4. Persoon, professie en poëtica

Dit hoofdstuk zal gewijd zijn aan de persoon Willem van Hildegaersberch. Achtereenvolgens wordt aandacht besteed aan de biografische gegevens (voorzover te achterhalen), aan de professie en sociale positie van de sprookspreker, en aan Willems `geestelijke bagage', te weten zijn scholing, zijn literaire kennis en zijn bekendheid met bijbelstof, historie en actualiteit. Tenslotte komt het dichterschap aan de orde: Willems poëtica en dichterlijke techniek. Deze laatste paragraaf slaat in zekere zin een brug naar de inhoud van Willems werk, waaraan na dit `auteursgerichte' hoofdstuk weldra meer aandacht zal worden besteed.



4.1. De biografische gegevens

Van Willem van Hildegaersberch staat in elk geval één ding vast: hij werd in het dorp Hillegersberg, in de nabijheid van de stad Rotterdam*1, geboren, zoals hij zelf enkele malen getuigt*2:

Want Willem wil u dbeste raden,

Die van Hildegaersberch is gheboren (58; 234-235)

Hillegersberg was een dorp, gebouwd op een heuvel langs de rivier de Rotte*3; de heuvel bood op gezette tijden bescherming tegen het oprukkende water. De middeleeuwse woongemeenschap, voor het merendeel bestaand uit houten huizen met rieten daken, is gegroeid rond twee centrale punten op de heuvel: de burcht en (iets later) de kerk. De eerste bouw van de middeleeuwse burcht - voorzien van slotgracht en omwalling - en van de kerk zal gesitueerd moeten worden tussen 950 en 1150. Kort na 1150 zijn waarschijnlijk zowel de kerk als de burcht herbouwd in een groot formaat stenen, de zogenaamde (klooster)moppen. Pas in de tweede helft van de 14e eeuw is de toren op de kerk gebouwd. De eerste burchtheer die we kennen is Vranke Stoop, die het kasteel te Hillegersberg in leen had van Floris V. In een verklaring van 2-11-1269 van graaf Floris vernemen we dat het kasteel aan Vranke Stoops dochter Aleida Stoop zou vervallen, indien de vader geen mannelijke erfgenaam achterliet bij zijn overlijden, hetgeen het geval zou blijken. Voor zover valt na te gaan, blijkt Hillegersberg van de tweede helft der 13e eeuw tot de eerste helft van de 15e eeuw in handen te zijn geweest van twee adellijke families, respectievelijk het geslacht Stoop en het geslacht Van den Berge.*4 Van de burcht is thans niet meer dan een ruïne over. In de Divisiekroniek van 1517 wordt vermeld dat het huis te Hillegersberg in 1426 werd verwoest in de Hoekse en Kabeljauwse twisten: de Hoekse krijgsoverste van Jacoba van Beieren, Willem Nagel genaamd, baljuw van Kennemerland, verwoestte de kastelen Kralingen, Spangen, Starrenburg, Kapelle, Spieringshoek, Weena en Hillegersberg. De kerk viel aan brand ten offer, werd volledig verwoest, maar werd op vrijwel dezelfde plaats later herbouwd.*5

De vraag naar het aantal bewoners dat Hillegersberg telde in de tweede helft van de 14e eeuw - dus ten tijde van Willem van Hildegaersberch - , is slechts bij benadering te beantwoorden. R.A.D.Renting meldt dat Hillegersberg in 1514 in totaal 140 haardsteden en 450 communicanten telde, en komt tot de conclusie dat het inwonertal toen bestond uit 850 à 900 zielen.*6 Het inwonertal zal ruim een eeuw daarvóór waarschijnlijk iets lager hebben gelegen.*7 In Hillegersberg, dat aan beide zijden van de rivier de Rotte lag, zal men in de middeleeuwen nauwelijks agrarische activiteiten hebben ontplooid, aangezien zich rond de heuvel weinig anders dan laagveen (en moeras) bevond. De belangrijkste bron van inkomsten in de 14e eeuw leverde het veen in de vorm van turfdelving.*8 Het is derhalve denkbaar dat Willem afkomstig was uit een familie van veenwerkers (hetzij pachters, hetzij eigenaars), turfschippers en turfhandelaren. De Rotte was als vaarroute van geen belang*9, maar mondde wel uit in de wateren der Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden, waar ook de Schie, de Lek, de Merwede, de IJssel, de Waal en de Maas in uitmondden. De turfdelvers verscheepten hun handelswaar gewoonlijk zelf naar de Hollandse steden.

Terug naar Willem van Hildegaersberch. Het jaar van zijn geboorte is niet bekend en valt slechts enigszins te benaderen aan de hand van de overlijdensdatum. Ook deze is niet precies bekend, maar reeds Jonckbloet*10 nam niet zonder grond aan dat Willem kort na juni 1408 is gestorven. Op 3 juni 1408 wordt hij als optredend sprookspreker voor het laatst vermeld in de tresoriersrekening van de Hollandse graaf Willem VI:

Item meester Willem van Hillegairtsberge die upten heiligen Pinxterendach sproeke voir minen lieven heere ende vrouwen gesproken hadde gegeven te hueschede IIII cronen, facit XIII s. IIII d.g. [ARA-AGH 1261; fol.128v]

Hildegaersberch was in die jaren gewoon om aan het hof op de grote hoogtijdagen acte de présence te geven: Pasen, Pinksteren, Kerst.*11 Met Kerst 1408 komt hij echter niet meer in de rekeningen voor, evenmin als met Vasten, Pasen of Pinksteren 1409. Op 12 april 1409 lezen we echter:

Item [XII dage in aprille tUtrecht] bi Jan die Boelen betailt van enen boeck dat mijn lieve here dede copen dair in stonden veel schoonre sproken die Willem van Hillegairtsberge gemaict hadde V cron., facit XVI s. VIII d.g.*12 [ARA-AGH 1262; fol.100v]

Op grond van deze rekeningpost, de verleden tijd hadde en het ontbreken van posten met nieuwe optredens, heeft men aangenomen dat Willem kort na juni 1408 is overleden*13 en tenminste vóór april 1409, toen de graaf, blijkbaar bij wijze van aandenken aan de sprookspreker, een boek met vele van zijn gedichten aanschafte. Het is aan te nemen dat Willem zelf heeft kunnen lezen en schrijven*14 en dat hij er een soort autograaf op nagehouden heeft met compleet uitgeschreven sproken*15, waarnaar in Utrecht dan ten behoeve van de Hollandse graaf een afschrift is gemaakt.

Willems geboortedatum valt - zoals gezegd - slechts te benaderen aan de hand van zijn sterfdatum. De gedichten bieden op dit punt nauwelijks uitkomst. Clignett veronderstelde dat Willem reeds vóór 1330 geboren was, terwijl de theoloog Pluym hierover zelfs vrij stellig was.*16 Zij leiden dit af uit een passage van 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen; Willem zou een jonge gezel zijn geweest toen graaf Willem III in 1337 overleed:

Groot wonder mochten si nu vertellen,

Die hier te voren jonghe ghesellen

Waren by des graven tyden,

Daer God die ziel of moet verbliden,

Die in Henegouwen starff (63; 1-5)

Pluym gaat zelfs zo ver dat hij de dichter Willem van Delft, genoemd in 1338 in de rekeningen van graaf Willem IV, zou willen identificeren met Willem van Hildegaersberch. Deze veronderstellingen gaan veel te ver. Als Willem in 1337 een jongeling was, zou hij ongeveer in 1320 geboren moeten zijn. Met 1408 als sterfdatum zou hij dan als 88-jarig sprookspreker nog langs 's heren wegen hebben getrokken, wat weinig waarschijnlijk lijkt. Een leeftijd van 88 jaar was in de middeleeuwen ook slechts voor de allersterksten weggelegd; bij hoge uitzondering bereikte men een dergelijke ouderdom. Daarenboven is het bijzonder twijfelachtig of uit bovenstaand citaat opgemaakt mag worden, dat Hildegaersberch zelf tot de jongelingen behoorde in 1337 - eerder lijkt hij het tegendeel te suggereren.

