Er zijn ons 120 gedichten overgeleverd die aan Willem van Hildegaersberch plegen te worden toegeschreven. Alvorens een aantal kanttekeningen te plaatsen bij dit aantal gedichten, wordt de blik gericht op de overlevering van de gedichten in de diverse handschriften en de samenhang tussen die handschriften.
1. Het Haagse handschrift H (KB Den Haag 128 E 6): in dit handschrift staan thans 117 sproken. De sproke 1.Van den testament, de titelloze tweede sproke, 3.Een notabel en de eerste 322 verzen van 4.Van den X gheboeden ontbreken*1, omdat de eerste vijf bladen van de codex ontbreken. Ook blad 8 is verdwenen, zodat het laatste deel van 5.Van commer van ghelde (vs.24-98) en het begin van 6.Van VII punten die wy voer oghen hebben souden (vs.1-87) ontbreken. Oorspronkelijk hebben de sproken van Willem de folia 1-134r (originele foliëring; in huidige foliëring 1-128r) in beslag genomen, net als in hs.B (zie hierna). Op de 117, doch in oorsprong 120, sproken van Hildegaersberch volgen 118 rijmspreuken (waarschijnlijk bedoeld als vulling van de resterende katernbladen*2). Daarna vervolgt de codex met Der minnen loep van Dirc Potter.
Bisschop en Verwijs zagen in Hildegaersberch niet de dichter van de rijmspreuken, en in de zesde stelling bij zijn proefschrift meende Tiemeyer*3: `De 118 spreuken achterin de uitgave van Hildegaersberch's gedichten door Verwijs en Bisschop, zijn niet van diens hand'. Deze stelling is correct en valt in de eerste plaats taalkundig te onderbouwen. De rijmspreuken bevatten over het algemeen meer Duitse kleuring dan de sproken van Hildegaersberch. Opvallend vaak heeft daarbij de dichter van de spreuken zijn toevlucht genomen tot de vormen `haen' en `haet' van het werkwoord `hebben'.*4 Willem hanteert deze werkwoordsvormen in rijmpositie slechts bij zeer hoge uitzondering en beslist niet zo frequent als de dichter van de spreuken. De rijmspreuken zijn dan ook vertalingen uit de Bescheidenheit van de in 1233 overleden Duitse Spruchdichter meester Freidank, zoals Suringar heeft aangetoond.*5 Spreuk 106 in hs.H, `Vrolijc te wesen in armoede, Dats grote rijcheit sonder goede', is bijvoorbeeld een getrouwe vertaling van Freidanks `Froelich armuot deist grôz rîcheit âne guet' (43,20) en spreuk 116, `Vriende ic gaerne hebben wil, Mer gesellen nietste vil', is Freidanks `Friunt ich gerne haben wil und doch gesellen niht ze vil' (63,24).*6
Keren we terug tot hs.H. We hebben te maken met een papieren codex. Alleen de sproken van Willem bestreken oorspronkelijk al 134 folia. Het handschrift kent geen versieringen. De littera hybrida is in zwarte inkt geschreven. De titels van de gedichten en de lombarden zijn in rode inkt uitgevoerd. Door alle kapitalen aan het begin van de verzen loopt een rode streep en rode paragraaftekens in de marge vervullen een structurerende functie (o.a. om strofen te markeren). Elke zijde van een folium is geschreven in twee kolommen van gemiddeld 41 verzen.
De kopiïst was een Hollander.*7 Over de datering van de codex lopen de meningen enigszins uiteen. Bisschop en Verwijs dateren het handschrift globaal tussen 1450 en 1460 en nemen in elk geval aan dat het Haagse handschrift ouder is dan het - hierna te bespreken - Brusselse handschrift. Tiemeyer kiest als datering 1459 en volgt daarmee de zienswijze van voornoemden. De experts op het gebied van de datering van handschriften, Lieftinck en Deschamps, dateren handschrift H beide echter ± 1480, waarmee H jonger wordt dan handschrift B. In het vervolg zal er van uit worden gegaan dat handschrift H in ca. 1480 afgeschreven is.
2. Het Brusselse handschrift B (KB Brussel 15.659-61): in dit handschrift staan 119 sproken; het gedicht Van sterven ontbreekt, zonder dat er (genummerde) folia ontbreken. Van drie gedichten ontbreekt de titel, te weten Vanden ouden ende vanden jonghen (fol.1r), Vanden ghedencke(fol.63r) en het gedicht over het besturen van steden op fol.69r, dat in hs.H niet meer voorkomt en in de editie van Bisschop & Verwijs als tweede sproke is opgenomen.*8 Op de sproken van Hildegaersberch, die de folia 1-134r in beslag nemen, volgen diverse prozastukken en gedichten, ten dele in een andere kopiïstenhand. Eerst de Cisio janus in duytschen (een berijmde lekenkalender), vervolgens een vijftiental catechetische opsommingen in proza (waaronder de tien geboden, de werken van barmhartigheid, de sacramenten en de doodzonden), daarna de Dietsche doctrinael (toegeschreven aan Jan van Boendale), het Sinte Jans ewangelium van de sprookspreker Augustijnken en tenslotte drie gebeden in proza. Daarmee komt de codex op 189 folia. De rijmspreuken uit hs.H komen in hs.B niet voor.
