In deze paragraaf wordt nagegaan welke literaire kennis Willem bezat, dat wil zeggen, voorzover z'n gedichten van deze
kennis getuigen. De spreker kan immers meer (of minder?) literaire kennis hebben bezeten dan hij in zijn sproken laat
blijken. Het voor deze paragraaf verrichte literaire bronnenonderzoek kan voorts geen aanspraak op volledigheid maken.
Een volledig onderzoek naar de bronnen die Willem gebruikt heeft, vereist en verdient een studie op zich. Maar zelfs dan
zou volledigheid moeilijk na te streven zijn, aangezien Willem als spreker kan zijn geïnspireerd door sproken die in het
sprekerscircuit de ronde deden en die door de gebrekkige overlevering niet tot ons zijn gekomen of die zelfs uitsluitend
mondeling hebben gecirculeerd. De betrekkelijkheid en de beperkingen van het onderzoek naar Willems literaire kennis en
bronnen in acht genomen, wordt nu een aantal teksten behandeld dat in aanmerking komt als bron.
Jan van Boendale
De Lekenspiegel van Jan van Boendale is het enige literaire werk dat Willem in zijn oeuvre (min of meer) bij naam noemt,
namelijk in 61.Van ghilden (vs.6-7). De spreker maakt in deze sproke toespeling op Boendales hoofdstuk Hoe dichters
dichten sullen ende wat si hantieren sullen (zie par.4.3.1. en 4.4.). Dat Willem een bewonderaar van Boendale was, blijkt
uit het reeds gemelde feit dat hij twee teksten uit de Lekenspiegel overnam en in zijn eigen repertoire onderbracht.
Boendales Hoe man ende wijf hen houden selen*1 kreeg bij Willem de titel 48.Hoe man ende wijff sullen leven. De
verschillen tussen de twee teksten beperken zich vrijwel uitsluitend tot spellingsvarianten. Slechts een paar maal ontbreekt
er een woordje, of is er één toegevoegd. Een enkele keer heeft Willem een woord vervangen door een `synoniem': zo werd
de man in het huwelijk van `meester' bij Boendale tot `voecht' bij Willem (vs.33). Boendales Van Gods wesene*2 kreeg bij
Willem de titel 50.Van sempelen ghelove. Ditmaal heeft Willem de tekst van Boendale bewerkt. Van de 92 verzen bij
Boendale zijn er 22 niet terug te vinden bij Willem, terwijl de sproke ook nog zes verzen van Willems eigen vinding bevat.
De overige 70 verzen van Boendale komen in een gewijzigde volgorde in de sproke voor. De verhouding ziet er alsvolgt uit:
| Hildegaersberch | Boendale |
| vs. 1-12 | vs. 1-12 |
| 13-46 | 53-86 |
| 47-50 | 45-48 |
| 51-52 (parafrase van) | 23-24 |
| 53-54 | 29-30 |
| 55-60 | ontbreekt |
| 61-72 | 33-44 |
| 73-76 | 87-90 |
Beide teksten behandelen Gods Wezen. Er wordt geopponeerd tegen de veronderstelling van de simpele leek, dat God eruit zou zien als een mens. Beide dichters varen uit tegen deze zienswijze en noemen de mens `een vuul slijc, Ende stinckende als een mes [mest]' (Boend. vs.38-39; zie Hild. vs.66-67). God is daarentegen edel en schoon, en moet beschouwd worden als een alomtegenwoordige geest, die hemel en aarde vervult. Niemand kan Zijn Wezen ten volle bevatten. Christus heeft men alleen in menselijke gedaante gezien; slechts aan Zijn daden kon men Zijn Goddelijke Natuur onderkennen. Ook in de vorm van de geconsacreerde hostie aanschouwen wij de Godheid niet. Deze Godheid is bovendien een Drievuldigheid. De mens moet niet pogen dit te doorgronden, want het gaat zijn verstand te boven. Men moet eenvoudig geloven dat God onze Heer is en dat Hij één God in drie personen is.
In de 22 regels extra van Van Gods wesene benadrukt Boendale nog dat niets voor God verborgen blijft en dat Zijn barmhartigheid oneindig is (vs.13-22). Hij zou de Schepping in een ogenblik teniet kunnen doen (vs.25-28). In vs.31-32 herhaalt hij wat hij al zei in vs.24: God schiep alles uit het niets. In de vs.49-52 zegt Boendale dat alle schoonheid voortkomt uit God, `Die meester is der natueren'. Boendale besluit zijn gedicht, als hij spreekt over de Drieëenheid, met een herhaling: `Want niement en macht te gronde slaen, Alsic u voren dede verstaen'. Twee van Boendales herhalingen zijn bij Hildegaersberch dus verdwenen. Verder liet Willem mogelijk verzen weg die te zeer het karakter hadden van terzijdes of althans de aandacht te zeer afleidden van het centrale thema. De zes regels die Willem toevoegde (vs.55-60), verwoorden de opvatting dat het niets aan Gods zaligheid en glorie zou afdoen, als de hele schepping inderdaad door Hem teniet zou worden gedaan. Indien er van mag worden uitgegaan dat de titel Van sempelen ghelovevan Willems hand is, dan kan deze wijziging duiden op een opzettelijke verandering. FungeertVan Gods wesene eerder als leerdicht, Van sempelen ghelove maakt iets meer de indruk op de geloofspraktijk gericht te zijn: men moet eenvoudig geloven, maar niet menen dat God eruit ziet als een mens, of trachten zekere geloofsmysteries te doorgronden. Men vergelijke ook 14.Een notabel over de ondoorgrondelijkheid van de Drieëenheid en de onvoorstelbaarheid voor de mens van hel en hemel. De slotsom luidt dat men gewoonweg dient te geloven en deugdzaam te leven.
Willems sproke 101.Hoe die heren eerst quamen is geïnspireerd op Boendales Hoe landsheer eerst wert ghemaect.*3 De
overeenkomsten zijn echter minder letterlijk. Willem vertelt zijn edele toehoorders (zie vs.1) dat zij ooit als
maatschappelijke groep het wereldse zwaard hebben toebedeeld gekregen om er het recht mee te handhaven. Zijn betoog
begint bij de zondvloed toen alleen Noach overbleef met zijn zonen en hun vrouwen. `Wye was doe die best gheboren?',
luidt Willems cynische vraag (vs.27). Menig jaar ging er voorbij, zonder dat er een onderscheid was tussen mijn en dijn.
Ieder bewerkte de aarde en leefde daarvan. Heren waren er niet. Zevenhonderd jaar lang hield ieder rekening met de ander
(vs.28-38). Deze laatste tien verzen vertonen inhoudelijk overeenkomst met de woorden van Boendale:
Hier voren*4 hebbic u gheset,
Hoe tfolc was zonder here ende zonder wet,
Ende hoe si hem op ackeren gheneerden,
Ende wonnen datsi verteerden (vs.1-4)
Willem vertelt dan dat Noachs geslacht uitgroeide: er kwam zoveel volk `Dattet ghinc ten anderen spele' (vs.42). Er
kwamen lieden die wilden `ledich gaen, Die arbeit die bleef onghedaen' (vs.43-44). En het ging van kwaad tot erger: de
goeden kregen het door de kwaden zwaar te verduren. Boendale vertelt iets soortgelijks:
Nu vantmen vele kockinen, (klaplopers)
Die arbeden noch pinen
En wouden, mar ledich gaen;
Ende so wouden si die hant slaen
An zulke vrome ende goede,
Alse ghewonnen hadden die goede;
Ende en woudemens dan niet ghehinghen,
So wouden si tfolc daer toe dwinghen,
Datment hem moeste gheven,
Of si namen den lieden tleven;
Ende roofs ende moords wert zo vele,
Dat al ghinc uten spele. (vs.7-18)
Willem vervolgt: om het recht te herstellen, heeft men toen de heren aangesteld. Als er geen onrecht had bestaan, dan
waren ze niet nodig geweest. Aangezien het kwaad bleef voortwoekeren, zijn de heren sindsdien gebleven. Toen de heren
werden aangesteld, werd ook de wet gemaakt. Het werd de taak van de heren het recht (de wet) te kennen en te
handhaven. Voor iedereen gold dat wat
[...] hi mit arbeide mochte winnen,
Dat soudmen voert voer sijn bekinnen;
Ende wye den andere tsijn benaem,
Die moste staen tot sulker blaem,
Datmen hem soude nemen tleven
[...]
Doe maecten si enen heer soe groot,
Die tghemene soude scheiden
Ende tvolc mit macht beleiden (101; 85-89, 92-94)
Ook Boendale vertelt hoe de goeden een `statuut' uitvaardigden `Dat elc zoude leven vanden zinen, Dat hi ghewonnen
hadde met pinen [...] Ende so wie sloeghe sijn hant An anders have, an anders lant, Soude daer omme verliesen tlijf' (vs.23,
25-26, 33-35). Om deze wet te handhaven, koos men `Enen voocht' (vs.38). En opdat deze heer zich geen zorgen hoefde
te maken over zijn eerste levensbehoeften, `So bewijsden si hem tcheins Op haer lant, haer ende gheins' (vs.43-44). Hier
verraadt Willem zijn afhankelijkheid van Boendale, want hij zegt vrijwel letterlijk hetzelfde: `Op hoer lant, haer ende ghens,
Setten si hem alsulken chens, Dat hi mocht staet van eren houden' (vs.97-99). De wijze lieden bepaalden ook dat een heer,
die het recht niet handhaafde, ter dood veroordeeld moest worden, waarna men een nieuwe heer kon kiezen. Willem richt
zich in z'n epiloog weer tot zijn publiek:
Ghi heren, hier an moechdi horen
Dat weldoen is u an gheboren
[...]
Al sidi hoech ter werlt gheseten,
Ghi sult rechte mate meten,
Daer om wordi al hier ghesent
Van hem, die alle mate kent.*5 (101; 115-116, 119-122)
Boendale maakt zijn publiek ook duidelijk dat het volk de heren gekozen heeft ter bescherming. Een heer die zichzelf meer
toeëigende dan hem toekwam, werd met dezelfde wet veroordeeld. Ook Boendale richt zich tenslotte tot zijn publiek, de
`heren' (vs.77), en houdt hen voor dat in geval van onrecht de doodstraf ook hen boven het hoofd hangt. Dat Willem z'n
sproke eindigde in de geest van Boendale, blijkt uit de slotverzen van laatstgenoemde:
Want hier is een here boven,
Diet al ziet ende verstaet
Uwe rechten, ist goet, ist quaet;
Ende des en sal hi niet vergheten,
Hi en sal u weder meten
Metter maten daer ghi meet hier (vs.94-99)
Willem heeft bij het maken van 101.Hoe die heren eerst quamen kennis gehad van Boendales Hoe landsheer eerst wert ghemaect. Het is mogelijk, gezien een aantal vrijwel woordelijke overeenkomsten, dat de spreker hiervoor de Lekenspiegel onder ogen heeft gehad en er notities uit gemaakt heeft.*6
Vervolgens lijkt Willem voor zijn tweede, titelloze sproke over het besturen van steden schatplichtig te zijn geweest aan het ideeëngoed uit Boendales Hoemen een stat ofte een lantscap regieren sal. In beide teksten wordt grote waarde gehecht aan het `orbaer', het algemeen belang - overigens houdt Boendale in Jans Teesteye en z'n Boec vander wraken soortgelijke pleidooien.*7
Tenslotte zijn er nog twee sproken waarin toespeling gemaakt wordt op een passage uit het hoofdstuk Hoe dichters dichten sullen [...]. In zijn fabels 24.Vanden serpent (vs.46-50) en44.Vanden hont die verbroeyt wort (vs.68-71, 142-143) zegt Willem dat dieren van nature niet kunnen spreken, maar dat hij dat met permissie toch laat gebeuren, omdat het bij wijze van exempel is. Het is goed denkbaar dat Willem als het ware spreekt met de permissie van Boendale, die verdichtsels en leugenachtige verhalen afwees, maar voor met name boerden en fabels een uitzondering maakte. In fabels laat men, aldus Boendale, dieren spreken `om leringhe diere uut gaet' (vs.187). Immers, `een sin, die is zwaer' (vs.195), wordt door fabels en exempla gemakkelijk duidelijk gemaakt.
