2. Onderzoek en waardering

De eerste die de aandacht vestigde op Willem van Hildegaersberch was Van Wijn in zijnHistorische en letterkundige avondstonden.*1 Hij signaleerde dat de spreker regelmatig opdook in de rekeningen van de graven van Holland, en merkte dat deze onder de sprekers van zijn tijd uitmuntte en het `ryklykst' beloond werd.*2 In 1800 kende Van Wijn nog geen handschrift met sproken van de spreker. Toen enkele jaren later een codex (het Haagse handschrift) met gedichten van Willem onder de aandacht van Van Wijn werd gebracht, kwamen er mondjesmaat publicaties van losse sproken op gang: voor een volledig overzicht zie men bijlage 11.1. De Jonge publiceerde in 1817 in zijn studie over de Hoekse en Kabeljauwse twisten de sproken Van tregiment van goede heeren en Hoe deerste partien in Hollant quamen*3 met commentaar en aantekeningen. Twee jaar later liet Clignett, inmiddels bezitter van het handschrift, de sproke Van Sinte Gheertruden min afdrukken. Hij kon weinig waardering opbrengen voor het gedicht en noemt het een `voorbeeldeloos meesterstuk van domheid en dweperij'.*4 In 1845 brachten Buddingh en Pluym respectievelijk Dit is van Reyer die vos en Van den sacramente van Aemsterdam in het licht met het nodige commentaar. Buddingh laat zich positiever over Willem uit en noemt hem `een man, die zich boven het bijgeloof zijner eeuw verhief', die te waarderen valt om zijn behandeling van `menig misbruik in het godsdienstige, de ontucht der geestelijken, het misbruik der biecht, de schande der bedevaarten, en wat dies meer zij, wij zouden haast zeggen, als voorlooper der hervorming'.*5 Pluym merkt weliswaar op dat Willem onder de sprekers van zijn tijd `bijzonder' moet hebben `uitgemunt' en ziet het historische belang van de sproke over het sacrament van Amsterdam in, maar hij acht deze van niet al te grote dichterlijke waarde.*6 In 1858 merkte Blommaert over Hildegaersberch op: `Onder de dichters die als sprekers of zeggers bekend staen, mag Willem by de voornaamste dezes tijds gerekend worden'.*7

