Leven en werk van Willem van
Hildegaersberch (circa 1400)
Theo Meder
(dissertatie universiteit Leiden, 13 maart 1991)

1. Inleiding
3. De overlevering van de gedichten
4. Persoon, professie en poëtica
4.2. Professie en sociale positie
4.3. Willems `geestelijke bagage'
4.3.1. Alfabetisme
4.3.2. Literaire kennis
4.3.3. Kennis van bijbelstof
4.3.4. Historie en actualiteit
4.4. Dichterschap: poëtica en dichterlijke techniek
5. Sproken en spreken
5.1. Genre, klassificatie en karakterisering
6. De wereld volgens Willem van
Hildegaersberch
6.1. De Hoekse en Kabeljauwse twisten
6.2. Hoofse liefde
6.3. De waarheid
6.4. Het eerbegrip
6.5. De rol van het
geld
6.6. De standenideologie
6.7. De heren
6.9. De schalk
7. Willem en het geloofsleven
7.1. Het Westers Schisma
7.2.1. De Heilige Kerk
7.2.2. De priester
7.2.3. De sacramenten
7.2.4. Het credo
7.2.5. De tien geboden
7.2.6. De deugden- en zondenleer
7.2.7. Weldoen en goede werken
7.2.8. De bedevaart
7.2.9. De straf Gods op aarde
7.2.10. Genade
7.2.11. Memento mori: dood en doemsdag
7.2.12. Besluit
7.3. De Moderne Devotie
8. Het publiek van Willem van
Hildegaersberch
8.1. Aanspreken van het publiek
8.2. De rekeningen
8.3.1. Literatuur aan het Hollandse hof
8.3.2. Willems optredens aan het Hollandse hof
8.3.3. Een Hollands huwelijksfeest
8.4. Adellijk, geestelijk en burgerlijk publiek
9. De functie van Willems sproken
9.1. De functie
9.2. De kritische functie
9.3. De waardering door het publiek
10. Besluit
11. Bijlagen
11.1. Publicaties van sproken vóór 1870
11.2. Drie Rostockse fragmenten
11.3. Beknopt overzicht van `Bijbelse bronnen'
11.4. De Hollandse rekeningen
11.5. Willem van Hildegaersberch in de rekeningen
11.6. Inventarisatie van passages op aanspreken van het publiek
11.7. Teksten voor de Hollandse grafelijkheid (tweede helft 14e eeuw)