In de komende vier paragrafen wordt stilgestaan bij Willems `geestelijke bagage', dat wil zeggen bij een deel van zijn
kennis, zoals die uit zijn sproken blijkt. Het is natuurlijk uitgesloten dat de sproken een zuivere graadmeter voor Willems
reële kennis zijn: enerzijds kan de sprookspreker zich geleerder voordoen dan hij is en anderzijds kan hij over meer kennis
beschikken dan hij in zijn gedichten laat merken. Zo laat Hildegaersberch de namen van Alexander de Grote en Artur wel
vallen, zonder dat - uit de sproken - valt op te maken dat hij meer dan (zeer) elementaire kennis over deze personen bezat.
Het is niet ondenkbaar dat Willem de namen noemde om zijn publiek te `imponeren' en bij hen mogelijk zelfs een wereld
aan achtergrondkennis opriep waar hij zelf geen deel aan had. Het is evenzeer denkbaar dat Willem in bepaalde
religieus-dogmatische kwesties meer kennis van zaken had dan hij zijn gehoor liet blijken, bijvoorbeeld om te voorkomen
dat de aandacht teveel zou worden afgeleid van de elementaire en centrale leer (zie hoofdst.7). De resultaten van het
onderzoek naar Willems `geestelijke bagage' moeten dan ook in al hun betrekkelijkheid beschouwd worden. Het onderzoek
beslaat niet Willems kennis in absolute zin, maar slechts die kennis die hij voor zijn publiek tentoonspreidt. Bovendien
wordt Willems kennis slechts op een viertal, redelijk peilbare, aspecten doorgelicht: (1) zijn alfabetisme, (2) zijn literaire
kennis, (3) zijn kennis van bijbelstof en (4) zijn kennis van historie en actualiteit.
Alhoewel er in het voorafgaande al enkele malen van uit is gegaan, moet hier alsnog de vraag gesteld worden of Hildegaersberch kon lezen en schrijven. Immers, het Latijn bleek hij niet te beheersen en dus heeft het hem aan enige clericale opleiding ontbroken. Is het dan ook denkbaar dat hij het zonder een elementaire lees- en schrijfopleiding heeft moeten of kunnen stellen?
Om bij het laatste te beginnen: het behoorde beslist niet tot de onmogelijkheden dat analfabeten met succes het beroep van dichter en spreker uitoefenden. Zeker in het mondelinge circuit der sprooksprekers zullen analfabeten zich hebben kunnen handhaven. Het maken, memoriseren en voordragen (of improviseren) van gedichten kan volledig uit het hoofd gebeuren. Niets garandeert ons dat sprekers als meester Pieter vander Minnen, Goeswijn van Ghelre, meester Jan van Vlaerdingen, meester Jan van Raemsdonc, Meeus van Dordrecht of Bertelmees van Delf, van wie we niets identificeerbaars hebben overgeleverd gekregen, geletterd waren, al kan de meestertitel daar een indicatie voor zijn. De kans op analfabetisme kan nog groter zijn onder de sprekers met namen van speellieden - de meer op amusement gerichte sprekers - zoals Snelryem den spreker, Ghecnose, Jan Vrouwentroost, meester Rutentuut (zo dit een spreker was) en Hopezomer.*1 Van hen is evenmin iets identificeerbaars overgeleverd*2, wat van een spreker als Snelryem helemaal niet verbazingwekkend is, daar zijn naam reeds suggereert dat hij voor z'n toehoorders op willekeurige, door hen aangereikte, onderwerpen ter plekke gedichten improviseerde. Niets van dit alles hoeft ooit aan het papier of perkament te zijn toevertrouwd. Van een drietal dichters staat vast dat ze - noodgedwongen - analfabeet waren: de twee blinde dichters uit Mons en Keulen, en de blinde dichter die in Utrecht door de Hollandse graaf werd beloond.*3 Analfabetisme behoefde een dichtersloopbaan in het mondelinge milieu dus allerminst in de weg te staan.