Men kan Pluym toegeven dat Willem in bepaalde gedichten verklaart een respectabele leeftijd te hebben bereikt, vooropgesteld dat de `ic'-voordrager in dergelijke gevallen mag worden geïdentificeerd met Willem. Zo noemt hij zichzelf in 31.Van sterven `arme oude' (vs.9), spreekt hij zijn publiek in 59.Vander dwalinghe toe als `jonghe domme' (vs.16), terwijl de dichter in 111.Ic bin al moede, ic wil gaen rusten omziet in moedeloosheid, al heeft Van Oostrom er in dit geval reeds op gewezen dat de sproke overeenkomst vertoont met het genrematige `Alterslied': `een larmoyant gedicht waarin de dichter zichzelf stileert in de rol van miskende ploeteraar-op-leeftijd - dit met de bedoeling om zijn publiek tot bekering (én betaling!) aan te sporen'.*17 In 119.Vanden hofman vernemen we:

Ic bin vergheten tmeeste deel.

Si die leven mit ryveel (blijdschap)

Ende hem an die werlt houden,

Die achten luttel op die oude;

[...]

Die mijn medeghesellen waren

Sijn veel ghestorven ende ghevaren.

Leefter enich hier of daer,

Die sijn ooc out, [...]

[...]

Al bin ic cranck ende out van daghen (119; 51-54, 57-60, 78)

Dit klinkt toch vrij authentiek*18, zeker waar Willem spreekt over zijn eveneens oude of zelfs al overleden collega-sprekers. En zoals hierna getracht wordt aannemelijk te maken, bezitten dergelijke uitspraken van Willem over de dichtpraktijk globaal genomen meer autobiografische waarde dan uitspraken over `Willems leven' in het algemeen.

De voorkeur zal voor wat betreft Willems geboortejaar eerder moeten uitgaan naar Jonckbloets gissing van ca.1350.*19 Jonckbloet stelt (min of meer ten overvloede) dat Hildegaersberch graaf Willem III nooit gekend heeft, omdat hij in 10.Dit is van drien coeren deels de daden van Willem III verwart met die van Willem IV. Bisschop en Verwijs stellen daar tegenover, dat dit verhaal bij Hildegaersberch erg vaag blijft - de graaf wordt niet bij name genoemd - en misschien niet bedoeld was om gedachten aan Willem III te wekken, doch slechts als anecdote dienst te doen.*20 Daar kan weer tegenover worden gesteld dat voor een specifiek ingewijd publiek, zoals bijvoorbeeld het Hollandse hofpubliek, het noemen van namen niet noodzakelijk was. De (parate) kennis van het eigen (recente) verleden in de kringen van het gravenhuis van Holland (of zelfs breder) mag niet onderschat worden. In die kringen zal men de vorsten moeiteloos hebben herkend, die niet bij hun naam genoemd worden in 10.Dit is van drien coeren, 51.Van tregiment van goede heren en 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen.

Geboren rond 1350, zou onze dichter ongeveer 58 jaar oud zijn geworden, wat in de middeleeuwen - zeker het wisselvallige bestaan van de rondreizende sprookspreker in aanmerking genomen - een aanzienlijke leeftijd moet zijn geweest. In de anonieme sproke Dit is van .VI. vaerwen ende .XII. outheyden, deen metten anderen bediedt*21 lezen we over het stadium tussen het 48e en 60e levensjaar:

Die staerc was valt in crancheden,

Die snel was comt in traecheden,

Die scarp was al in sijnre sinnen

Beghint plompen van in binnen; (af te stompen)

Nature moet haer scout betalen,

Want sonder clemmen moet si dalen. (vs.151-156)

De mens takelt tussen zijn 48e en 60e af. In zijn volgende levensperiode zullen veel `goede liede' (vs.161) om hem heen sterven. Maerlant zegt in het begin van zijn Naturen bloeme: `Ten L jaren coemt die oude': met vijftig komt de ouderdom.*22 Willem zegt zelf in 49.Vanden twaelff maenden over mensen die tegen de zestig lopen dat de periode van ouderdom en gebrekkigheid voor de deur staat (sommigen sterven zelfs al; vs.156): `tot sijnre oude Gaet die mensche ende faelgiert' (vs.146-147). In 87.Vander avontuer verzucht de dichter (?) zelf: `Nu faelgeren mi die lede' (vs.5). Maar als Willem zegt dat de ouderdom met zestig komt, dan spreekt hij mogelijk tot een gegoed en goed doorvoed publiek. Veelzeggender is het dat in een anonieme sproke als Deen gheselle calengiert den anderen die wandelinghe gezegd wordt dat de ouderdom voor de voordrachtskunstenaar al bij veertig jaar komt!*23 Zo bezien is een geboortedatum rond 1350 zo'n slechte gissing niet.

Wat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid beredeneerd kan worden, is tot welke stand Willem behoorde. Hij was niet van adel, om de eenvoudige reden dat er geen aristocratisch geslacht Hildegaersberch heeft bestaan. Zoals we hiervóór reeds zagen was het dorp Hillegersberg in handen van adellijke families als Stoop en Van den Berge. Willem moet dus wel als `burger', of zo men wil `dorper', ter wereld zijn gekomen. Dit past dan goed in het beeld dat men zich in Duitse studies heeft weten te vormen van de met sprooksprekers vergelijkbare Spruch- en Märendichters. Het gros van de `Spruchdichter' was van burgerlijke komaf; slechts een gering aantal was van adel, en dan nog voornamelijk lage of verarmde adel. De meeste `Spruchdichter' stamden van bezitloze ouders af en waren dus van huis uit arm. De `Märendichter' waren slechts een enkele maal van adel, waren vrijwel nooit geestelijken, maar stamden voor het overgrote deel uit het stedelijk-burgerlijke milieu.*24 Zoals hierna nog zal blijken, heeft Willem geen (voor)opleiding voor enig geestelijk ambt genoten en heeft hij dus evenmin tot de stand der clerici behoord.

Of Willem, die vanaf ca.1380 als spreker veel onderweg moet zijn geweest (zie hierna), ook een vaste woon- of verblijfplaats had, is onbekend. Ook van andere sprekers is het niet zeker. Wanneer een spreker als Jan van Machelen in 1386 van de graaf zes gulden krijgt `daer hi mede thuys trecken mochte'*25 hoeft dat nog niet te betekenen dat hij echt een huis had: mogelijk wordt slechts bedoeld dat hij met het geld kon terugkeren naar Brabant. In een bijdrage over Walther von der Vogelweide lijkt Wenzel - ondanks het zijns inziens topische karakter - geloof te hechten aan `das bekannte Bild des heimatlosen Fahrenden, das Unbehaustsein und die Schutzlosigkeit in der Kälte'. Bij dit beeld sluit inderdaad Walthers poëtische bede om een leen inclusief behuizing aan, én het ontvangen van een dergelijk leen, een kleine hoeve in de omgeving van Würzburg, uit handen van Frederik II von Hohenstaufen.*26 Toch kan men zich in alle redelijkheid afvragen of het (tot in de 14e eeuw) altijd nodig is geweest dat een spreker - zelfs de barste winters door - continu rondreisde van publiek naar publiek, van onderdak naar onderdak en van herberg naar herberg, zonder ooit terug te kunnen keren naar een thuisbasis. Het is derhalve niet volledig ondenkbaar dat Willem (in zijn geboortedorp Hillegersberg of één van de Hollandse steden?) nog een vast onderkomen had.*27

Of Willem wellicht gehuwd is geweest, is evenmin bekend. Weliswaar roemt hij de huwelijkse staat in een aantal sproken*28, maar er moet mee gerekend worden dat hij zich in deze sproken richt tot een bepaald publiek bij een bepaalde gelegenheid. Uit de sproken kan niets zekers met betrekking tot Willems eventuele huwelijkse staat besloten worden, tenzij men aan vs.131-133 uit 77.Een onderscheit van hilic ende van gheesteliken luden bijzonder gewicht zou toekennen. Willem neemt in deze sproke stelling tegen de opvatting dat een geestelijk leven de mens gemakkelijker tot het heil brengt dan het huwelijk. Hij betoogt dat het huwelijk (i.t.t. een geestelijk leven) een sacrament is, de mensheid in stand houdt en bovendien nieuwe geestelijken voortbrengt. Als ieder geestelijk en celibatair zou gaan leven, zou de mensheid vlug uitsterven, aldus Hildegaersberch. Of we zouden met een omgekeerde wereld te maken gaan krijgen:

Souden dan nonnen ende papen

Die werlt wel staende moghen houden

Onghestraft by horen scouden,

Soe woudic noch ter scolen gaen, (kloosterschool?)

