Er kunnen grofweg twee soorten producenten van literatuur in de volkstaal worden onderscheiden: de gezeten clerk-auteurs en de rondreizende voordrachtskunstenaars.*2 Hildegaersberch moet tot de laatste, en voor wat de middeleeuwen betreft tevens oudste, groep literatoren gerekend worden. J.Bumke maakt er gewag van, dat al vanaf de periode der Germaanse stammen de mondelinge traditie bloeide: toen al bezochten entertainers de hoven der `edelen' om er hun heldenliederen te zingen. N.Voorwinden heeft erop gewezen dat Germaanse vorsten reeds dichters aan hun hoven hielden voor het vervaardigen en zingen van prijs-, klaag- en heldenliederen over roemruchte voorvaders. De hofdichter-zanger, scop genaamd, stond in hoog aanzien en kon, als beroepsdichter, regelmatig van maecenas wisselen. Vanaf Karel de Grote werd het meer en meer gewoonte clerici in te schakelen voor het schrijven van, aanvankelijk Latijnse, later volkstalige, literatuur. De traditionele hofdichter in de volkstaal verloor hierdoor weliswaar z'n functie en prestige aan het hof, de scop en zijn literatuur stierven geenszins uit. Hij trok nu permanent rond en diende zich aan de hoven aan. We komen hem tegen als spilman die (traditionele) heroïsche epiek ten gehore brengt, als joculator, als jongleur, vertolker vanChansons de Geste, en in de 12e en 13e eeuw breidde het orale repertoire van dichter-zangers zich uit met nieuwe, modieuze genres als Minnesang en Spruchdichtung. De dichter-zangers konden zowel (voor langere tijd) verbonden zijn aan een bepaald hof, als zonder enig dienstverband rondtrekken.*3
Niettemin negeren de meeste handboeken voor de literatuurgeschiedenis het bestaan van een continue mondelinge traditie. Wat betreft de Nederlanden wordt ons veelal voorgespiegeld, dat in de 14e eeuw er ineens een hoeveelheid sprekers opduikt. Dit vertekende beeld wordt veroorzaakt door het feit, dat we vanaf de 14e eeuw plots over een groot aantal adellijke en anderssoortige rekeningen beschikken waarin ze voorkomen, en even later ook over handschriften, waarin hun sproken staan opgetekend. Het is ontegenzeglijk waar, dat er in de 14e eeuw een hausse is te constateren, maar men mag veilig aannemen dat er steeds rondreizende voordrachtskunstenaars hebben bestaan. Er was dus sprake van een continu oraal circuit aan de hoven, dat in de 14e eeuw expandeerde toen de roman van zijn prominente plaats werd verdreven.*4 De nieuwe mode in het Dietse mondelinge genre werd de sproke.
De rondreizende voordrachtskunstenaars uit het mondelinge circuit verschijnen in de 14e eeuw onder namen als minstreel, seggher, spreker of sprookspreker.*5 Een aanzienlijk deel van die sprooksprekers stond in een tijdelijk of vast dienstverband bij een heer: zij zullen in elk geval ook opdrachtwerk hebben gemaakt voor hun heer, maar evenzeer onafhankelijk van hen als vrije sprekers hebben rondgereisd.*6 De `grote' sprooksprekers, van wie soms ook iets is overgeleverd, waren daarentegen kleine zelfstandigen, die geen enkel dienstverband aangingen.*7 Deze sprooksprekers waren gewoonlijk beroepsdichters, die met het maken en voordragen van hun gedichten hun brood verdienden.*8
De enige taak die sprekers naast het dichten wel op zich namen, was het overbrengen van berichten en het bezorgen van brieven. Het brengen van brieven over bijvoorbeeld een voorgenomen adellijk huwelijk was nogal lucratief: meestal werd de spreker extra rijkelijk beloond. In de Hollandse rekeningen staat op 3 juni 1381 te lezen: `Item te Caisenoit [...] ghegeven te hoeschede hertoghe Robrechts III pipers ende I spreker mits dat die een brieve brochte an minen here ende mijrer vrouwen rorende van den huweliken die die grave van Spoenhim ende die grave van den Marken onderlinghe ghedaen hebben mit harer kinderen onder him allen ghegeven XXXII ghulden'. Op 18 februari 1386 lezen we over `enen spreker die mit brieven gecomen was van hertoge Vrederic aen minen here ende aen minre vrouwen ende oec brieve brocht vandes grave hyelic van Ossen ghegeven X gulden'. En op 14 augustus 1396 ontving een anonieme spreker zes gulden omdat hij de graaf `enen brief brocht uut Polaen'.*9 (Over Hildegaersberch vindt men hieromtrent overigens geen vermeldingen). Extra geld kreeg een spreker verder alleen maar - even afgezien van bijzondere prestaties op literair vlak - als hij een maecenas bezocht die familie was van de heer bij wie hij in dienst was. Zo staat er in dezelfde rekeningen op 15 juni 1390: `Item [...] in den Haghe ghegeven bi mijns heren bevelen [...] enen spreker uut Polanen II gulden. Item den selven ghegeven want mijn here seyde want hi mire vrouwen vader toe behoerden VII gulden, facit tsamen IX gulden'.*10