Dat er aan de andere kant ook onmiskenbaar geletterde sprekers waren, kan men afleiden uit het oeuvre van Augustijnken
dat ons is overgeleverd. Zijn kennis van Bijbel en kerkleer, maar vooral de soepelheid waarmee hij Vulgaatteksten citeert,
vertaalt en becommentarieert, verschaffen voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat Augustijnken een clericale
opleiding had genoten.*4 In zijn sproke De schepping*5 staat bijvoorbeeld:
Faciamus hominem ad ymaginem et similitudinem nostram
Sprac sijn woert wael minnelijc:
`Maken wi den minsche ons ghelijc.' (vs.7-9)
Hi heeft gesproken, als men't versta:
Ego sum via, veritas et vita!
Hi es leven, wech ende waerheit
Tot der ewegher salicheit. (vs.299-302)
De citaten zijn in dit geval afkomstig uit Genesis 1:26 en Johannes 14:6. In de sproke wordt voorts een hoeveelheid
zeventallen opgesomd om een sacrale samenhang der dingen te tonen, waaronder de weekdagen, de getijden, de
sacramenten, de gaven der H.Geest, de werken van barmhartigheid en de vrije kunsten. Augustijnken meldt in vs.103-106
vervolgens dat Johannes door de tirannieke Romeinse keizer Titus Domitianus naar het eiland Patmos was verbannen, waar
hij de Apocalyps schreef. Daarop geeft de dichter een gedurfde interpretatie van een aantal gegevens uit de Apocalyps: de
zeven kerken, de zeven kandelaren en de zeven zegels (zie Apoc.1:11, 1:12 en 5:1):
Dese driewerf .VII. willic leeren
Papen, leeken exponeren;
Want icse niet hebbe ghehoert
In sermonen brenghen voert.
Soe willic dan Austijnkijn,
Exponeren met worden mijn (vs.115-120)
De zeven kerken staan voor de geestelijke hiërarchie van paus, kardinaal, legaat, aartsbisschop, bisschop, abt/prelaat en
kanunnik/kloosterling. De zeven kandelaren staan (op dezelfde niveaus) voor de wereldlijke hiërarchie van keizer, koning,
hertog, graaf, baanrots, ridder en schildknaap. Volgt nog een opsomming van de zeven hoofdzonden in het Latijn en het
Diets, waar de hoofden van de twee hiërarchieën niet vrij van zijn. De zeven zegels staan, aldus Augustijnken, voor de twee
oren, twee ogen, twee neusgaten en de mond van de mens. Deze mens dient zich met al zijn zintuigen op God te richten en
zich van het kwade af te keren. Uit Augustijnkens Dit is Sinte Jans ewangelium*6 blijkt nog duidelijker dat we met een
geletterde te doen hebben. De tekst wemelt van de Latijnse citaten en levert voornamelijk commentaar op de vs.1-14 van
het eerste hoofdstuk van het Johannesevangelie. Een doorslaggevend bewijs voor de stelling dat Augustijnken latinist was
vindt men in de behandeling van Johannes 1:2:
Hoc erat in principio;
Dwoert was in den beghin also.