De conclusie moet luiden dat Willem bijzonder gewicht toekende aan de opinies van Boendale, voor Willem één van de
lichtende voorbeelden in de letterkunde (al noemt hij hem nooit bij naam). Bepaalde delen van de Lekenspiegel heeft hij
zich eigen gemaakt. Hij moet in de gelegenheid zijn geweest (passages uit) dit boek te lezen*8 en over te schrijven.
Jacob van Maerlant
Ook aan Maerlant heeft Willem het één en ander ontleend. Bij de vraag of Willem de dichtvorm van de disputatie aan de Martijns van Maerlant heeft ontleend, wordt hier niet uitgebreid stilgestaan. Vast staat alleen dat Willem drie disputaties geschreven heeft: 87.Vander avontuer,100.Van ghenoechten en 102.Een disputacie. Maar dat hij voor de vorm afhankelijk is geweest van Maerlant (of desnoods Jans Teesteye van Boendale*9) is even mogelijk als onbewijsbaar. Concrete aanwijzingen zijn er niet en het is bijvoorbeeld evengoed denkbaar dat de vorm ontleend is aan oudere disputatie-sproken. Hetzelfde geldt nog in hogere mate voor de strofische vorm die Willem in een aantal gedichten hanteert*10: de vorm kan aan Maerlants strofische gedichten ontleend zijn, maar net zo goed aan andere strofische sproken.*11
Wat meer vaste grond krijgt men onder de voeten als getracht wordt na te gaan of Willem kennis heeft gehad van (details
uit) de Naturen bloeme. In 47.Van drierehande staet van herenmerkt de spreker op dat de geestelijken de heren niet meer
vermanen, maar bij hen in het gevlij proberen te komen om er financieel beter van te worden. Voor het onrecht houden zij
zich doof:
Si worden doeff in hoer verstaen;
Mar alsmen siet die hant ontdaen
Om uut te tellen die florine,
Dan slachten si naden everswine,
Dat altoes scarper is int horen
Dan enich dier dat hevet oren (47; 53-58)
In Maerlants Naturen bloeme*12 vindt men de bevestiging voor deze bijzondere gave van het `wilt everswijn': `Boven allen
beesten die sien Hoert hi beste voer alle die leven' (vs.300, 338-339). Het is weliswaar mogelijk dat kennis van de
eigenschappen van het everzwijn, een dier waarop gejaagd werd, tot de algemene ontwikkeling van vele middeleeuwers
behoorde. Willem hoeft in dat geval zijn kennis niet speciaal aan Maerlant ontleend te hebben. Maar het is wel frappant, dat
ook Maerlant in het vervolg uitvaart tegen de hebzucht, in dit geval van de woekeraar:
Verdoemt wokerare, nu hore;
Waer omme so setstu dinen moet
In dit neder eertsche goet?
Int eertsche goet es al dijn sin,
Daer af naect di een swaer ghewin. (vs.346-350)
Ook dit kan nog toeval zijn als het geval geheel op zichzelf zou staan. Er is echter nog een aanwijzing. In de titelloze,
tweede sproke over het besturen van steden geeft Willem als eerste advies op goede voet te blijven met de landsheer en
hem onderdanig te blijven (vs.46 e.v.). Wie zich tegen zijn heer keert, zal het uiteindelijk moeten bezuren, `alst pleech te
varen Als valken beiten [jagen] op een aeren' (vs.53-54). De gedachte is dat de arend als vogel hoger in de hiërarchie staat
dan de valk, en dat als de valk op de arend gaat jagen, de valk het tenslotte moet afleggen. Maerlant verklaart in zijn
Naturen bloeme*13 dat de arend de hoogste in de rangorde der vogels is, dat hij `coninc es uutvercoeren Voer allen
voghelen' (vs.91-92). Deze vorstelijke vogel heeft, aldus Maerlant, de gewoonte z'n jongen in het zonlicht te houden: zij die
het zonlicht kunnen verdragen, zijn echte kinderen, zij die dat niet kunnen zijn bastaards en worden verstoten. Het blijkt de
valk te zijn die zich over zulke verstoten jongen ontfermt en ze opvoedt. De giervalk heeft andere gewoontes ten opzichte
van de arend:
Van den gheervalken seit die glose,
Dat hi dicke den aren nose (bestrijdt)
Ende hine vaet. Merct, dese gheervalke
Bediedet wel den doerper scalke,
Die hem niet en willen keren
Onderdaen te sijn den heren,
Ende haer heerscap quetzen ende jaghen:
Dies salse God daer omme plaghen. (vs.217-224)
Ook al zijn er verschillen, toch krijgt Willems metafoor van anderhalve versregel nu meer diepte. Een zeker valkensoort heeft de neiging om de vorstelijke arend aan te vallen, gelijk ongemanierde schalken die zich verzetten tegen de landsheer. Met dit alles is niet onomstotelijk bewezen dat Willem direct uit de Naturen bloeme geput heeft, laat staan dat hij een gedegen kennis heeft gehad van dit werk. Anderzijds is het zeker niet uit te sluiten dat de spreker deze tekst onder ogen heeft gehad of er passages uit beluisterd heeft.
In de sproke 4.Van den X gheboeden komt Willem bij het verbod op diefstal kort over Judas te spreken. Hij wordt er
voorgesteld als de penningmeester der apostelen, als een soort `onrechtmatig belastingontvanger' en tenslotte als een dief.
Willem vertelt hoe Judas `thiende deel te stelen plach Van des men gaf op elken dach Onsen Here mitten sinen'
(vs.397-399). De dichter verklaart: `Judas was een dieff van aerde' (vs.375); hij was van nature een dief. Essentieel in het
verhaal is het volgende:
Doe Maria Magdaleen
Salfde ons Heren voeten reen,
Dair toe sijn hoeft ende ander lede,
Doe had hi gaerne ghestolen mede [hi=Judas]
Den thienden penninc om sijnre proy. (4; 387-391)
Judas had graag een tiende van wat de zalf waard was ontvangen, maar het lukte hem niet. Hij wendde zich tot de Joden:
Doe hem ontghinck alsoe veel waerde
Als vander salve dat thiende deel,
Die lichte waerdich was gheheel
Drie hondert penninghen meer noch min,
Doe socht hi weder sijn ghewin
An die Joden, die hem gaven
Dertich penninghen van hoerre haven,
Daer hi sijn meester om verriedt. (4; 376-383)
De zalf was zo'n 300 penningen waard geweest; van de Joden kreeg Judas de 30 gederfde penningen, waarvoor hij Christus
verried. Willem verschaft hier zijn informatie weinig chronologisch; de wijze waarop hij het verhaal vertelt, doet vermoeden
dat hij zijn publiek met de materie vertrouwd achtte. Het verhaal berust in feite op de combinatie van een aantal gegevens,
met als centraal uitgangspunt Johannes 12:3-6. Het behoeft niet noodzakelijk zo te zijn, maar het is mogelijk dat Willem
zijn informatie heeft ontleend aan Maerlant, die het verhaal vertelt in zijnMerlijn.*14 Maerlant meldt dat Judas `Onses
Heren drossate' (vs.183) was, die de aalmoezen in zijn beheer hield. De dichter voegt eraan toe dat Judas `den jongeren
vele stal' (vs.187). Dat dit een `tiende' was `Van allen, dat men gaf onsen Heer' vermeldt Maerlant met de aantekening dat
dit wel bij Robert de Borron te vinden is, maar niet in de Vulgaat. Hij vertelt vervolgens van Maria Magdalena:
Si kochte diere zalve rene
Ende storte ze op Onses Heren hovet.
Judaes toernde daerombe, des gelovet,
Ende woude hebben zinen tiende (vs.201-204)
En even verder zegt Maerlant dat Judas
[...] was een dief,
Ende hi die alemosen droech,
Daer hi te stelene af plach ghenoech.
Thomaes*15 zeghet, dat hi was gram,
Dat men hem zinen tiende nam,
Die doe dertich penninge was waert;
Hier omme verkochte hi daer ter vaert
Sinen schepper ende zinen here
Om dertich penninge te siner onneren. (vs.215-223)
Concreter nog zijn de aanwijzingen dat Willem bekend was met Maerlants Der kerken claghe.*16 Echo's uit dit gedicht
weerklinken in de sproke 58.Vander heiligher kercken. Het opmerkelijke is dat er vrijwel alleen parallellen worden
aangetroffen met de eerste zes strofen vanDer kerken claghe, en niet of nauwelijks met de zevende tot en met de achttiende
strofe. Mogelijk was Willem het meest getroffen door de eerste strofen, of kende hij het gedicht alleen fragmentarisch. De
titel van Willems sproke, vs.110 over `der heiliger kercken claghen' en vs.184, `Dat is der kerken grote claech', lijken
geïnspireerd op de titel van Maerlants gedicht en vs.209, `Dits der Heilegher Kerken claghen'. Ook lijkt Willems
zaai-metafoor in vs.204-206 terug te grijpen op die bij Maerlant in vs.7-10 en 46-47. In zijn derde strofe vertelt Maerlant
hoe Petrus in Antiochië als straf voor zijn prediking de kruinschering moest ondergaan. Tegenwoordig, zegt de dichter,
zoekt menigeen de tonsuur uit winstbejag. Willem roept Petrus in herinnering om zijn gebrek aan hoogmoed en hebzucht,
eveneens om een tegenstelling met de actuele toestand der geestelijkheid te creëren: hoogmoed en hebzucht vieren thans
hoogtij (vs.89-104). In zijn vierde strofe klaagt Maerlant dat de clerici niet leven naar hun leer, terwijl zij toch het goede
voorbeeld zouden moeten geven. Dezelfde klacht uit Willem in vs.31-34. Maerlant moet vaststellen `dat die herden nu sijn
doren' (vs.49) en Willem zegt dat de kerk door `menighe doren' (vs.72) bestuurd wordt. Vervolgens werkt Maerlant de
evangelische wolf-herder-schaap-metafoor uit: `So sijn die wolve nu rebel, Nidech, ghierech ende fel' (vs.51-52), en in de
vijfde strofe:
Hoe menech wolf es nu haerde,
Onder die scaep van groter waerde,
Daer Cristus om storte sijn bloet. (vs.53-55)
Onder de actuele ondeugden der geestelijkheid die Willem opsomt, bevinden zich ook `Nijt' (vs.105) en `Ghierichede'
(vs.123); de felheid wordt bij Willem mogelijk verwoord met de `Onghenade' die `fel is gheresen' (vs.155). Willem meent:
Die heilighe kerck dat is sijn huus, [nl.Christus]
Hy heeftse ghereynt mit sinen bloede,
Al staet si nu in crancker hoede;
Want die heerders souden wesen (moeten zijn)
Entie scaep te gader lesen,
Om die savonts ter coeye te bringhen,
Die worden wolven in horen dinghen. (58; 174-180)
Maerlant gispt de geestelijken die gewapend met `brede swaerde' (vs.59) rondlopen, Willem klaagt dat `sy draghen scharpe
kniven Ende ander wapen om horen live, Die sy niet schuldich en sijn te draghen' (vs.107-109). Maerlant vervolgt:
Ghierecheit ende hovaerde,
Diere clederen, hoghe paerde.
Opter heilegher Kerken goet
Toont nu menech fieren moet. (vs.62-65)
Hildegaersberch zegt het in dezelfde geest: `Nu versamen si menich pont Die ghierighe vander heiligher kercken, Om hoor hoveerde mede te stercken' (vs.100-102). En even daarvoor zei hij al: `Nu willen si hoghe paerden ryden Opter heiligher kercken goet' (vs.92-93) en hier wordt duidelijk dat Willem inderdaad schatplichtig is aan Maerlants gedicht. Overigens treffen we Maerlants hierboven geciteerde vs.62-63 ook vrij letterlijk aan in Willems sproke 97.Vander drierehande staet der werlt, vs.265-267: `[...] Datse duerbair cleder draghen, Daer toe ryden hoghe paghen [paarden] In hoveerde, die God verboot.' De ellendige toestand van de kerk is uiteindelijk afkomstig van `Lucifer, die helsche drake' (vs.67), aldus Maerlant, en ook Willem stelt dat de zonden der kerk terug te voeren zijn op `den ruwen Sathanas'*17 (vs.80).
