drukt) en in het Engels Old Hag (oud wijf, eigenlijk een heks die op je borst komt zitten om je adem te benemen).

Wat hier werkelijk aan de hand is, wordt door medici aangeduid als sleep paralysis, wat ik maar even vertaal als slaapverlamming. Normaal gesproken treedt deze verlamming altijd op tijdens de REM-slaap; dat is de fase van de oppervlakkige slaap waarin men droomt. De droomfase gaat gepaard met snelle oogbewegingen, vandaar REM-slaap: Rapid Eye Movement. Als men droomt, dan verslappen de spieren, om te voorkomen dat men alle bewegingen die men droomt ook in werkelijkheid uitvoert - dat zou erg onrustig worden in bed. Gedurende de nacht wisselt men meerdere malen van diepe droomloze slaap naar REM-slaap. Blijkens het verhaal van Jan Lof, is hij een patiënt geweest, die een stoornis had in het natuurlijke slaapritme. De patiënt ontwaakt letterlijk terwijl hij zich nog in de droomfase bevindt, en de bijbehorende spierverslapping ervaren wordt als verlamming. Wakend in droomtoestand neemt men vervolgens wezens waar die de verlamming lijken te veroorzaken en te verklaren. Het verschijnsel kan met name (herhaaldelijk) optreden bij mensen met een langdurig onnatuurlijk slaap-waak-ritme (te kort slapen, te vroeg moeten opstaan). Afhankelijk van in welke cultuur men opgroeit, krijgt het wezen een andere naam en vorm. In Nederland werd het fenomeen toegeschreven aan de nachtmerrie, en in nog vroeger tijden aan de duivel, meer specifiek een incubus. Jan Lof denkt zelf aan een nachtmerrie, want de kat die hij op zijn borst dacht te hebben, smolt uiteindelijk weg.

Het verhaal van de nachtmerrie op de borst van Jan Lof is dus zeker geen bijgeloof, maar een fenomeen dat medisch verklaard kan worden, en door het slachtoffer als zeer reëel wordt ervaren. Het fenomeen van de slaapverlamming kan niet alleen de traditionele verhalen van de nachtmerrie verklaren, maar ook de moderne vertellingen over ontvoeringen door buitenaardse wezens.

 

Ik eindig met twee korte optekeningen door Bakker van Jan Lof:

 

De kraamheer is, zooals ik reeds zei, niet bijgeloovig. Hij gelooft onder andere niet, dat met den dood alles uit is, maar wel dat er van die dwaalgeesten benne die je het een of ander kenne bakken.
(J. Lof) (CBAK0480)

 

Hij gelooft ook dat het thans heerschende mond- en klauwzeer van het vee reeds voorspeld is, en wel in Openbaringen 16:10 of 16 in verband met Exodus 9:9-10A.

(CBAK0481)

 

Lof is dus niet bijgelovig, maar hij gelooft wel dat rusteloze zielen zich bij verborgen schatten kunnen ophouden, en tevens dat er dwaallichtjes bestaan die mensen kunnen laten verdwalen. Tevens gelooft hij op basis van enkele Bijbelpassages dat deze de mond- en klauwzeer-epidemie van dat moment voorspellen, en dat men zich dus ook in de eindtijd van de Openbaringen bevond. We zien derhalve een amalgaam aan geloofs-elementen, die door Lof allemaal even serieus genomen worden. Of hij er nu naast zat of niet, doet er weinig toe. Voor de verteller was het geen bijgeloof, maar allemaal geloof.