Op de losse publicaties volgde in 1870 de editie van alle gekende sproken van Willem van Hildegaersberch, 120 in getal, door W.Bisschop en E.Verwijs.*8 Zij waren evenwel niet de eersten die ruim en systematisch aandacht schonken aan het oeuvre van Willem: omwille van de chronologie wordt hier begonnen met de beschouwingen van Jonckbloet. In het derde deel van zijn Geschiedenis der Middennederlandsche dichtkunst (1854) zijn wij aanbeland in de periode van de `burgerlijke poëzie'*9 en de `poëtische terugwerking'. In een algemene beschouwing over sprekers en dichters*10 constateert Jonckbloet dat de sprekers in de 14e eeuw aan het Hollandse grafelijke hof geziene gasten waren. Anderzijds meent hij dat de literatuur in de 14e eeuw door de beroepssprekers verlaagd werd tot `handwerk' en `alledaagsche kostwinning'. Moet hij over Hildegaersberch en Augustijnken aan de ene kant toegeven dat `zij behooren tot de meest gevierde dichters in Holland', aan de andere kant komt hun talent `niet boven het middelmatige' uit, is de vorm `verwaarloosd', zijn de rijmen `dikwerf onzuiver en zeer vrij, terwijl herhaaldelijke hoogduitsche woordvormen zich onder de hollandsche mengen' en blijkt `dat poëtisch gevoel en gekuischte smaak geen vereischte meer was in de hoffelijke kringen zelfs van Nederland'.*11 Na bespiegelingen omtrent Hildegaersberchs auteurschap en de voordrachtssituatie*12 komt Jonckbloet tot een beoordeling van de afzonderlijke sproken. We treffen veelvuldig typeringen aan als de volgende: `gerekte, uiterst langwijlige moralizatie', `hoogstlangdradige bespiegeling', `zoo ondichterlijk het onderwerp is, zoo vervelend en langdradig is de behandeling', `gerekt en droog' etcetera.*13 Wel acht hij Willem, toch een `eenvoudig spreker'*14, in staat om met zijn sproke Van den sloetel grote invloed te hebben uitgeoefend op de besluitvorming van de Hollandse graaf Albrecht van Beieren inzake de uiteindelijke rehabilitatie in 1401 van opstandige en verbannen Leidse burgers na de oploop in 1393.*15 Kennelijk stond een weinig stijlvol dichterschap een invloedrijk dichterschap niet in de weg. Als Jonckbloet bij zijn eindoordeel is aanbeland, schetst hij eerst hoezeer de roerige tijden het ware dichten bemoeilijkten. `Slechts politieke uitboezemingen, wenschen, waarschuwingen, waren mogelijk' en Willem blijkt derhalve `geheel de zoon van zijn tijd'.*16 Jonckbloets eindoordeel is over het algemeen weinig positief: de zedenpreker Hildegaersberch bezat weinig `innerlijke aandrang' en `dichterlijke gloed'. Zijn roeping was van `geheel praktischen aard', zodat zijn gedichten `luttel aesthetische waarde' hebben.*17 Willem was langdradig en onduidelijk, maar zijn werk is wel van belang voor een beter begrip van zeden en geschiedenis der 14e eeuw.*18 In zijn Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde (eerste druk 1868, vierde herziene druk 1889)*19 doet Jonckbloet dit alles nog eens dunnetjes over. Willem was in zijn tijd weliswaar `zeer beroemd', maar dat was niet zo verbazingwekkend in een tijd waarin `poëzie en smaak geen vereischte meer waren'. Jonckbloet besluit met de woorden: `Is de didactische inhoud zijner gedichten op zichzelf weinig aesthetisch, dit wordt door de behandeling maar spaarzaam vergoed; want in steê van dichterlijke schildering zien wij meestal ook de beste gedachte op dorre, gerekte wijze voorgesteld'.*20

We krijgen bij Jonckbloet al met al een vrij negatief beeld van de sprookspreker Hildegaersberch voorgezet. Dit beeld wordt nauwelijks bijgesteld in de inleiding bij de teksteditie van de sproken door Bisschop en Verwijs,*21 voornamelijk omdat de inleiding veelal de inzichten van Jonckbloet op de voet volgt. De tekstediteurs beginnen al direct in mineur: de poëzie was deerlijk aan het tanen ten tijde van het Beierse gravenhuis in Holland en de taal was aan schandelijke verbastering onderhevig. De didactische letterkunde der burgerij was aan de macht gekomen, maar de rek was er na Maerlant en Boendale wel uit.*22 Het letterkundige leven werd dan ook tegengewerkt door de algehele crisis van de late middeleeuwen. Het proza won aan betekenis, de kring waarin de dichters zich bewogen werd beperkter,*23 en dichtwerken werden compacter van vorm.*24 Na behandeling van de persoon van de dichter, de tijd van vervaardiging van zijn sproken en de voordrachtssituatie, sluiten de inleiders zich aan bij Jonckbloets typering van de gedichten als langdradig en weinig poëtisch-geïnspireerd. Zijn `actuele' hekelende gedichten achten zij de beste. Bisschop en Verwijs menen: `Blijkens enkele goedgelukte verhalen, blijkens de zededichten op zijnen tijd is Mr.Willem, hoezeer op verre na geen dichter van den eersten rang, toch op vele plaatsen niet onverdienstelijk; waar hij gerekt, langdradig, vervelend, duister is te noemen, is dit voor een groot deel te wijten aan de ongelukkige stof, die hij behandelt'.*25 De editeurs merken vervolgens op: `De dichtkunst was voor hem een beroep, een middel om in zijne levensbehoeften te voorzien. Dat bij zoo iemand niet altijd het heilige vuur aanwezig was [...], is niet vreemd te noemen'. Willem is in de ogen van de editeurs een `onbeholpen rijmelaar' en ze vragen zich zelfs af of zich voor hun tekstuitgave wel belangstellende lezers zullen aandienen! Ook in de visie van Bisschop en Verwijs hebben Willems sproken hoogstens soms historische waarde.*26