Gezien de (relatieve) kostbaarheid van schrijfmateriaal zullen sprekers zeker niet al hun gedichten op schrift hebben gesteld, zo zij al konden schrijven*11: het grootste deel van hun repertoire zullen zij uit het hoofd hebben gekend. Daarnaast zullen zij ook in staat zijn geweest te improviseren zonder gebruik te maken van kant-en-klare teksten (hetzij genoteerd, hetzij gememoriseerd). De sprekers zonder dienstverband maakten hun gedichten over het algemeen niet in opdracht, doch vervaardigden hun sproken op eigen initiatief en naar eigen inzicht (wat allerminst wil zeggen dat hun gedichten niet op een bepaald publiek waren afgestemd). De sprooksprekers reisden van het ene gehoor naar het andere, dienden zich bij de diverse adellijke hoven en ontmoetingspunten der geestelijke en stedelijke elite aan om één of meer sproken te komen voordragen. De kunstbegunstiger gaf na áfloop van de voordracht opdracht tot beloning.*12 Een enkele maal betaalde de heer ook voor een blad met de uitgeschreven tekst van het gedicht, dat de spreker hem presenteerde.*13 De vormen van beloning die bij de sprekers de voorkeur genoten, waren, gezien het ambulante karakter van hun bestaan, logischerwijze de uitbetaling in klinkende munt, alsook tijdelijke kost en inwoning en andere stoffelijke beloningen (bijvoorbeeld kleding). De maecenas kon zijn waardering voor de kwaliteit van het gebodene tot uiting brengen in de beloning, kon daarin laten uitkomen dat hij verstand had van kunst, kon als gastheer de veelal onbemiddelde sprookspreker tot object van zijn christelijke naastenliefde maken en zijn mildheid tonen. Maar het lag evenzeer in zijn macht om dit na te laten.
Het is van belang vast te stellen dat het sprekersbestaan gekenmerkt werd door een niet onaanzienlijke concurrentiestrijd - in de rekeningen wemelt het van sprekers en entertainers - en een voortdurende afhankelijkheid van de gunsten van maecenas en publiek, en derhalve door een structurele, `existentiële' onzekerheid. In de anonieme sproke Deen gheselle calengiert den anderen die wandelinghe*14 wordt niet voor niets over de rondreizende voordrachtskunstenaars gezegd: `Oec siedi de meneghen sterven Beide van breke ende van armoeden' (vs.4-5). Sprooksprekers zullen niet voor dit beroep hebben gekozen omdat de financiële vooruitzichten zoveel beter waren dan in andere beroepen; menig zwervend spreker zal een kommervol bestaan hebben geleid.
Aangezien de professionele sprookspreker voortdurend afhankelijk was van de vrijgevigheid van zijn gehoor en hij na afloop van zijn voordracht beloond werd, was het voor hem zaak, om het publiek tíjdens zijn voordracht aan te sporen hem na afloop mild te belonen. De sprekers maakten gebruik van subtiele verbale drukmiddelen om het gehoor tot vrijgevigheid aan te zetten.*15 We weten niet alleen dankzij de rekeningen dat Willem een brooddichter was, maar dankzij de grote hoeveelheid tekstmateriaal kan ook aan Willems oeuvre worden gedemonstreerd hoe hij als beroepsdichter in zijn sproken soms op subtiele wijze zijn publiek tot een milde beloning aanspoorde. Hildegaersberch presenteert zich bijvoorbeeld als beroepsspreker in 52.Een exempel van partyen door zijn afhankelijkheid van de vrijgevigheid der heren, die soms maar gering was, in de proloog te benadrukken: `Mocht ic mit mijnre zwacker const Verdienen soe, datmen mi gonst Yet van dat die heren gheven, Dat is smal [=gering]; doch bin ics bleven Op hem selven an ghenade' (vs.1-5). In 83.Hoemen voer die eere gaet schulen wijst Willem er zonder omhaal op dat het publiek de spreker wat moet geven om onderweg van te kunnen leven (vs.88-93), want `Die conste draghen achter lande Behoeven ghelt of goede pande' (vs.119-120). In82.Van ruste beklaagt Willem zich over de bedenkelijke voorkeur van het publiek voor `triviale' kunst. Hij wil hieraan niet toegeven, maar vraagt wel: `Hoe sel een dichter dan gheraken Gunst te crighen of ghewin?' (vs.6-7). Hij maakt er geen geheim van dat dichters als hijzelf in hun beroepsuitoefening afhankelijk zijn van de gunst en het loon van het publiek.*16 En juist omdat de spreker afhankelijk was van zijn gehoor, diende hij zich ervoor te wachten het betalende publiek met zijn vermanende woorden al te hardhandig tegen de haren in te strijken en zo zijn broodwinning in gevaar te brengen. Willem zegt met zoveel woorden in 31.Van sterven: `Spraec ic yemants onghevoech, Soe waer danck ende cost verloren' (vs.34-35). Impliciet kunnen zulke uitspraken gelden als evenzovele toespelingen op een gepaste beloning na afloop van de voordracht.