Ook handschrift B is een papieren codex waarin geen versieringen voorkomen. Alleen de aanvangsletters van elke sproke zijn rood. Het schrift behoort tot de littera hybrida. Elke zijde van een folium is geschreven in twee kolommen; de kolommen bevatten gemiddeld 40 regels. De afschrijver was een Brabander; in het handschrift wordt aangetekend dat het deel met de sproken van Hildegaersberch werd voltooid op 23 juni 1469 in het Brabantse Oss*9: `Dit boeck waert ghescreuen ende voleint tot os Int iaer ons heren doemen screef M CCCC ende LXIX op sunte jans auont baptista.'*10
De handschriften H en B staan voor wat betreft de sproken van Hildegaersberch in menig opzicht zeer dicht bij elkaar: zowel wat betreft de uitvoering en de hoeveelheid gedichten, als in `taalkundig' opzicht: dialectische verschillen zijn aanwezig, maar niet groot te noemen. De volgorde der gedichten lijkt in eerste instantie geheel verschillend, maar hierna zal blijken dat na de eerste 31 sproken in hs.H, de gedichten in H en B in volgorde gelijk met elkaar oplopen.*11
3. De Rostockse fragmenten R (UB Rostock Ms. philol.84): het gaat hier (in eerste instantie) om vijf gedichtfragmenten op twee verschillende dubbelbladen perkament, en wel de buitenste katernbladen van twee afzonderlijke en `dikke' katernen*12: (96)Vanden droem (fol.61r-61v; vs.25-114), (22)Vanden goeden ridder (fol.72r-72v; vs.164-240), (20)Van drien figuren (fol.72v; vs.1-10), (4)Van den X gheboeden (fol.85r-85v; vs.40-128) en (106)Van karitas (fol.96r-96v; vs.117-209).*13 De fragmenten werden in 1843 door G.C.F.Lisch ontdekt als schutbladen van een incunabel in de bibliotheek van de Mariakerk te Rostock, namelijk de Textus trium librorum de anima Aristotelis cum commentario secundum doctrinam venerabilis domini Alberti Magni. Dit werk werd in 1491 door Johannes Koelhoff te Keulen gedrukt.*14 Door J.Tideman werden de fragmenten herkend als afkomstig van Hildegaersberch.*15 K.E.H. Krause heeft de fragmenten nader beschreven en gepubliceerd.*16 Hij maakt er tevens melding van dat er méér Rostockse fragmenten hebben bestaan, maar dat deze, samen met de foliant waarin ze ingeplakt waren, verloren zijn gegaan. Gelukkig zijn toch nog enkele passages uit deze fragmenten bewaard gebleven, doordat enkele `proeven' uit de fragmenten werden afgeschreven en gepubliceerd.*17 Ook deze proeven heeft Krause nogmaals afgedrukt; hij kon de passages weliswaar niet plaatsen, maar het gaat zonder enige twijfel om de sproken (21)Vanden doemsdaghe ende van sterven(vs.295-302 afgeschreven), (10)Dit is van drien coeren (vs.1-4 afgeschreven) en (109)Vanden vier cussen (vs.121-146 afgeschreven) van Willem van Hildegaersberch.*18 Deze fragmenten waren gevonden, wederom in de bibliotheek van de Rostockse Mariakerk, in de band van een werk van M.Johannes Versor: Quaestiones super metaphisicam et ethicam Aristotelis, gedrukt te Keulen in 1491 door Henricus Quentel.*19
Uit de foliëring van de fragmenten die we nog hebben, blijkt dat er ooit sprake moet zijn geweest van een codex van tenminste 96 folia, dus 192 bladzijden, wat overeenkomt met ruim 8600 versregels.*20 Men zou zelfs kunnen veronderstellen dat het hier om een codex kan hebben gegaan met eveneens ongeveer 120 gedichten. In dat geval moet het boekwerk ongeveer 240 folia hebben geteld voor het oeuvre van Hildegaersberch alleen al. Gezien de herkomst en de datering van de Latijnse werken waarin de fragmenten verwerkt waren, zou men kunnen veronderstellen dat het oorspronkelijke handschrift R vóór 1491 in Keulen verzeild is geraakt, alwaar het in 1491 werd versneden en waar het perkament door een binder werd gebruikt als schutbladen of als verstevigingsmateriaal voor boekbanden. Na 1491 zijn dan de twee bovengenoemde Latijnse werken (mét de perkamentbladen Hildegaersberch) in Rostock terecht gekomen. Maar het feit dat beide werken in 1491 in Keulen werden gedrukt en dat het in beide gevallen gaat om Aristoteles-commentaren, zou ook op iets anders kunnen wijzen: zo is het niet ondenkbaar dat een geleerde in Keulen rond 1492 de voorhanden zijnde Aristoteles-commentaren aankocht en ze elders liet binden. Het is dan ook mogelijk dat de codex met sproken eerst intact in Rostock of ergens anders terecht is gekomen en pas daar, later, is versneden.
Vergelijking van de fragmenten R met de corresponderende passages in H en B leert ons, dat H en B veel dichter bij elkaar staan dan R tot één van beide (zie hierna). De volgorde der sproken is, voor zover valt na te gaan, in R anders dan in H en B.
Het perkamenten handschrift heeft een enigszins afwijkend doch niet volledig ongebruikelijk*21 smal en hoog formaat gehad*22, met op iedere bladzijde slechts één kolom van gemiddeld 45 verzen. Het handschrift is een littera cursiva en elke sproke zal met een rode letter zijn begonnen. Alle beginletters zijn rood doorstreept. De kopiïst was een Hollander.*23 Over de datering lopen de meningen nogal sterk uiteen. Lisch, de vinder van de fragmenten, dateert `Anfang des 14. Jahrh.', hetgeen uiteraard onmogelijk is, omdat Willem van Hildegaersberch toen nog niet eens geboren was. Tideman, die de fragmenten aan Hildegaersberch toeschrijft, blijft curieus genoeg aan deze datering vasthouden: `begin der XIVe eeuw'. Bisschop en Verwijs plaatsen de fragmenten vlotweg in de `tweede helft der XVe eeuw', waarmee we dus een sprong van anderhalve eeuw maken. Krause, die niet wist dat het om sproken van Hildegaersberch ging, schrijft: `Die Minuskel-Schrift gehört dem 14. Jahrhundert, vielleicht schon dessen Anfange an'. Vervolgens plaatste Hulshof de fragmenten in het begin van de 15e eeuw, waarna Lievens `eind XIV - begin XVde eeuw' dateerde. Lieftinck had kort daarvoor geopteerd voor een datering rond 1400.*24 Als we het meest gewicht hechten aan de visie van de laatstgenoemde experts, dan zullen we voor de fragmenten R een datering van circa 1400 moeten aannemen.*25 Dit zou kunnen betekenen dat de oorspronkelijke codex, die R was, nog tijdens Willems leven is vervaardigd.
4. Het Haagse handschrift E (KB Den Haag 75 H 57): dit kleine papieren handschriftje werd ooit aangetroffen tussen papieren van de Egmondse Benedictijner abdij.*26 In dit handschriftje staan de eerste 36 versregels van (34)Vanden goeden vrouwen opgenomen. Naast meer korte en soms fragmentarische gedichten, treffen we er ook teksten als Vander feesten en Vander ghilde der Blauwer Scuten in aan. Waarschijnlijk hebben we te maken met een bundel sprooksprekersrepertoire. Het Hollandse handschriftje moet tussen 1430 en 1450 gedateerd worden.*27
5. Het Haagse handschrift G (KB Den Haag KA XXXVI): dit is een luxueus Brabants (?) gebedenboek van perkament uit ca.1390 met diverse verluchtingen. Het boek bevat Willems Mariagebed 45.Een notabel, aldaar voorkomend zonder titel, maar met de aankondiging `Een goet ghebet volgt hier na; Spreket dat Ons Vrouwe versta' (fol.119v-120v). Gezien de datering is Willems gedicht nog tijdens zijn leven in G terechtgekomen. Zeven gebeden die in G staan, waaronder Willems gebed, staan ook in*28:
6. Het Hulthemse handschrift Hu (KB Brussel 15.589-623). Dit handschrift bevat drie sproken van Willem, namelijk (42)Vander hontsschede, (45)Een notabel en (74)Van Sinte Gheertruden min, aldaar voorkomend onder de titels Enen hontsbete (fol.84vb-85rb), Van Onser Vrouwen(fol.165ra-165va) en Sente Ghetruden minne ende Sente Jans vrienscap, die deen vrient den andren gheeft (fol. 189ra-191vb). Opmerkelijk is dat in Hu in iedere strofe van Willems Mariagebed drie verzen zijn ingevoegd: in plaats van het rijmschema aaabcccbb heeft het gedicht aaaabbccccbb als rijmschema gekregen. Het beroemde Brabantse handschrift Hu, dat overigens ook een drietal sproken van Augustijnken bevat, moet ergens in de periode 1399-1410 tot stand zijn gekomen (meestal dateert men globaal ca.1410) en nog wel als een kopie van een ouder origineel. Dit laatste betekent dat de drie sproken nog tijdens Willems leven via-via in Hu terecht zijn gekomen.*29
7. Het Engelse handschrift U (in particuliere Engelse collectie): dit is een luxueus Hollands, perkamenten getijdenboek uit ca. 1405-1410.*30 Naast Latijnse teksten bevat dit boek ook Willems (korte versie van het) Mariagebed 45.Een notabel, aldaar zonder titel (fol.200r-205v). Aangezien het getijdenboek van Hollandse signatuur is, waarschijnlijk nog tijdens Willems leven tot stand is gekomen, en van de hand is van de meesters van Dirc van Delft (Tafel vanden kersten ghelove), is het bepaald niet ondenkbaar dat het boek met het Hollandse hof in verband moet worden gebracht - men zie ook de aankoop van getijdenboeken, zoals vermeld in paragraaf 8.3.1.