Na de beslist niet te onderschatten arbeid van Jonckbloet, Bisschop en Verwijs verslapt de aandacht voor onze sprookspreker zienderogen. In de letterkundige handboeken wordt allengs minder plaats ingeruimd voor Hildegaersberch, en de negatieve beoordeling door bovengenoemden zal daaraan zeker debet zijn geweest. De informatie die Kalff in zijnGeschiedenis der Nederlandsche letterkunde geeft is te summier om er hier bij stil te staan.*27 Te Winkel echter besteedt in zijn Ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde (1922) nog het respectabele aantal van 15 pagina's aan Hildegaersberch*28, omdat deze dichter `gewoonlijk bij onze schrijvers over Nederlandsche letterkunde de belangstelling niet vindt, waarop hij aanspraak mag maken, en veel te stiefmoederlijk door hen behandeld wordt'.*29 Te Winkel gaat op een groot aantal gedichten dieper in, zonder dat er overigens veel nieuws boven tafel komt: daarvoor steunt hij toch teveel op zijn voorgangers. Zijn oordeel over Hildegaersberch is daarentegen wat milder en neutraler. Hij noemt Willem tot op zekere hoogte een leerling van Boendale*30, en meent dat Willem in `eene vrij zuivere taal' schreef. Maar dat de `bespiegelingen bijna altijd te gerekt en [de] verhalen zelden levendig en aanschouwelijk zijn, valt echter niet te ontkennen. [...] Aan al zijne sproken bemerkt men, dat ze zijn vervaardigd door een rondreizend spreker, die steeds gereed moest zijn met een onderwerp'.*31 Te Winkel waardeert de sproken evenwel als spiegel van de toestanden in Holland in de laatste helft van de 14e eeuw.*32 Als eerste heeft Te Winkel getracht de werken van Willem in verschillende subgenres in te delen.*33 In zijn bespreking van gedichten klinken verschillende malen positieve geluiden op: `eene zeer goede beschouwing', `proeve van vernuftsspeling', `verstandige lessen', `eene geestige satire', `enkele niet onaardige boerden'.*34

In De letterkunde van de middeleeuwen van Van Mierlo (1940) zijn iets meer dan drie pagina's ingeruimd voor Hildegaersberch.*35 Van Mierlo is de eerste die bepaalde autobiografisch aandoende passages uit de gedichten in twijfel trekt: hij durft uit de gedichten niet te besluiten dat Willem van goeden huize was doch zijn fortuin had verbrast, of dat hij een soort `globetrotter' was. Erg positief is Van Mierlo wederom niet: `Zijn zucht tot moraliseren bederft zijn beste werk. Bouw is er weinig in zijn stukken [...]. Men prijst soms zijn actualiteit: en gewis, er is bij hem een zekere drang naar oorspronkelijkheid [...]. Zijn taal moge al zuiver, vorm en vers nog tamelijk verzorgd zijn: hij is eerder een gemakkelijk rijmelaar'. Slechts in een weemoedige stemming heeft Willem `enkele fraaie gedichten geschreven'. Alleen in zijn kortere en meer lyrische gedichten waarin hij de vergankelijkheid, de schijn, het bedrog en de vruchteloosheid ter sprake brengt, herkennen we in hem `iets van het dichtersgenie'.