Soe het nu si meer noch min,
Daer es gheen verganghen in,
't En heeft preteriti noch futuri;
Maer het heeft alle weghe presenti. (vs.525-530)
Hoe cryptisch ook*7, hier hanteert de dichter de termen die hij in zijn opleiding voor het aanduiden van de verschillende tijden heeft leren gebruiken. Over het geheel valt aan het Sinte Jans ewangelium de geleerdheid duidelijk af te lezen. De tekst heeft meer van een berijmd tractaat dan van een sproke en men mag zich afvragen of deze tekst niet (veel) te moeilijk en te lang was (1051 vs.) voor een lekenpubliek.*8 De rijmvorm lijkt te suggereren dat de tekst wel degelijk was bedoeld om voor te dragen, al spreekt de epiloog van lezen (vs.1029-1030: `Die dit leest hem behoeft Verstannes scarp in sinen sin'). Indien het dichtwerk bedoeld was om voorgedragen te worden, had Augustijnken in dit geval dan misschien een specifiek geestelijk publiek op het oog? Men zij eraan herinnerd dat een vroeg fragment van deze tekst, mogelijk persoonlijk bezit van Augustijnken, is gevonden in het klooster Egmond.*9 En zoals Augustijnken er geschreven repertoirestukken op na kan hebben gehouden, zo is het evenmin ondenkbaar dat ook andere geletterde sprekers er een (klein) repertoire-handschrift op nahielden.*10
Terug naar Hildegaersberch. Aangezien hij geen Latijn kende, was hij in dit opzicht geen dichter van het niveau van Augustijnken. Maar behoorde hij tot de analfabete sprekers? Feit is dat Willem nauwelijks een mededeling doet waaruit zou kunnen blijken dat hij kon schrijven en/of lezen. Hij zegt vrijwel nooit dat hij een gedicht geschreven heeft*11; meestal spreekt hij in termen van maken, dichten, voortbrengen.*12 Bijna nooit zegt hij iets gelezen te hebben*13; haast altijd heeft hij het over vinden, horen lezen of horen zeggen.*14 Zelden ook kan men hem op een aanwijzing betrappen waaruit zou blijken dat hij een gedicht heeft voorgelezen. De rekeningen melden slechts dat Willem voor de graaf `gesproken hadde'. Willem was nu eenmaal spreker, maakte mogelijk bij voorkeur gebruik van het `beroepsjargon'*15 en gewaagde daarom tegenover z'n publiek ook `Vanden woerden hier te voren, Die ic sprac voer uwen oren' (81; 163-164). Evenmin is van Willem bekend dat hij een uitgeschreven exemplaar van een sproke aan een maecenas overhandigde, zoals een enkele spreker blijkens de rekeningen wel deed. Zo staat in de Hollandse tresoriersrekening van 1399 dat de spreker Monickedam `mynen here een sproke vanden Vriezen over gaf'.*16 In de Bloise rekeningen wordt `Janne Bot den segger' beloond `want hi ene sproke gemaect hadde ende in ghescrifte over gaf, van minen here van Byamont, des God ghedenke'.*17 Dit kan wijzen op geletterdheid, maar het uitgeschreven exemplaar behoeft niet noodzakelijk door de sprookspreker zelf te zijn vervaardigd: een clerk kan de tekst uit zijn mond hebben opgetekend.
In de proloog van 74.Van Sinte Gheertruden min beschrijft Willem dat hij op zoek was naar een nieuw onderwerp om
over te dichten. Op een gegeven moment heeft hij iets gevonden:
Ic wilt berechten sonder beyden,
Ende mit reden onderscheyden
An wat materie dat ics bleef,
Ende in minen sinne screef,
Soe dat ics heb een deel onthouden. (74; 29-33)
Ofwel hij heeft de legende van St.Gertrude vernomen en getracht het verhaal zo goed mogelijk te onthouden, ofwel Willem
zegt hier dat hij zijn sproke heeft geprobeerd te memoriseren. Hoe het ook zij, opmerkelijk is het dat de spreker hier met
geen woord rept over noteren, alleen overmentaal noteren. Mocht men al het vermoeden hebben dat Willem de lees- en
schrijfkunst niet machtig was, dan zou dit versterkt kunnen worden door de lange poëticale proloog van 61.Van ghilden:
Wie dat dichten wil hantieren,
Die moet menich dinc visieren,
Des ander luden ledich staen;
Want sijn natuer is soe ghedaen,
Dat hijs qualiken can vertyen.
Des heb ic Spieghel horen lyen,
Die menighe wijsheit binnen heeft,
Ende elken dichter leringhe gheeft
Wat hem mit rechte toebehoert.