Gemeten naar sprooksprekersmaatstaven hebben we nu reeds te maken met een vrij omvangrijke, voor Middelnederlandse begrippen zelfs onovertroffen overlevering: Willems werk is zowel overgeleverd in verzamelhandschriften van zijn oeuvre, als selectief opgenomen in andere collecties. Opvallend is verder dat de sproken van Hildegaersberch blijkbaar evengoed een plaats konden hebben temidden van wereldse stof als religieuze stof.
Maar er zijn meer handschriften geweest. Op 12-4-1409 lezen we in de rekeningen van de graven van Holland*31: `Item bi Jan die Boelen betailt [tUtrecht] van enen boec dat mijn lieve here dede copen dair in stonden veel schoonre sproken die Willem van Hillegairtsberge gemaict hadde V cron., facit XVI s. VIII d.g.'. Het is niet aannemelijk dat het hier de aankoop van Hildegaersberchs `autograaf' betreft, zodat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen nog eens twee, zij het niet-overgeleverde manuscripten:
*8. Handschrift O: de `autograaf' van Willem van Hildegaersberch. Deze wordt hier expliciet vermeld, omdat het voor sprekers uit het mondelinge circuit helemaal niet vanzelfsprekend was dat zij er een `autograaf' op nahielden. Diverse (analfabete) sprekers zullen hun repertoire slechts in het geheugen hebben opgeslagen. Willems autograaf bevatte tenminste 120, misschien meer, sproken, aangezien O de bron geweest zal zijn voor R, X en W (zie hierna), en deze twee laatste weer voor respectievelijk H en B. De `autograaf' zal in de loop van Willems carrière ontstaan zijn, tussen 1383 en 1408.*32 `Autograaf' is hier gebruikt als een betrekkelijk begrip: het hoeft niet per se een boek of een repertoire-bundel(tje) geweest te zijn. Mogelijk moeten we ons O eerder voorstellen als een verzameling katernen en losse bladen, een aangroeiende stapel, zelfs met gedichten in verschillende versies genoteerd. Het zal ook niet nodig zijn geweest dat Willem steeds al z'n gedichten bij zich droeg: om het risico van verlies of schade te verkleinen kon hij een deel in bewaring achterlaten, en reisde het misschien gemakkelijker met slechts enkele teksten op zak. En ook Willem zal een groot deel van zijn repertoire uit het hoofd hebben gekend.
Onwillekeurig dringt zich hier toch de vraag op of niet de oorspronkelijke codex R de autograaf van Willem geweest kan zijn. Het gaat immers om een Hollands manuscript met een `pocket'-achtig formaat uit circa 1400. Het formaat is typisch dat van een gebruikshandschrift: geen exemplaar voor in de boekenkist of kast, maar ook geen exemplaar dat men nu direct als een repertoirebundel zou kunnen typeren.*33 Wat ook tegen R als sprekershandschrift lijkt te pleiten, is het gebruik van (duur) perkament, de rubricering en de nogal `ruime' notatie van de tekst. Natuurlijk zou het perkament nog een geschenk aan Willem geweest kunnen zijn van een zeer gulle maecenas. Maar men zou zich ook af kunnen vragen wat het nut is geweest van een (weliswaar sobere) `versiering' in de vorm van een rode doorstreping van de beginletters en rode lombarden, als het handschrift slechts bedoeld was voor een spreker om uit voor te dragen? Was een dergelijke rubricering zo gewoon dat ook een sprookspreker dit in z'n eigen bundel aanbracht? Voorts: waarom is er niet zuiniger met het perkament omgesprongen? Eén kolom per (weliswaar smalle) bladzijde van zo'n 45 verzen getuigt niet echt van een besparende geest. Als het hier om Willems autograaf zou gaan, dan moeten voorts minstens de ons bekende 120 sproken erin hebben gestaan, wat zou neerkomen op een codex van zo'n 240 folia. Het is de vraag of zo'n boekwerk nog tot het pocketformaat gerekend mag worden. Het is dus uiterst twijfelachtig of R voor Willems autograaf aangezien mag worden. Veeleer mag verwacht worden dat R in het bezit is geweest van een liefhebber van de sproken van de nog levende dichter Hildegaersberch, waarschijnlijk iemand uit diens publiekskring, die vaker in de gelegenheid wilde zijn de sproken te horen of te lezen.
*9. Handschrift W: kopie van (een deel van?) O en eigendom van graaf Willem VI, aangekocht in 1409 te Utrecht. Het is niet ondenkbaar dat de graaf het afschrijfwerk en/of het illuminatiewerk heeft uitbesteed aan een Utrechts scriptorium en/of een Utrechts atelier, om een ooglijk en min of meer luxueus exemplaar te laten maken. Al moet toegegeven worden dat de rekeningpost alleen spreekt over de aankoop van het boek, en niet met zoveel woorden rept van een opdracht tot vervaardiging ervan, toch kan de aankoop (juist) te Utrecht duiden op een (eerdere) opdracht.*34 Hs.W zal waarschijnlijk 119 gedichten hebben bevat (zie het stemma) en die gedichten moeten in dezelfde volgorde hebben gestaan als in B, doch ze staan niet in chronologische volgorde, dat wil zeggen in de volgorde waarin Hildegaersberch ze gemaakt heeft. Hierover later meer. Verderop in dit hoofdstuk zal nog aannemelijk worden gemaakt dat W niet geïdentificeerd mag worden met codex R.