Tenslotte is daar dan nog het Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkundevan Knuvelder.*36 Willem komt er met één pagina wel erg bekaaid af, terwijl in het Hildegaersberch-beeld bovendien niets veranderd blijkt te zijn: Willem mist `de idealistische strijdbaarheid van Van Maerlant; hij is veeleer wankelmoedig en weifelachtig van stemming'.*37 Knuvelder meent dat Willem wel `aardig' kan vertellen; hij heeft `enige zin voor humor. [...] Maar over het geheel maakt Van Hildegaersberch een wat droge, nuchtere indruk, de indruk van de broodschrijver die hij klaarblijkelijk was'. Knuvelder parafraseert Van Mierlo als hij zegt dat Willem in een `elegische gemoedsstemming' enkele `sterker door gevoel bewogen stukken' heeft gemaakt. En hij besluit met de woorden: `Mogen stukken als deze doen vermoeden dat er uit Van Hildegaersberch een groter dichter gegroeid zou zijn, als hij niet door financiële afhankelijkheid gedwongen was geweest tot ogendienarij?'

Hiermee eindigt de bespreking van de handboeken. Er is nog wel een beknopte literatuurgeschiedenis verschenen van de hand van H.M.de Blauw, maar Hildegaersberch krijgt daarin slechts twee zinnen toegemeten.*38 Voor wat betreft de overige publicaties was tot voor kort de spoeling dun. Taalkundige interesse voor Hildegaersberch was er bij De Vries, Van Vloten, Leopold, Verwijs en Duinhoven, die tekstkritiek leverden,*39 en bij De Vooys in een bijdrage over Noord-Nederlandse bestanddelen in de woordvoorraad van Willem.*40 Een korte taalkundige bijdrage leverde Kern over het alleen bij Willem voorkomende woord `vuylst', dat volgens de schrijver `hulp' betekent.*41 Verder schreef Tiemeyer een taalkundig proefschrift over de Klankleer der gedichten van Willem van Hildegaersberch.*42

Op letterkundig gebied was het De Vooys die een interpretatie verzorgde van de sproke19.Van mer, waarop Tiemeyer even later met een aanvulling kwam.*43 Bredere literaire aandacht kreeg Willem in het artikel van Vos, waarin de overeenkomsten in motieven, gedachtengang en woordkeuze tussen de Elckerlyc en Hildegaersberch opgesomd worden, maar waarin de Elckerlyccentraal staat.*44 De overeenkomsten zijn inderdaad groot, maar Vos komt tot de conclusie dat desondanks Willems oeuvre niet als bron van de Elckerlyc beschouwd kan worden. De overeenkomsten zijn te herleiden tot de gedachtengang en de atmosfeer van de tijd. Alle elementen, waaruit de Elckerlyc is opgebouwd, lagen voor het grijpen, en dat al in de tweede helft van de 14e eeuw, stelt Vos.*45 Verder heeft Van Buuren Willems visie op het Westers Schisma onderzocht.*46 Aandacht aan Willems boerden is besteed door Lodder in zijn bijdrage over de waardering van de list in de boerden van Hildegaersberch.*47

Voorts zijn er ook publicaties te noemen die niet expliciet over Willem zelf gaan, maar waarin wel (meer dan) terloopse aandacht aan hem wordt besteed. Uit deze serie publicaties kunnen die van Jansen en Brokken genoemd worden, die Hildegaersberch kort ter sprake brengen in hun werken over de Hoekse en Kabeljauwse twisten, alsmede de bijdragen van Kalff en Van Mierlo, die zich over Willems sproke 74.Van Sinte Gheertruden min hebben gebogen. Verder kunnen hier vermeld worden de publicaties van Post, die zich met het Amsterdamse hostiewonder heeft beziggehouden, en van Vanderheyden, die de poëtica van onder meer Willem bekijkt in het licht van de eisen die Boendale aan een dichter stelt. Dijkstra en Ketelaar roepen de spreker als getuige op bij de raadsels rond de verdronken ruïne van de Brittenburg. Brandis en Glier hebben Willems werk betrokken bij hun onderzoek naar de Minnereden.*48