Entie oerden laten staen,

Die alre oerden moeder es. (77; 128-133)

Genoemde `alre oerden moeder' is het huwelijk, dat aan de geboorte van alle maatschappelijke orden staat. Indien nu deze passage strikt letterlijk opgevat wordt, en ervan uitgegaan wordt dat deze `ic'-uitspraak er één is die Willem persoonlijk betreft, dan kán dit er op duiden dat Willem gehuwd was. De passage kan immers zo geïnterpreteerd worden dat Willem het huwelijk, gegeven de `omgekeerde wereld', voor gezien houdt om de gemeenschap - in dubbel opzicht - in het klooster te zoeken. Maar `laten staen' kan hier ook betekenen: laten voor wat het is, laten uitblijven, er geheel aan voorbij gaan, er niet aan beginnen.*29 Willem zou dan als ongehuwde niet in het huwelijk, maar direct in het klooster treden. Echter, de gehele passage is eigenlijk veel te hypothetisch van karakter om er iets met zekerheid uit op te maken. Het sprekerschap hoeft een huwelijk niet in de weg te hebben gestaan - het is zelfs mogelijk dat Willem reeds gehuwd was voordat hij spreker werd - , al zouden er aan een echtverbintenis in bepaalde omstandigheden praktische bezwaren hebben kunnen kleven. Het sprooksprekersbestaan kan bijvoorbeeld te onzeker en wisselvallig zijn geweest om er een echtgenote (laat staan een gezin) van te onderhouden. Sommige sprekers zullen ook een groot deel van het jaar onderweg zijn geweest, mogelijk zonder naar huis (zo zij dit hadden) terug te keren. En indien een spreker geen vaste huisvesting had, maar wel getrouwd was, dan zal zijn vrouw, al dan niet vergezeld door kinderen, met hem meegetrokken zijn. Dit hoefde echter beslist geen belemmering in zijn bewegingsvrijheid te betekenen indien zijn echtgenote (en kinderen) zelf ook beroepsmatig een zwervend bestaan leidde(n), en juist hiervan zijn voorbeelden bekend. Zo weten we uit de Bloise rekeningen van de spreker annex heraut Jan Visier, dat hij getrouwd was met `eenre clareyster van Nymmage', want zij `seide dat si Jans Fisiers wijf was'.*30 Clareitsters, dat wil zeggen maaksters en verkoopsters van kruidenwijn, moeten evenals uwelsters (wafelbaksters) gerekend worden tot het varende volk: zij reisden de kermissen, markten, processies, hoven en dergelijke af om hun versnaperingen te slijten. Ook meester Jan van Vlaerdingen was getrouwd en had een dochter blijkens de Middelburgse stadsrekening van 1364: kennelijk oefenden ook zijn vrouw en dochter een beroep als varende uit, want naar aanleiding van de sacramentsprocessie ontvingen zij een beloning.*31 Dergelijke aanwijzingen ontbreken in het geval van Hildegaersberch.

Op zeker moment moet Willem besloten hebben om als vrij beroepsspreker te gaan rondzwerven van publiek naar publiek. Was het uit gedrevenheid of opportunisme? Was hij in een vorig beroep mislukt? De eerste maal dat hij in elk geval in een rekening wordt vermeld voor een bezoldigd optreden is op 5 februari 1383 in de rekening van de Hollandse graaf Albrecht van Beieren:

Item opten selven dach [Sinte Aechtendach] Willem van Hilgarts berghe enen spreker ghegeven inden Hage bi den here van Asperen I gulden, facit II s. VII d.gr. II Holls. [ARA-AGH 1237; fol.98v]

Willem zal niet in februari 1383 zijn literaire debuut hebben gemaakt: zoals denkelijk alle sprooksprekers zal ook hij een tijdje bij een andere spreker in de leer zijn geweest, al is niet bekend bij wie en hoe lang. Franz merkt over de `Spruchdichter' (met hun gezongen voordracht) op: `Eine praktische `Lehrzeit' werden alle fahrenden Sänger durchgemacht haben, wenn sich auch nur sehr wenig davon [...] in der Dichtung niedergeschlagen hat'.*32 Een leertijd is des te aannemelijker omdat de ervaren `meester' de `gezel' gemakkelijk bij zijn toekomstige (elite)publiek kon introduceren.*33 Van deze mogelijkheid zal elke aankomende spreker hebben willen profiteren. De gezellen zullen in eerste instantie hun meester bij de voordracht van zijn gedichten hebben bijgestaan en zullen later in de leertijd de gelegenheid hebben gekregen om zelf sproken voor te dragen, hetzij van hun meester, hetzij van hun eigen hand.*34 Na hun leertijd hadden de tot spreker opgeklommen gezellen meteen toegang tot hun beoogde publiek, aangezien ze daar niet meer geheel vreemd waren. Toch moest de kersverse zelfstandige sprookspreker pas dan naam en carrière gaan maken. Het is bepaald denkbaar dat Hildegaersberch vóór 1383 reeds in de rekeningen gefigureerd heeft als `enen spreker'. Dat hij al vóór 1383 aan het Hollandse hof bekend moet zijn geweest, is vrijwel zeker gezien het feit dat hij bij zijn tweede geadministreerde optreden reeds de titel `meester' had ontvangen*35; geen enkel spreker zal op verdienste van één voorafgaand optreden de meestertitel hebben gekregen. Willem kan dus heel goed al rond 1380 als spreker(sgezel) actief zijn geweest.

De suggestie van Bisschop en Verwijs, als zou de abdis van Rijnsburg onze spreker aan het hof van de graaf hebben geïntroduceerd, is niet alleen onbewijsbaar, maar ligt welbeschouwd ook minder voor de hand.*36 Wel is bekend dat deze abdis Willem opdracht gaf tot het schrijven van een gedicht*37: 4.Van den X gheboeden. Dat blijkt uit de volgende regels:

Van Reynsburch die abdisse

Was die ghene, des sijt ghewisse,

Die Willem aldus te dichten bat

Vanden thien gheboden wat. (4; 617-620)

Mogelijk gaat het hier om Agnes de Hornes (Agnes van Hoorn), abdis van het Benedictijner vrouwenklooster van Rijnsburg tussen 1364 en 1392.*38

In 1380 was Willem, aldus voorzichtige berekeningen, reeds 30 jaar. Met welke arbeid heeft hij daarvóór in zijn levensonderhoud voorzien en waarom heeft hij dit werk vaarwel gezegd? Mag men, met Franz, menen dat sprooksprekers net als Spruchdichters in hun oorspronkelijke beroep mislukt waren?*39 Heeft Willem in Hillegersberg wellicht emplooi gehad in de turfdelving en de daarmee samenhangende verscheping en handel? Feit is dat met de seizoensgebonden arbeid van de turfdelving slechts een schamel loon viel te verdienen - vervoer en handel gingen wel het hele jaar door - , en dat de armoede in de veendorpen reeds in de 14e eeuw leidde tot migratie naar steden en landbouwstreken.*40 Van Oostrom heeft eens verondersteld dat Hildegaersberch, als we afgaan op zijn gedichten, zekere ervaringen in de handel had.*41 Ook afgezien van de vraag in hoeverre we uit de gedichten autobiografische gegevens mogen putten, blijft dit tot op grote hoogte onbewijsbaar, hoe verleidelijk het ook is om Willem, immers geboren aan de Rotte, een voormalig beroep toe te dichten in de sfeer van scheepvaart en handel. Daarbij voegt zich nog de interessante vraag: dankt Willem zijn elementaire opleiding tot geletterde (zie hierna) misschien aan het feit dat zijn ouders hem voorbestemd hadden voor het koopmansbedrijf?*42 Van Oostrom licht zijn veronderstelling niet toe, maar hij wil kennelijk refereren aan de scheepvaarttermen die Willem hanteert en aan een incidenteel pleidooi voor het correct behandelen van kooplui.