Can hi der scrifturen woort
Nader waerheit wel versinnen,
Soe mach hi aert van dichten kinnen;
Mar wye die scriften niet en can,
Ende ymmer dichten wil nochtan,
Als ic dickent hebbe ghedaen,
Die is mit anxten zeer bevaen;
Want hi ducht voer die scrifture,
Maect hijs niet goet ende pure,
Dattie scrifture begripen sel;
Dat is sijn anxt, dat wetic wel,
Want ic hebs een deel ghesmaect,
Wye sonder scrift een dichte maect,
Dat hi moet mit anxte zwaer
Dickent peynsen hier entaer;
Want die cleergie is soe subtijl:
Daer ic om peynse langhe wijl,
Dat vinden sy varinc inder scrift:
Dit doet dat ic mit anxten dicht. (61; 1-28)
Deze passage lijkt op cruciale punten hopeloos polyinterpretabel. Bij vluchtige beschouwing zou men kunnen denken, dat
Willem hier bekent niet te kunnen schrijven. Maar of hij dat ook werkelijk zegt? Dat de spreker verwijst naar de
Lekenspiegel van Jan van Boendale moge duidelijk zijn*18, maar waarnaar precies? In vs.25 staat `cleergie is soe subtijl'.
Zinspeelde Willem op Boendales hoofdstuk 125 uit het derde boek: Vander lettren ende vander clergien? Of, aangezien
Willem zegt dat het boek `elken dichter leringhe gheeft', naar hoofdstuk 15: Hoe dichters dichten sullen ende wat si
hantieren sullen? Om meer duidelijkheid in bovenstaande proloog te krijgen, lijkt het raadzaam de verzen langs te lopen en
globaal te vertalen. In de eerste negen verzen staat:
`Wie de dichtkunst wil beoefenen, moet z'n gedachten over veel dingen laten gaan, waar andere mensen niet bij stilstaan; het is nu eenmaal zijn natuur dat hij het niet kan laten. Dit heb ik de Lekenspiegel horen vertellen, een boek dat veel wijsheid bevat en elke dichter bijbrengt wat hij naar behoren moet beheersen.'
De verwijzing naar Boendales poëticale hoofdstuk*19 lijkt toch vrij evident. Hierin zegt ook Boendale te zullen aangeven
`Wat enen dichter toe behoort, Die te rechte sal dichten wel' (vs.6-7; vgl. Willem vs.8-9). De ware dichter, zegt Boendale,
zou zelfs blijven dichten als hij moederziel alleen in het woud zou zitten, `Want het hoort te sire naturen: Hi en mochts niet
laten, al woude hi' (vs.340-341). Dat zegt Willem hem dus min of meer na in vs.4-5. Opvallend genoeg zwijgt Willem over
het feit dat Boendale het geheel niet begrepen heeft op lekedichters en over Boendales afkeurende woorden met betrekking
tot `dichten om ghewin' (vs.332). Wie om geld dicht, is geen ware dichter, meent Boendale, doch daarmee toont hij zich
meer idealist dan realist.*20 De vertaling van vs.10-16 stelt ons voor meer problemen, vooral de interpretatie van de
begrippen `der scrifturen woort' en `die scriften'.*21 De betekenis van het eerste begrip lijkt verdacht veel in de richting van
`het bijbelwoord' te gaan. Vs.13, `Mar wye die scriften niet en can' zou kunnen betekenen: `maar wie niet kan schrijven'.