Twee series publicaties zijn nu nog niet genoemd. In de eerste plaats de publicaties van Van Oostrom over de kleinschalige epiek van Willem van Hildegaersberch, de vrijheid van de Middelnederlandse dichter, onder wie Willem, en het hoofdstuk over hem in de studie Het woord van eer,*49 benevens enkele publicaties over het letterkundige maecenaat. In de eerstgenoemde publicaties van Van Oostrom zijn nieuwe wegen ingeslagen in het Hildegaersberch-onderzoek. Volledigheidshalve zij verder gewezen op twee bijdragen van mijn hand. De eerste gaat over de `loonwervende' kant van het sprekersberoep en de subtiele verbale drukmiddelen van Willem. De andere betreft de sproke 49.Vanden twaelff maenden, de Franse bron, Willems bewerkingstechniek en zijn publiek.*50

In de tweede plaats zijn er de recente buitenlandse studies die een groot aandeel hebben in de algehele rehabilitatie van sprekers, hofdichters en dergelijke. Van belang voor de 14e eeuwse Henegouwse sprekerskunst is de studie van Ribard over Jean de Condé, een spreker die in menig opzicht overeenkomsten vertoont met zijn latere collega Hildegaersberch. Op het gebied van de Duitse Spruch-, Reimrede- en Märendichtung, nauw verwant aan het Middelnederlandse sprokengenre, zijn eveneens opmerkelijke werken gepubliceerd. Hier moet genoemd worden de inspirerende Studien zur Soziologie des Spruchdichters in Deutschland im späten 13. Jahrhundertvan Franz, de Reimsprecherkunst im Spätmittelalter van Lämmert over Der Teichner en de Studien zur Deutschen Märendichtung van Fischer. Voorts zijn het vermelden waard de bundel over Middelhoogduitse Spruchdichtung onder redactie van Moser, en de studie van Mundschau over Sprecher als Träger der `tradition vivante' in der Gattung `Märe'. Voor de Engelse kant van de zaak leverde Green een studie over literatuur en het Engelse hof in de late middeleeuwen. Aandacht voor het Hollandse sprooksprekerscircuit en de letterkunde rond het Haagse hof is besteed door Peters in haar studie over de literatuur in de stad.*51 De cultuur en literatuur aan het Hollandse hof rond 1400 is tenslotte bestudeerd door Van Oostrom in het genoemde boek Het woord van eer.*52

Het `moderne' (maecenaats)onderzoek heeft voor nieuwe inzichten gezorgd, die nopen tot een hernieuwde evaluatie van eerdere onderzoeksresultaten. Voor zover er voorheen uitspraken werden gedaan over de waarde van Willems sproken, blijkt de waardering in de handboeken globaal genomen gering. Drie constanten in de beoordeling keren regelmatig terug:

1. Hildegaersberch was in zijn tijd een beroemd sprookspreker, wiens werk kennelijk werd gewaardeerd.

2. Vanuit esthetisch-poëtisch oogpunt beschouwd, heeft Willems oeuvre nauwelijks waarde.

3. Willems sproken zijn hoogstens (of: vooral) vanuit historisch oogpunt interessant - vanwege het tijdsbeeld dat hij oproept of vanwege zijn kritiek.