Naast het zich presenteren als een van een belonend publiek afhankelijk beroepsdichter, kunnen ook de motieven van
`ghiericheit' en `miltheit'*17 beschouwd worden als onderdeel van het arsenaal subtiele verbale drukmiddelen. De in
Willems ogen meest dominante zonde van zijn tijd, waartegen hij fulmineert, is de `ghiericheit', de fixatie op aards gewin,
die de mens blind maakt voor de hogere religieuze waarden. Al de najagers van het slijk der aarde wordt steeds hel en
verdoemenis voorgehouden. In eerste instantie functioneert het laken van de hoofdzonde der `ghiericheit' geheel binnen het
kader van Willems theologisch-geïnspireerde taakopvatting. Ook de andere hoofdzonden hebben hun plaats gekregen in
Willems gedichten. Opvallend is evenwel dat de plaats die de dichter inruimt voor het hekelen der hebzucht veel groter is
dan die voor de andere hoofdzonden*18, en dat de toon, die hij bij dit onderwerp aanslaat, vaak veel heftiger is. Het lijkt er
derhalve op dat het voortdurend laken van de `ghiericheit' tevens deel uitmaakt van de subtiele verbale drukmiddelen.
Willem gaat bijvoorbeeld in 43.Vanden rijcken vrecken, weliswaar over de hoofden van zijn publiek heen*19, heftig tekeer
tegen de rijke aartsvrek in de vs.30-35:
Sech, rijcke vrecke! Wat helpt dijn sparen?
Hoetstu tgoet, dan wachtet dy;
Wilt God, du biste varinc vry, (snel kwijt)
Als die doot di maect confuus: (met stomheid slaat)
Wat hebstu dan? een borden huus,
Daer di die nose ter verste slaet. (tegen het deksel drukt)
Even verder raadt hij de vrek aan: `Ghif, God sel di weder gheven Meer dan du moghes vermoeden' (vs.50-51; vgl. Lucas 6:38). Immers, `Dit aertsche goet is al gheleent' (vs.73) en daarom acht Willem het buitengewoon onverstandig, `Dat ghi mit gheleenden goede Verdient die ewighe duusterheit' (vs.76-77). Op gemeenzame toon zegt Willem vervolgens tegen zijn publiek - en hier openbaart zich het raffinement van de spreker: `Ic hoop ten sel ons niet gheschien, Wy willen al ter doecht wert tyen' (vs.79-80; cursivering van mij, TM). Naast de constatering dat Willem hier vanuit religieuze motieven de hebzucht hekelt en zijn publiek daarvan tracht af te houden, lijkt de brooddichter voorzichtig en subtiel zijn gehoor moreel onder druk te zetten, met name gezien het schrille contrast dat hij tracht op te roepen tussen de abstracte vrek en het concrete (hopelijk deugdzame) `ons'.
Ook in de gelijkenis 27.Van drien ghebroederen veroordeelt Willem de schraapzucht en spoort hij zijn publiek aan tot vrijgevigheid omwille van God. De moraal luidt kort en bondig: wie rijk is, moet omwille van zijn zieleheil de caritas beoefenen door het schenken van giften aan minder bedeelden. In de inleiding valt Willem uit naar de hebzuchtigen die hij aanspreekt als `Ghi ghierighe minres vanden ponden' (vs.6). In het slot krijgen de toehoorders te horen: `sent wat thuus van uwen ponden*20 Ende ander weldaden taller stonden, Die wijl ghi sijt in desen dale' (vs.262-264). Weer propageert Willem hier de christelijke naastenliefde om daarmee zijn toehoorders impliciet onder morele druk te zetten, zonder dat hij zichzelf nu met zoveel woorden naar voren hoeft te schuiven als eerstaangewezen object voor het beoefenen van die caritas. Pikant detail is dat Willem in testamentaire schenkingen niet de meest geschikte manier ziet om (op de valreep) het zieleheil veilig te stellen, zoals blijkt uit 1.Van den testament: `Ende wie dat gevens is van staden, Soe eest best bi gesonden leven Metter wermer hant gegeven Watmen Gode wil toescriven: Soe en maecht nyemont wederdriven' (vs.200-204). Naast allerlei praktische bezwaren die hij tegen het schenken per testament aanvoert, is hij de mening toegedaan dat de gefortuneerde mens zijn leven lang de caritas moet beoefenen, en niet slechts op het laatste moment. Bezien vanuit het perspectief van de wervende sprookspreker is dit geen onbegrijpelijk standpunt.