Hiermee zijn we er nog niet. Er moet nóg een handschrift hebben bestaan, dat echter niet alle gedichten bevatte, doch tenminste meer dan 31. Dat brengt ons bij de theorie van Tiemeyer, die de handschriften H en B met elkaar vergeleek. Hij merkte op dat de volgorde der gedichten in de beide handschriften niet geheel ongelijk was: van gedicht 32 tot en met 120 is de volgorde dezelfde. Alleen worden de gedichten die H reeds geschreven had, steeds overgeslagen. Zijn hypothese luidt: `Mij dunkt dat er groote waarschijnlijkheid schuilt in de volgende voorstelling: H begon te schrijven naar een beknopter handschrift, kreeg na N31 het voorbeeld van B in handen, volgde dat op den voet en sloeg de gedichten, die hij van zijn vorig voorbeeld had afgeschreven, over. Deze waarschijnlijkheid wordt grooter, als we bedenken: a) dat juist N31 in B gemist wordt: dit gedicht stond nl. in H's eerste voorbeeld; b) dat alle plaatsen, op grond waarvan tot een zelfde voorbeeld geconcludeerd werd, voorkomen na N31. Ook taalkundige vormen pleiten daarvoor'.*35 Tiemeyer suggereert vervolgens nog, dat het gemeenschappelijke voorbeeld handschrift W was. Er moet dus een handschrift geweest zijn dat genoemd kan worden:
*10. Beknopte bundel X: een verloren gegaan beknopt handschrift, waarin 31.Van sterven stond opgenomen en waaruit H in eerste instantie geput heeft. Toen H een uitgebreider handschrift (mogelijk hs.W, of een nazaat hiervan; zie hierna) in handen kreeg, heeft hij X na het afschrijven van Van sterven terzijde gelegd. Naar de datering van X moet gegist worden: ±1430. Tiemeyer besefte misschien maar half hoezeer hij gelijk had met betrekking tot X. Het ondersteunende bewijs wordt geleverd dankzij de onoplettendheid van de kopiïst van H. Bij het afschrijven van gedicht 12.Van enen cruut ende hiet selve uit X, vergist de kopiïst zich als hij zich weer aan het schrijfwerk wil zetten. Hij begint na vs.192 achteloos een passage uit 42.Vander hontsschede(vs.27-34) over te schrijven, kennelijk omdat hij een verkeerd katern of blad van X heeft gepakt:
X [diplomatisch afschrift uit H, fol.16v]*36
Siedi enen lupenden hont
Daer oghet dat oghe tenigher stont
Ymmer en suldi hem niet betrouwen
Wye misdoet het mach hem rouwen
Mer gheerne blijft inden mensche tleven
Twoort dat hem die luden gheuen
Tmach hem billicx wel behaghen
Als die luden hem beclaghen
Nu pas bemerkt H dat hij het verkeerde gedicht aan het kopiëren was. Hij zoekt het juiste katern of blad op en vervolgt het juiste gedicht met vs.193, zonder bovenstaande passage te schrappen.*37 Zoals gezegd staakt H het kopiëren uit X na 31.Van sterven, zogauw hij een uitgebreider handschrift (W?) in handen krijgt. Dit handschrift begint hij af te schrijven, maar telkens slaat hij die gedichten over, die hij al uit X had. Op een bepaald moment komt H bij het gedicht 42.Vander hontsschede aan. Dezelfde regels als hierboven luiden bij W(?) en H echter:
W(?) en H [diplomatisch afschrift H fol.47v]
Siet ghi enen lupenden hont
Doeghet toghen tenigher stont
Ymmer en suldi hem niet betrouwen
Die misdoet het mach hem rouwen
Mer gherne bliuet in den mensche cleuen
Twoort dat hem die luden gheuen
Tmach hem billicx wel behaghen
Die daer berechten ende vraghen
Met name de tweede en de laatste regel zijn volledig anders. Het is vrijwel ondenkbaar, dat H slechts met één legger gewerkt heeft; zulke verschillen kunnen zo goed als zeker niet ontstaan bij het tweemaal overschrijven van eenzelfde passage uit één bron. Er moeten twee leggers geweest zijn.
Heeft H uit W(?) slechts de gedichten 32 tot en met 120 afgeschreven, B heeft alle gedichten uit W gehaald, namelijk 119 gedichten, dus zonder Van sterven. Dat B geheel en H gedeeltelijk op legger W teruggaat, wordt uiterst aannemelijk gemaakt (doch niet per se bewezen) door de gelijk opgaande volgorde der gedichten in B en H vanaf 32.Vanden ouden ende vanden jonghen. Alleen de gedichten die H al uit X had, onderbreken de reeks.
Toch rijst hier wel een vraag: waarom gesteld dat H uit respectievelijk X en W putte, en niet uit B, hetgeen op grond van de datering van B en de overeenkomsten tussen B en H heel goed mogelijk lijkt? Dat B en H in elk geval dicht bij elkaar staan, bewijst wederom de passage uitVander hontsschede, in B Vanden honts scoete getiteld:
B [diplomatisch afschrift fol.19r]
Syedi enen lupenden hont
Doecht togen tot eniger stont
Ymmer en suldi hem niet betruwen
Wie misdoet het mach hem rouwen
Mer gheerne blijft inden menschen tleuen [lees: cleven]
Twoert dat hem die lude geuen
Het mach hem billics wel behagen
Die daer berichten ende vragen
De overeenkomst tussen B en H bewijst in ieder geval eens te meer het bestaan van X, die een afwijkende lezing moet hebben gehad. Terzijde zij opgemerkt dat ook Hu dit gedicht heeft, aldaar getiteld Enen hontsbete, en dat bovenstaande passage bij Hu weer sterk afwijkt van X, H en B, denkelijk omdat Hu deze sproke uit de mondelinge traditie heeft geput, waarover later meer.
De tekstkritiek moet uitkomst bieden bij de vraag of er een (tekstkritisch) argument te vinden is tegen de voorstelling dat H direct afhankelijk is van B. Een geldig argument is: H heeft oorspronkelijker versregels, die B niet heeft, omdat B aantoonbaar iets (uit W) heeft overgeslagen of gewijzigd. Met dit argument kan aannemelijk gemaakt worden, dat H niet direct putte uit B. Als bewijs moge hier één sprekend voorbeeld dienen, ook al zijn er nog andere tekstkritische argumenten ter ondersteuning te geven. Het voorbeeld komt uit 49.Vanden twaelff maenden, vs.128-133, waar H twee versregels meer heeft dan B:
H [diplomatisch afschrift fol.53r-53v]
Bij deser maent wil ic bekinnen
Dat die mensche danne sal
Sine vruchten inden schuren slepen al W
Soe dat neghenste leuen doet vertoghen
Dat elck mensche dan sal poghen
Goet te winnen [...]