Hiermee zijn de parallellen tussen de gedichten van Maerlant en Willem behandeld. Alhoewel soms steunend op het strofische gedicht, heeft de sproke een geheel eigen karakter. De teksten verschillen bijvoorbeeld opvallend in toon. Maerlant blijkt in al zijn felheid bitterder gestemd dan de over het algemeen toch ook weinig optimistische sprookspreker. Maerlant heeft geen goed woord over voor de gecorrumpeerde herders die de kerk bevolken; zijn enige hoop is nog gevestigd op de troost die de Drieëenheid kan schenken. Willem betoogt weliswaar dat Satan zijn invloed in de kerk heeft weten te vergroten door middel van de hoofdzonden, aan de andere kant geeft hij expliciet te kennen de H.Kerk altijd in ere te willen houden. Want de kerk (als instituut) is en blijft `onse moeder' (vs.9) en `spieghel ende roeder' (vs.10), door God ingesteld. Ondanks alles moet men `Altoes volghen spriesters leer' (vs.196). Nu is het mogelijk dat Willem het zich als leek niet kon veroorloven zo ver te gaan als Maerlant, het is evenmin uitgesloten dat de spreker hier bewust reageert op het gedicht van de geleerde clerk Maerlant. Willem lijkt immers vanuit dogmatisch oogpunt het gelijk aan zijn kant te hebben: de zondigheid der individuele geestelijken, hoe laakbaar ook, kan geen afbreuk doen aan de genadeschenkende kracht van de kerk als instituut, haar heilsleer en haar sacramenten.*18 Tot zover 58.Vander heiligher kercken.
Willems gedicht 36.Van Affricanus gaat niet, zoals men in eerste instantie zou kunnen vermoeden, direct terug op het historische werk van een klassiek auteur als Livius.*19 Met Affricanus wordt gedoeld op de veldheer Publius Cornelius Scipio Aemilianus Africanus Minor (overl. 129 v.C.), de adoptiefzoon van de veldheer Publius Cornelius Scipio Africanus Maior (overl. 183 v.C.). Beide hadden zich onderscheiden in de Punische oorlogen tussen 264 en 146 v.C., dat wil zeggen de tenslotte succesvolle strijd tegen het Noordafrikaanse Carthago. Beide ontleenden hieraan hun bijnaam Africanus. Afgezien van de naam Affricanus en de Romeinse context, is de sproke bijzonder vaag in de beschrijving van de gebeurtenissen, en wijkt die meermalen duidelijk af van de bekende verhalen. Eén detail toont aan dat Willem de Spiegel Historiael*20 van Maerlant als bron gebruikte. Het verhaal verloopt bij Maerlant aldus: terwijl Hannibal Italië met zijn leger in z'n greep hield, gaat het de Romeinen elders in de strijd meer voor de wind. In Spanje strijden de gebroeders Scipio tegen de Carthaagse overheerser Mago, de broer van Hannibal. Als de Scipio's door Mago worden gedood, ontvangt men in Rome de slechte tijding, met een verzoek om een `voghet' naar Spanje te sturen. In Rome kan men niet kiezen tussen twee voogden, waarop Scipio minor beide afwijst; want de één is te arm en de ander te gierig. Scipio minor vertrekt zelf naar Spanje om de dood van zijn pleegvader en oom te wreken en begint met het Romeinse leger aan een grootse veroveringstocht. Mago wordt gevangen genomen en naar Rome gestuurd. Een groot deel van Spanje wordt veroverd, en later, terug in Rome, besluit Scipio met de raad om de Carthagers op eigen, Afrikaans terrein te bekampen. Ook dit werd een succes. Bij Hildegaersberch luidt het verhaal: in een (niet nader genoemd) land kwam het volk in opstand tegen een (Romeinse) `rechter' (vs.16), die alleen zijn eigen zakken vulde. De Romeinen moesten Africanus sturen om het volk weer aan het Romeinse gezag te onderwerpen. Toen dit was geschied, stuurde Africanus voor de zekerheid gijzelaars naar Rome. Er moest een nieuwe `voecht' (vs.47) gevonden worden voor het land, die het volk geen onrecht zou aandoen met zijn hebzucht. Bij Africanus' terugkeer in Rome heeft de raad twee kandidaten: een rijke oude man, die ietwat hebzuchtig is, en een arme rechtvaardige man. Africanus keurt beide kandidaten af: de één blijft hebzuchtig, de ander zal het worden. De raad stelt voor dat Africanus zelf een kandidaat in Rome zoekt. Hij vindt een rijk man die sober leeft en slechts aardewerk op de eettafel verlangt. De man verklaart zelf ook van aarde te zijn gemaakt en leeft in het besef dat rijkdom vergankelijk is als het leven zelf. Deze man wordt aan het hoofd gesteld van het door Africanus onderworpen land.
Willems verhaal wijkt van zowel Livius, Polybius als Maerlant af en doet derhalve apocrief aan. Toch is er één essentiële
overeenkomst tussen Maerlant en Willem, die elders ontbreekt. Sterker nog: het heeft er alle schijn van dat Willems sproke
in feite opgezet is rond deze versregels bij Maerlant:
Men coes den jongen Cypioene, (Scipio)
Die doe hadde XXVII jaer,
Entie doe seide al openbaer:
`Deen es te aerm, dander te vrec;
Lichte mochte in een strec
TRoemsche rike hier mede vallen.'
Dese raet was geprijst van hem allen. (cap.33, vs.56-62)
Dit gegeven vindt men niet bij Livius of Polybius, noch in Maerlants bron, het Speculum Historiale van Vincentius van
Beauvais: het is een toevoeging van Maerlant.*21 Voor de rest zou men kunnen veronderstellen dat Willem de tekst van
Maerlant niet erg goed onthouden heeft of reeds in een verminkte vorm te horen heeft gekregen. Maar het is ook denkbaar
dat Willem de tekst naar eigen inzicht en voor eigen doeleinden opzettelijk heeft veranderd. Dat Willem niet vermeldt dat
het verhaal zich deels in Spanje afspeelt, kan met het feit te maken hebben dat de spreker het land in een soort baljuwschap
heeft willen wijzigen (opdat identificatie met het Hollandse rechtssysteem vergemakkelijkt werd?). Het is verder
voorstelbaar dat Willem het wraakmotief met opzet heeft weggelaten. In 4.Van den X gheboeden betoogt hij immers: `Al
waer u vader doot geslegen, Broeder, oem ofte neve, Men sal God die wrake geven' (vs. 288-290).*22 Van een hebzuchtig
rechter is alleen bij Willem sprake, maar de corruptie bij de rechterlijke macht (o.m. in Holland) is dan ook een prominent
thema in zijn werk.*23 De moraal van de sproke is dan ook dat de landsheer rechtvaardige rechters moet aanstellen en hen
ook terdege moet controleren. Het is bepaald aannemelijk dat Willem juist in dat ene detail in Maerlants historiewerk voor
een goed exempel heeft gezien, en dat hij om het gegeven van de arme en de hebzuchtige kandidaat heen een deels nieuw
verhaal heeft gebouwd met corruptie en integriteit als thema, en aansluitend bij zijn thematiek van de corruptie in de
rechtspraak. We hebben in elk geval van doen met een vrije hervertelling, misschien in sommige opzichten
`noodgedwongen', waarschijnlijk in meerdere gevallen opzettelijk.
Jan de Weert
Ook aan de Nieuwe Doctrinael of Spieghel van Sonden, de zondenleer en biechtspiegel van de Ieperse chirurgijn Jan de
Weert (eerste helft 14e eeuw) lijkt Willem een en ander te hebben ontleend.*24 Als Jan de Weert het testament behandelt,
komt hij over het naderend stervensuur te spreken:
Ende dats der zielen een anxt groot,
Want die vrese vander doot
Ende tsceiden vanden eerscen goede,
Dat hem soe vast leit inden moede
Ende dat si emmer moeten laten,
Ende dan die ziecte, die boven maten
Doorquellet dat herte en alle die lede,
Dese drie hebse also zeere bescreden
Ende soe verwonnen, dat si vergheten
Al ande zalicheit te weten (vs.2373-2382)
Niet alleen betoogt Willem in 1.Van den testament in essentie hetzelfde, ook zijn woord- en rijmkeuze vertoont
overeenkomsten met die van Jan de Weert (vgl. de cursieve delen):
Si sijn belegen van hem drien,
Die op hem scriden al in een:
Dat een dat is die siecte groet,
Dander die vrese voer die doot,
Dat dorde dese hoecheit hier te laten,
Die si minden boven maten.
Wanneer si weerden dus bescreden, (aangevallen)
Soe sijn die sinnen ende die reden
Soe belast, dat si vergeten
Ander salicheit te weten. (1; 81-90)
Bij de behandeling van de tien geboden merkt Jan de Weert op:
Ic wilt bewisen ende makent waer,
Dat gheen ghebod en es soe swaer
Van allen X daer wi af spreken,
Si en sijn lichter te houden dan te breken
Ende ghesonder der zielen ende den live (vs.1942-1946)
Dit argument hanteert Willem in 4.Van den X gheboeden eveneens, en nogmaals valt eenzelfde wijze van formuleren op:
Nu wil ic mitter waerheit bewisen
Dat si langer leven souden,
Die die tien gebode houden,
Ende oec voele minre arbeit liden,
Dan diese breken tallen tiden
[...]
[...] ghi sult geloven das,
Dat een yegelijc wel mach
Sonder onscout ende geclach
Die X gebode, daer wi af spreken,
Lichter houden dan tebreken. (4; 80-83, 100-104)
Willem heeft bepaald niet uitgebreid geput uit het werk van Jan de Weert. Slechts een tweetal passages die hem (bij de
voordracht ervan?) troffen, heeft hij onthouden om, met de gebruikte rijmwoorden, zelf te pas te brengen in zijn sproken
over het testament en de tien geboden.
Reinaerts Historie
Aan Willems kennis van Reinaert II is nooit getwijfeld. Jonckbloet meende hem zelfs in de eerste druk van zijn Geschiedenis van de Nederlandsche Letterkunde (1868) het auteurschap van deze roman te moeten toekennen. In de tweede druk is Jonckbloet teruggekomen van deze visie, mede op grond van de bezwaren die Bisschop en Verwijs in hun Hildegaersberch-editie (1870) daartegen maakten.*25 Na Jonckbloet heeft niemand meer serieus overwogen om het auteurschap aan Willem toe te dichten.*26 Men moet Jonckbloet nageven dat inderdaad een paar kleine gegevens in de richting van Hildegaersberch zouden kunnen wijzen. In de eerste plaats zalReinaerts Historie zijn ontstaan om en nabij Willems literair actieve periode: de jaren zeventig of tachtig van de 14e eeuw. Voorts heeft men wel beargumenteerd dat Reinaert II niet in een Vlaams, maar eerder in een Utrechts of Hollands milieu tot stand is gekomen, al wijst recent rijmonderzoek juist weer op een Vlaamse oorsprong.*27 Vervolgens zijn daar drie sproken van Willem die inhoudelijk goeddeels teruggrijpen op Reinaerts Historie, te weten 15.Van Reynaert ende van Aven, 24.Vanden serpent en 44.Vanden hont die verbroeyt wort.*28 De dichter vanReinaert II lijkt zich in vs.1 voorts te introduceren als `Willam'.*29
Ook inhoudelijk zou Reinaert II ons eventueel aan Hildegaersberch kunnen doen denken. Men vindt bijvoorbeeld
vs.7675-7676 uit de roman terug bij Hildegaersberch in zijn gedicht15.Van Reynaert ende van Aven:
want men vint nu meer Reinaerde,
al enhebben si gheen rode baerde (vs.7675-7676)
Men vonde noch vele meer Reynarden,
Al en draghen si gheen rode baerden. (15; 223-224)
Ook op een hoger inhoudelijk niveau zijn er wel overeenkomsten aan te wijzen tussen de roman en het oeuvre van Hildegaersberch, met name bij de schildering van de tijdgeest; men denke aan de rol van de schalk in beide werken, aan de valse raadgevers, de corruptie, het hoogtij vieren van leugen, list en bedrog, de hebzucht, het onrecht, het egoïsme en de huichelarij. Met name het bittere feit dat de schurk Reinaert aan het slot van de roman van alle blaam gezuiverd wordt en nota bene als baljuw wordt aangesteld, zou aan Willems genius ontsproten kunnen zijn.