Wat betreft de kennis van de scheepvaart die Willem tentoonspreidt: men kan aan de hand daarvan suggereren dat hij een tijdlang zeeman of iets dergelijks is geweest. Regelmatig gebruik van scheepvaarttermen en -metaforen zou hiervoor kunnen pleiten.*43 Bovendien zijn er twee gedichten waarin de scheepvaart een ruimere aandacht krijgt. Ten eerste in 38.Vanden ghesellen die ommeseylden en `persoonlijker' in 12.Van enen cruut ende hiet selve. Vooral dit laatste gedicht is interessant: de `ic' vertelt erin, dat hij met zeelieden zeewaarts ging, in een storm terecht kwam en het schip aan de zee moest prijsgeven. In een klein bootje bracht men zichzelf in veiligheid. Willem geraakte op het vasteland vervolgens in financiële problemen, maar uiteindelijk kwam hij met hulp van een familielid uit de schulden. Toen hij de terugreis kon aanvaarden, ging het zijn bootje voor de wind. Beslissen of iets autobiografisch is, blijft problematisch, maar men mag zich in dit geval niet om de tuin laten leiden door de ik-vorm. Dit verhaal moet beslist niet al te letterlijk genomen worden. Zoals vaker is bij Willem de letterlijke betekenis ondergeschikt aan de morele betekenis. De zeereis staat, naar het zich laat aanzien, symbool voor het financiële*44 reilen en zeilen van de jonge en onstandvastige mens (zie vooral de belerende slotverzen 298-310). Het is gevaarlijk hierin een biograficum te willen zien. De tocht per schip, de schipbreuk, de problemen aan de wal lijken in dienst te staan van het zogenaamde `onbezonnen-jeugdtopos' en hebben - afgezien misschien van de financiële bijstand van het familielid - ook iets weg van de scheepsallegorie, alhoewel zieleheil en financieel heil op het eerste gezicht niet zo eenvoudig met elkaar te rijmen zijn. Het avontuur beschrijft het proces van de jongeling in het algemeen, die door schade en schande wijs moet worden op het punt van geld. Dat Willem het verhaal op zichzelf betrekt, kan louter gedaan zijn om het geheel naast een belerende ook een min of meer realistisch-herkenbare vorm te verlenen (zie hierna). De sproke 38.Vanden ghesellen die ommeseylden, over het schipbreuk-avontuur van een vijftal jongelingen, is zonder meer een variatie op het populaire thema van de scheepsallegorie. Pleij zegt hierover: `De scheepsallegorie is zeer populair in de christelijke belering van de middeleeuwen. Gebaseerd op verschillende bijbelpassages ontwikkelt zich uit de exegese der kerkvaders een hele reeks schepen die eerst in preken, maar later ook in andere teksten en afbeeldingen de christelijke leer moeten verduidelijken en de daaruit voortvloeiende moraal veraanschouwelijken. [...] Uit het schip van genade ontwikkelt zich in de volkspreek de voorstelling van een schip van boete, dat grote carrière maakt in de veertiende en vijftiende eeuw in allerlei communicatievormen'.*45 De tocht in het schip van boete `stond bloot aan vele gevaren' welke `omschreven konden worden in termen van storm'.*46 Een schipbreuk in een zee van zonden en ondeugden was derhalve vaak onvermijdelijk. Alleen het bezit van christelijke deugden kon de mens voor de ondergang behoeden. Pleij karakteriseert 38.Vanden ghesellen die ommeseylden als een berijmde preek: `Vijf jongemannen varen roekeloos, zonder voorbereidingen, weg van Arnemuiden de zee op. Bij Schouwen-Duiveland lijden ze schipbreuk, maar ze worden nog net gered. Wat een waaghalzen! Maar zijn we niet allemaal roekeloos?

Doch wy waghen des ghelijcs:

Al hier in desen aerderijck

Worden wy menichwerff ghevreest

Mit siecte, mit lyden, mit tempeest (38; 81-84)

Zorg er dus voor dat je goed uitgerust bent voor de tocht naar het eeuwige leven, want talloze gevaren liggen op de loer'.*47

Vooralsnog bezitten we geen ondubbelzinnige aanwijzingen waaruit we zouden kunnen besluiten dat Willem zeeman of koopman is geweest; er is voldoende reden om aan te nemen dat Willem ook in 12.Van enen cruut ende hiet selve slechts bij-wijze-van-spreken sprak. Het gebruik van scheepvaarttermen in sproken, (goeddeels) bestemd voor een Hollands publiek dat vertrouwd was met water en schepen, door een - ook noodzakelijk per schip*48 - rondreizend Hollands dichter uit het Hillegersberg aan de Rotte, hoeft geenszins te verbazen, en bewijst weinig met betrekking tot de aanvankelijke professie van de latere spreker. Wist iedere Hollander, zeker iedere reizende Hollander, toentertijd niet iets van scheepvaart af, zonder er zelf beroepsmatig mee van doen te hebben? Immers, ook Augustijnken lijkt wel verstand te hebben gehad van scheepvaart getuige zijn sproke Van den scepe*49, terwijl men zijn professie toch liever in de sfeer van de geestelijkheid of het clerkschap zou willen zoeken.*50

Terug naar Hildegaersberch. Een incidenteel pleidooi voor een goede behandeling van de koopman bewijst evenmin veel*51:

Den vreemden coepman menigerhande,

Wan si comen uut enigen lande,

Die salmen doecht ende eer bewisen (=stadsbestuur)

[...]

Alsmen den coepman wel betaelt

Ende altoes gelijc ende reden doet,

Soe brenget menich man sijn goet,

Daer die lude hem aen generen (onderhouden)

[...]

Wat ambacht daer si hem toe saten, (op toeleggen)

Dat salmen doen in sulker maten,

Dat die coepman is bewaert (2; 139-141, 144-147, 155-157)

Hier staan passages tegenover, waarin de kooplui er (ogenschijnlijk) minder goed afkomen.*52 Pleij leest in 80.Vanden woeckenaer een felle uitval naar de burger, die achtereenvolgens met de koopman en de verachtelijke woekeraar geïdentificeerd wordt*53:

God, die is ende ye ghewas

Ende ewich blijft, die luste das,

Te maken drierehande leven;

Ende watter meer is an ghedreven, (bijgekomen)

Dat scoep die vyant onghehuyr.

Papen, heren ende ghebuer, (boeren)

Dese drie leven maecte God.

Nu heeft die duvel doer sijn spod

Daer na ghemaect den woeckenaer,

Die dander drie mit sijnre schaer

Mach vernoeghen ende verlienen.*54 (80;1-11)

De passage is geïnspireerd op Freidank, die in de 13e eeuw al waarschuwde voor de gevaren van de vierde stand. Pleij meent: `Hij bedoelt daarmee de nieuwe, economische macht die de oude ordening dreigt te ondergraven, de kooplieden. Ze leefden van bedrog en waren derhalve onchristelijk. En het kon niemand anders dan de duivel zijn die deze stand op aarde geplaatst had, ten einde de bestaande standen te gronde te richten. De gedachte moet wel zijn dat de koopman geen door God opgelegde taak vervulde maar zich een taak naar eigen inzicht, of naar dat van de duivel, had aangemeten, waarbij hij een oneigenlijk gebruik maakte van door God aan de mens in leen gegeven goederen. Daarmee weet hij, als instrument van de duivel, de overige standen aan zich te knechten'. Pleij rekent deze ideeën over de duivelse stand tot het `behoudend concept uit de hogere standen'.*55 Overigens moet vastgesteld worden dat Willem een nogal gechargeerde voorstelling van zaken geeft - ten behoeve van een aristocratisch publiek? - en dat hij ondanks de klare taal in zijn inleiding de identificatie tussen burger, koopman en woekeraar niet tot het einde toe consequent weet vol te houden. Anderzijds sluit Willems kritiek op het misbruik van geld en macht vanuit de burgerstand goed aan bij zijn uiterst traditionele standenideologie. Voorts worden in 27.Van drien ghebroederen en 57.Vanden corencopers kooplieden negatief geportretteerd om hun compromisloze hebzucht en gebrek aan caritas, zowel ten aanzien van God als de medemens.