B [diplomatisch afschrift fol.26r]
Bi deser maent wil ic bekennen
Dat negende leuen ende vertogen
Dese betekent dat elc sal pogen
Goet te winnen [...]
H kan hier vrij bezwaarlijk uit B hebben overgenomen. H heeft hier duidelijk de betere lezing, ook al geeft B, ondanks de tautologie (`bekennen [...] ende vertogen'), geen onzin. Als B de bron was geweest voor H, dan zou H niet snel een reden hebben gehad om twee versregels in te voegen: hij trof bij B immers geen duidelijke indicatie aan - bijvoorbeeld een weesrijm - dat er iets mis was met de tekst. H geeft hier echter de primaire lezing en heeft er niets bijgefantaseerd: het bewijs kan geleverd worden aan de hand van de Franse bron voor dit gedicht, Douze mois figurés, waarin eveneens wordt aanbevolen de oogst in de voorraadschuren op te slaan (`si les engrange').*38 B zal twee regels uit zijn bron over het hoofd hebben gezien.
Twee kwesties dienen nu nog opgehelderd te worden. In de eerste plaats de vraag: had de beknopte bundel X precies 31 gedichten? Het antwoord moet ontkennend zijn, want het gedichtVander hontsschede, dat H begon over te schrijven zonder meteen zijn vergissing te merken, stond ook in X. We mogen dus stellen dat X meer dan 31, maar waarschijnlijk minder dan 119 gedichten had. Minder dan 119, want dat zou één van de redenen geweest kunnen zijn waarom H is overgestapt op W(?). En als X minder dan 119 gedichten heeft gehad, is het vervolgens ook waarschijnlijker dat X niet op W teruggaat; taalkundige argumenten ondersteunen dit, zegt Tiemeyer, al geeft hij ze niet. X zal waarschijnlijk teruggaan op (een deel van) O, net als R.
De tweede vraag die beantwoord moet worden, is: waarom zouden H (ten dele) en B teruggaan op W en niet op een andere (al dan niet bekende) codex? Het antwoord luidt in eerste instantie dat de afhankelijkheid van H & B van W niet volledig zeker is, hoogstens aannemelijk. W is naast R het enige vroege grote handschrift waarvan we weet hebben. Op taalkundige en tekstkritische gronden, alsmede omreden van de volgorde der gedichten, kan R in geen geval de bron van H en B zijn. Om dezelfde redenen is een identificatie van R met W als eventuele bron van H en B uitgesloten.*39 Telkens weer namelijk, als men de teksten bij R naast die van H en B legt, valt de onmogelijkheid op van een voorstelling dat een Hollandse en een Brabantse kopiïst onafhankelijk van elkaar regelmatig voor eenzelfde, van R afwijkende, spellings- en woordkeuze hebben geopteerd. Ten voorbeeld de volgende passage uit 96.Vanden droem, vs.31-38; men vergelijke met name de onderstreepte delen:
R [diplomatisch afschrift fol.61r]
Nv lust my zeer den zin te weeten
Mer qualic dorsticx my vermeten
Hem te vragen om tgestant
Dat deed twas my onbecant
Wie sii waren of waen sii quamen
Sii wrongen dic hoir hand tsamen
Elc claichde ander siin verdriet
Doch peynsdic zeker wats gesciet
H [diplomatisch afschrift fol.108r]
Nu luste mi zeer den sin te weten
Qualic dorstic mi vermeten
Hem te vraghen om den stant
Dat dede twas mi onbecant
Wye si waren of waen sij quamen
Si wronghen dick hoer handen tsamen
Ende elc claechde anderen sijn verdriet
Doe peynsde ic seker wats gheschiet
B [diplomatisch afschrift fol.102r]
Nv lusten my seer den sin te weten
Qualic dorst ic my vermeten
Hem te vragen om den stant
Dat dede twas mi ombecant
Wie si waren of waen si quamen
Si wrongen dicke hoer hande tsamen
Ende elc claechde den anderen sijn verdriet
Doe peinsde ic seker wats gesciet
Daar dit voorbeeld karakteristiek is voor alle vergelijkingen van R met H en B, kan veilig geconcludeerd worden dat R de bron niet kan zijn voor B en H. En als Willems autograaf heeft bestaan uit een stapel losse bladen en katernen, en niet uit een gebonden boek - al is zo'n voorstelling van zaken niet strikt noodzakelijk - , komt ook O niet in aanmerking, gezien de gelijke volgorde der gedichten in H en B na sproke 31. W is toch wel de meest geschikte kandidaat als bron voor H en B, en waarschijnlijk in elk geval de meest prestigieuze. Bron W mag dan niet geïdentificeerd worden met R. Voorts kan nog enigszins gespeculeerd worden over de eventuele opdrachtgevers voor het vervaardigen van H en B.

Kort vóór of in 1469 gaf een Brabander (?) opdracht tot het vervaardigen van een handschrift met een overwegend belerend-religieuze inhoud (hs.B). Twee Hollandse sprooksprekers vonden er onder meer hun plaats in: Willem van Hildegaersberch en Augustijnken, de laatste overigens met slechts één tekst. Daarnaast werd ook de Dietsche Doctrinael erin opgenomen. De kopiïsten zullen waarschijnlijk verschillende leggers hebben moeten gebruiken om hs.B te kunnen samenstellen. De leggers van Hildegaersberch en Augustijnken zijn mogelijk uit Hollandse contreien afkomstig geweest en zullen daarnaar zijn teruggekeerd na gebruik. De Hollandse (?) opdrachtgever voor hs.H, zo om en nabij de regeringsperiode van de Bourgondische hertogin Maria de Rijke (1477 - 1482), had geen Hollandse `hofteksten' (zoals van Hildegaersberch) binnen handbereik, maar wenste daar mogelijk wel over te beschikken. De eerste kopiïst van H stuitte op een - voor hem snel bereikbare? - beknopte bundel X met gedichten van Hildegaersberch, maar ontdekte vervolgens een completer handschrift. Is het niet denkbaar dat hij in de boekenkist naast het werk van Willem een exemplaar van Dirc Potters Der minnen loep aantrof? Is het immers niet toevallig dat in 1409 ten behoeve van de Hollandse hofkring een exemplaar van Willems gedichten is vervaardigd en dat Potter in ca. 1411 zijn Der minnen loep schreef, waarvan we mogen veronderstellen dat een exemplaar vrij spoedig aan het Hollandse hof terecht is gekomen? Het lijkt niet ondenkbaar dat de afschrijvers in circa 1480 de hand hebben weten te leggen op Hollandse hofexemplaren van het werk van Willem en Dirc. De eerste kopiïst van H schreef Willems sproken compleet af en vulde de laatste folia grotendeels met rijmspreuken, waarna zijn collega zich aan het afschrijven van Der minnen loep zette, het leeg gebleven fol.136v gebruikend om z'n pen te proberen. Ziehier een extra reden waarom gekozen is voor W (of desnoods een nazaat) als bron voor B en H.