Het negatieve Hildegaersberch-beeld zal menig onderzoeker niet bepaald hebben aangemoedigd om Willem tot onderwerp van een omvangrijke studie te kiezen. Toch schuilt in het zojuist genoemde drietal constanten een merkwaardige paradox die uiteindelijk uitdagend genoeg bleek om het werk van Willem aan een nader en nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. Immers, hoe is het mogelijk dat Hildegaersberchs sproken én in zijn eigen tijd tot in de hoogste regionen een willig oor vonden, én de goedkeuring van een aantal vooraanstaande geleerden der 19e en 20e eeuw niet of nauwelijks kunnen wegdragen? Deze paradox blijkt uiteindelijk gemakkelijk op te lossen en kan hier aangegrepen worden om de toon te zetten voor de rest van deze studie. De paradox ontstaat als men met twee maten meet: de `middeleeuwse' maat en de eigentijdse literair-esthetische maat. Een plaatsbepaling is hier gewenst: de wetenschap die het verleden bestudeert, moet alle verschijnselen uit het verleden ook in het licht van dat verleden bezien en beoordelen. Het wordt thans vanuit wetenschappelijk oogpunt niet langer opportuun geacht om verschijnselen uit het verleden te beoordelen aan de hand van moderne maatstaven en op grond van de moderne smaak. Voor de middeleeuwse literatuur betekent dat, om met Jauss*53 te spreken, dat men de tekst in zijn oorspronkelijke context moet terugplaatsen om deze zoveel mogelijk vanuit een middeleeuwse verwachtingshorizon tot zich te nemen. Pas dan kan men literatuur op zijn juiste waarde schatten en waarderen. Vanuit een dergelijke historische invalshoek moet de positieve waardering van Hildegaersberch door zijn eigentijdse publiek voor de onderzoeker voldoende zijn en kan vervolgens het Hildegaersberch-beeld in een ander licht geplaatst en bijgesteld worden. Het kan niet langer opportuun worden geacht een letterkundig oeuvre te toetsen aan literair-esthetische maatstaven die in de betreffende historische periode niet aan de orde waren. Een zekere invloed van bepaalde literair-esthetische denkbeelden uit de Romantiek valt de literatuurgeschiedenis van Jonckbloet niet te ontzeggen, en eigenlijk is er wat betreft de handboeken sindsdien niet zo heel veel veranderd.*54 Het romantische literaire credo eiste van een dichter dat hij schone, oorspronkelijke, ontboezemende en bewogen verzen schreef, die esthetische genoegens teweeg brachten. De handboeken, die van dit credo uitgingen, hadden met betrekking tot de Middelnederlandse letteren derhalve vooral oog voor de zogenaamde Schone Letteren, de fatsoenlijke fictie-op-rijm.*55 Moraliserende of anderszins afwijkende dichtkunst stond bij hen op het tweede plan. Doch in de middeleeuwen zèlf was dit geenszins het geval en lagen de accenten voor het waarderen van literatuur anders. Vandaar dat Pleij er terecht voor heeft gepleit om het criterium van de `Schone Letteren' los te laten en gewoonweg als object voor de Nederlandse letterkunde-geschiedenis van de middeleeuwen álle berichten in de volkstaal te kiezen, die gericht waren op een eigentijds middeleeuws publiek van meer dan één ontvanger.*56 Zogauw we bij Hildegaersberch de waardering in zijn eigen tijd laten gelden - en wat is billijker dan dat? - en we bij hem niet meer in eerste instantie schone poëzie willen lezen dan is hij onze aandacht volop waard. Het was Willem tenslotte ook nooit in de eerste plaats te doen geweest om zijn publiek esthetische genoegens te bezorgen, alhoewel hij telkens op zoek was naar nieuwe `genoeglijke' verhalen of aantrekkelijke kaders om zijn boodschap in te verpakken. Voor hem stond echter de ethische boodschap voorop, en het publiek verwachtte waarschijnlijk ook weinig anders van hem.*57 Hildegaersberchs poëtische taakstelling was inderdaad praktisch gericht, maar dit mag geen reden tot misprijzen zijn. Willem rekende slechts met de smaak van zijn eigentijdse publiek, en dat publiek kon wel degelijk waardering opbrengen voor zijn werk.*58