Dit zou een duidelijk argument voor Willems analfabetisme zijn, ware het niet dat de tegenstelling met het voorafgaande
dan in de lucht blijft hangen. Een vertaling die meer rekening houdt met de samenhang van het betoog, zal ongeveer aldus
moeten luiden:
`Wie het bijbelwoord naar waarheid goed kent [begrijpt], die kan de dichtkunst beheersen; maar wie niet bekend is met de geschriften en desondanks wil dichten, zoals ik dikwijls heb gedaan, die wordt sterk door vrees bevangen;'
Deze woorden doen enigszins denken aan die van Boendale (vs.265-274) als hij staat op een letterlijke vertaling van `Die
scrifturen' (de H.Schrift?): `Want uut des auctoors woort En salmen niet gaen een oort' (vs.272-273). Vanderheijden
merkte reeds op dat het niet geheel zeker is of Boendale hier op de Gewijde Boeken doelt of ook op niet-bijbelse of andere
niet-dogmatische boeken. In het eerste geval verwoordde Boendale een traditionele middeleeuwse stelling, in het tweede
geval `zou Boendale zich hier als een zeer conservatieve geest openbaren'.*22 Het is niet geheel ondenkbaar dat
Hildegaersberch hier en in het vervolg op deze passus zinspeelde. In de hierop volgende vs.17-24 vormen wederom de
begrippen `scrifture' en `scrift' een struikelblok. Vs.17, `Want hi ducht voer die scrifture', zou goed vertaald kunnen worden
met: `want hij vreest het schrijven'. Letterlijk genomen zou dit een argument vóór Willems geletterdheid kunnen zijn: men
kan het schrijven immers slechts vrezen als men in ieder geval tot de mechanische handeling in staat is. Het is zinloos het
schrijven te vrezen als men het niet kan. Toch mag men zich afvragen of deze vertaling wel in de lijn van het voorafgaande
en het volgende ligt. Wellicht kan `die scrifture' hier beter vertaald worden als `de tekst'. Vervolgens is een mogelijke
vertaling van vs.22 `Wye sonder scrift een dichte maect': `wie zonder te kunnen schrijven een gedicht maakt', of: `wie uit
zijn hoofd componeert (zonder het te noteren)'. Maar ook deze vertalingen vinden weinig aansluiting bij het volgende. De
meest aannemelijke vertaling, met inbegrip van de laatste verzen, lijkt:
`Want hij vreest - met betrekking tot de tekst - dat als hij niet precies en zuiver dicht, hij de tekst geweld aan zal doen: dat is zijn vrees, daar ben ik terdege van doordrongen, want ik heb deels zelf ondervonden, dat wie zonder tekst [`bronnenmateriaal'] een gedicht maakt, dikwijls in grote vrees over van alles diep moet nadenken. Want de (geestelijke) wetenschap is*23 zo diepzinnig*24: waar ik lang en diep over na moet denken, dat vinden de clerken veelal op schrift*25: dit maakt dat ik met vrees dicht.'
De strekking van de proloog is derhalve dat Willem problemen ondervindt met het maken van gedichten omdat bijbel- en wetenschappelijke kennis hem ontbreken, evenals een clericale scholing, zodat het hem veel moeite kost om een gedicht te vervaardigen dat ook nog zuiver in de leer is, in welk opzicht dan ook. Al met al bevestigt de proloog van 61.Van ghilden ons beeld dat Willem hoogstens een elementaire opleiding heeft genoten. Boendale had achter Willems proloog wel resumerend kunnen opmerken: `dichten dat en is gheen spel' (vs.304). Bij Willem wreekt zich dat hij niet kan voldoen aan de eerste eis die Boendale aan dichters stelt*26: dat ze `gramarijn' (vs.11) zijn. Hildegaersberch voldeed niet aan het ideale profiel dat Boendale van de ware dichter schetst en was zich hiervan bewust. Hierop wordt dan ook in de proloog gedoeld: Willem is geen `gramarijn' of clerk, maar leek. De specialistische kennis ontbreekt hem, want de clericale opleiding, die hij moest ontberen, brengt allerlei waardevolle gememoriseerde kennis met zich mee*27: bijbelkennis, boekenkennis. Maar Willems frustratie lijkt evenzeer gelegen in de onbereikbaarheid van bronnen om het één en ander uit te putten. De kennis van de cruciale bronnen ontbrak hem, maar ook het bronnenmateriaal zelf, dat een clerk-auteur als Boendale onder handbereik had.*28 In de sproken 21.Vanden doemsdaghe ende van sterven, 33.Van dominus en 86.Van rechters vermeldt Willem het Latijn niet te beheersen en de hulp van clerken nodig te hebben om de Latijnse bronnen te ontsluiten. Gaat het hier om vrij neutrale vaststellingen, de `reële frustratie', waarvan Van Oostrom spreekt*29, klinkt in de proloog van61.Van ghilden inderdaad door. Eigenlijk is dit vrij uniek, want waar veel dichters - Hildegaersberch inbegrepen - zichzelf vaak in een zo gunstig mogelijk daglicht stellen, toont Willem zich hier in zijn tekortkomingen zoals hij is. Kennelijk heeft de bekendheid met Boendales hoge eisen Willem niet kunnen verhinderen open kaart te spelen. Mogelijk heeft de spreker met de proloog een bepaald effect willen bereiken. Wilde hij zijn publiek voor zich innemen door te wijzen op de meer dan gemiddelde inspanningen die hij zich voor het dichten moest getroosten? Of was deze sproke wellicht in eerste instantie bestemd voor een specifiek publiek, tegenover wie de dichter niet kon nalaten een zekere humilitas in acht te nemen? In paragraaf 8.4. zal gepoogd worden aannemelijk te maken dat het publiek in de kring van de geestelijke broederschappen gezocht moet worden.