De conclusie lijkt gerechtvaardigd, dat er van een behoorlijke laat-14e eeuwse en vooral 15e eeuwse schriftelijke spreiding sprake is geweest. Zonder enige overdrijving mag gesteld worden dat van Hildegaersberch niet alleen het grootste sprooksprekersoeuvre uit de Nederlanden is overgeleverd, maar ook dat zijn oeuvre (of onderdelen daarvan) op aanzienlijke schaal in omloop moet zijn geweest. Willem moet niet alleen in zijn tijd een gezien dichter zijn geweest bij zijn primaire publiekskring, hij is ook gelezen door (en/of voorgelezen aan) een secundaire publiekskring. Deze conclusie blijft overeind, ook al zal er een bepaalde mate van onzekerheid blijven bestaan op onderdelen van de hier weergegeven samenhang tussen de handschriften. Het moet dan ook benadrukt worden dat het om een hypothetische stamboom blijft gaan, waaraan soms slechts een aantal veronderstellingen ten grondslag ligt. Maar ondanks dat niet alles even zeker is, is dit toch de enige volop beredeneerde stamboom tot nu toe, en dat mag reeds op zich gelden als een vooruitgang. Men zal er zich evenwel bij moeten neerleggen dat mogelijke nieuwe gegevens een ander licht zullen kunnen werpen op de samenhang der delen.
Vervolgens dient de wezenlijke vraag gesteld te worden of alle 120 sproken die we van Willem kennen, ook werkelijk van hem zijn. Het antwoord moet luiden: ja en nee. Er zou op dit punt - en dat geldt in wezen voor alle sprooksprekers - feitelijk een onderscheid moeten worden gemaakt tussen eigen dichtwerk en eigen repertoire. Met vrij grote zekerheid kan, zoals straks zal blijken, vastgesteld worden dat alle 120 sproken van Willem waren in die zin dat ze tot zijn repertoire behoorden. Eén `sproke' is evenwel duidelijk niet door Willem zelf gedicht, namelijk48.Hoe man ende wijff sullen leven: dit is een door Willem letterlijk overgenomen hoofdstukje uit de Lekenspiegel van Jan van Boendale, getiteld Hoe man ende wijf hen houden selen. Een andere sproke, 50.Van sempelen ghelove, is eigenlijk Boendales Van Gods wesene, maar hier is Willem al minder letterlijk te werk gegaan.*40 Men zou nu kunnen veronderstellen dat deze teksten (waarin Willems naam niet voorkomt) `toevallig' tussen de gedichten van Hildegaersberch terecht zijn gekomen, maar van toeval lijkt nauwelijks sprake te kunnen zijn. Blijkens de proloog van61.Van ghilden, de inhoud van 101.Hoe die heren eerst quamen en de toespelingen in 24.Vanden serpent en 44.Vanden hont die verbroeyt wort*41, was Hildegaersberch een bewonderaar van Boendale en heeft hij (delen van) diens Lekenspiegel met interesse tot zich genomen. En wie bewondert, ontleent gemakkelijk: nu eens een motief of een thema, dan weer een passage, in dit geval zelfs tot een heel gedicht toe. Hildegaersberch heeft in het proces van repertoire-opbouw dan ook twee teksten aan Boendale ontleend, één letterlijk, één ervan enigszins bewerkt, om ze vervolgens te gebruiken bij z'n voordrachten. De twee dichtstukken waren dus feitelijk ook van Willem, omdat ze tot zijn repertoire behoorden.
De vraag of álle 120 sproken die aan Willem zijn toegekend ook werkelijk tot zijn repertoire hebben behoord, kan met vrij grote stelligheid bevestigend beantwoord worden. Het voornaamste argument luidt, dat van de 120 sproken, die zowel in hs.H als B als één tekstcorpus bij elkaar staan, er door de hele verzameling heen 40 zijn waarin Willems naam voorkomt*42: éénderde van de gedichten is dus `ondertekend' door dichter Willem. Onder de 120 gedichten treft men geen enkele maal de naam van een andere dichter aan. Afgezien van die sproken waarin een onderscheid gemaakt lijkt te worden tussen dichter en voordrager*43, doet alleen het slot van91.Van tween bomen `secundair' aan:
Alsoe ons Willem heeft gheseet
In veel materien, die hi ruerde,
Die wijl dat hem sijn leven duerde. (91; 182-184)*44
Dat hier in de derde persoon enkelvoud gesproken wordt, kan geenszins als argument gelden. Niet alleen sprak Willem vrijwel uitsluitend over zichzelf in de derde persoon als hij zijn naam noemde, dit procédé was onder sprooksprekers, ja ook onder veel anderssoortige dichters, hoogst gebruikelijk.*45 Indien het bovenstaande enigszins naar de geest wordt weergegeven als `Willem heeft zijn leven lang deze lessen verkondigd', iets wat hij ook wel in de eerste persoon placht te zeggen*46, dan hoeft niet per se aan een epigoon of een toevoeging van een kopiïst te worden gedacht. Maar met een dergelijke vrije weergave van bovenstaand citaat maakt men zich er misschien te gemakkelijk van af. Een zekere twijfel moet in dit geval blijven bestaan, of in (het slot van) deze sproke geen kopiïst*47 of navolger aan het woord is. Evenwel, als het slot secundair is, behoeft dat geenszins te betekenen dat het gedicht niet van Hildegaersberch was: Willems naam wordt niet voor niets genoemd - of men zou moeten veronderstellen dat een epigoon Willems naam aan het gedicht toevoegde om het zodoende meer status te verlenen.
Een tweede argument luidt, dat de handschriften H en B (oorspronkelijk) dezelfde verzameling sproken hebben (gehad), op 31.Van sterven na. Beide handschriften presenteren de sproken als een corpus. H begint met de sproken en markeert het einde met de aantekening `Nota bene' en daaropvolgende bladvullende rijmspreuken.*48 In B openen de 119 sproken de codex eveneens als één blok, gemarkeerd aan het eind met de volgende ondubbelzinnige aantekeningen: `Et sic est finis' en `Dit boeck waert ghescreuen ende voleint tot os Int iaer ons heren doemen screef M CCCC ende LXIX op sunte jans auont baptista'. Hierachter ingebonden volgt dan als eerste een berijmde lekenkalender. Uit de fragmenten R blijkt, dat R oorspronkelijk een soortgelijke codex was: tussen de fragmenten van (tenminste) acht sproken treffen we geenFremdkörper aan. Hetzelfde zal voor X hebben gegolden, getuige de eerste 30 sproken uit H.