Ondanks dit alles bestaat er geen enkele aanleiding om aan Hildegaersberch het auteurschap van Reinaerts Historie toe te
kennen: teveel argumenten pleiten ertegen. In de eerste plaats was de naam van de dichter van de tweede Reinaert
geenszins Willem; de Willem naar wie verwezen wordt in het eerste vers van de roman is `Willam, die Madoc maecte', de
Willem vanReinaert I. Min of meer inhoudelijke overeenkomsten kunnen even gemakkelijk op het conto van
Hildegaersberch als op iedere andere geestverwante auteur geschreven worden. Een uitspraak als `Men vonde noch vele
meer Reynarden, Al en draghen si gheen rode baerden' is voorts een te weinig significante sententie om voor een
doorslaggevend argument te kunnen doorgaan. En er bestaan ook geen treffende overeenkomsten tussen de roman en
Hildegaersberchs persoonlijke woordenschat of dichtstijl. Zoals gezegd wijst recent rijmonderzoek bovendien in de richting
van een Reinaertdichter met een Vlaamstalige achtergrond, en geen Hollandse. Het is tevens bekend dat Willem geen Latijn
kende. De dichter van Reinaerts historie heeft zich evenwel in het begin van zijn vervolgverhaal, geheel in de geest van Van
den vos Reinaerde*30, bediend van het Latijn*31: `alteram partem audite!' (vs.3678); `ende spreket in placebo'*32
(vs.4255); `et vos estote parati, seit God in dat ewanghelium, lieve oom' (vs.4458-4459); `adversaris' (vs.4653); `merct,
wat daer ghescreven staet in der ewanghelien les: estote misericordes: weest ontfermich! noch staet daer me: nolite
judicare, et non judicabimini' (vs.4774-4779). Dergelijke verzen verwacht men niet aan te treffen bij Willem, maar veeleer
bij een geschoolde clerk. Hetzelfde zou kunnen gelden voor het vaardige gebruik van het Frans dat de Reinaertdichter ten
toon spreidt, al moet op dit punt de uiterste voorzichtigheid in acht genomen worden. Zoals hierna zal blijken is er voor
49.Vanden twaelff maenden wel degelijk een Franse bron aan te wijzen, zodat het niet uitgesloten is dat Willem een (meer
dan?) elementaire kennis van het Frans bezat. Mocht evenwel de veronderstelling onjuist zijn dat de sprookspreker enige
kennis van het Frans bezat, dan mag men onderstaande verzen niet licht bij Willem verwachten*33:
ten lesten sprac die coninghinne
`sire, pour dieu, ne croies mie
toutes choses que on vous die,
et ne jures pas legierement!' (vs.3664-3667)
Ook het gebruik van Franse en andere leenwoorden zoals dat in de roman aangetroffen wordt, zal men bij Hildegaersberch (vrijwel) vergeefs zoeken*34: fallacien/lamentacien (vs.3773-3774), assaut (vs.3811), fallacie/salutacie (vs.4345-4346), persecucie (vs. 4522), citieren/pleitieren (vs.4537-4538), impetreren (vs.4562), interdict (vs.4585), condempneren (vs.4800). Bij Hildegaersberch ontbreken aanwijzingen voor een gedegen kennis van klassieke verhaalstof grotendeels, en van Franse romans geheel. Dit in tegenstelling tot de romandichter. Als Reinaert de wonderkam en de wonderspiegel beschrijft, twee van de drie juwelen die hij Belijn en Cuwaert zogenaamd naar het vorstenpaar liet brengen, knoopt hij daaraan twee verhalen vast. Op de wonderkam, gemaakt uit het schouderbeen van de Panthera, stonden namelijk de taferelen over de aanleiding tot de Trojaanse oorlog afgebeeld (vs.5500 e.v.): Paris moest uitmaken wie de schoonste was en wie derhalve de gouden twistappel zou winnen: Venus, Juno of Pallas. Reinaert vertelt dan van de Trojaanse herder Paris (inclusief zijn ouders Priamus en Ecuba en zijn broer Hector), de beloften gedaan door Venus, Juno en Pallas, zijn keuze voor Venus en zijn liefde voor de Griekse Helena, de vrouw van koning Menelaus. Bij het spreken over de wonderspiegel, verhaalt Reinaert een episode uit de Roman de Cleomades van Adenet le Roi. Het hout, waarvan de spiegellijst was gemaakt, was namelijk van hetzelfde soort als waarvan koning Crompaert (Cropart) een paard (cheval de fust) maakte om de liefde van de dochter van koning Maradigas te winnen. Het wonderpaard kon honderd mijlen in een uur afleggen. Zijn ongelovige zoon Cleomades probeerde het paard uit en beleefde menig angstig avontuur. De Reinaertdichter spreidt hier een literaire kennis ten toon, die men bij Hildegaersberch niet aantreft. Voorts is de Reinaertdichter bekend geweest met diverse branches van de Roman de Renart, onder andere de zesde branche*35, die aanleiding was voor het hoofdverhaal. Wederom zal men niet snel geneigd zijn dergelijke kennis aan Willem toe te dichten. Bovendien moeten we beseffen dat het schrijven van een roman niet past bij Willems literatuuropvatting, die te direct moraliserend is om - op deze schaal - fictie opportuun te maken. Wie zich zou trachten voor te stellen hoe een Reinaertroman er moet hebben uitgezien indien Hildegaersberch de auteur was, die zou waarschijnlijk op een roman van een geheel andere aard uitkomen; een roman, doorspekt met moraliserende terzijdes van de vertelinstantie, een roman waaraan iedere vaart zou zijn ontnomen. Dit is bij Reinaerts Historie geenszins het geval. De roman is ook geen voordrachtstekst passend bij een 14e eeuwse sprookspreker, hoogstens een voorleestekst (misschien zelfs al een leestekst; zie vs.7763, `mer dat ghi hebt ghelesen hier boven', en ook vs.7778). De tekst is veel te lang om voorgedragen te worden binnen het korte bestek waaraan sprooksprekers (en hun publiek) intussen gewend waren. Bovendien ontbreekt het voor een voordrachtstekst van sprekers zo karakteristieke, veelvuldige aanspreken van het publiek. Ook het schrijven van een grote (voor)leestekst strookt nauwelijks met het sociologische beeld dat we hebben van de 14e eeuwse sprookspreker. Een professioneel en rondreizend voordrachtskunstenaar zal weinig belang hebben gehad bij het schrijven van een meer dan avondvullende (voor)leestekst. Willem was een spreker die in zijn onderhoud moest voorzien met het voordragen van korte teksten voor een steeds wisselend gehoor, en niet met het schrijven van een roman die na consumptie in de boekenkist van een kleine en specifieke publiekskring verdween. Hij kon het zich waarschijnlijk niet permitteren een roman te schrijven van bijna 8000 verzen, aangezien dit in eerste instantie alleen maar tijd en geld kóstte. Het waren de gezeten dichters, de goed opgeleide clerken met een vaste betrekking die het zich konden veroorloven om (in hun vrije tijd) romans te schrijven, eventueel geruggesteund door een geregeld inkomen uit anderssoortige arbeid.*36
De conclusie zal naar alle waarschijnlijkheid weinig anders kunnen luiden dan dat Willem niet de auteur was van Reinaerts Historie. Men kan slechts met Peeters vaststellen dat Willem en de dichter van Reinaert II tijdgenoten moeten zijn geweest.*37 Voorts, dat het schrijven van de Reinaertroman vooraf is gegaan aan Willems drie Reinaert-sproken.*38 De sproke 15.Van Reynaert ende van Aven is een zeer vrije hervertelling van vs.5755-5832 uit Reinaert II.*39 Ook buiten de roman om was deze fabel bekend in de fabelliteratuur.*40 In de roman vertelt Reinaert hoe zijn vader, eveneens Reinaert geheten, en Tibert elkaar trouw hadden gezworen. Op een dag werden ze achtervolgd door jagers met honden. Tibert wordt ervan beschuldigd zijn kompaan in de steek te hebben gelaten door veilig in een boom te klimmen. Reinaerts vader kon nog juist aan de tanden van de honden ontkomen door in een hol te kruipen. De sproke mag met recht een omwerking heten; de romancontext ontbreekt geheel en blijkbaar speelt hier niet meer Reinaerts vader een rol, maar Reinaert zelf. De kater in de boom is een ekster geworden, genaamd Ave. Mogelijk speelde Willem een vage herinnering aan de fabel van de vos en de raaf door het hoofd*41; in de sproke is het Reinaert echter niet om de kaas te doen maar om de ekster zelf. Ave doorziet de ware aard van de vos evenwel en leidt zijn aandacht van een naderende jager met jachthonden af, waardoor hij door de honden zo stevig gebeten wordt `Dat Reynart al sijn naden craecten Vanden rocke' (vs.204-205); een staaltje Reinaerdiaanse humor.
De fabel 24.Vanden serpent is een niet onverdienstelijke navertelling van vs.4858-5045, waarin de hier irrelevante romancontext wederom behendig is weggewerkt. Dit verhaal was overigens ook los van Reinaert II in de folklore zeer wijd verbreid en wordt gerekend tot het Aarne-Thompson 155-type.*42 In de roman maakt het verhaal deel uit van een pleidooi voor de onmisbaarheid van Reinaerts raad voor de koning, uitgesproken door Reinaerts tante, de apin Rukenau*43: de vos loste ooit een moeilijk rechtsprobleem op, waarmee hij de eer van de koning vergrootte. In de roman hing het serpent met zijn nek in een strik, maar Willem herinnerde zich wellicht een grappiger variant en maakte van het serpent een tweede Bruun, klem zittend in een gespleten boom.*44 Nadat de ridder is aangevallen door het bevrijde serpent, gaan deze twee hun recht zoeken. De partijdige rechters in het geschil tussen de man en het serpent zijn in de roman de raaf*45 Corbout en zijn zoon, alsmede Bruun de beer en Isengrijn de wolf; zij waren net als het serpent roofdieren, misdadigers dus, en gaven het serpent groot gelijk om de ridder te willen opeten. In de sproke zijn de rechters naïeve prooidieren: het schaap en de gans, die uit incompetentie het serpent in het gelijk stellen.*46 De gerechtsscène aan het hof van de koning heeft Willem weggewerkt, maar Reinaerts oplossing om de hele situatie te reconstrueren en bij het oude te laten, is dezelfde gebleven. Blijkens vs.51 heeft Willem de stof mogelijk aan een voorleessessie (van de roman?) te danken: `Men leest ons dus in een figure'.*47
Tenslotte is 44.Vanden hont die verbroeyt wort ontleend aan vs.7456-7499, waarin Reinaert, na zijn overwinning in het duel met Isengrijn, tot de koning spreekt. Hij vergelijkt de troep honden uit de gelijkenis met de opportunistische, aanvankelijke medestanders van Isengrijn. Gezien vs.67 kan men vermoeden dat Willem ook deze stof heeft ontleend aan een voorleessessie: `Men leest ons voer in een figure'.*48 Geen van de sproken vertoont letterlijke overeenkomsten met de roman, hetgeen erop kan duiden dat Willem bij het dichten uit zijn geheugen heeft gewerkt.
Verder heeft Willem de Reinaertfiguur een hoofdrol toebedacht in 9.Dit is van Reyer die vos, een gedicht van eigen
vinding, terwijl de vos in diverse andere sproken kort figureert als de model-schalk.*49 Líjkt Reinaert in 24.Vanden
serpent vrij sympathiek als hij een nog ergere schalk verschalkt, in 9.Dit is van Reyer die vos is hij een positieve figuur die
zijn tante, de wolvin, afraadt om op bedevaart naar Aken te gaan omdat God haar ook zal verhoren in de dichtstbijzijnde
parochiekerk. Door naar haar eigen kerk te gaan, kan ze tevens allerlei gevaren en verleidingen - vooral voor vrouwen -
ontlopen die de pelgrimstocht eigen zijn. Overal elders is Reinaert bij Willem de leugenachtige schalk, de valse egoïstische
raadsman aan het hof, die in17.Vanden waghen ook nog eens in één adem genoemd wordt met de verachtelijke Simon de
Tovenaar, de belichaming van de simonie (vs. 24-25). Willem zal, net als Potter, de associatie van Reinaert met de
onbetrouwbare opportunistische raadsman (aan het hof) toch vooral aan Reinaert II ontleend hebben.