In 86.Van rechters komt Willem te spreken over een bijzonder soort hebzucht: niet die van het publiek, maar van degenen die men moest passeren teneinde de heer en kunstbegunstiger te bereiken. Aan de hoven van de heren `sijn portiers ende camerknapen, Die alle gheerne winnen souden, Of die ghene buten houden Die mitten heer hebben te spreken' (vs.100-103). Alhoewel de klacht vrij algemeen geformuleerd is, kan Willem ervaring hebben gehad met dergelijke praktijken en het moge duidelijk zijn dat het de spreker een doorn in het oog was als hij zich een weg tot zijn maecenas moest kopen.
Wordt de hoofdzonde der `ghiericheit' bij Willem veelvuldig gelaakt, de deugd van de `miltheit' wordt (zoals reeds
duidelijk mag zijn geworden) door hem telkens nadrukkelijk geroemd. Wederom zal men dit in eerste instantie moeten
verstaan als poëtische vertaling van zijn religieus-geïnspireerde wereldvisie. Doch op de achtergrond lijkt ook hier het appèl
aan de vrijgevigheid van het publiek een rol te spelen. In 73.Dit is vander ghiericheit zegt de spreker onomwonden:
`Miltheit taemt wel byden heren, Sijn si papen ofte leec' (vs.236-237). Een nogal kras voorbeeld dat Willem de
vrijgevigheid mede uit eigenbelang propageert, vindt men in 95.Van den avontmael. Aan het eind van het hierin beschreven
droomvisioen parafraseert Willem Jezus' gelijkenis van de onwillige genodigden, zoals beschreven staat in Lucas 14:15-24.
Deze gelijkenis sluit aan bij Jezus' eerdere woorden: `Wanneer gij een middag- of avondmaal geeft, nodig dan niet uw
vrienden, broers en bloedverwanten uit en ook geen rijke buren. Het zou kunnen zijn, dat zij op hun beurt u uitnodigen en
gij het dus terugkrijgt. Maar als ge een gastmaal geeft, nodig armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit. Gelukkig zult
ge zijn, omdat zij het u niet kunnen vergelden. Het zal u vergolden worden bij de opstanding van de rechtvaardigen' (Lucas
14:12-14).*21 Hierop borduurt Willem voort als hij tot zijn publiek zegt: `Soe wyemen ten avonteten noot, Dat doetmen
gaern van caritaten' (vs.306-307):
Hier by ist ghenoechlijc te comen, (hierom)
Daermen een avonteten weet.
Wyet begheert tot sinen vromen, (voordeel)
Die harberghe is hem oec bereet. (beschikbaar)
Twaer een waert van crancken staet,
Die sijn gasten soude verdriven,
Als die nacht te hande gaet,
Op dat si bi hem wouden bliven. (95; 309-316)(als)
Wie bedenkt dat de sprookspreker voornamelijk 's avonds optrad, tijdens of kort na de maaltijd, aan de tafel van de heer*22, zal zich kunnen voorstellen dat Willem zich hier naar de letter van de bijbeltekst als misdeelde aan de tafel van zijn gastheer noodt en impliciet verzoekt om kost en inwoning als beloning.*23 Een duidelijke verwijzing naar een voordracht kort vóór de maaltijd treffen we aan in 90.Vanden figure vanden mensch. Willem opent zijn slotwoord namelijk met de mededeling: `Nu willen wy al den lichaem spisen' (vs.277). De formulering suggereert dat ook de spreker zich aan de maaltijd gaat zetten. Achter 74.Van Sinte Gheertruden min zou men een soortgelijk motief kunnen vermoeden. Het gedicht illustreert namelijk waarom men altijd een beker wijn moet drinken op St.Gertrude als men afscheid neemt en op reis gaat. Het is denkbaar dat Willem, die steeds op reis was, met deze sproke bij zijn publiek naar een afscheidsdronk dong.*24 Hij raadt althans z'n gehoor zo'n afscheidsdronk nooit te versmaden.
Het bij voortduring ter sprake brengen van de `ghiericheit' en de `miltheit' door de sprookspreker kan enerzijds niet losgezien worden van de traditionele religieuze thematiek, maar anderzijds evenmin van de praktijk van de wervende brooddichter. Moeten de motieven van `ghiericheit' en `miltheit' dan beschouwd worden als topoi? Gezien hun veelvuldig gebruik door de diverse voordrachtskunstenaars krijgt men inderdaad de indruk dat het hier om gemeenplaatsen gaat. Het zou evenwel een misverstand zijn, deze topoi als betekenisloos te bestempelen: zij vervullen wel degelijk een uitnodigende functie.