Vastgesteld kan worden dat tot nu toe geen bewijzen zijn geleverd voor eventueel analfabetisme bij Hildegaersberch. Dat er onder zijn collega's analfabeten waren, zegt niets over Willem. Dat hij begrippen als schrijven, lezen of voorlezen weinig hanteert (of zelfs vermijdt?), bewijst weinig. En zoals we zagen verschaft de proloog van 61.Van ghilden geen informatie over eventueel analfabetisme.
Zoekend naar aanwijzingen dat Willem wél kon lezen en schrijven, stuit men op een aantal interessante gegevens. Een
eerste vraag die gesteld moet worden, luidt: hoe komt Willem aan de (op een aantal weinig betekenende varianten na)
letterlijke tekst van Boendales Hoe man ende wijf hen houden selen, door hem in zijn repertoire opgenomen onder de titel
48.Hoe man ende wijff sullen leven, en hoe komt hij aan Boendales Van Gods wesene*30, een tekst die hij enigszins
bewerkte tot de sproke 50.Van sempelen ghelove? Zonder enige twijfel was Willem een goed verstaander en heeft hij over
een uitstekend geheugen beschikt, maar het is te enen male onmogelijk om een gedicht louter op het gehoor, bijvoorbeeld
bij een (eenmalige) voorlees-sessie, vrijwel letterlijk, vers voor vers, en bovenal syntactisch nagenoeg ongeschonden in het
geheugen op te slaan. Het meest waarschijnlijke is toch, dat Willem op een zeker ogenblik in de gelegenheid is geweest om
twee hoofdstukken uit een exemplaar van de Lekenspiegel over te schrijven (of desnoods te memoriseren en even later pas
te noteren). In dit geval moet Willem hebben kunnen lezen en schrijven. De tweede vraag, die al eerder is gesteld, luidt:
hoe komen wij aan zo'n groot overgeleverd corpus sproken van Willem? Tenzij men geloof zou hechten aan een situatie
waarin Willem voor zijn dood 120 sproken aan een geletterde heeft gedicteerd, is de meest voor de hand liggende
verklaring toch dat de spreker regelmatig zijn sproken op schrift stelde.*31 Voorts zou men uit de epilogen van 26.Vanden
paep die sijn baeck ghestolen wert, 27.Van drien ghebroederen, 56.Van feeste van hylic, 66.Van drierehande lyden, 74.Van
Sinte Gheertruden minen 81.Vanden sloetel kunnen opmaken hier met `secundaire versies' te maken te hebben; ze waren
niet bedoeld om door Willem voorgedragen te worden, maar (in aangepaste vorm) door een ander, bijvoorbeeld een
sprekersgezel. Het feit dat juist deze versies schriftelijk overgeleverd zijn, kan erop duiden dat Willem ze aldus genoteerd
heeft om door een ander (direct van blad, of uit het hoofd geleerd) te laten voordragen.*32 Vervolgens gelden de
spaarzame malen dat Willem in de ik-vorm*33 rept van schrijven, lezen en voorlezen als aanwijzing:
- Als ic u hier te voeren screeff (27; 172)
- Ende ic wil vanden ridder scriven (74; 94)
- Daer te voren, als ic las*34 (74; 162)
- Als ic te voeren hier off las (12; 256)