In de derde plaats staan de hss.H en B zo dicht bij elkaar, dat het niet onwaarschijnlijk geacht kan worden dat ze teruggaan op het boek met sproken dat graaf Willem VI in 1409 liet maken en kocht. Dit zou het binnensluipen van andermans gedichten, niet tot Willems repertoire behorend, weinig aannemelijk maken.
En hoe vaag het tenslotte ook moge klinken: wie zich langer met de sproken van Hildegaersberch heeft beziggehouden, zal zijn gaan bemerken, dat de gedichten over het geheel genomen dezelfde geest ademen: bij nadere beschouwing vormt het corpus sproken een consistent geheel, zowel stilistisch, compositorisch als inhoudelijk. De woordenschat, de stijl, de opbouw in inleiding, kern en slot (voor wat betreft de langere sproken), het gebruik van sententies, de keuze van motieven en thema's, het wereldbeeld dat uit de sproken spreekt, dit alles geeft steeds een indruk van samenhang.*49 Weinig verzet zich kortom tegen de opvatting dat het corpus van 120 gedichten tot Willems repertoire heeft behoord.
Een `buitenbeentje' lijkt 74.Van Sinte Gheertruden min. Dit gedicht komt in een enigszins variante versie voor in hs.Hu, alwaar de `ondertekening' door Willem ontbreekt.*50 Dit laatste is op het eerste gezicht curieus: is Sente Ghetruden min [...] uit Hu geen dichtwerk van Willems hand? Sterker nog: heeft Willem Sente Ghetruden min [...] uit Hu of een andere bron overgenomen en er zijn naam aan toegevoegd? Deze mogelijkheid mag niet worden uitgesloten. Wel moet weer vastgesteld worden dat al zou de St. Gertrudesproke niet van Willems hand zijn, deze toch in elk geval tot zijn repertoire heeft behoord, alleen al gezien de ondertekening in H en B. Er zijn voorts allerlei mogelijke stemma's denkbaar, waaruit blijkt dat Willem niet de auteur is van de sproke uit Hu, maar toch zijn er aanwijzingen, waaruit kan blijken dat Willem waarschijnlijk de maker was van de sproke (in H, B én Hu), dat de sproke in Hu niet Willems bron was, maar net als Enen hontsbete en Van Onser Vrouwen in Hu een versie van Willems gedicht.
Grondgedachte is, dat Willem van Hildegaersberch tot en met 1408 (Hu is tot stand gekomen tussen 1399 en 1410) vooral furore moet hebben gemaakt in het mondelinge circuit en dat ook de mogelijkheid van los circulerende teksten, `fliegende Blätter' of rollen, met gedichten van hem zeker niet denkbeeldig is. De rekeningen van de graven van Holland geven een enkel voorbeeld van een los gedicht dat op een blad genoteerd aan de vorst overhandigd werd. Zulke bladen konden gemakkelijk een eigen leven gaan leiden.*51 Omdat sproken het produkt waren van een grotendeels mondelinge cultuur, ontstonden er telkens nieuwe voordrachtsvarianten, ook als ze door dezelfde spreker werden voorgedragen. De schriftelijke fixatie van een sproke met tussenpozen, leverde derhalve ook varianten op. Het is daarom beslist niet ondenkbaar dat Willem zijn St.Gertrudesproke eenvoudigweg al voordroeg (zonder naamsvermelding in het slot) voordat hij deze in zijn `autograaf' noteerde of opnieuw noteerde. Op een gegeven ogenblik kan men het gedicht, evenals (eerder?) zijn sproke Enen hontsbete, uit zijn mond hebben opgetekend, op een `vliegend vel' in handen hebben gekregen of uit zijn `autograaf' overgenomen. De St.Gertrudesproke en Enen hontsbete kunnen zodoende ieder afzonderlijk (!) in Hu terecht zijn gekomen, Enen hontsbete als nummer 102 en Sente Ghetruden min als nummer 192. In die tijd hoeft Willem zijn naam nog niet in het slot van zijn St.Gertrudesproke te hebben verwerkt: dat kan pas gebeurd zijn toen hij het later voor een speciale gelegenheid (opnieuw) noteerde.*52 Deze hypothese, met een lichte voorkeur voor de optie van de uit de mond opgetekende sproke, biedt een passende verklaring voor de duidelijke overeenkomsten, zo goed als de verschillen tussen H/B en Hu; het is bekend dat in de mondelinge traditie gedichten aan een zekere verandering onderhevig zijn - ook als het om één auteur gaat. Aanname van een mondelinge (of schriftelijke) overdracht van een vroege versie van de St.Gertrudesproke in Hu en een schriftelijke overdracht van een latere versie in H en B, verklaart een aantal zaken: de verschillende bewoordingen in de sproke tussen Hu en H/B én het feit dat de versies toch lange tijd regel voor regel synchroon lopen. Het verklaart voorts waarom soms dan weer in Hu, dan weer in H/B regels ontbreken. Bij een mondelinge traditie treden dergelijke verschijnselen bij uitstek op. De teksten verschillen van elkaar omdat Willem zelf z'n formuleringen in de voordracht wel varieerde - hetgeen ook geldt voor genoteerde versies - , maar natuurlijk ook omdat de kopiïst van Brabantse origine was en de tekst aan zijn eigen dialect aanpaste. Van een welbewust bewerkende kopiïst is in dit geval geen sprake. De meeste variante lezingen zijn van ondergeschikt belang; ze veranderen niets in het gedicht en lijken - naast Willems wisselende wijze van formuleren - grotendeels aanpassingen aan het Brabantse taalgebruik.*53 Dit alles kan ook voor de sprokeEnen hontsbete gelden.
Tot slot kan aan de hand van het rijm vrij eenvoudig aangetoond worden dat de St.Gertrudesproke oorspronkelijk in het Hollands en niet in het Brabants gedicht is. Dit valt vast te stellen door de vroege Hulthemse versie te vergelijken met de latere Haagse versie, de versie waarin het Hollandse dialect goed is geconserveerd. Het blijkt nu dat de zuivere Hollandse rijmen door de Brabantse taalinvloeden noodgedwongen onzuiver worden:
|
Hu |
H |
|
vs. 11-12: dien/clein |
vs. 11-12: dien/clien |
|
81-82: ghescien/allein |
81-82: gheschien/allien |
|
101-102: meende/diende |
101-102: miende/diende |
|
163-164: ghepeins/ghens |
163-164: ghepeyns/gheyns |
|
203-204: deert/vaert |
203-204: daert/vaert |
|
265-266: dincken/(s)crenken |
267-268: dencken/crencken |
|
293-294: luste/moeste |
295-296: lust/must |
|
367-368: anderen/wandelen |
367-368: anderen/wanderen |
|
400-401: bat/gheset |
401-402: bet/gheset |
De conclusie mag waarschijnlijk luiden: Willems St.Gertrudesproke in het hs.Hu is een vroege versie, die nog tijdens Willems leven in dit handschrift terecht is gekomen, terwijl de sproke in de hss.H en B een latere versie vertegenwoordigt.