De nieuwe benaderingswijze van het maecenaatsonderzoek leidt noodzakelijkerwijze tot herziening van opvattingen zoals door Jonckbloet en Knuvelder geventileerd, namelijk dat door broodschrijverij de literatuur verwerd tot alledaagse kostwinning en ogendienarij. In de eerste plaats was het de middeleeuwse realiteit dat dichters in principe `loonwervend' waren, in dien verstande dat kunst omwille van de kunst tot in de 15e eeuw niet bestond.*59 Enkele vermogende (adellijke) auteurs alsmede verschillende kloosterauteurs uitgezonderd, beschikten de dichters niet over voldoende geldmiddelen of schrijfbenodigdheden, en waren ze afhankelijk van de gunsten van een, veelal adellijke, maecenas. `Hoe verheven en bezield de ware dichter in de middeleeuwen ook was, hij kon alleen leven van het geld en de goederen die opdrachtgevers of begunstigers hem verstrekten', merkt Pleij terecht op.*60 Dat wil niet zeggen dat alle dichters louter van hun literatuur moesten leven. De clerk-auteurs konden van beroep bijvoorbeeld clerk op een kanselarij zijn, of (hof)kapelaan, of secretaris van een stadsbestuur, en er waren ook kloosterlingen die zich met literatuur bezighielden.*61 In dergelijke gevallen was dichten voor deze auteurs een neventaak. Daarnaast waren er de beroepsdichters, zoals de groep van professionele sprooksprekers waartoe Willem van Hildegaersberch behoorde. Voor hen was dichten een broodwinning. Zij reisden telkens van publiek naar publiek, in de hoop een willig oor en een vrijgevig onthaal voor hun dichtwerk te vinden. Al met al kan men stellen dat in de middeleeuwen literaire arbeid en beloning meestal niet van elkaar te scheiden zijn. Schrijven om geld mag daarom geen aanleiding tot depreciatie zijn. Hier van uitgaand, voert het derhalve wat ver te suggereren dat geld de kunst corrumpeert en dat broodschrijverij de literatuur tot alledaagse kostwinning zou verlagen. Evenzeer gaat het te ver om broodschrijverij te koppelen aan ogendienarij. Het is een verregaande simplificatie te menen dat 's dichters financiële afhankelijkheid van de maecenas steeds ieder kritisch geluid deed verstommen. In een aantal publicaties heeft Van Oostrom aangetoond dat er ook voor kritische geluiden maecenaten te vinden waren en dat er in adellijke publiekskringen voldoende relativerings- en incasseringsvermogen aanwezig was voor kritiek op de adel zelf.*62 Het is lange tijd een misvatting geweest dat de kritiek van een dichter op een maatschappelijke groep altijd in opdracht was geschreven van een concurrerende groep.*63 Ogendienarij is zeker ook in het geval van Hildegaersberch niet iets waarvan hij lichtvaardig beticht mag worden. In de loop van deze studie zal blijken dat Willem zich, ondanks zijn financiële afhankelijkheid, kritisch opstelde tegenover zijn publiek, al waren er grenzen.

Willems roeping was beleren, en hij deed dat overigens `wankelmoedig' noch `weifelachtig', en `idealistische strijdbaarheid' was hem niet vreemd.*64 Hildegaersberch toonde zich veeleer zelfverzekerd en was niet bepaald terughoudend in zijn moralisatie, vermaan en kritiek. Aangezien het Willems roeping was om te moraliseren en te vermanen, deed hij dat erg nadrukkelijk. Men zou dat als droog of saai kunnen aanmerken, of zelfs langdradig. Maar de filoloog die voor de opgave staat Willems zogenaamde `saaiheid' of `langdradigheid' te moeten rijmen met zijn gevierdheid, zou wel eens voor de verleiding kunnen bezwijken te stellen dat Willems dichterlijke kracht voor zijn eigen publiek nu juist school in zijn `saaiheid' en `langdradigheid', die dan positief vertaald moet worden in termen als `zakelijkheid' en `volledigheid', `veelkantigheid', `genuanceerdheid' of woorden van gelijke strekking. Willem beent talloze kwesties volledig uit en daar ligt misschien wel de sleutel voor z'n succes als dichter en spreker.*65 In stilistisch opzicht is Willem wijdlopig, zoals Van den Berg heeft vastgesteld in zijn studie naar de ontwikkeling in de versificatie van verhalende Middelnederlandse poëzie.*66 Van den Berg schetst voor de periode ±1200 - ±1400 een ontwikkeling van analytisch-statische naar synthetisch-dynamische versificatie, waarschijnlijk onder invloed van het langzaam loslaten van de orale traditie. Globaal genomen dus een ontwikkeling van korte zinnen met weinig uitloop van zinskernen over de versgrens heen naar lange zinnen met relatief veel enjambement. Willem dichtte nog in een overgangsstijl, gekenmerkt door een (vrij zeldzame) synthetisch-statische versificatie. Willem neigde er dus toe lange zinnen te formuleren, maar hij toonde zich terughoudend in het gebruik van enjambementen. We hebben te maken met een `zeer regelmatige versbouw, die een gelijkmatige, wat wijdlopige indruk maakt'. Alhoewel zijn synthetische versificatie voor zijn tijd (eind 14e eeuw) `modern' was, wordt Willems werk op grond van de geringe hoeveelheid dynamische verzen door Van den Berg getypeerd als archaïsch van stijl en conservatief geversifieerd. Het ontbreken van veel `moderne' enjambementen vindt in Willems geval wellicht z'n verklaring in de voordrachtssituatie.*67