Titus Livius
In 8.Dit is van ere vertelt Willem het volgende verhaal: een Romeins veldheer heeft met zijn leger een stad belegerd. De
schoolmeester van die stad, die meent hiermee zijn eigen belang te kunnen dienen, neemt twee kinderen van notabelen mee
buiten de stad en levert ze uit aan de veldheer. Nu zou de stad zich gedwongen zien om zich over te geven. De veldheer
blijkt evenwel niet van dergelijk verraad gediend, beloont de verrader met stokslagen en stuurt hem met de twee kinderen
terug naar de stad. Nu het de stedelingen duidelijk is geworden dat zij belegerd worden door een eerzaam en rechtvaardig
heer, leveren zij zich vrijwillig aan hem uit. Dit verhaal over de veldheer Camillus en de verraderlijke schoolmeester van
Falerii is afkomstig van de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius (59 v.C.-17 n.C.) en staat beschreven in het 27e
hoofdstuk van het vijfde boek van zijn Ab urbe condita.*50 Willem kan de Latijnse tekst niet zelf gelezen hebben. Als we
op zijn woorden mogen vertrouwen, heeft hij het verhaal in een Dietse versie gehoord, want hij bekent: `Exempel recht
gheliken desen Heb ic eenwarff horen lesen' (vs.31-32).
Het hostiewonder van Amsterdam
Willems gedicht 84.Vanden sacramente van Aemsterdam en de bron hiervoor vallen enigszins buiten het bestek van deze paragraaf. De bron voor het gedicht is niet traceerbaar gebleken, en bovendien is het de vraag of deze wel als een literaire bron mag worden beschouwd. Toch wordt hier in het kader van het bronnenonderzoek aandacht aan het gedicht besteed.
Dat de sproke vrijwel zeker teruggaat op een schriftelijke bron, daarvan getuigt Willems nauwkeurigheid in bepaalde
details, alsmede zijn verwijzing naar een `scriftuer':
By Midmaert op enen dach
Int jaer ons Heren, alsmen plach
XIII hondert vol te scriven
Ende XLV daer toe nach,
Alsoe scriftuer betughen mach (84; 301-305)
In katholieke kringen wordt die datering van het mirakel, 15 maart 1345, als correct beschouwd. Pluym beredeneert dat de bediening door de priester plaats vond op die datum en de hostie op 16 maart 1345 werd gevonden.*51 Alle bronnen spreken weliswaar over de dinsdag voor Palmzondag in het midden van maart, maar verschillende geven als jaartal 1342, in tegenstelling tot Willem. Bruch, de editeur van de Middelnederlandse Beke-continuatie, noemt in dezen hetChronicon Tielense, Johannes de Beke, Theodoricus Pauli en Johannes Leydis. Alhoewel 15 maart, de dinsdag voor Palmzondag wel klopt voor het jaar 1345 en niet voor 1342, maakt Bruch duidelijk dat 1342 het oorspronkelijke jaartal in de historische bronnen was. Pas toen men had nagerekend dat 1342 niet het juiste jaartal geweest kon zijn, hebben enkelen het veranderd in 1345: dit jaartal werd vervolgens in een deel van de overlevering ingepast.*52 Post ziet in het jaartal 1342 waarschijnlijk terecht een vroege schrijffout.*53
Willems vertelling van het Amsterdamse hostiewonder verloopt, afgezien van proloog en epiloog, aldus. In Amsterdam lag een man ziek op bed die vreesde te zullen sterven. De ontboden priester diende hem het laatste sacrament toe, met de mededeling dat als de man de hostie weer zou opgeven, deze in stromend water of het vuur moest worden gegooid.*54 Toen de man de hostie opgaf, werd het H.sacrament in het vuur gegooid. De volgende ochtend kon een [zijn?] vrouw de ongeschonden hostie weer uit het vuur nemen. Een tweede vrouw [de schoondochter?] bekeek de hostie en ze besloten deze in een kist te bewaren. Toen de zoon naar zijn zieke vader kwam kijken, pakte hij de hostie beet waardoor er een vlek op kwam. Vervolgens vertelde de zoon alles aan de priester, die de hostie in een bus deed. Nadat de bus was omgevallen, bleek de hostie onvindbaar. De priester drukte allen op het hart over het hele voorval te zwijgen, om praatjes en gespot te voorkomen. Even later trof men de hostie weer in de kist aan. De volgende ochtend nam de priester de hostie mee naar de kerk, waar deze alras nogmaals verdween en opdook in het huis van de zieke man. Toen daarop het kind van de zoon en de schoondochter [?] aan vallende ziekte begon te lijden, genas het pas toen de man beloofde het wonder wereldkundig te maken en hij zijn kind voor het kruisbeeld in de kerk had gebracht. Nadien bouwde men een kapel op de plaats waar het huis stond, omwille van het wonder dat plaatshad in het midden van maart 1345.
Tot zover het verhaal bij Willem. Het wonder raakte al snel wijd en zijd bekend, en in 1347 werd er inderdaad op de plaats van het wonder een kapel gebouwd en gewijd: de Heilige Stede. Vanaf 1360 waren er in Amsterdam sacramentsprocessies waarin de hostie door de straten werd gedragen. Pluym is ervan overtuigd dat het hier om de originele hostie ging, maar Post en Bruch melden dat de Utrechtse bisschop op 30 november 1346 de echte al door een tweede had laten vervangen - de eerste hostie verging door ouderdom - , en dat dit feit in het vergeetboek was geraakt.*55 Vele bedevaartgangers bezochten de kapel. Het beheer van de H.Stede viel, ten tijde van Albrecht van Beieren, onder de graaf, tot 1372. Toen ging het beheer over op Albrechts kapittelkanunniken van het kapittel van de H.Maria te Den Haag, Maria-ten-hove genaamd. Pas in 1415 kwam de kapel onder het beheer van de burgemeesters, raden en regeerders van de stad Amsterdam.*56
Van de schriftelijke bronnen die van het hostiewonder gewag maken, zijn de meeste te jong om door Willem gebruikt te kunnen zijn. Afgezien van een vijftal Latijnse oorkonden (waarvan twee onbetrouwbare jonge afschriften) uit de periode 1345-1347 en een suppliek van Albrecht uit 1378*57, die geen van allen verwantschap vertonen met de sproke, zijn de oudste twee verhalende versies over het hostiewonder die van Willem zelf en de Middelnederlandse vertaling en continuatie van de Chronographia Johannis de Beke.*58 De Latijnse kroniek van Beke dateert uit 1346, en beleefde enkele Latijnse continuaties. De Middelnederlandse, vertaalde en vermeerderde versie dateert uit 1393. Omstreeks 1390 is aldus Bruch het hostiemirakel ingevoegd.*59 Bruch beschouwt deze tekst als de oudste van de twee. Men is het daarentegen niet eens over de datering van de sproke van Willem. Post dateert ±1400 en beschouwt Willems tekst - in dat geval onterecht - als de oudste, terwijl Sterck ±1385 dateert, wat wel vroeg, maar mogelijk is.*60 Pluym ziet in Hildegaersberch iemand die leefde in de tijd dat het mirakel plaatsvond, maar hier is de wens de vader van de gedachte.*61 Het is welbeschouwd niet uit te maken welke van de twee teksten de oudste is, omdat concrete gegevens voor de datering van de sproke ontbreken. Men kan weinig anders vaststellen dan dat de teksten ongeveer gelijktijdig zullen zijn ontstaan.
Vergelijking van de sproke met de Beke-continuatie wijst uit dat er geen directe afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen de twee teksten.*62 De verschillen zijn evident, afgezien nog van het feit dat het verhaal bij Beke in beknopt proza verteld wordt. In de eerste plaats is er het verschil in datering: de Beke-continuator dateert 1342, Willem 1345. Bij Beke zijn de familierelaties doorzichtiger: het gaat om een zieke vader, zijn zoon en diens echtgenote. Bij Willem is ook sprake van een zieke vader en een zoon, maar het is niet geheel zeker of de twee vrouwen de respectievelijke echtgenotes zijn. De zoon is in elk geval wel gehuwd, want als zijn kind ziek wordt, spreekt Willem in vs.268 van `hoer kint': het kind van het (jongere) echtpaar. Bij Beke is het de zoon die de hostie uit het vuur haalt, bij Willem is het een vrouw. Bij beide keert de hostie tweemaal terug, maar Beke zwijgt van het omvallen van de bus, terwijl Willem het geen ciborie noemt. Het gebod van de priester over het geval te zwijgen, komt bij Beke niet uit de verf. Beke laat de hostie tenslotte met veel vertoon in de kerk plaatsen, Willem in de latere kapel van de H.Stede. Tot slot gewaagt Beke over genezingen en bevrijdingen in het algemeen, maar Willem heeft het (naast genezingen van lammen en blinden) in het bijzonder over de vallende ziekte van het kind en de genezing voor het kruisbeeld. Het terugkeren van de hostie, en de ziekte en genezing van het kind zijn bij Willem duidelijk gemotiveerd. Ze tonen Gods wens tot erkenning van het hostiewonder: het wonder moet geopenbaard worden en de hostie moet blijven op de plaats waar deze telkens terugkeerde. Daarom is het logischer dat Willem tenslotte vertelt dat de hostie in de kapel van de H.Stede werd bijgezet, en minder logisch dat volgens Beke de hostie tenslotte toch naar de parochiekerk werd overgebracht. In tegenstelling tot andere bronnen, zijn er ook overeenkomsten: de hostie krijgt een `smette' en gaat niet kloppen als een hart en de relatie vader-zoon is alleen bij Beke en Willem duidelijk.
Ondanks dat de versies van Willem en Beke de oudste verhalende versies zijn, had ook hier reeds de legendevorming rond het mirakel plaatsgehad, zoals Post constateert, in tegenstelling tot Pluym, die grote moeite gedaan heeft om alle versies van het verhaal met elkaar in overeenstemming te brengen. Post acht vele toevoegingen aan het niet-verbranden van de hostie ontsproten uit de `volksverbeelding': de verdwijning en terugkeer van de hostie, de vlek, later de hostie die klopt als een hart, de vallende ziekte van het kind en de genezing (later in verschillende varianten opgetekend).
Dat Willem en de Beke-vertaler zich baseerden op `een verhaal' dat `in Amsterdam aanwezig was', houdt Bruch voor
zeker.*63 Men kan zich afvragen of beide zich baseerden op hetzelfde geschrift: waarom niet op twee variante geschriften,
bijvoorbeeld een Dietse voor Willem (met het jaartal 1345) en een Latijnse voor de Beke-vertaler (met 1342)? En er
bestaat uiteindelijk ook nog een kleine kans dat Willem het verhaal toch uit de mondelinge traditie kende en zich slechts
beroept op een geschrift (oorkonde?) van-horen-zeggen. Post kan in ieder geval geen andere conclusie trekken dan `dat er
op het einde der veertiende eeuw twee recensies van het verhaal in omloop waren', inclusief `legendevorming'.*64
De St.Gertrude-legende
Zoals reeds aangestipt in hoofdstuk 3, representeert Willems sproke 74.Van Sinte Gheertruden min een bijzondere,
`Hollandse' versie van de St.Gertrude-legende, afwijkend van de in de Latijnse traditie wortelende Nijvelse versie en de in
de volksdevotie wortelende Maaslandse versie. Mogelijk heeft Willem zich zelf gebaseerd op een reeds langer (ook
mondeling) in omloop zijnde, `Hollandse' versie van de ridderlegende. Als we Willem op z'n woord geloven, heeft hij de
legende ergens gelezen (vs.162).
De St.Petrus-legende
De sproke 81.Vanden sloetel bevat in de vs.131-149 een deel van de St.Petrus-legende, die is terug te vinden in de
Legenda Aurea van Jacobus de Voragine.*65 Het betreft hier Petrus' vlucht uit Rome. Op zijn weg kwam hij Christus
tegen met het kruis op Zijn rug om Zich andermaal te laten kruisigen, nu in Rome. Toen Petrus dit hoorde keerde hij terug
naar Rome en werd zelf gekruisigd. De Legenda Aurea was in de Nederlanden in diverse vertalingen bekend, terwijl
verschillende heiligenlegenden stonden opgenomen in de Ystorien Bloeme*66, waaronder bovengenoemde. Aangezien het
evenwel om één van de allerbekendste legendes gaat, is het beslist niet noodzakelijk dat Willem zich moest baseren op een
schriftelijke bron, al heeft hij het in vs.152 over lezen. Het is vrij aannemelijk dat Willem de St.Petrus-legende uit de
mondelinge traditie kende.