Tussen ca.1380 en 1408 was Willem in elk geval sprookspreker van beroep. Rekeningenonderzoek heeft uitgewezen dat hij 32 maal tegen beloning voor de graven van Holland, Albrecht van Beieren en Willem VI, is opgetreden; in dertig gevallen aan het Haagse Binnenhof, één keer in Middelburg en één maal in Haarlem. Voorts trad hij tenminste één maal op in de Benedictijner abdij te Egmond, één keer voor de stadsraad van Middelburg en één maal voor het stadsbestuur van Utrecht. Tenslotte is bekend dat hij drie optredens verzorgde voor hertog Willem van Gelre en Gulik en zijn raad, te weten twee maal te Leiden en één maal op een niet nader genoemde plaats, waarschijnlijk in Gelre.*56

Naast Willems denkbeelden, waarover later, zijn er uit de sproken globaal genomen twee soorten `autobiografische' gegevens te isoleren: die over zijn leven in het algemeen, en die over zijn beroepsuitoefening in het bijzonder. De vraag is welke gegevens betrouwbaar zijn, en welke quasi-autobiografisch. Tot nu toe is hier op grond van de sproken aangenomen dat Willem in Hillegersberg is geboren, geen geestelijke was, een gedicht in opdracht van de abdis van Rijnsburg schreef, en - gebaseerd op passages uit één gedicht - dat hij een zekere ouderdom heeft bereikt. Twee gegevens stoelen op uitspraken in de derde persoon enkelvoud, twee op (grotendeels) `ic'-uitspraken. Niet alle `ic'-uitspraken van middeleeuwse auteurs mogen voor waar gehouden worden. In een groot aantal gevallen, zeker ook als we met sprekers te maken hebben, is de `ic' een vertelinstantie die aan de persoon van de dichter ontstegen is: met de `ic' speelt de dichter een rol. Eerder nog mag men enig belang hechten aan de mededelingen in de - zich van de vertelinstantie distantiërende - derde persoon, vooral in proloog en epiloog, waar de spreker/ dichter zijn naam noemt.*57 De `ic' moet veel vaker gezien worden als de `bovenpersoonlijke' vertelinstantie, een technisch middel der vertelkunst, in hoge mate ingesnoerd in een traditioneel-retorisch keurslijf. Ook in het sprokengenre wordt veeleer het typische en algemeen-menselijke tot uitdrukking gebracht dan het uniek-individuele. Zo een dichter al gebruik maakt van biografisch materiaal, zal hij het (niet-conventionele) persoonlijke vaak hebben herschapen tot het typische en topische.*58

Voorzover Willem van Hildegaersberch de indruk geeft informatie over zijn leven in het algemeen te verstrekken, lijkt hij de grenzen van het traditionele motievenarsenaal veelal niet te overschrijden. Als eerste moet aandacht besteed worden aan Willems uitspraken over `zijn' jeugd. In 66.Van drierehande lyden spreekt hij erover: `Ic had gheset in hoghen doen Al mijn lijff, als een baroen, Die overmoedich is ghestelt' (vs.1-3). Hij leefde hoogmoedig boven zijn stand, en dit moest een keer fout gaan: hij slaat de goede raad van zijn familie in de wind, zijn verwanten trekken de handen van hem af en hij raakt vervolgens aan lager wal: `Misdede ic yet, ic wort ghesleghen, Ic most den menighen verdreghen Entaer toe lyden mit hem allen' (vs.19-21). In12.Van enen cruut ende hiet selve verhaalt hij van de schulden die hij op jonge leeftijd gemaakt had, de `schipbreuk' die hij leed en de hulp die hij tenslotte kreeg van een familielid. Door financiële schade en schande is hij wijs geworden en weet nu dat men in zijn jeugd het geld niet van zich moet verjagen. In 113.Vander bedevaert getuigt hij:

Int beghin van minen leven

Wart mi cranck verstant ghegheven

Ende luttel wijsheit inghevoecht:

Twisschen archeit ende doecht

Dat onderscheit en wistic niet. (113; 1-5)

Op zijn twaalfde jaar wil hij het onderscheid leren tussen goed en kwaad, en een priester zendt hem op bedevaart, wat goeddeels op een mislukking uitloopt. In 119.Vanden hofman betuigt hij zijn spijt over zijn lichtzinnige jeugd:

Ic wil nu laten dach by dach

Dat ic seer te minnen plach

In minen joecht hier te voren;

Want ic hebber bi verloren

Den edelen tijt, die God verlient (119; 1-5)

In contrast met de door hem betreurde jeugdzonden, staat nu zijn wijze ouderdom. Willems spijt van jeugdzonden mag vrijwel zeker niet geïnterpreteerd worden als een op waarheid berustende ontboezeming; het is een traditioneel motief, dat we in verschillende varianten bij talloze dichters terugvinden.*59 Dergelijke gemeenplaatsen hebben tot doel de volgende stelling kracht bij te zetten: de jeugd betekent dwaasheid en de ouderdom wijsheid. De jeugd jaagt in zorgeloze, roekeloze onbezonnenheid de wereld na, maar met de jaren komen bezinning en wijsheid.*60 Ditzelfde motief werkte Willem ook uit zónder het op zichzelf te betrekken, in 32.Vanden ouden ende vanden jonghen, 38.Vanden ghesellen die ommeseylden, 108.Hoe die joecht overgaet, en116.Hoe doude jonc willen wesen.*61 Evenwel, Willem betrok het jeugdzondentopos niet alleen op zichzelf om het betoog `aanschouwelijk' te maken: de quasi-persoonlijke ontboezeming was niet alleen middel, maar ook doel op zich. Het was mede een retorische kunstgreep om het publiek welwillend te maken ten opzichte van de dichter; hij heeft vroeger zonden begaan, maar alles heeft zich ten goede gekeerd. Hij is nu een vir bonus, een goed mens.*62

Indien men zou menen dat Willem op zijn twaalfde jaar werkelijk een bedevaart heeft ondernomen, waarbij hij veelvuldig van het rechte pad afdwaalde, dan leest men 113.Vander bedevaert te oppervlakkig. Staat er niet: `Dus heb ic voert van jair te jair Ghevordert wel mijn bedevaert' (vs.28-29)? En staat er even verder niet, dat hij zich wil inspannen `Om te doen mijn bedevaert, Die mi langhe was bevolen' (vs.82-83)? Zoals Willem in 94.Van hoede de levensweg voorstelt als een weg vol obstakels en in 12.Van enen cruut ende hiet selve het wisselvallige financiële bestaan van de jongeling voorstelt als een pseudo-persoonlijke, gevaarvolle tocht per schip, zo stelt hij in 113.Vander bedevaert het (geestelijk) leven voor als een pelgrimstocht met ups en downs. En het is rond het twaalfde jaar dat ieder kind met deze geestelijke tocht een aanvang neemt, want dan bereiken kinderen de jaren des onderscheids en worden ze rijp geacht voor biecht, communie, vormsel en vasten.*63 De sproke sluit aan bij de literaire traditie van de levensweg-als-pelgrimstocht.*64 En wederom werkt de dichter de tegenstelling tussen onbezonnen jeugd en wijze ouderdom uit. Een passage uit 1.Van den testament met een quasi-persoonlijke ontboezeming sluit hier nog bij aan:

Want ic was te sceep gegaen,

Had my die wynt gelijc gestaen, (gunstig)

Ic had die reise geavontuert;

Ende nu mijn leven langer duert

Bi concent van onsen Heer, (toestemming)

Nu wil ic volgen wiser leer

Ende wesen altoes op mijn oert, (hoede)

Te wachten my van sunden voert

Die wijl ic cracht heb ende sin. (1; 165-173) (verstand)

De dichter doet het voorkomen dat ooit zijn laatste uur geslagen leek. Toen dit niet het geval bleek te zijn, besloot hij te breken met zijn zondige verleden om voortaan deugdzaam door het leven te gaan. Weer herkent men hier iets van de scheepsmetafoor en nogmaals presenteert de voordrachtskunstenaar zich als een goed mens met levenswijsheid.