Voorheen heeft taalpurisme soms geleid tot het veroordelen van de Duitstalige kleuring die we in de tweede helft van de 14e eeuw in diverse Hollandse gedichten terugvinden; een kleuring die sommigen ook bij Hildegaersberch bespeuren. De puristen noemen het taalverbastering. De Vreese en Kloeke waren milder in hun oordeel en zagen het als een literaire mode.*68 Per slot van rekening was graaf Albrecht van Beieren met een deel van zijn `herberg' Duitstalig van origine, en bezochten ook veel sprekers uit het Duitse taalgebied zijn hof. Gerritsen en Schludermann gaan zelfs een stap verder en verklaren de Duitse kleuring als een stijlfiguur,barbarolexis geheten, behorend tot de retorische ornatus.*69 Het is een poëtisch middel om een bepaald genre meer sfeer en prestige te verlenen door de gedichten te kleuren met een taal waarin dat genre met veel succes beoefend wordt. In dit geval werd dan de Middelnederlandse lyriek, in het bijzonder de minnelyriek, vermengd met Duitse of Duits-aandoende woorden. Het is inderdaad frappant dat de Duitse kleuring het sterkst naar voren komt in de minnelyriek uit hetHaagse Liederenhandschrift. De moralistische gedichten in dit handschrift bezitten minder Duitse kleuring. Ook bij Hildegaersberch is de kleuring beslist niet sterk. En in de Hollandse rekeningen ontbreekt Duitse kleuring (vrijwel) geheel, wat vreemd is als het louter om een reëel communicatief middel zou gaan. De theorie van de `Mischsprache' als poëtisch-technisch middel heeft zeker zijn aantrekkelijke kanten, maar anderzijds ligt ook de verklaring van de Duitse kleuring als literair-communicatief middel aan een deels Duitstalig hof voor de hand.*70 De waarheid zal hier in het midden liggen. De kleuring zal, gezien zijn genre-bepaaldheid, kennelijk toch als stijlfiguur gefunctioneerd hebben, maar kon alleen in díe kringen functioneren, waar men de kleuring op waarde wist te schatten. En juist in díe kringen kon men voor de Duitse taalkleuring waardering opbrengen, waar het publiek zelf niet vreemd was met het communiceren in het Duits en het beluisteren van zuiver Duitse lyriek.

Tot zover enkele kritische kanttekeningen. Op allerlei detailpunten kan, vanuit nieuwe gezichtspunten, nog kritiek geleverd worden, zoals in het vervolg van deze studie soms zal blijken. Hildegaersberch is al met al geen recht gedaan door de meeste literatuurhistorici. Op hun negatieve bewoordingen valt veel af te dingen, vooral indien we de middeleeuwse sprookspreker bezien vanuit middeleeuws perspectief. Deze monografie van Willem van Hildegaersberch moet dan ook mede gezien worden als een poging tot rehabilitatie van de dichter, die in literair, historisch en sociologisch opzicht de moeite van bestudering zonder meer waard is. Te lang is onze sprookspreker hetzelfde lot beschoren geweest als de rederijkers, ten gevolge van de miskenning in met name de handboeken.*71 Nu de belangstelling voor de dichters uit het mondelinge circuit en voor de geschiedenis en letterkunde van Holland in de 14e eeuw sterk is toegenomen, is Hildegaersberch in dit kader aan een grondige herwaardering toe.