Hiervóór zagen we al dat Willem zichzelf soms als een beklagenswaardig persoon presenteerde, en mogelijk niet zonder reden. Zo meldt hij in 115.Van goeden gedachte tot twee maal toe dat hij vlak voor de Paastijd ziek was. Uit mededogen met zijn `inkomstenderving wegens ziekte' kon men een extraatje overwegen, wat in hofkringen bijvoorbeeld niet geheel ongebruikelijk was. Ook de klachten omtrent de ouderdom en het gebrek aan geluk lijken niet van effectbejag ontbloot. In 87.Vander avontuer vernemen we driemaal dat het geluk hem niet bepaald heeft toegelachen (vs.1-4, 237 en 307). Aanvankelijk lijkt het begrip `avontuer' te blijven steken in de algemene betekenis van voorspoed, maar in vs.59 wordt al gesproken over `sulver ende gout' en na vs.129 spitst het begrip zich toe op de bijzondere betekenis van financiële voorspoed. De rest van de sproke (vs.129-328) staat dan volledig in het teken van de tegenstelling tussen rijkdom en armoede. De moraal van de sproke is - ondanks de onvrede met de status quo - de verzoenende gedachte dat in het hiernamaals alle scheve verhoudingen zullen worden rechtgetrokken en dat sommige rijken reeds tijdens hun leven met armoede gestraft worden. En weer staat er: `Wye hier ter rijcheit is gheboren [...] Dat hi sijn scout daer an [nl. de armoede] betael, Of ewelyc blijft hi verloren' (vs.195 en 199-200); `Weet hi den armen in verdriet, Dat hi hem mildelic sel gheven' (vs.205-206) en `Hebdi rijcheit of jolijt, Deelt den armen onghespaert' (vs.223-224). Het geluk speelt eveneens een rol in 46.Van twifel. In vs.32 zegt de dichter onder meer: `Veel ic jaghe, cleyn ic va' en in vs.196 merkt hij op dat `mi davontuer is fel'. Even verder verzucht hij: `Goet gheval comt mi te spade' (vs.200; zie ook vs.222-223, 230).
Met zachte hand oefent de spreker pressie uit op het publiek door onverkwikkelijke gebeurtenissen uit zijn reizende
bestaan, met name een tegenvallende betaling in het verleden, op te rakelen. Willem doet dit laatste in de al eerder
genoemde sproke 83.Hoemen voer die eere gaet schulen. In de sproke stelt Willem dat vroeger de goede kunstenaars aan
de hoven der heren naar behoren werden gewaardeerd en beloond. Tegenwoordig neemt men het met de `eer' niet zo nauw
meer en nemen waardering en beloning allengs af. In menig hof woont `Ghiericheit' in bij `Vrou Eer'. Vervolgens verhaalt
Willem van de schande die hem door Dirc die Commelduer werd aangedaan (zie hiervóór). Willem achtte het niet
opportuun, zo blijkt even verder in de sproke, om als spreker de (burger)huizen af te gaan als een (veredelde) bedelaar:
`Souden dichters conste draghen, Ende twisken tyde gaen beyaghen Van huse te huse haer beyach, Dat waer een onghelijc
gheclach*25 Horen tijt alsoe te slyten' (vs.95-99). Sprooksprekers zijn bij de gewone burgermanshuizen aan het verkeerde
adres: het is zinloos om daar te gaan `klagen'. Sprooksprekers zijn tenslotte geen bedelende `broeders van sinte Everaerts
oerde' (vs.111), dat wil zeggen: zij zijn financieel niet afhankelijk van de burgerij en werken, in tegenstelling tot de
bedelaars, bovendien wel degelijk voor hun geld.*26 Als de spreker wil verdienen, dan moet hij bij de elite zijn, want daar
weet men kunst op waarde te schatten en leeft het besef dat tegenover een kunstzinnige prestatie een gepaste vergoeding
hoort te staan. Aan de eervolle hoven `sietmen dichters conste loven' (vs.84). En Willem zegt:
Ende als die dichters willen voert,
Soe selmen hem een luttic gheven,
Daer si voort op moghen leven
Twisschen tyden, al daer si wanderen
Vanden enen totten anderen,
Want si sel worden wel ontfaen (83; 88-93)
De kunst, waaronder die der dichters, is immers `die alrehoochste schat, Diemen ter werlt ye besat' (vs.131-132), want de dichtkunst verschaft de mens inzicht in het bestaan. En in de Schrift lezen we dat de vrek die niets van zijn rijkdom met de arme wil delen in de hel terechtkomt. Willem herinnert zijn publiek daarbij aan het verhaal van Lazarus, die tenslotte in Abrahams schoot terecht kwam, en de onbarmhartige rijke, die in de hel gefolterd werd (zie Lucas 16:19-31). Tot slot verwijst hij nog naar de Jongste Dag. De functie van de sproke moge duidelijk zijn: Willem houdt een pleidooi voor het belang van de dichtkunst en voor datgene waartoe zijn bemiddelde publiek in staat én moreel verplicht was: de vrijgevigheid, ook in de zin van loon naar (dichterlijk) werken. Het gedicht doet als geheel het meest uitgesproken een beroep op de vrijgevigheid van de maecenas, al vraagt Willem zijn broodheer zelfs hier niet openlijk en direct om een vergoeding voor zijn werk. Maar welke garantie had een volgende karige beloner dat hij niet als wanbetaler werd afgeschilderd in een soortgelijke sproke?