Het zal voorts duidelijk zijn dat de dromen, die Willem in de gedichten 81.Vanden sloetel(tweede gedeelte), 95.Van den avontmael en 96.Vanden droem weergeeft, puur literaire constructen zijn, geheel aansluitend bij de traditie van het droomvisioen.*65 De `ic' treedt slechts op om de poëtische handeling ten minste een schijn van geloofwaardigheid te verlenen. Literaire constructen zijn ook de disputaties 87.Vander avontuer, 100.Van ghenoechten en 102.Een disputacie. De dialoog is nooit de weergave van een authentiek gesprek, maar steeds een literair raamwerk waarin de dichter zijn eigen gedachten en meningen kan vormgeven; hij laat de ene spreker louter iets zeggen of vragen, om het door de andere spreker met succes te laten bestrijden of beantwoorden.*66 Willem dirigeert in zijn quodlibets beide sprekers: de `leerling' of `vragensteller' enerzijds en de `autoriteit' anderzijds. Het mag dan ook niet verwonderlijk heten, dat bij vergelijking de titels van de leerling en de autoriteit in de drie gedichten dooreenlopen. De `ic' is telkens leerling Willem: in gedicht 87 wordt hij als leerling aangesproken met `meester', conform zijn titel in diverse rekeningen. In de gedichten 100 en 102 wordt de autoriteit met `meester' aangesproken.

Als ze al op waarheid zouden berusten, dan zouden het voor Willems biografie slechts triviale feitjes zijn dat hij door een hond is gebeten, aldus 42.Vander hontsschede, en dat hij door een jonkvrouw is bedrogen, aldus 23.Vander wankelre brugghen. De hond dient echter exemplarisch te worden opgevat: hij staat voor de onbetrouwbare, gluiperige `schalk'. De jonkvrouw wordt door Willem ten tonele gevoerd om op allegorische wijze aanschouwelijk te maken dat achter schone woorden minder schone bedoelingen schuil kunnen gaan. Al bevatten de sproken wellicht feiten met een kern van waarheid, Willem heeft die feiten hier toch vooral dienstbaar gemaakt aan zijn behoefte tot fictionalisering.

In 86.Van rechters trekt Willem van leer tegen rechters die zich laten omkopen en tegen corruptie in het algemeen. Als Willem zich in de derde persoon bekend maakt, lezen we: `Want Willem die heeftet ondervonden Van Hildegaersberch in corter stonden' (vs. 121-122). Kan hieruit worden opgemaakt dat Willem het korte tijd daarvoor in een rechtsgeding had moeten afleggen tegen een financieel draagkrachtiger persoon en een corrupte rechter? Of dat hij zelf hovelingen heeft moeten omkopen om bij de vorst entree te krijgen (zie vs.100-103)? Het zou kunnen, maar anderzijds kan Willem ook bedoelen dat hij, meer in het algemeen, alom de corruptie ziet toenemen of dat hij ondervonden heeft dat rechtvaardigheid de beste keuze is (zie de slotverzen).

Een curieuze passage treft men aan in de slotformule van 98.Vanden XL daghen: Willem lijkt zijn zojuist uiteengezette denkbeelden over deugdzaamheid en zuivering van zonden enigszins te relativeren met de woorden:

Want Willem heefter om ghedocht

Van Hildegaersberch, waert dat hi mocht,

Hi wijsde u gaern den rechten pat,

Al is hi selve in weldoen*67 lat. (98; 163-166)

Ontboezemingen van dit kaliber zijn, hoe terloops ook, uiterst zeldzaam. De uitspraak druist in tegen wat de traditie voorschrijft: waar dichters veelal trachten zich als autoriteit geaccepteerd te maken door hun integriteit en deugdzame kwaliteiten te onderstrepen om daarmee hun betoog het nodige gewicht te verlenen, relativeert Willem zijn gezag in dezen. Hij `bekent' in feite dat een sprookspreker ook geen heilige is.

Willem opent 115.Van goeden gedachte met de mededeling dat hij ziek was vlak voor de Paastijd. Misschien is de ziekte voor Pasen een - uitzonderlijke - literaire opening zonder biografische waarde. We besluiten uit Willems Spaziergänge en Natureingänge tenslotte ook niet dat hij een fervent wandelaar en natuurminnaar was, al zou dat ironisch genoeg bij een reizend spreker niet ondenkbaar zijn. Schuilt er symboliek achter de ziekte voor Pasen, immers de tijd voor de jaarlijkse biecht en communie?*68 Willems ziekte zou geïnterpreteerd kunnen worden als metafoor voor het gevaar waarin zijn zieleheil verkeert. Indien anderzijds aangenomen wordt dat 's dichters uitspraken in de derde persoon met `signatuur' een groter waarheidsgehalte bezaten (zie ook hiervóór), dan was Willem wel degelijk ziek, en heeft hij zijn persoonlijke ziekte aangegrepen om zijn overpeinzingen tot nut van het algemeen ten beste te geven. De slotregels getuigen:

Dit ghedicht ende dese figuer

Maecte Willem, al wart hem tsuer,

Van Hildegaersberch, ter selver stont

Doe hi was sieck ende onghesont. (115; 109-112)

Het is denkbaar dat de vermelding van een reële ziekte (vooral) ook bedoeld was om op het gemoed van het publiek te werken: men zou een extraatje kunnen overwegen omwille van inkomstenderving wegens ziekte - hij had immers met Pasen aan het Haagse hof kunnen optreden.

Authentiek klinken de gedichten waarin Willem zich presenteert als een eenvoudig man, die soms ten prooi is aan twijfels en wie het geluk niet immer goedgezind is. In 46.Van twifel zegt hij bijvoorbeeld: `Veel ic jaghe, cleyn ic va' (vs.32) en in vs.196 merkt hij op dat `mi davontuer is fel'. Even verder verzucht hij: `Goet gheval comt mi te spade' (vs.200) en `Wye te penninghen is gheboren, Hy en comt nymmermeer te ponde' (vs.222-223). Tenslotte merkt hij over het geluk op: `Al minne ic hoir, si en mint mi niet' (vs.230). In 87.Vander avontuer verzucht hij:

Avontuer heb ic ghesocht

Oest, west, te menigher stede,

Die ic vinden niet en mocht,

Wat arbeit dat ic daer om dede.

Nu faelgeren mi die lede (87; 1-5)

In zijn zwervende bestaan zal het geluk hem beslist niet voortdurend hebben toegelachen, en het publiek mag dat weten. Willem eindigt dan ook met de woorden: `Al is mijn gheluc ter werlt smal, En wilre mi niet om versaghen' (vs.307-308). Overigens hoeft uit vs.1-3 niet opgemaakt te worden - zoals sommigen deden - dat onze dichter een soort globetrotter was, evenmin als uit de bewering dat hij `door menich lant' getrokken is (vs.13). Het laat zich aanzien dat Willem zich heeft bewogen door Holland, Zeeland, Utrecht en (mogelijk) Gelre.

De sproken verschaffen over Willems leven-in-het-algemeen weinig informatie. We zagen zojuist dat áls Willem authentiek aandoende uitspraken doet (ziekte, gebrek aan geluk), er een zeker eigenbelang in het spel lijkt te zijn. De gedichten laten dan ook meer los over zijn beroepsuitoefening in het bijzonder. Dat wil zeggen dat veel voor authentiek te nemen uitspraken op de een of andere wijze samenhangen met de professie (en de beloning) van de sprookspreker.*69 Het middeleeuwse publiek had, zo wordt verondersteld, geen boodschap aan persoonlijke ontboezemingen: die waren alleen dan interessant als ze vertaald werden naar het niveau van algemeen-menselijke, collectieve problematiek. De sprookspreker vraagt derhalve ook (vrijwel) geen aandacht voor zijn persoonlijk wedervaren. Persoonlijke uitspraken met betrekking tot de praktijk van het eigen dichterschap vormen hierop evenwel een uitzondering, hoezeer ook begrensd en reeds bepaald door de traditie.*70 De dichter vroeg niet zozeer aandacht voor zijn dichtpraktijk omdat dit de warme belangstelling van het publiek genoot, maar omdat hij er zelf belang bij had.