Van den IX besten
Een sproke die Willem blijkens 75.Een exempel van heren lijkt te kennen, is Van den IX besten.*67 In vs.11-15 somt de
spreker de negen besten in dezelfde volgorde op: Hector, Alexander de Grote, Julius Caesar, Jozua, David, Judas
Makkabeüs, Artur, Karel de Grote en Godfried van Bouillon. Het is uiteraard niet geheel zeker of Willems kennis hier op
een sproke teruggaat of zelfs op deze sproke, het is wel opvallend dat de aandacht die in Van den IX bestengeschonken
wordt aan het sterfjaar van de negen helden (en dus aan hun sterfelijkheid), bij Willem lijkt te zijn omgezet in een `ubi
sunt-motief'. Een soortgelijk ubi sunt-motief treft men aan in het slot van de anonieme sproke Dit is van .VI. vaerwen ende
.XII. outheyden, deen metten anderen bediedt.*68 Weliswaar is de opsomming aldaar niet volledig en behoort de
genoemde Constantijn de Grote niet tot de traditie van de Negen Besten, wel zegt de dichter tegen zijn publiek: `Haer
groet heerheit es al leden. Selve moeti oec van steden; Si varen vore, wi comen naer' (vs. 249-251). Ook Willem merkt,
direct na zijn opsomming, op: `Dese heren mosten onghespaert Sterven, ende ghi sult oeck den ganc Volghen mede, ist
cort, ist lanc' (vs.16-18). Of er in dit geval sprake is van ontlening, is moeilijk te zeggen. Aangenomen dat Willem zijn
gedicht tevens aan het Hollandse hof heeft voorgedragen, biedt een aankoop in 1395 een aardig bewijs, dat het publiek met
de Negen Besten bekend was: `Item enen man betailt van enen cleynen bemailden cledekijn dair negen die beste in staen in
die raitcamer II Dordr. gulden facit IIII s. VI d.g.'
Van maer en Niemant ter werelt sonder dat
De Vooys heeft gewezen op overeenkomsten tussen Willems sproke 19.Van mer, Van maer uit het Comburgse handschrift,
en Niemant ter werelt sonder dat uit het Haagse Liederenhandschrift.*69 Problematisch is of de sproke van Willem jonger
of ouder is dan de andere twee. Het Comburgse handschrift is tussen ca.1380 en 1425 tot stand gekomen*70: in theorie
kan Van maer zowel aan Willems sproke voorafgegaan als erop gevolgd zijn. Van maer is een klacht*71 in de vorm van
een strofisch gedicht met een refreinachtige regel waarin het woordmaer steeds terugkeert. In het gedicht wordt betoogd
dat een onaangenaam woord de wereld in zijn greep houdt, namelijk het woord `maar', waarmee ondeskundigen,
kwaadsprekers en afgunstigen altijd wel iets ten nadele van eerzame personen weten te zeggen. Op allerlei rechtschapen
lieden heeft men aldus wat aan te merken: paus, keizer, koning, prinsen, heren, geleerden, ridders, schildknapen,
raadsheren, stedelijke handhavers der wet, rentenierende poorters, ambachtslieden, kooplui, deugdzame vrouwen,
echtelieden en kloosterlingen. En ook:
Predict een cleerc die waerheit,
Of toecht een zijn meesterie,
Pijpt hi, zijncht hi, of dichte seit,
Of spel toecht, of melodye, (vs.65-68)
dan zijn er altijd wel lomperiken zonder gevoel voor kunst die er wat op aan te merken hebben. Men merke op dat hier het eigenbelang van de sprookspreker in het spel gebracht wordt. De spreker smeekt God tenslotte: `Weerpt onder voet dit felle maer!' (vs.88). De overeenkomst met Willems sproke bestaat uit het identieke gebruik van het woord maer en in de `standenrevue'. Willems sproke is niet echt strofisch te noemen: de onderscheiden strofen zijn van wisselende lengte. Wel eindigt elke strofe met een refreinachtige regel waarin het woord `mer' voorkomt: meestal `Mer is woort dat luttel vroomt!'.*72 Willem past daarentegen gepaard rijm toe, terwijl inVan maer het rijmschema ababcdcd is.
Willems sproke is geen klacht, maar een satirische - of zelfs hekelende - tekst. Eerst prijst hij allerlei vertegenwoordigers der diverse standen, om daar vervolgens met de nodige ironie aan toe te voegen dat `mer' niet te pas komt, dat de `mer' ontbreekt, of dat hij de `mer' vergeet te vermelden. Het effect is dat op iedere loftuiting een `maar niet heus!' volgt. Op deze manier hekelt Willem de handel en wandel van paus, kardinalen, legaten, bisschoppen, prelaten, abten, monniken, parochiepapen, kanunniken, geestelijken in het algemeen, keizer, koningen, hertogen, graven, ridders, knapen, baljuwen, schouten, schepenen, boeren, kooplieden, zeelui en vrouwen. Vooral hebzucht, onrechtvaardigheid en hoogmoed blijken onder alle standen welig te tieren. Tot slot vraagt Willem zich af hoe het toch kan dat `Meerre [=maar] crijcht dus groet ghewelt, Dat mense dicht bi [=toedicht aan] goeden luden?' (vs.194-195, vgl. Van maer). Het antwoord is: slechts aan de goede zit geen `maar' verbonden, doch deze goede woont wel ver weg. Alleen aan God vindt men geen gebrek.
De twee sproken hebben dus een aantal overeenkomsten, maar ook verschillen, en uit de inhoud der gedichten kan men niet goed afleiden welke sproke het eerst gemaakt zal zijn. Van maer kan als reactie op Willems sproke gedicht zijn: met `maar' wordt de reputatie van goede lieden door het slijk gehaald. Aan de andere kant is het denkbaar dat Willem zich door Van maerjuist heeft laten inspireren - men zou haast zeggen: verleiden - tot een satirische versie. Mocht dit laatste het geval zijn geweest, dan ligt het voor de hand dat Willem de sproke Van maer in sprooksprekerskringen heeft gehoord. Mocht Van maer een reactie zijn op Willems sproke, dan pleit dit in zeker opzicht voor het gewicht dat aan Willems woorden gehecht werd.
De overeenkomst tussen Niemant ter werelt sonder dat en 19.Van mer beperkt zich voornamelijk tot de slotstrofen. Het
Haagse Liederenhandschrift, zoals dat is overgeleverd, dateert uit ca.1400, maar het kan een afschrift zijn van een
handschrift dat in de tweede helft van de 14e eeuw tot stand is gekomen; het bevat althans sproken uit deze periode.*73
Het lijkt aannemelijk om in Niemant ter werelt sonder dat de oudste van de twee sproken te zien. Wordt in de
refreinachtige regel al duidelijk dat `Daer is niemant sonder dat' (op iedereen valt wel iets aan te merken), in de slotstrofe
en bij Willem heet het achtereenvolgens:
[Daer is niemant sonder dat,]
Die ye ter werelt wert geboren,
Sonder Hi, die 't al besat.
Hi maecte locht, eerde ende coren
[...]
In der werelt, ys't droge, ys't nat,
El niemant dan Hi sonder dat! (vs.69-75)
Meerre maect een weynich dat,
Waer Mer an is, hem brect al wat;
Doch die goede is sonder Meerre.
Wijsten mi, hi woent noch verre,
Die Mer en heeft noch dat en ghien;
Mar God is sonder dat alleen;
Wil hi ons helpen ende raden,
So en can ons Mer noch dat ghescaden. (19; 197-204)
Tenzij hier de schijn bedriegt en de overeenkomst louter zou zijn gebaseerd op het bestaan van een spreekwoordelijke
uitdrukking*74 waarop beide sproken onafhankelijk van elkaar teruggaan, lijkt Willem hier te steunen op de sproke van
een voorganger. De Vooys denkt dat Willem het gedicht Niemant ter werelt sonder dat in de `Hollandse
sprooksprekerskringen' heeft gehoord.*75
Augustijnken: Van den scepe
Op Van den scepe*76 van z'n, waarschijnlijk reeds overleden, collegaspreker Augustijnken maakt Willem mogelijk een
toespeling. In Van den scepe vertelt de spreker hoe hij langs de Merwede bij het kasteel van Vrou Ere kwam, waar een
aantal deugden als allegorische dames verblijf hield. Hij zag hoe men een allegorisch, uit deugden opgetrokken schip in
gereedheid bracht en hoe de allegorische dames onder aanvoering van Vrou Ere uitvoeren, tot schande van (de heren van)
Holland. Willem opent 73.Dit is vander ghiericheit aldus:
Die sloetel van vrou Eren toern
Die is der edelheit ontverret. (ontnomen, onttrokken)
Tslot wort out ende zeer verwerret, (raakt in verval)
Men cant ghereyden noch ghestellen. (herstellen)
Ghiericheit ende hoer ghesellen
Die doen vrou Eren overlast,
Haer en helpt muer noch toren vast
[...]
Vrou Eer die mach hoer wel beclagen,
Si wort ghewacht in felre laghen,
Ende hoer en comt nerghent gheen ontset. (73; 4-10, 13-15)
En in de eennalaatste strofe van deze sproke zegt hij: `Vrou Eren schip is langhe ghevaren' (vs.242). Het is niet ondenkbaar
dat Willem hier bewust, en voor het publiek herkenbaar (?), teruggrijpt op Augustijnkens beeld van vrouw Ere, haar kasteel
en haar schip, dat Holland verlaat. Mogelijk refereert hij ook nog aan Augustijnkens sproke in 69.Vander verrisenis, waarin
hij zegt dat heren hun land met verstand moeten regeren en `wonen op vrou Eren toren Alle dage wel behoet' (vs.116-117,
geciteerd naar hs.B). Tenslotte: in 83.Hoemen voer die eere gaet schulenvertelt Willem hoe `Ghiericheit [...] vrou Eren
hout versaecht, Dat si wijcken moet van huus Ende al hoer dienres maect confuus, Die mit vrou Eren souden leven' (vs.26, 28-31).
Dat scamelheit thoechste poent es van minnen
Het lijdt, gezien de proloog, geen twijfel dat de anonieme sproke Dat scamelheit thoechste poent es van minnen*77 uit het
beroemde handschrift-Van Hulthem uit sprooksprekerskringen afkomstig is.*78 In de verhalende sprokekern krijgt een
jonge ridder van het object van zijn onbesuisde liefde, een rijpere getrouwde vrouwe, de opdracht na te gaan wat in de
liefde `dat hoechste point si te Gode ende ter werelt' (vs.85-86). Van z'n nicht krijgt hij de oplossing*79: het is `rechte
Scamelheit' (vs.136). Immers:
Scamelheit houdt den man wel tonder
een stuc tijts, ende doet verwachten
alle dinc, daer toren ende lachter
af comen mochte, tot eneger stede. (vs.142-145)
[...]
Die Scamele en es niet sonder ere (vs.151)
[...]
Scamelheit doet sinne verteren,
Scamelheit doet spottens verweren,
Scamelheit es ene vaste pallure, (staatsiekleed)
want gheen lac*80 en mach daer duere (vs.155-158)
Dit is het antwoord dat de vrouwe goedkeurt. Zij remt de ridder vervolgens in zijn amoureuze toenaderingen door hem aan
zijn eigen wijze les te herinneren. Als zij aan z'n liefde had toegegeven, zo zegt zij, `verloren haddic al mine ere' (vs.224).
Willem noemt in zijn 41.Van seven doechden der minnen als voornaamste liefdesdeugd de `Schamelheit':
Die eerste graet, daer minnen op rijst
Ende ons der eren pat bewijst,
Dat is Gherechte Schamelheit,
[...]
Schamelheit die doet bekinnen
Watter eren toebehoirt,
Hier om ist der minnen oert
In schamelheden eerst fondeert.