In het verlengde van het werven naar een goede beloning liggen de dichterlijke klachten over het gebrek aan waardering bij
het publiek, waarmee de dichter in feite erkenning en waardering en dienovereenkomstige beloning tracht af te
dwingen.*27 Dit blijkt ook als we Willems klachten contrasteren met zijn hoge taakopvatting met betrekking tot de
dichtkunst. Willem heeft zich in zijn dichtkunst tot taak gesteld de (Goddelijke) Waarheid*28 aan het publiek te openbaren,
te wijzen op verval van normen en waarden, op onrecht en corruptie, op de misstanden van zijn tijd en op de enig juiste
weg die de mensheid zou moeten bewandelen. Hij profileert zich als criticus, moralist, docent, als lekeprediker en
(onafhankelijk) raadsman van de heren.*29 Dit in tegenstelling tot allerlei amuseurs, die het hof frequenteerden. De ware
dichter doet, aldus Hildegaersberch, geen noemenswaardige concessies aan de smaak van zijn publiek, al is dat niet altijd
gemakkelijk.*30 De waarheid dient gezegd te worden*31, ook al vormt die waarheid voor het publiek niet het meest
favoriete onderwerp om naar te luisteren en loopt Willem daardoor naar eigen zeggen de kans dit in zijn beloning te
merken. In 31.Van sterven heet het:
Die waerheit heeft altoes wedervechten
Byder clesi, byden heren;
Sy en can hoer onrecht niet ghekeren. [Sy = waerheit]
Hoe sal ic dan, arme oude,
Die gaerne die waerheit spreken soude,
Der heren gunst off hulde verwerven? (31: 6-11)
In 118.Opt voersien luidt de proloog:
Wat ic dichte of wat ic make,
Dat staet te straffen of te laken;
Wye die waerheit node horen,
Dien ist contrari voerden oren.
Willen dichters segghen twaer
Daer die waerheit is contraer, (aangevochten wordt)
Soe wert hi thants een onweert gast. (118; 1-7)
De klacht moet Willems overtuiging kracht bijzetten dat dichters zoals hij als gewaardeerde gasten onthaald moeten
worden. Verschillende malen wijst Willem erop dat de waarheidslievende dichtkunst hoger moet worden aangeslagen dan
de amusementskunst (en derhalve ook hoger dient te worden beloond; zie hierna). Nog afgezien van de keren dat Willem
klaagt over de - zijns inziens onterechte - desinteresse bij zijn publiek en het geringe effect dat zijn toch
behartigenswaardige raadgevingen hadden*32, verwoordt hij meer dan eens zijn opvatting omtrent het primaat van de
waarachtige dichtkunst in de vorm van een klacht. Men zie bijvoorbeeld de proloog van 82.Van ruste (vs.1-7). Willem
vraagt zich in meer prologen af hoe een eerlijk dichter nog loon naar werken kan krijgen als het publiek zijn werk niet op
waarde weet te schatten. Daarbij refereert hij soms aan vroeger tijden, toen oprechte dichters in hoog aanzien stonden.
Men zie bijvoorbeeld de beginverzen van 41.Van seven doechden der minnen (vs.1-7) of van 64.Van die achte salicheiden:
Meesters, die wel dichten conden
Ende wijlneer goede exemplen vonden,
Die worden allesins gheheert:
Nu is die werlt soe verkeert,
Datmen der consten luttic acht;
Want ghiericheit mit hoerre macht
Die heeft die werlt nu beseten. (64; 1-7)
Hildegaersberchs `ghierighe' publiek mocht zich wel spiegelen aan voorafgaande generaties.*33 Over zijn minder
principiële collegadichters zegt Willem in 21.Vanden doemsdaghe ende van sterven:
Exempel ende rechte leer
Die machmen spreken sonder sonde;
Mar die doer penninghen off doer ponde
Ydel glori willen maken,
Entie quaetheit niet en laken,
Al hebben si redelick verstaen, [begrijp: al weten ze beter]
Die moeten sulken loen ontfaen
Als horen wercken toebehoert.