Zo zinspeelt Willem meermalen op de beloning die hij als spreker beurde. Jonckbloet las in de openingsverzen van 52.Een exempel van partyen dat Willem eens een geringe beloning had ontvangen vanwege te grote openhartigheid.*71 De bewoordingen in vs.1-16 zijn evenwel te vaag om er iets dergelijks uit te besluiten. Hoogstens benadrukt Willem in vs.1-5 zijn afhankelijkheid van de (soms geringe) vrijgevigheid der heren.

Een regelrecht geval van `wanbetaling' rakelt Willem op in 83.Hoemen voer die eere gaet schulen. Hij vertelt dat hij een hof had bezocht, waar hij rijkelijk werd beloond door de superieur van de gastheer aldaar. De gastheer verzocht hem om nog eens terug te komen. Toen de spreker terugkeerde op een moment dat de superieur niet op bezoek was, werd hij door de gastheer als oud vuil behandeld en vertrok hij zonder enige beloning te hebben ontvangen. Willem besluit dan met de woorden:

Desen schamp ende dit confuus

Schiede Willem tot eens papen huus,

Hi hiet heer Dirc die Commelduer.

Had hi gheen beter avontuer

Vanden vrouwen tgelt te cryghen,

Hi soude menichwerven zwighen,

Als hi predict ende singt,

Om dat hem tghelt in doren clingt. (83; 227-234)

Deze informatie lijkt te specifiek om niet authentiek te zijn. De laatste vijf regels leveren overigens problemen op bij de interpretatie.*72 De meest plausibele verklaring van de passage lijkt aldus te moeten luiden: Dirc zou, belust op geld als hij is, vaak niet preken en zingen, als hij niet het geluk had dat de vrouwen hem daarvoor betaalden. Dirc die Commelduer wordt in het gedicht en de slotstrofe gehekeld als gierige wanbetaler en als een (tot simonie neigende) hebzuchtige geestelijke. Het was niet Willems gewoonte om namen te noemen. Dirc die Commelduer is de enige die in negatieve zin in de gedichten voorkomt. Bisschop en Verwijs veronderstelden dat Willem doelt op Dirc van den Rijn, de Leidse commandeur van de Duitse Orde.*73 Dit lijkt een gelukkige gissing. Alleen is het onjuist dat deze Dirc tussen 1370 en 1375 commandeur was. Loopstra situeert Van den Rijns commandeurschap tussen 1377 en 1388.*74 Deze jaartallen stroken beter met Willems literair-actieve periode. De Leidse commanderij van de Duitse Orde ressorteerde onder de Balije van Utrecht, waar de Landscommandeur zetelde. Het `hof' waarvan Hildegaersberch sprak, was dus de Leidse commanderij, en de gastheer die hem verzocht om zijn terugkeer en die hem nadien slecht behandelde, was Dirc van den Rijn. De superieur, die bij Willems eerste optreden in de commanderij op bezoek was, en die kennelijk een goede sproke wel op waarde wist te schatten, zal de Utrechtse Landscommandeur geweest zijn. Welke sproke(n) Willem bij zijn bezoek aan de commanderij zal hebben voorgedragen, onttrekt zich aan ons blikveld.

In de Leidse commanderij hielden naast de commandeur/pastoor verder nog twee priesterbroeders verblijf, en enkele personeelsleden. Voornaamste inkomsten van de commanderij kwamen uit de bediening van de Leidse Pieterskerk en de zielzorg in de Leidse parochie. Daar stonden echter behoorlijke uitgaven tegenover: men had grote financiële verplichtingen jegens de Duitse Orde, zodat de financiële positie van de Leidse commanderij nimmer rooskleurig was. De Leidse commandeur was overigens dé aangewezen persoon, gezien de ligging van de commanderij, om de belangen van de Landscommandeur aan het grafelijke hof in Den Haag te behartigen.*75 De relatie tussen enerzijds de graaf en de Leidse bevolking en anderzijds de Leidse commandeurs was niet altijd goed te noemen, meent Van Kan.*76 Bij het Leidse patriciaat bestond onder meer behoefte aan het stichten van vicarieën in de Pieterskerk. De Duitse Orde was hiermee niet gelukkig, want het aanstellen van priesters en (soms) het oprichten van kapellen of altaren in de kerk met de hieraan verbonden - regelmatig terugkerende - schenkingen, gingen buiten de Orde om. Van Kan meent dat de komst van vicarissen concurrentie betekende, niet in de laatste plaats op het financiële vlak. Herhaaldelijk ook werd de Duitse Orde te Leiden door de bevolking van wanbestuur beschuldigd. Meerdere malen moest graaf Albrecht als patroon van de Pieterskerk zich in de ontstane conflicten mengen om de weigerachtige commandeurs tot de orde te roepen. Indien Willem in de jaren tachtig 83.Hoemen voer die eere gaet schulen in bijvoorbeeld Haagse hof- of Leidse patriciërskringen heeft voorgedragen, zal men beslist begrepen hebben wie hij met Dirc die Commelduer bedoelde. Tevens moet men dan de toespeling begrepen hebben dat Dirc zich voor liturgische handelingen door vrouwen (!?) liet betalen.

Er zijn eigenlijk drie redenen denkbaar waarom Dirc van den Rijn onze spreker niet heeft beloond. In de eerste plaats was de Leidse commanderij niet rijk. Dirc had mogelijk geen geld over voor voordrachtskunst. Daar staat tegenover dat er wel geld was ter verfraaiing van de commanderij. Beschikte de Landscommandeur misschien over geld voor de beloning van Willem, waarover Dirc niet kon beschikken? In de tweede plaats behoorden de sprooksprekers tot de omvangrijke middeleeuwse randgroepering van rondreizend volk. Velen waren entertainers, zoals musici, dichters, dansers, acrobaten, goochelaars, jongleurs, vuurvreters, koorddansers, dompteurs en zo meer. Maar tot de randgroepering behoorden ook de talloze geestelijk en lichamelijk gehandicapten, paupers, hoeren, dieven, oplichters, moordenaars, brandstichters, vluchtelingen, ballingen, vagebonden, kwakzalvers, verlopen monniken, studenten etcetera. Allen werden door de gevestigde orde meestal zonder onderscheid tot de kaste der personae infamesgerekend. Zij waren vrij, stonden bekend als eerloos, genoten geen rechtsbescherming en hadden als groep een slechte reputatie.*77 De officiële houding van de kerk, geïnspireerd door de kerkvaders en bekrachtigd tijdens concilies, ten aanzien van de varende lieden was negatief. De levenswijze en de kunsten van deze buitenmaatschappelijken werden afgedaan als schaamteloos, ontuchtig en zondig. Hun kunst hield de eerzame mensen van het heil af. In de theologische tractaten kwamen de entertainers er niet genadig af: men suggereerde zelfs banden met de duivel, en hel en verdoemenis werd over hen uitgesproken.*78 Volgens Augustinus was het belonen van varende lieden zondig. Eerst Franciscus' positieve waardering van de armoede kwam de varenden enigszins ten goede: de franciscanen maakten zich de technieken van de speellieden eigen en trokken rond als joculatores Dei.*79 Het is dus mogelijk dat Dirc van den Rijns houding zijn verklaring vindt in de officiële kerkelijke opvattingen. Daar moet evenwel direct bij aangetekend worden, dat men algemeen aanneemt, dat de negatieve houding van de kerk een reactie was op de in feite goede verstandhouding tussen clerus en entertainers in de praktijk.*80 Willem zal het `papen huus' niet voor niets hebben bezocht. Bovendien mag men zich afvragen of de reputatie van Willem, toch een religieus-bevlogen spreker die regelmatig in de hoogste kringen zijn opwachting maakte, niet (aanzienlijk) zal hebben afgeweken van die van de varende luiden in het algemeen. Immers, de superieur van Dirc, de Utrechtse Landscommandeur had zich wel verwaardigd om Willem te belonen. De derde en meest aannemelijke verklaring zal toch wel zijn dat het hier om een incidentele affaire ging. Willem heeft na een optreden bij Dirc geen beloning ontvangen: Dirc van den Rijn was alleen beleefd in het bijzijn van zijn kunstminnende superieur, bij wie kunst waarschijnlijk meer tot de status hoorde die hij voerde. Dirc bleek later echter een kleinzielige vrek zonder gevoel voor ware dichtkunst - die zich, hebzuchtig als hij was, wel voor zijn eigen `optredens' in de Pieterskerk liet betalen. Middels de laatste strofe van de sproke heeft Willem op poëtische wijze zijn gram gehaald en heeft hij zijn publiek er van willen doordringen hoe eerloos het is om de ware kunst financieel niet te ondersteunen. Tot zover de affaire-Dirc die Commelduer.