Wye minne draecht off eer begheert,
Die moet ontschamelheit vertyen, (nalaten)
Ende hem in schamelheit belyen;
Wye ter minnen dienste staet,
Die schaemt hem altoes boser daet. (41; 39-52)
Het heeft er alle schijn van dat niet alleen Dirc Potter, blijkens zijn hoofdstuk over de `goede bloem geheiten scamelheit' uit
zijn Blome der doechden*81 kennis had van deze waarschijnlijk vermaarde, laat-14e eeuwse Hollandse sproke, maar ook
Hildegaersberch. In het (hypothetische) geval dat Scamelheit jonger zou zijn dan Willems sproke, en de onbekende spreker
zijn gedicht naar aanleiding van Willems tekst maakte, wordt daarmee het prestige van Hildegaersberch slechts vergroot.
Noch is self dat alrebeste cruut
Kalff suggereerde naar aanleiding van een verzameling `Liederanfänge' van Hoffmann von Fallersleben, dat Willem zich liet
inspireren door een lied dat begint met de verzen*82: `Noch is self dat alrebeste cruut, Dat ie ghewies in gaerden'. Dit doet
inderdaad sterk denken aan 12.Van enen cruut ende hiet selve, waarin woordspelingen worden gemaakt op `selve' in de
betekenissen van `salie' en `geld' (en `zelf/ego'?).*83 Opmerkelijk zijn deze regels bij Willem:
Selven macht is also breyt,
Dat gheen cruyt en wast op aerde,
Dat Selve gheliken mach in waerde. (12; 288-290)
Het lied zelf, zoals boven bedoeld, is verloren gegaan. Hoffmann von Fallersleben, die ook nog verwijst naar de
Souterliedekens, trof de twee liedregels aan in het geestelijke, laat-15e eeuwse, Deventerse Liederhandschrift.*84 Boven
het geestelijke lied met de beginregel `Help rike here god, mi is so wee' staat ter aanduiding van de melodie: `Dit is die
wise: Noch is selfe dat alrebeste cruut, dat ie ghewies in gaerden'. Hoe oud het lied geweest zal zijn, valt moeilijk na te
gaan. Hoffmann von Fallersleben verwees, zoals gezegd, ook naar de Souterliedekens. Het betreft psalmvertalingen, in
1540 gemaakt door Willem van Zuylen van Nyevelt, op de melodieën van bestaande, populaire volksliederen. Bij elke
psalm gaf ook hij, ter aanduiding van de melodie, de beginregel van het bewuste volkslied op. Bij psalm 122 gaf hij als
melodie-aanwijzing op: `Noch is selfs dat alder beste cruyt'.*85 Omdat het Selve-lied ons niet is overgeleverd, moet een
bindende conclusie hier achterwege blijven. Het is evenwel goed mogelijk dat het lied te jong is geweest om door Willem
gekend te zijn.*86 Bovendien hoeft de lieddichter niet aan Willem ontleend te hebben, want het kan zijn dat de twee
dichters zich onafhankelijk van elkaar lieten inspireren door het spreekwoord: `Selve is guedt cruyt, mer sy wesset in
allemans hooven niet'.*87
De omkoopbare rechter (Speculum Laicorum?)
De sproke 17.Vanden waghen behandelt op satirisch-hekelende wijze de dagelijkse praktijk van corruptie en omkoperij in
de rechtspraak. Het verhaal zou tot de preekstof gerekend kunnen worden, want het is (in een aantal varianten) als exempel
terug te vinden in diverse prekenbundels. G.R.Owst noemt in dezen het Alphabetum Narrationum van Arnold de Liège en
de Summa Predicantium van John Bromyard, maar meldt tevens dat het verhaal ook in `English vernacular sermons' is
opgetekend, en hij citeert daarbij uit de exempelenbundel Jacob's Well.*88 Willems sproke lijkt nog het meest op het
verhaal zoals dat verteld wordt in het Speculum Laicorum (eind 13e eeuw; caput III, De advocatis), want hierin wordt de
rechter niet respectievelijk omgekocht met een os en een koe, maar met een wagen en een os (bij Willem: een wagen en
vier ossen). Kern van het verhaal is dat de rechter door omkoping eerst op de hand van de ene, en vervolgens op de hand
van de andere procederende partij is. Als de benadeelde partij merkt dat hij gaat verliezen, maakt hij tegenover de rechter
een min of meer bedekte toespeling op de wagen, waarna de rechter zijn partijdigheid laat blijken door toespeling te maken
op de os(sen).*89 Het is bepaald denkbaar dat Willem voor zijn sproke geïnspireerd werd door een volkspreek waarin het
verhaal verteld werd.
Freidank
De sproke 80.Vanden woeckenaer van Willem vertoont aanzienlijke overeenkomsten met het 27e gedicht uit de
Bescheidenheit van de Spruchdichter Freidank (overl. 1233) uit de editie van Bezzenberger.*90 De korte Spruch handelt
net als de langere sproke over de drie standen en de stand der woekeraars. De Spruch en de sproke openen
achtereenvolgens met de woorden:
Got hât driu leben geschaffen:
gebûre, ritter unde pfaffen;
daz vierde geschuof des tiuveles list,
daz dirre drîer meister ist:
daz leben ist wuocher genant,
daz slindet liute unde lant. (27; 1-6)
God, die is ende ye ghewas
Ende ewich blijft, die luste das,
Te maken drierehande leven;
Ende watter meer is an ghedreven, (bijgekomen)
Dat scoep die vyant onghehuyr.
Papen, heren ende ghebuer, (boeren)
Dese drie leven maecte God.
Nu heeft die duvel doer sijn spod
Daer na ghemaect den woeckenaer,
Die dander drie mit sijnre schaer
Mach vernoeghen ende verlienen.*91 (80;1-11)
De inhoudelijke overeenkomsten zijn evident. Het meest opvallende is dat Freidanks formulering van `driu leben' aanleiding
lijkt te hebben gegeven tot `drie leven' (vs.7) bij Willem, wat toch enigszins ongebruikelijk Middelnederlands is.*92 Willem
betoogt kennelijk in navolging van Freidank en met meer omhaal van woorden dat God drie standen schiep: adel,
geestelijkheid en boerenstand. De vierde stand is van de duivel afkomstig: hij maakte de woekeraar. Even verder zegt
Freidank over de woekeraar: `ern slâfet und envîret [=rust] niht: er gewinnet nahtes alsô vil sô tages' (vs.16-18). Willem
werkt een soortgelijke gedachte uit: `Die duuster nacht, den dach van morgen Vercoopt die woeckenaer te voren'
(vs.78-79) en even verder: `Want slaept hi, waect hi, nacht ende dach, Sijn ploech die gaet ghelijcke voert' (vs.108-109).
Tenslotte gaat Freidank in vs.21-40 uitgebreid in op wat er na de dood met de woekeraar gebeurt. Zodra hij is gestorven
wordt `sîn lîp, sêl unde guot in driu geteilt' (vs.22-23). Ieder krijgt zijn deel: `den würmen' krijgen het lichaam toebedeeld,
de ziel is voor `dem tiuvel', en zijn goederen gaan naar `die hêrren' (vs.25-27). Freidank legt uit dat ieder content is met zijn
eigen deel: `der tiuvel hât dekeinen muot weder ûf lîp noch ûf guot', de heer begeert `sêl noch lîbes', en de wormen `gerent
sêl noch guotes niht' (vs.33-34, 36, 38). Freidank concludeert: `sus kan teilen 's tiuvels list, daz ieglich teil daz liebest ist'
(vs.39-40). Deze passage vindt men - zij het niet echt letterlijk - terug bij Willem (vs.171-194). Als de woekeraar is
gestorven, zo legt hij uit, `In drien soe gaetment deilen dan' van wat er is overgebleven (vs.174). Ook Willem zegt: `Den
wormen wortet vleysch ghegheven', de duivel `haelt die ziel tot sinen deel' en de erfgenamen ontfermen zich razendsnel
over `Tgoet' (vs.176, 179, 180). En Willem legt eveneens uit dat ieder zich tevreden stelt met zijn deel: `Al mocht den
duvel tvleysch verschinen Ende tgoet, dat en gheert hi niet', het blijkt dat de wormen `die ziel noch tgoet en gheren', en dat
degenen die het goed in ontvangst hebben genomen `en gheerden tlichaem noch die ziel' (vs.184-185, 188, 192). Willems
conclusie lijkt op die van Freidank: `Dus denct een yghelijc van desen Sijn eyghen deel dbeste wesen' (vs.193-194).
Willems woordkeuze en versbouw benaderen die van Freidank soms dicht. Men kan vrij veilig besluiten dat
Hildegaersberch het gedicht van Freidank goed gekend heeft. Het is denkbaar dat hij het meerdere malen gehoord heeft, of
ooit gelezen, en globaal gememoriseerd. (Het werk van Freidank was in de Nederlanden niet onbekend, getuige alleen al de
rijmspreuken die in hs.H op Willems oeuvre volgen. Men bedenke ook dat talloze Duitse sprekers in de tweede helft van de
14e eeuw het Haagse hof bezocht hebben; een deel van hen zal traditionele Spruchdichtung op het repertoire hebben
gehad). Na het gedicht in zich te hebben opgenomen, zal de spreker vervolgens Freidanks verzen in zijn sproke vrij hebben
verwerkt. Het is minder aannemelijk dat Willem de verzen van Freidank direct uit een schriftelijke bron in zijn gedicht te
pas heeft gebracht: daarvoor ontbreekt het ons weer tezeer aan doorslaggevende letterlijke (detail)overeenkomsten. Telt
Freidanks Spruch slechts 40 verzen, Willems sproke is 210 verzen lang. Willem neemt de tijd om diverse aspecten van de
woeker door te lichten; hierop wordt nader ingegaan in par.6.6.
Douze mois figurés
De sproke 49.Vanden twaelff maenden vertoont aanzienlijke overeenkomst met Douze mois figurés, een anoniem Frans gedicht uit ca.1350.*93 Het gaat om een vrij bekend gedicht, dat in een zevental handschriften is overgeleverd, en dat verschillende malen is nagevolgd, ook buiten Frankrijk.*94 Zowel Douze mois figurés als 49.Vanden twaelff maenden bespreken de levensstadia van de mens aan de hand van de twaalf maanden van het jaar. Iedere maand representeert een levensstadium van zes jaar: januari symboliseert het `tijdvak' van de één- tot zesjarigen, december van de 66- tot 72-jarigen. Veel motieven uit Douze mois figurés keren, zij het niet steeds op dezelfde plaats, terug in Willems sproke. Inhoudelijke vergelijking leert dat49.Vanden twaelff maenden - met sporadisch enkele vertaalde verzen - een bewerking van Douze mois figurés is.*95 De sproke staat ontegenzeggelijk in de traditie, of beter, vrijwel aan het begin van de traditie van de Douze mois figurés*96: Willems sproke levert binnen de Europese letterkunde de op één na oudste versie van het thema `twaalf maanden - twaalf levensstadia der mens', en binnen de Middelnederlandse letterkunde de oudste. Terzijde zij opgemerkt dat de indeling in levensfasen op zich een lange traditie kent. Augustinus deelde in zijn De civitate Dei, naar analogie van de scheppingsdagen, de wereldgeschiedenis in zes stadia in*97, en trok daarbij de vergelijking met de zes menselijke levensfasen.*98 Ook Middelnederlandse dichters vóór Willem hebben zich reeds bezig gehouden met de menselijke levensstadia. Maerlant verdeelde in zijn Naturen Bloeme het leven van de mens in zes (ongelijke) trappen.*99 In de anonieme sprokeDit is van .VI. vaerwen ende .XII. outheyden, deen metten anderen bediedt*100 wordt het mensenleven verdeeld in (wederom) zes stadia van 12 jaar en een laatste stadium van acht jaar. Dit gebeurt aan de hand van zeven kleuren. Ondanks een aantal voor de hand liggende motief-overeenkomsten (het onnozele kind, de krachtige dertiger), ontbreken, in tegenstelling tot het Franse gedicht, steeds de indeling in 12 stadia en de parallel met de 12 maanden.