Gherechte dichters bringhen voert
Dat wair is ende salich mede
Te comen totter ewichede. (21; 10-20)
Hier spreekt de bevlogen dichter-om-den-brode, die er in zijn gedichten enerzijds geen geheim van maakt voor zijn levensonderhoud afhankelijk te zijn van een vrijgevig publiek, maar die anderzijds toch de begeerte naar groot gewin mist, die zijn concurrenten ertoe bracht de waarheid te verdoezelen en het publiek schaamteloos naar de mond te praten. Brooddichterschap en bezield dichterschap waren voor Willem uitstekend te verenigen.
Het is vervolgens een typisch trekje van de loonwervende sprookspreker om zichzelf, gelijk in bovenstaand citaat, als
`gherechte dichter' te profileren teneinde zich af te zetten tegen de ijdele kunst van allerlei amuseurs en rijmelaars, die het
met de waarheid niet zo nauw namen.*34 Sprekend over de ideale dichter, schetst Willem een profiel waaraan hij blijkens
zijn eigen oeuvre bij uitstek voldoet. Men zie bijvoorbeeld de proloog van de vermakelijke en leerzame fabel24.Vanden serpent:
Een dichter die te dichten pliet,
Die pijnt hem gaerne te vinden yet
Dat den luden inden oren
Wat ghenoechte brenct te voren,
Ende int verstaen oeck wijsheit mede;
Want gherechte dichters zeede
Dat is, die waerheit bringhen voert. (24; 1-7)
In vs.26-27, als Willem aan de fabel begint, zegt hij zelf al: `Hierop willic wesen coen Ende spreken twair na mijn vermogen.'
Hildegaersberch liet zich er verder graag op voorstaan de dichter van zijn sproken te zijn. In eenderde van zijn gedichten noemt hij zijn naam en maakt hij zich als dichter bekend door middel van slotformules of anderszins.*35 Men kan dit opvatten als een vorm van dichtertrots*36, maar het was natuurlijk tevens een vorm van zelfpromotie. Met name als hij voor een groot publiek, bijvoorbeeld aan het hof optrad, zullen er gasten aanwezig zijn geweest, die hem nog niet kenden: het was in het belang van de sprookspreker zijn naamsbekendheid onder het publiek, dat hij later in het jaar thuis kon opzoeken*37, te vergroten. Een voorbeeld van zo'n slotformule, bestaande uit de naam van de dichter, verweven met een laatste opmerking of raadgeving, vinden we in 63.Hoe deerste partyen in Hollant quamen: `Dit raet u Willem, sonder sparen, Van Hildegaersberch, wildijt versinnen, Soe moechdi hemelrijc ghewinnen' (vs.168-170). Dit citaat is meteen illustratief voor de zelfbewuste en zelfverzekerde toon die regelmatig uit zijn gedichten opklinkt, de toon van gezag waarmee Willem zich als kunstenaar en autoriteit lijkt te willen onderscheiden en zich tracht te verheffen uit de massa der varende luiden.
Een bijzonder onderscheidingsteken was ook de meestertitel die Willem droeg, al was hij daarmee niet de enige spreker.
Daar moet bij aangetekend worden, dat waarschijnlijk ook een rondreizend spreker deze titel niet zomaar zelf kon
aannemen, zoals wel verondersteld is.*38 Meestertitels werden in de regel als teken van erkenning en waardering van
hogerhand verleend aan bijvoorbeeld handwerkslieden, hofpersoneel of sprekers.*39 Hildegaersberch zal zijn meestertitel
eind 1383 aan het Hollandse gravenhof gekregen hebben.*40 Het is moeilijk in te schatten of Willem zich ook op zijn
meestertitel heeft laten voorstaan. In het dialooggedicht87.Vander avontuer laat de dichter zich door de allegorische
Avontuer `meester' noemen. En in83.Hoemen voer die eere gaet schulen noemt hij zich als dichter ook `meester' in vs.50
en 59, terwijl hij zich in vs.55 laat aanspreken als `Meester vry'. Met name de volgende woorden uit78.Vanden ghedencke
zal hij wel niet zonder trots hebben uitgesproken:
Dichters conste doet versieren (uitdenken, schikken)
Vremde sinnen menighertieren, (bijzondere gedachten)
Beyde van dien ende oec van desen.