Een ander aspect van Willems `biografie' is de kwestie van de inspiratie. Om op niveau te kunnen blijven dichten, was hij zijn hele literaire loopbaan op zoek naar nieuwe stof om gedichten te maken, `Want goet ghedicht ende niet te langhe, Een schoen vertreck van nyewen sanghe, Dat heeftmen gaern ter heren hove' (56; 165-167). In 32.Vanden ouden ende vanden jonghen laat Willem een jonkvrouw tegen hem zeggen*81:

Want wye dat sulke consten draecht,

Als ghi dicwijl hebt gheploghen,

Die is guet wat nyewes vertoghen.

Lichte hi mochte daer bi verwrecken (geïnspireerd worden)

Ende een materi daer uut trecken,

Dair hy op dichten mocht hier naer. (32; 78-83)

In 74.Van Sinte Gheertruden min vernemen we: `Mijn ghepeins en was niet clien, Om schone materi te vinden, Die ic in ryme mocht ontbinden' (vs.12-14). Met name Gods Woord, dat eeuwig is, was een onuitputtelijke inspiratiebron, zoals gezegd wordt in 21.Vanden doemsdaghe ende van sterven:

Die dichten connen ende vinden,

Die horen altoes gaern onbinden

Die woerden Goods entie scriftuer,

Omdat si gherechtich ende puer

Ewelijck sel bliven staen. (21; 1-5)

De dichter moest voortdurend overal zijn oor te luisteren leggen en zijn ogen de kost geven, want uit veel zaken viel wel een sproke of exempel te maken, uitzicht biedend op de (Goddelijk-geïnspireerde) waarheid achter de blote feiten. Soms lijkt het Willem de nodige moeite te hebben gekost om tot een nieuw gedicht te komen. Uit 73.Dit is vander ghiericheit spreekt zijn inspanning: `Ic bin in dichten soe verdoert, En weet wat langher bringen voort, Dat ghenoechlic is te horen' (vs.1-3). De ene keer putte Willem zijn stof uit het leven zelf*82, zoals de wanbetaling door Dirc die Commelduer. Wellicht bevatte 38.Vanden ghesellen die ommeseylden - in letterlijke zin - toch een actuele kern van waarheid. De sproke 81.Vanden sloetel maakte Willem naar aanleiding van de Pinksteroploop der Leidse handwerkslieden in 1393 en de strafmaatregelen die graaf Albrecht vervolgens nam. Ook het Westers Schisma en de Hoekse en Kabeljauwse twisten vormden een bron van inspiratie. Andere malen ontleende Willem stof aan schriftelijke bronnen of aan de rijke mondelinge traditie van zijn tijd, waarover later meer. Veelvuldig omschrijft hij een mondelinge receptie in termen van `horen', `horen vertellen', `horen (voor)lezen' en `horen spreken' (ook: `men leest ons').*83 Tenslotte moet hij ook veelvuldig geput hebben uit zijn eigen dichterlijke creativiteit, alhoewel nauwelijks valt te achterhalen of een gedicht geheel of gedeeltelijk aan Willems fantasie is ontsproten dan wel (ten dele) teruggaat op onbekende of voor ons niet meer direct herkenbare stof. Zo is het evengoed mogelijk dat 23.Vander wankelre brugghen of 57.Vanden corencopers aan een ons onbekende bron zijn ontleend, als aan de fantasie van Willem ontsproten. Hij zocht, naar eigen zeggen, zelfs welbewust clerken op, die hem aan nieuwe onderwerpen konden helpen. We vernemen uit de sproken dat hij het Latijn niet beheerste. Hij had derhalve de Latijnse School nooit bezocht en geen clericale opleiding genoten. De schatten die in het Latijn lagen opgeslagen, moesten hem door clerici ontsloten worden. In21.Vanden doemsdaghe ende van sterven vertelt de dichter zijn publiek hoe hij aan z'n stof gekomen is en hoe die uit het `Latine [...] in Duutschen tale' (vs.24-25) is vertaald:

Tquamen si twee tot enen male

Malc mit anderen in een kerck,

Een leeck dichter ende een clerck,

Tusschen vesper ende noen.*84

Sy en hadden anders niet te doen,

Dan si van dichten ende van const

Spraken, entie clerc begonst

Goede boecken voert te legghen,

Ende hem tLatijn in Duutsche seggen. (21; 26-34)

De genoemde lekedichter is ongetwijfeld Willem zelf. Even later behandelt hij drie verzen uit het responsorium van het missaal, gezongen bij de zielemis. In 33.Van dominus bekent hij:

Al heb ic menich dinc ghevonden,

Dat int Latijn bescreven staet,

Dair toe moet ic nemen raet

Mit clercken, diet mi duutschen voert.

[...]

Uten Latijn wort mi vertoghen,

Hoe dat grote heren moghen

Horen naem in eren houden (33; 14-17, 21-23)

Aan de hand van iedere letter uit het Latijnse woord `dominus' wordt dan een edele kwaliteit besproken. Ook 86.Van rechters blijkt deels gebaseerd op een Latijnse bron:

Alst in tLatijn bescreven stoet

Soe wil ict u in Duutsche ontbinden.

[...]

Daer stont ghescreven openbaer

Int Latijn, alsment mi las (86; 10-11, 16-17)

Hierop volgt een citaat-in-vertaling uit de Vulgaat (I Samuël 8:3). Er is nog een gedicht waarbij men een Latijnse bron zou mogen vermoeden. In 8.Dit is van ere treffen we het verhaal uit Livius'Ab urbe condita aan over Camillus en de verraderlijke schoolmeester van Falerii. Het is ditmaal echter zeer de vraag of iemand dit speciaal voor Willem vertaald heeft. Uit zijn woorden in vs.31-32, `Exempel recht gheliken desen Heb ic eenwarff horen lesen', kan men afleiden, dat hij het verhaal als exempel in het Middelnederlands gehoord heeft. De sproke 36.Van Affricanus is, ondanks de Romeinse context, in elk geval niet gebaseerd op een Latijnse bron, maar op Maerlant.*85

Niet alle Bijbelstof zal, zoals hiervóór al bleek, in het Middelnederlands voorhanden zijn geweest (zie ook hierna). Willem kan hiervoor meermalen de hulp van clerken hebben ingeroepen. Overigens valt op dat sommige Bijbelse namen en begrippen hun (correcte) Latijnse verbuiging (nog) hebben in 25.Dat ewangelium van Paeschen (zie ook de titel): Jhesus (vs.2), Jhesum (vs.85), Ihesum (vs.132), Pilato (vs.10), Pilatus (vs.21) en Pilatum (vs. 74). Zie ook de titel40.Vanden gheboorten Christi, alsmede het gebruik van het begrip `Misericordia' (vs.67) in 11.Dit is van beschermen. Daar staat het halve bastaardlatijn `Kir Deus, Deus Dominus!' (15; 170), kennelijk satirisch bedoeld, tegenover, alsmede `dyaleticum' (21; 153. Begrijp: dialectica) en `Pilato Ponciaen'*86 (79; 132). Bij nadere beschouwing zijn dergelijke Latijnse begrippen en verbuigingen niet distinctief genoeg om Willem alsnog een zekere clerikale opleiding toe te dichten. Het is uiteraard niet uitgesloten dat Willem, autodidact als hij geweest moet zijn, in zijn leven nog een beetje Latijn heeft geleerd. Maar men mag hem wel geloven als hij beweert het Latijn niet (of ten hoogste uiterst gebrekkig) te beheersen. Waarom zou hij er om liegen? Het was bepaald geen aanbeveling om als dichter geen `gramarijn' te zijn.*87 Het moge nu ook duidelijk zijn dat Willems meestertitel in de diverse rekeningen, voor het eerst voorkomend in de Hollandse rekening van 28 december 1383, niets heeft uit te staan met de titel van magister, die men behaalde na een studie in de zeven vrije kunsten.