De sproke 74.Van Sinte Gheertruden min is overigens om meerdere redenen bijzonder. Willems gedicht is de oudst bekende Middelnederlandse tekst over de ridderlegende uit de St.Gertrude-hagiografie. Kern van de ridderlegende is steeds dat een ridder dankzij St.Gertrude van Nijvel onder een pact met de duivel uitkomt nadat hij St.Gertrude minne (liefde, gedachtenis) had gedronken. Er bestaan eigenlijk drie versies van deze ridderlegende. De oudste is de locale Nijvelse versie, die opgevolgd werd door de zogenaamde Maaslandse versie. Willems lezing van het verhaal zou men de Hollandse versie kunnen noemen. Juist op Willems lezing lijken een viertal 15e eeuwse fresco's in de Gertrudiskapel te Oldenburg geïnspireerd te zijn. Bovendien heeft het er alle schijn van dat de sproke (de Hulthem-versie?) aanleiding heeft gegeven tot het dichten van een ballade door een Brabantse volksdichter: de sproke-stof drong aldus bewerkt tot de volkscultuur door. Duitsgekleurde nazaten van de ballade zijn te vinden in het Deventerse Liederhandschrift en het Liederboek van Anna van Keulen (beide ca.1500).*54
Terug naar de overlevering. Het laat zich aanzien dat Willems Mariagebed 45.Een notabelnog een andere omweg heeft gemaakt: het is namelijk voorstelbaar dat de tekst (naast in getijdenboek U) eerst in gebedenboek G is terechtgekomen (uit de mondelinge overlevering?) om vandaaruit samen met zes andere gebeden in Hu te zijn opgenomen - al is het ook mogelijk dat Hu uit een andere, gelijkaardige bron heeft geput. Iemand heeft zich ingrijpender bemoeid met het gedicht, want de strofen zijn in Hu verlengd van negen naar twaalf verzen.*55 Willems Mariagebed is als nummer 166 in Hu genoteerd. Overigens blijft de overlevering van dit gedicht bijzonder lastig en mag niet volledig worden uitgesloten dat Willem níet de dichter is van het gebed, maar dat hij het uit een andere bron (G? U?) in zijn repertoire heeft opgenomen.
Zoals men kan menen dat de sproken uit G, U en Hu mogelijk varianten zijn uit Willems voordrachtstraditie, zo kan evenzeer vermoed worden dat het fragment uit het Haagse hs.E,Vanden goeden vrouwen, opgetekend is uit de mond van de sprookspreker. Dit vermoeden is gegrond op de talloze varianten en de aard van hs.E. Wellicht heeft een collegaspreker en tijdgenoot onze dichter ooit verzocht om hem een goede sproke te dicteren of te laten memoriseren. We mogen immers niet vergeten dat orale uitwisseling van stof en het uit-de-mond-optekenen of inprenten in het mondelinge milieu van de voordrachtskunstenaars een uiterst gebruikelijke gang van zaken geweest zal zijn (dit i.t.t. de primair op schriftelijke fixatie gerichte clerk-auteurs).*56 Willem was, voor zover valt na te gaan, een spreker die grosso modo zijn eigen sproken produceerde. De spreker aan wie hij mogelijk zijn sproke dicteerde, moest misschien bestaan van de voordracht van andermans en traditioneel werk; er zullen in elk geval ook talloze van dit soort sprekers zijn geweest.*57 (Het is daarbij zelfs denkbaar dat zo'n spreker moest betalen voor een sproke van de `meester'). Aangezien E tussen 1430 en 1450 als sprooksprekers-repertoirebundel tot stand is gekomen, zullen er nog één of meer andere afschriften tussen Willems dicteren en E hebben gezeten.
Hiervóór is gesteld dat alle 120 gedichten van Willem tot zijn repertoire behoorden. Men kan zich tenslotte afvragen of het repertoire van Willem slechts 120 sproken heeft omvat. Heeft de sprookspreker niet meer gedichten gemaakt of tenminste op zijn repertoire gehad tussen circa 1383 en 1408? Kon hij in een ruim 25-jarige loopbaan als professioneel dichter en spreker volstaan met 120 sproken, dus met een gemiddelde produktie van nauwelijks vijf gedichten per jaar? Bepaalde gedichten kon hij natuurlijk bij herhaling voordragen, telkens als hij voor een nieuw gehoor stond. En misschien deed een enkele sproke het zelfs meer dan één keer goed voor eenzelfde publiek. Bovendien zal Willem een aantal situatiegebonden teksten met zijn waarschijnlijk niet te onderschatten improvisatievermogen aan nieuwe situaties hebben kunnen aanpassen. Maar voor iemand die in een betrekkelijk klein taalgebied voor min of meer selecte gezelschappen*58 van het voordragen van gedichten moest leven, is 120 sproken in zo'n 25 jaar niet bijzonder veel. Aannemelijk is dan ook dat hij meer dan 120 sproken op zijn repertoire had.*59 Zekere steun voor deze veronderstelling kan verkregen worden bij 107.Vanden boghe, waar Willem over zijn werk zegt:
Ic heb ghedicht in minen tyden
Van weelden groot, van menighen lyden,
Van ruste ende oec van overmoede,
Ende hoe die sotte oftie vroede
Leven moghen thoren baten. (107; 1-5)
In de omschrijving mogen we waarschijnlijk in ieder geval de sproken 66.Van drierehande lydenen 82.Van ruste herkennen. Natuurlijk heeft Willem ook gedicht over `weelden groot' en `overmoede', maar er zijn geen gedichten overgeleverd waarin deze thema's centraal staan. Zijn deze gedichten wellicht verloren gegaan, of begaan we hier de fout Willem al te zeer op zijn eigen woorden te vangen? In het boek dat graaf Willem VI in 1409 vervolgens aankocht, kan dan ook een (hofgerichte?*60) selectie van 119 sproken terecht zijn gekomen - nog afgezien van de vraag of en in hoeverre O zelf al een selectie vormde. Via de omweg die hs.X maakte, hebben we er dan nog één sproke bijgekregen.
Er mogen anderzijds ook weer geen misverstanden over bestaan: Willems oeuvre is het grootste sprooksprekersoeuvre dat we in de Middelnederlandse letterkunde van een spreker kennen; het omvat 21.666 versregels. Dat is meer dan de versregels van een `willekeurig' vijftal epische teksten als Karel ende Elegast, Beatrijs, Vanden vos Reinaerde, Floris ende Blancefloer en de Roman van Walewein bij elkaar opgeteld. Minstens zo illustratief is het feit dat, als we gaan zoeken naar bij naam bekende, Middelnederlandse dichters vóór ca.1410, Willems oeuvre in omvang slechts overtroffen wordt door dat van middeleeuwse veelschrijvers als Maerlant, Velthem en Boendale.