- Dat ic nu hebbe overlesen (61; 203)
- Dese vijf punten wil ic u lesen*35 (98; 34)
Wel moet aangetekend worden dat `scriven' ook de betekenis kan dragen van `afschilderen', `beschrijven', dat `lesen' een
scala aan betekenissen heeft, zoals `verzamelen', `kiezen', `opzeggen', `onderwijzen' en `mededelen', en dat tenslotte
`overlesen' naast in de betekenis van `voorlezen' en `doorlezen' ook voorkomt in de betekenis van `nagaan'.*36 Het moge
duidelijk zijn dat daarom de hierboven geciteerde verzen op zichzelf geen afdoende bewijs leveren voor Willems
alfabetisme, al heeft het er veel van weg dat bovenbedoelde begrippen wel degelijk in de betekenis van schrijven, lezen en
voorlezen gebruikt zijn. Men zie ook dit citaat uit 112.Twisschen wil ende die waerheit:
Ic heb hier voertijts horen lesen
Van goeden heren dit of dat,
Mar nye en vant ic boec noch blat,*37
Daer enich meester in bescreef, (112; 72-75)
De formulering is weliswaar verraderlijk en het kan tevens grootspraak van Willem zijn, maar hij lijkt te suggereren
geschreven teksten onder ogen te hebben gehad; en dat heeft slechts zin als men kan lezen. Verder keren vs.97-105 uit
99.Vanden doern ende vander linde terug in vs.125-133 van de sproke 120.Dat elc sinen meerren ontsiet, zonder dat ze in
één van beide sproken uit de toon vallen. Men kan spreken van een citaat uit eigen werk.
Want onrecht selmen wederstaen
Mit striden, macht niet anders gaen.
Liet een heer sijn palen roeren
Ende sijn volc op sloeten voeren
Sonder weer, soe hiet hi blode,
Sijn volc dat comter by in node;
Want waermen stoute weer vermoet,
Daer sijn die palen wel behoet,
Entie heer heeftes prijs. (99; 97-105)
Want onrecht selmen wederstaen
Mit stryden, macht niet anders gaen.
Laet een heer sijn palen roeren
Ende sijn volc op sloten voeren
Sonder weer, soe hiet hi blode,
Sijn volc dat comter by in node.
Waermen stoute weer vermoet,
Daer sijn die palen wel behoet,
Entie heer die heves prijs. (120; 125-133)
Mogelijk heeft Willem de passage uit het ene gedicht overgeschreven ten behoeve van het andere gedicht: de
overeenkomsten zijn immers frappant.*38 Maar ook dit mag geen bewijs heten: het zal zeker tot de sprooksprekerspraktijk
hebben behoord om eenmaal gememoriseerde verzen, wanneer ze bruikbaar waren, ook in andere sproken aan te
wenden*39 en strikt genomen hoeft daar geen pen aan te pas te komen. Voorts maakt Willem in 11.Dit is van beschermen
op bescheiden wijze duidelijk dat hij verstand heeft van letters en spelling: hij zet uiteen dat het woord `beschermen' door
eliminatie van de letter m verworden is tot het woord `bescheren' (zie o.m. vs.50-51, 65, 77-78). Ook dit kan een indicatie
zijn dat Willem althans kon lezen, aangezien de analfabeet geen verband tussen woordklank en woordbeeld kan leggen.