Hi mach mit recht een meester wesen,
Die alle dinc int beste keert,
Ende sijn evenkersten leert
Exempel, die die goede prysen. (78; 1-7)
Een welwillend publiek zal Hildegaersberch hierin hebben kunnen herkennen. De titel had, zoals gezegd, niets uit te staan met de magistergraad in de zeven vrije kunsten; Hildegaersberch was een leek die de hulp van clerken nodig had om Latijnse stof voor hem te vertalen. Een auteur als Boendale veroordeelt dergelijke dichters: hij eist dat een dichter `gramarijn' is en meent dat `leecke liede [...] Te goeden dichters niet doghen' kunnen.*41 Willem moet van deze opvatting van Boendale op de hoogte zijn geweest*42, maar dat was voor hem kennelijk geen reden om te verbloemen dat hij het Latijn niet beheerste. Soms, zoals in de proloog van 61.Van ghilden, lijkt het hem te frustreren dat hij een clericale opleiding had moeten ontberen en dat hem de geleerde bijbel- en boekenkennis ontbrak, waaruit andere dichters moeiteloos konden putten bij het componeren van hun teksten.*43 En misschien bracht Willem de hulp der clerken mede ter sprake om eventuele critici de wind uit de zeilen te nemen, aangezien van clerken en Latijnse bronnen de nodige autoriteit uitging. Maar bovenal toonde Willem zichzelf zoals hij was. Blijkbaar was het niet iets om zich voor te schamen, misschien zelfs iets om fier op te zijn, dat men als lekedichter met weinig scholing niettemin zoveel kennis en vaardigheden ten toon kon spreiden.*44 De leek Hildegaersberch had zijn blik verruimd, bezat een gedegen kennis van de Bijbel en de geloofsleer*45, had naar eigen zeggen zicht op de Waarheid en kon in de hogere kringen op poëtische wijze een min of meer adviserende en `herderlijke' rol vervullen.
In dit verband kan een vergelijking getrokken worden met de taak die de leek Der Teichner, aldus Lämmert*46, zich stelde in de `laientheologischer Bildung' en de `geistliche Erziehung' van zijn publiek. Lämmert spreekt van `laienseelsorgerischen Tätigkeit' en brengt het werk van Der Teichner later zelfs in verband met de `Laienmissionierung' in Oostenrijk. De dichter zette zich af tegen de spitsvondige exegetengeleerdheid. Der Teichner voelde zich met z'n `leichter predig' en `kahlen Lehrhaftigkeit' overigens eerder een collega dan een concurrent van de predikers.*47 Hij ervoer vooral musicaal en vocaal amusement als concurrerend. In zijn gedichten komt het meermalen tot `eine Verteidigung seiner einfachen, gradsinnigen Lehre gegenüber gelehrten weltlichen und geistlichen Kritikern [...]. Zwar hat er nicht studiert - das räumt er ein - aber Natur und Gott vermitteln ihm die nötige Einsicht: also pin ich gelert und nicht (v.213); das gleiche umschrieb seine Parabel vom edlen Koch, der aus den chünsten von natur und gaistleichseine Speise mischt'. Op enigszins vergelijkbare wijze probeerde Willem zich boven collega's en concurrerende leken te verheffen en zich als leek een bescheiden plaats te veroveren naast de gestudeerde clerici.*48 Juist door zich te tonen als leek die had bijgeleerd, vergrootte hij zijn aanzien en verbeterde hij zijn concurrentiepositie, waardoor ook z'n kans op een mildere beloning toenam.
De voortdurende veroordeling van de schraapzucht en de propagering van de vrijgevigheid, het ter sprake brengen van wanbetaling in het verleden, de klachten over onderwaardering van de ware dichtkunst, de behoeftige en afhankelijke zelfpresentatie enerzijds, de zelfpromotie en het werken aan zijn imago anderzijds: dat zijn de subtiele verbale drukmiddelen, de zachte pressietechnieken die de zichzelf respecterende, loonwervende en omhoogstrevende beroepsspreker ten dienste stonden om zijn publiek tot een vrijgevige beloning aan te zetten.
Willem verklaart in 12.Van enen cruut ende hiet selve dat geld veel vermag: geld (`selve', `salve'*49) verschaft eten en drinken, kleding en schoeisel, afgezien nog van aanzien bij mooie vrouwen en macht. `Selve is cruut van soeten ruken' (vs.101); geld stinkt kortom niet. We moeten vaststellen dat een sprookspreker niet kon bestaan bij dichterlijke bevlogenheid alleen*50; broodwinning was zijn dagelijkse zorg. Dat materiële motieven daarom een rol speelden in het leven en het werk van deze voordrachtskunstenaars spreekt bijna vanzelf en mag geen reden tot depreciatie zijn. Bovendien bleef het werven naar beloning in het geval van Hildegaersberch steeds vrij subtiel en binnen de grenzen van het betamelijke*51; nergens wordt hij echt onbescheiden, want dat zou zijn nering maar schaden. Daarbij voeren de materiële motieven in Willems sproken beslist niet de boventoon en beluisteren we in zijn woorden evengoed een dichterlijke gedrevenheid. En hij spaart zijn gehoor de kritiek die het toekwam niet, ook al was hij als spreker afhankelijk en sociaal gezien verreweg de mindere van zijn publiek.