Een paar elementen uit Douze mois figurés ontbreken weliswaar bij Willem, maar mogelijk was hier opzet in het spel. Wat bij Willem ontbreekt is: de ontluikende liefde en geestelijke adeldom in april (24 jaar), mei als ideale tijd om het zwaard ter hand te nemen (30 jaar), het vervliegen van de schoonheid van de man die geen `knaap' meer genoemd kan worden (juli, 42 jaar), het verdorren en afsterven van het groen in november en het groter verlangen naar warme taart dan naar de liefde van een dame in de ouderdom (december, 72 jaar). Belangrijk is ook het ontbreken van het anecdotische Franse slot bij Willem, waar de dichter voorrekent dat men geen 72 jaar bewust leeft: ook al is de mens 72 jaar toegemeten, een (opzettelijk overtrokken?) rekensom leert dat men slechts 16 jaar volop beleeft. De helft van het leven verslaapt men namelijk (36 jaar) en de eerste 15 jaren van de kindertijd beleeft men weinig bewust. Tenslotte verliest men nog eens 5 jaar met ziektes of verblijf in de gevangenis... En wie zo onverstandig is om te trouwen, heeft helemaal geen leven! Aangenomen dat het Franse slot door Willem gekend is en bewust weggelaten, dan kan men vermoeden dat hij het slot heeft weggelaten omwille van het cynische of anecdotische karakter.
Het is de vraag of de bewerking uit het Frans van Willem zelf is, of dat hier een ander voor verantwoordelijk geacht moet
worden. Er zijn talloze hypotheses denkbaar. In het meest eenvoudige geval heeft Willem op een gegeven moment, in het
sprooksprekersmilieu, de hand weten te leggen op het Franse gedicht Douze mois figurés. Wellicht kreeg hij het gedicht
van een Frans- of tweetalige spreker.*101 Willem heeft dan, met de kennis die hij van het Frans bezat een
Middelnederlandse sproke gemaakt. Hij heeft daarbij eigen accenten aangebracht en in zijn ogen minder relevante details
weggelaten. Zelfs met een dergelijke eenvoudige verklaring doemen er problemen op. Is het wel zo waarschijnlijk dat een
sprookspreker geen Latijn kende, maar wel Frans? Men kan natuurlijk veronderstellen dat, waar Willem voor de vertaling
van een Latijnse tekst de hulp van een clerk zocht, hij dit ook voor een Franse tekst kan hebben gedaan. Het is evengoed
denkbaar dat het gedicht in het sprooksprekersmilieu rouleerde, eerst in de Franstalige gebieden, en via een tweetalige
spreker daarna vertaald in het Middelnederlandse taalgebied. Daarop kan Willem de sproke hebben overgenomen of het
thema hebben gebruikt om het, met behoud van een aantal typerende formuleringen en motieven, op zijn manier nogmaals
onder woorden te brengen. En aangezien Hildegaersberch niet bepaald in positieve zin gepreoccupeerd was met de
thematiek van wereldse minne en strijd, ontbreken deze elementen in de sproke - misschien ook met het oog op een
geïntendeerd burgerlijk publiek.*102 Het is anderzijds niet uitgesloten dat Willem inderdaad tenminste op elementair
niveau Frans kende. In het Hollandse milieu van varende lieden hebben zich bij tijd en wijle ook Franstalige sprekers
gemengd, om van musici maar te zwijgen, al moet aangetekend worden dat blijkens de Hollandse rekeningen het hof een
grotere aantrekkingskracht uitoefende op Duitse, dan op Franstalige sprekers.*103 Communicatie en uitwisseling van
dichtstof tussen Franstalige en Hollandse sprekers is echter verre van denkbeeldig, en wellicht werd de conversatie dan wel
gevoerd in het Frans. Op deze wijze zou Willem de nodige kennis van het Frans hebben kunnen opdoen. Het probleem kan
niet afdoende opgelost worden, maar de mogelijkheid bestaat dat Willem 49.Vanden twaelff maendenzelf naar een Frans
voorbeeld bewerkte.
Willems literaire `kennis' zou ook kunnen blijken uit het terloops noemen van namen van bekende literaire personages,
zoals Alexander de Grote, Hector, Karel de Grote en Artur.*104 Vanwege het terloopse karakter valt nauwelijks na te
gaan of Willem werkelijk bekend was met Alexander-, Troje-, Karel- of Arturromans, of dat hij zich met zulk literair
strooigoed `belezener' voordeed dan hij in werkelijkheid was.*105 De meest `uitgesproken' kennis spreidt hij tentoon over
de dood en begrafenis van de eens zo machtige en hebzuchtig geworden Alexander de Grote. In21.Vanden doemsdaghe
ende van sterven zegt hij:
Alexander des ghelijck,
Die nyemant mochte wederstaen,
Die doot die quam ende deden saen
Alle sijn hoecheit hier teschoeren,
Hem bleeff enen huus mit nauwen doeren,
Daer hi in wonen most allien. (21; 280-285)
Op het eerste gezicht zou dit op kennis van Maerlants Alexanders geesten*106 kunnen duiden. Maerlant zegt immers:
Bi Alexandere prouvent wi allene:
Dien de werelt was te clene,
Die geeste seghet ons daer af:
Hem was groot ghenouch een graf
Van vijf voeten maerberijn (vs.1489-1493)
Bij nader inzien zijn de overeenkomsten toch te oppervlakkig, zweemt de uitspraak van Willem naar topiek*107 en verraadt deze althans geen specifieke kennis van de Alexanders geesten. Het feit dat hij verder nergens wezenlijk dieper ingaat op bovengenoemde personages en werken, mag misschien als indicatie gelden dat Willems kennis in dezen nogal oppervlakkig was. En mogelijk heeft Jonckbloet gelijk als hij vermoedt, dat Willem uit onwetendheid koning Artur, samen met Karel de Grote en Godfried van Bouillon, in 66.Van drierehande lyden weinig typerend rekent tot de grote geloofshelden.*108
Refereert Willem tot slot met zijn opmerkingen over het `wout sonder ghenade(n)' (ged.31; vs.51, en ged.51; vs.51) aan
de Roman van den riddere metter mouwen? In deze roman wordt dit woud geïntroduceerd met de woorden: `Dit hetet
tFelle Woud sonder Genade'.*109 Het is echter zeer wel mogelijk dat we met een `buiten-literair' gebruik van dit begrip te
doen hebben en dat Willem impliciet verwijst naar een legendarisch Vlaams en/of Hollands woud.*110 Willem hanteert het
begrip inmiddels wel `spreekwoordelijk': het staat bij hem voor een penibele situatie waaruit men lastig ontsnapt. Tot zover
het onderzoek naar Willems literaire kennis en bronnen.
De hoeveelheid bronnen en kennis is niet overweldigend, maar stelt anderzijds ook niet teleur, in aanmerking genomen dat we met een sprookspreker te maken hebben, die in zijn opleiding niet de kans heeft gehad veel literatuur aan zijn parate kennis toe te voegen en die de bronnen niet onder handbereik had, zoals de clerken. Willem valt niet te vergelijken met clerk-auteurs als Maerlant en Boendale, want voor Willem is de `cleergie' te `subtijl' (61; 25). Wat het onderzoek heeft opgeleverd, zijn blijken van ontlening aan een aantal schriftelijke bronnen - waarbij niet telkens vaststaat of Willem ze onder ogen heeft gehad, of heeft horen voordragen: het gaat dan om teksten van Boendale, Maerlant, De Weert en Livius, passages uit Reinaerts historie en waarschijnlijk teksten over het Amsterdamse hostiewonder en St. Gertrude. Vervolgens leverde het onderzoek een hoeveelheid verhalen en gedichten op (waaronder een Duitse en een Franse) uit het mondelinge circuit, in het bijzonder sprooksprekerskringen. Maar ontlening van stof aan de volkspreek valt evenmin uit te sluiten.
Alleen aan Boendale heeft Willem vrij uitgebreid en letterlijk ontleend. In alle andere gevallen, of we nu te maken hebben met schriftelijke of mondelinge bronnen, treffen we bij Willem een techniek aan, die zich globaal genomen kenmerkt door selectie op bruikbaarheid, bewerking, omwerking en vrije variatie. Uit Boendale en Maerlant selecteerde hij bijvoorbeeld verschillende malen bruikbare gedachten en formuleringen (over de heren, de kerk, Affricanus), waarop hij in zijn sproken dan min of meer vrij varieerde zoals het hem het beste uitkwam. Bij De Weert leende hij enkele gedachten en rijmwoorden. Drie stukken uit Reinaert II vertelde hij naar eigen inzicht na. Verder wendde hij bijvoorbeeld de stof van (een vertaling van?) Douze mois figurés te eigen bate aan, en verwijderde hij waarschijnlijk de hem onwelgevallige - en niet op een verondersteld burgerlijk publiek toegesneden? - details betreffende wereldse liefde en strijd. Een groot deel van Freidanks standengedicht laste hij in goeddeels eigen woorden in, dienstig aan zijn brede betoog over de standen en de woeker.
Ongetwijfeld kunnen er bij nader onderzoek meer bronnen boven water komen, en zullen er ook daarna nog bronnen overblijven waarvan we geen weet hebben. Zegt Willem zelf niet: `Ic heb hier voertijts horen lesen Van goeden heren dit of dat, Mar nye en vant ic boec noch blat, Daer enich meester in bescreef...' (112; 72-75)? Als we hem in deze en soortgelijke verzekeringen mogen geloven, dan valt nauwelijks te overzien hoeveel bronnen er tot nu toe over het hoofd gezien zijn, of verloren zijn gegaan.
Het voorafgaande bronnenmateriaal in aanmerking genomen, kan vastgesteld worden dat Willem - zoals gezegd - niet alleen uit de (primair) schriftelijke traditie heeft geput, maar onmiskenbaar ook uit teksten die primair uit de mondelinge traditie afkomstig waren. Dit onderscheid mag evenwel niet al te strikt worden gehanteerd. Willem kan schriftelijk gefixeerde teksten, zoals Reinaert II, toch mondeling hebben vernomen. En niet alle hierboven genoemde sproken behoeven hem mondeling ter ore te zijn gekomen: wij kennen ze immers zelf ook dankzij hun schriftelijke fixatie. Niettemin heeft het er alle schijn van dat, meer dan de `gezeten clerk-auteur', de sprookspreker goed ingevoerd was in, en gebruik heeft gemaakt van teksten uit het sprekersmilieu.
De bronnen waaruit de spreker geput heeft, informeren ons over zijn literaire kennis, maar tot op zekere hoogte ook over de literaire kennis van zijn publiek: zoals bekend appelleert de dichter met (al dan niet openlijke) referenties aan andere teksten óók aan de literaire kennis van zijn publiek. Toch is voorzichtigheid met betrekking tot het mediëvistische credo van het `herkennende publiek' geboden. Men mag niet als vanzelfsprekend veronderstellen dat het publiekalle reminiscencies heeft opgemerkt, ook niet als het om (soms echter toch vage en weinig expliciete) verwijzingen gaat naar schriftelijk gefixeerde teksten. De filoloog heeft de gelegenheid en tijd om teksten op schrift naast elkaar te leggen, uitvoerig te bestuderen en vergelijken. Het publiek dat naar de sprookspreker luisterde, was daartoe niet in staat, en had daar mogelijk ook helemaal geen behoefte aan. Aan nog meer twijfel kan het onderhevig zijn of het publiek alle verwijzingen naar teksten heeft opgemerkt die in eerste instantie circuleerden in het mondelinge milieu. Aangezien het gesproken woord, zeker in eenmalig voorgedragen vorm, vluchtig is, zal de herinnering aan veel sproken - bij een komen en gaan van sprekers - na verloop van tijd vervagen. Bovendien kreeg het publiek niet elke sproke te horen, die Willem hoorde. Men moet er derhalve ernstig rekening mee houden dat wat voor Willem - als specialist op het gebied van de sprokenliteratuur - een ontlening aan een reeds bestaande sproke was, voor zijn publiek nieuw kon zijn. Het is zelfs denkbaar dat de spreker erop speculeerde dat aan hem bekende stof voor het publiek nog onbekend was. Met dit alles wil allerminst gezegd zijn dat de literaire kennis van de spreker die van z'n publiek steeds zal hebben overtroffen.
Hier eindigt het onderzoek naar Willems literaire kennis. Alhoewel Jonckbloet meende dat Willem slecht op de hoogte was
van de letterkunde*111, blijkt dat zijn literaire kennis heel behoorlijk te noemen is - zolang men hem als sprookspreker niet
wil vergelijken met de clerk-auteurs. Hoogstens zou uit het enigszins willekeurige karakter van een deel van zijn bronnen
kunnen worden afgeleid, dat bij Willem het toeval een rol heeft gespeeld en dat hij voorts moest woekeren met zijn kennis
en talenten.