Opvallend is echter dat Willem in vs.91-93 negen letters aan `beschermen' toekent en acht aan `bescheren': kennelijk spelde
hij zelf (i.t.t. de kopiïst) `bescer(m)en'. Misschien mag ook het `lettergedicht' 33.Van dominus als argument aangevoerd
worden. Niet alleen bespreekt Willem bij iedere letter van het woord `dominus' een deugd die met deze letter begint. Het
gaat bovendien om Latijnse woorden, die hij vertaalt. Willem heeft hier hulp gekregen van een clerk, maar kon een
analfabeet de letters onderscheiden en heeft Willem de Latijnse begrippen en de vertalingen als niet-latinist wel correct
kunnen onthouden zonder ze te noteren? Het laatste argument is een poëtisch-technisch argument. Van de dertien
strikt-strofische gedichten hebben er acht een kunstig en soms zelfs ingewikkeld rijmschema. Deze rijmschema's weet
Willem telkens vele strofen lang consequent vol te houden*40:
| 27.Van drien ghebroederen | ababbaba (38 strofen) |
| 37.Vanden wijnvaet | ababbcbc/cdcddede (14½ str.) incl. vrij consequente afwisseling staand-slepend rijm |
| 45.Een notabel | aaabcccbb (6 str.) |
| 60.Dit is van scheyden | aabaabaabb (9 str.) |
| 62.Van rechtighen rechters | ababbaba (24 str.) |
| 87.Vander avontuer | ababbaba (41 str.) |
| 89.Een ewangelie | ababbaba (15 str.) |
| 93.Van ja ende neen | ababbaba (18 str.) |
De sproken 45.Een notabel en 60.Dit is van scheyden en vooral ook 37.Vanden wijnvaet zijn vanwege hun rijmschema meesterlijk te noemen, en zouden een rederijker waardig zijn geweest. Het lijkt moeilijk voorstelbaar dat zulke gedichten gecomponeerd kunnen worden zonder schrijfmateriaal, al is het mogelijk dat de dichterlijke gaven en de mnemotechnische vaardigheden van Willem nu onderschat worden. Het maken van zulke gedichten zal toch een moeizaam proces zijn geweest van noteren, controleren, doorhalen, herschrijven, lijstjes van bruikbare rijmwoorden opstellen en zo meer. Natuurlijk kan Willem zeer wel in staat worden geacht om de gebruikelijke rijmpaar-gedichten uit het hoofd te maken. Maar van de strofische gedichten met de ingewikkelde rijmschema's kan men lijstjes van bruikbare rijmwoorden opstellen en zo meer. Natuurlijk kan Willem zeer wel in staat worden geacht om de gebruikelijke rijmpaar-gedichten uit het hoofd te maken. Maar van de strofische gedichten met de ingewikkelde rijmschema's kan men verwachten dat hij ze met behulp van wastafeltjes en/of papier heeft gecomponeerd. En dit impliceert dan weer dat Willem heeft kunnen lezen en schrijven.
Alles tezamen genomen, te weten de letterlijke overnames uit de Lekenspiegel, de overlevering van een omvangrijk oeuvre, het (sporadische) gebruik van de begrippen schrijven,lezen en voorlezen, een letterlijk citaat uit eigen werk, getuigenis van vertrouwdheid met spelling, en de ingewikkelde rijmschema's van sommige strofische gedichten, steunen de veronderstelling dat Hildegaersberch alfabeet was. De vooropleiding voor de Latijnse School, zo mag geconcludeerd worden, heeft Willem wel gehad: de schrijfschool of lage school. Jongetjes van acht à negen jaar bezochten deze school om er allereerst lezen en schrijven te leren, in de moedertaal wel te verstaan.*41 Men kon dit onderwijs volgen op de kloosterscholen en op de meer burgerlijk-stedelijk georiënteerde parochiescholen en gemeentescholen. Steeds meer burgers lieten vanaf de 13e eeuw hun kinderen schoolgaan: kennis was toen evenzeer macht*42, en voor een loopbaan in de handel bijvoorbeeld werd het kunnen lezen en schrijven zelfs meer en meer een noodzakelijke voorwaarde. Willems opleidingsniveau strookt tot op zekere hoogte ook met wat we weten van de Duitse `Spruchdichter': `Als gemeinsame Bildungsgrundlagen werden wir bei den meisten Lesen und Schreiben annehmen können, dazu die Beherrschung der einfachen Technik der Musik'.*43 Op Willems geletterdheid volgt nu zijn kennis van de letteren.