1. Inleiding

De twee grote handschriften met sproken van de Hollandse sprookspreker Willem van Hildegaersberch werden in het begin van de 19e eeuw gevonden. Een aantal gedichten werd verspreid gepubliceerd en in 1870 volgde er een editie van alle sproken, verzorgd door W.Bisschop en E.Verwijs. Sindsdien verslapte de aandacht voor, en het onderzoek naar Willems werk allengs. De negatieve beoordeling van zijn oeuvre door zowel de editeurs als de prominente letterkundige handboekenschrijvers zal hieraan debet zijn geweest. Met de introductie van nieuwe benaderingswijzen in het literair-wetenschappelijke onderzoek, met name het maecenaats-onderzoek, is de interesse voor Willem van Hildegaersberch en de sprooksprekerskunst in het algemeen de laatste jaren weer wat toegenomen. Bovendien heeft het literaire, culturele en politieke leven in het Holland van de late 14e en vroege 15e eeuw zich de afgelopen tijd in een toegenomen belangstelling kunnen verheugen.

De dichter en spreker Hildegaersberch mag in zowel literair, historisch als religieus opzicht een boeiende verschijning heten in het literaire leven van het einde der 14e en het begin der 15e eeuw. Van geen enkele Middelnederlandse sprookspreker zijn zoveel gedichten overgeleverd, namelijk 120 in getal. Van geen enkele andere Dietse spreker hebben we ook zo'n inhoudelijk veelzijdig en consistent corpus teksten overgeleverd gekregen. Nergens krijgen we in de Nederlanden van een spreker een meer geprononceerde visie op de maatschappij rond 1400 voorgeschoteld dan van Willem. En naar geen ander vinden we in het voorhanden zijnde rekeningenmateriaal uit die tijd zoveel verwijzingen als naar deze spreker. Het heeft er tenslotte alle schijn van dat Willem door zijn eigen publiek werd beschouwd als de belangrijkste voordrachtskunstenaar uit het rondreizende sprekersmilieu. Alleen dit laatste reeds moge voldoende rechtvaardiging zijn voor een nadere bestudering van zijn werk, alle latere verguizing en miskenning ten spijt.

In deze studie, een monografie over Willem van Hildegaersberch, wordt de aandacht verdeeld over de diverse aspecten van het communicatiemodel. Er zal aandacht worden geschonken aan de persoon van de spreker, aan de inhoud van zijn sproken, aan zijn publiek en natuurlijk aan de historische context, in onderlinge samenhang. Staat Willem in deze monografie centraal, toch wordt er ook zekere aandacht besteed aan zijn collega-sprekers en aan het (Hollandse) literaire klimaat van zijn tijd. Hiermee ontstijgt de monografie min of meer zijn primaire opzet. Dit geldt ook voor het soms `exemplarische' karakter van deze sprooksprekers-studie: alhoewel Willem enerzijds een uniek spreker genoemd mag worden, kan hij anderzijds in zekere opzichten toch ook als representatief worden beschouwd voor die grote groep van sprekers uit zijn tijd (van wie sommigen ons alleen bij naam bekend zijn) en voor de (vaak anonieme) sprooksprekerskunst in het algemeen. In nog een opzicht ontstijgt de monografie de directe opzet. Het hier verrichte onderzoek naar bronnen (literaire teksten, Bijbel) en kennis biedt niet alleen uitzicht op de vraag wat een spreker als Willem wist - en wat hij bij zijn publiek bekend veronderstelde. Omdat we weten dat Willem een `laaggeschoolde' leek was, biedt de spreker ons tevens de unieke gelegenheid om, voorzover de sproken dat toelaten, na te gaan wat binnen de `geestelijke vermogens' van een 14e eeuwse leek en gemotiveerd autodidact lag.

De bestudering van Willems oeuvre heeft geresulteerd in een omvangrijke dissertatie. Na deze inleiding zal worden nagegaan wat het Hildegaersberch-onderzoek tot nu toe heeft opgeleverd. Speciale aandacht wordt daarbij besteed aan de waardering voor Willems werk door de diverse literatuur-historici. Vervolgens wordt de overlevering van de sproken in handschriften en fragmenten bezien. Hierna gaat de aandacht uit naar de persoon van de sprookspreker: tekstuele en buiten-tekstuele gegevens worden verzameld ten behoeve van een `biografische' profielschets, met aandacht voor onder andere zijn optredens, sociale positie, opleiding en kennis. Ook worden in dit hoofdstuk Willems poëticale opvattingen en dichterlijke technieken bestudeerd. Dan komen de sproken en de voordracht meer centraal te staan. Getracht wordt om te komen tot een klassificatie en karakterisering van de sproken. Aan de hand van een aantal sproken en rekeningposten zal geprobeerd worden vragen met betrekking tot de voordrachtssituatie te beantwoorden. Tevens zal nog worden gepoogd om na te gaan, of Willem in zijn presentatie en stofbehandeling schatplichtig kan zijn geweest aan de ars praedicandi, in het bijzonder detheologica practica der predikende bedelordes. De blik zal vervolgens gericht worden op Willems visie op de wereld, zoals die spreekt uit zijn oeuvre. Aan de orde komen onder meer zijn kijk op actuele toestanden - de Hoekse en Kabeljauwse twisten, de corruptie in de rechtspraak - , zijn standenideologie en zijn visie op eer en waarheid. In het daarop volgende hoofdstuk staat het geloofsleven centraal en wordt Willems behandeling van de `geloofsleer' nader bezien. Ook zal worden overwogen of en in hoeverre er sprake kan zijn geweest van invloed van de Moderne Devotie op zijn denkbeelden. Hierna komt Willems publiek in het middelpunt van de belangstelling te staan, ook al zal er in het voorafgaande reeds aan de diverse publieksgroepen gerefereerd zijn. Eerst wordt met de tekstimmanente methode geïnventariseerd welke publiekskringen hij in zijn sproken aanspreekt. Deze gegevens worden dan geconfronteerd met het onderzochte rekeningenmateriaal. De meeste aandacht zal hierna geschonken worden aan het Hollandse hofpubliek. Het onderzoek wordt afgesloten met de vraag naar de functie van Willems sproken (i.h.b. de kritische functie) en met enige speculaties omtrent de waardering van het eigentijdse publiek voor het werk van Hildegaersberch. In een afsluitende beschouwing zullen de onderzoeksresultaten geëvalueerd worden. In de bijlagen treft men onder meer een uittreksel uit de Hollandse grafelijkheidsrekeningen aan voor de periode 1380-1409; de opgenomen posten hebben steeds betrekking op het literaire leven aan het hof.

Moge deze studie een bijdrage leveren tot kennis van en inzicht in het werk van Willem van Hildegaersberch, tot herontdekking en herwaardering van zijn sproken, en tot voortgezet onderzoek. Niet omdat een dergelijke wens min of meer obligaat is geworden voor studies van deze omvang, maar omdat het werk van Hildegaersberch erom vraagt.